Ik roep u vaarwel toe, o land, door wolken omgeven,
Wier mist, als een lijkkleed, gebergten omhult;
Waar de aad'laar zijn schreeuw huwt aan 't ruischen der stroomen,
Waar schrikwekkende storm steeds de eenzaamheid vult.
Door een woest, romanesk oord leidde onze weg. De Ben-Lomond, dien
wij rechts lieten liggen, stak boven al de overige bergen uit. Ik was
verdiept in overpeinzingen, die zwaar op mijn gemoed drukten. Doch
toen wij na een langen, moeielijken tocht uit een bergpas kwamen,
en de spiegelgladde oppervlakte van het Lomond-Meer voor ons lag,
toen was het, of ik plotseling ontwaakte. Wie is in staat dit
landschap te beschrijven! Eene reeks van schilderachtig schoone
eilanden van verschillende gedaante, rijst op uit het heerlijke
meer, dat, naar het noorden zich vernauwend, in de verre, donkere
bergkloven geheel verdwijnt, terwijl het zich naar het zuiden meer
en meer uitbreidt, en de bochten en voorgebergten van een bekoorlijke
landstreek bespoelt. De oostkust was te dien tijde de hoofdplaats van
Mac-Gregor en zijn clan. Om hen in bedwang te houden, had men in het
fort, tusschen den Loch-Lomond en een ander meer, eene kleine bezetting
gelegd. Maar door de natuur was de landstreek zoo goed versterkt en
had zoo vele bergpassen, moerassen, holen en andere sluiphoeken,
dat die kleine vesting het gevaar eer duidelijk aanwees, dan dat
ze genoegzame bescherming daartegen verschafte. Reeds bij meer dan
ééne gelegenheid had de bezetting de gevolgen van den koenen moed van
Mac-Gregor en diens aanhangers ondervonden. Maar de voordeelen welke de
balling op zijne vijanden behaalde, werden nooit door eenige gruweldaad
bezoedeld, wanneer hij zelf aanvoerder was. Want even goedaardig als
schrander, besefte hij zeer goed, dat het alleszins gevaarlijk was,
zich noodeloos gehaat te maken. Met genoegen vernam ik, dat hij de op
den vorigen dag gevangen gemaakte militairen ontslagen had. Nog vele
dergelijke trekken van zachtmoedigheid, ja zelfs van grootmoedigheid,
van dezen merkwaardigen man heb ik van allerlei personen vernomen.
In een bocht, onder eene hooge rots, verbeidde ons eene boot, die
met vier kloeke Hooglandsche roeiers bemand was, en nu nam onze
gastheer hartelijk afscheid van ons. Hem en Jarvie scheen de band
van wederzijdsche achting te verbinden, wat met hunne zoo geheel
verschillende bedrijven en gewoonten eene scherpe tegenstelling
vormde. Toen zij elkander hartelijk omhelsd hadden en op het punt van
scheiden waren, verzekerde Jarvie met een vol hart en eene bevende stem
zijn neef, dat, indien honderd pond, ja al ware het ook tweehonderd,
hem of de zijnen in staat konden stellen om tot een eerlijk bestaan
te geraken, hij hem dit slechts met een paar woorden behoefde te
melden. Maar Robbert vatte met de eene hand het gevest van zijn zwaard
en drukte met de andere Jarvie's hand, terwijl hij hem verzekerde,
dat bijaldien iemand zijn neef beleedigen mocht, en deze hem daarvan
bericht zond, hij den beleediger, al ware die ook de eerste persoon
van geheel Glasgow, de ooren van het hoofd zou houwen.
Na deze wederzijdsche verzekeringen van voortdurende vriendschap
en welwillendheid, stieten wij van den oever af en zetten koers
naar den zuidwestelijken hoek van het meer, waaruit het riviertje
de Leven ontstroomt. Robbert bleef nog geruimen tijd op den top der
rotsen staan, waarvan onze boot afgevaren was. Hij was ook nog op vrij
verren afstand zichtbaar door zijn lang geweer, zijn bont fladderend
gewaad en de enkele pluim op zijne muts, waardoor in die tijden de
Hooglandsche edelman en soldaat zich onderscheidden, ofschoon de
Hooglandsche krijgslieden thans hunne mutsen met eene groote menigte
zwarte vederen versieren. Eindelijk zag ik hem langzaam den heuvel
afdalen, vergezeld van de manschappen, die zijne lijfwacht uitmaakten.
Nu voeren wij vrij lang voort, zonder het stilzwijgen te
verbreken. Slechts nu en dan klonk over het water het Gaelische gezang,
dat een der roeiers op eene zachte onregelmatige wijs aanhief, en
dan in een woesten koorzang overging, waarin hij door zijne kameraden
begeleid werd.
Diepe zwaarmoedigheid drukte mij ter neêr. Doch het gezicht van de
ongemeen fraaie landstreek, die ons omringde, verzachtte mijn leed. In
de dweepachtige stemming van het oogenblik verbeeldde ik mij, dat ik,
als ik Roomsch-Katholiek geweest ware, op een der bevallige eilanden,
tusschen welke onze boot henengleed, zeer gaarne als een stille
kluizenaar zou willen leven en sterven.
Jarvie gaf zich insgelijks geheel aan zijne overpeinzingen over. Maar
ik merkte, dat ze van de mijne vrij wat verschilden, toen hij, na lange
stilte, gedurende welke hij de behoorlijke berekeningen had gemaakt,
trachtte te bewijzen, dat het wel mogelijk zou zijn, het meer droog te
maken en voor ploeg en egge vele honderden, ja vele duizenden morgen
lands te winnen, die thans volstrekt niets opleverden, dan hoogstens
een snoek of waterbaarsje. Uit zijn langwijlig betoog, waarvan ik
een tamelijk onverschillig toehoorder was, herinner ik mij, dat het
onder anderen mede tot zijn ontwerp behoorde, dat hij ook een vaart
in het meer tusschen Dumbarton en Glenfalloch behouden wilde hebben,
breed en diep genoeg voor kolenschepen.
Eindelijk bereikten wij de landingsplaats, niet ver van de ruïnen
van een oud kasteel, waar het meer zijne wateren in de rivier de
Leven uitstort. Hier wachtte Dugald ons met de paarden. Jarvie had
een plan ten behoeve van dien knaap gevormd. Het was even goed als
dat tot het droogmaken van het meer, maar bij beide had hij veel meer
op de voordeelen dan op de uitvoerbaarheid er van gelet.
»Dugald," zeide hij, »gij hebt een goed hart en weet wat uwe meerderen
toekomt. Maar het leven dat gij leidt, zal u vroeg of laat in het
verderf storten en uwe ziel hier namaals reddeloos doen verloren
gaan. Ik verbeeld mij, dat de diensten, welke ik in mijn ambt aan
onze goede stad Glasgow bewezen heb, even als mijn vader zaliger, de
wijkmeester, vóór mij heeft gedaan, mij eenig aanzien, eenigen invloed
verschaft hebben, zoo dat ik, dunkt mij, de heeren van den raad wel
zou kunnen bewegen, om, ten opzichte van hetgeen door u bedreven is,
genade voor recht te laten gelden, te meer, dewijl ze bij nog veel
grooter wanbedrijven wel eens, om des lieven vredes wil, een oog
toegedrukt hebben. Wilt gij derhalve met mij naar Glasgow gaan, Dugald,
dan kunt gij als een fiksche, goedgespierde kerel, mij voorloopig in
mijn magazijn behulpzaam wezen, tot er zich iets beters voor u opdoet."
Maar Dugald antwoordde, dat hij voor het welgemeende aanbod van
den heer Jarvie alleszins dankbaar was, maar volstrekt niet weer te
Glasgow wilde komen, dan alleen als men hem, even als vroeger, in
boeien en banden derwaarts sleepte. Hij was, zoo als ik naderhand
vernam, inderdaad wegens deelneming aan een gepleegden roof, als
gevangene naar Glasgow gebracht geworden. Daar had hij de gunst van den
opzichter der gevangenis gewonnen en zich langen tijd in diens dienst
getrouw gedragen, tot eindelijk, bij de onverwachte verschijning
van zijn voormaligen gebieder, zijne ingewortelde neiging weer de
overhand behaalde. Verwonderd over Dugald's weigerend antwoord op
eene zoo voordeelige aanbieding, werd Jarvie te meer in zijne meening
versterkt, dat de man een domkop was. Oneindig beter behaagde Dugald
mijne dankbaarheid, toen ik een paar guinjes in zijne hand liet
glijden. Met ongedwongen behendigheid maakte hij eenige sprongen,
en spoedde zich toen naar de roeiers, die een klein gedeelte, dat
hij hun van het hem geschonkene gaf, nu ook in eene recht vroolijke
stemming bracht.
Toen hij zich verwijderd had, stegen wij te paard en vervolgden onzen
weg naar Glasgow.
Weldra hadden wij het meer en de buitengewoon fraaie bergketen uit
het oog verloren. Ik kon mij niet weerhouden nog een poos te gewagen
van mijne bewondering van deze zoo bekoorlijke landstreek, ofschoon ik
wel wist, dat Jarvie de man niet was, op wien schoone natuurtooneelen
indruk maakten.--
»Gij zijt nog jong," zeide hij, »en daarenboven een Engelschman:
dit is de reden, waarom gij dit alles zoo fraai vindt. Ik, die een
eenvoudig man ben, hoewel ik zeer goed weet wat landerijen waard zijn,
geef gaarne het schoonste natuurtooneel, dat het Hoogland oplevert,
voor het eerste gezicht der daken van Glasgow. Ben ik maar eens weder
te huis, dan zal ik wel zorg dragen, dat ik voortaan niet weder zoo
zonder eenige noodzakelijkheid, louter om iemand pleizier te doen,
naar dit verwenschte land op reis ga."
De wensch van den goeden man werd spoedig vervuld. Na flink
doorgedraafd te hebben, hadden wij zeer laat in den avond zijne
woning bereikt.
Zoodra ik zag, dat mijn waarde reisgenoot zich weder onder de
zorgvuldige hoede van zijne dienstvaardige Martha bevond, begaf ik mij
naar mijne voormalige herberg, waar ik, zelfs op dit ongewone uur,
nog eenige vensters verlicht zag. Niemand anders opende mij de deur
dan Andries, die, mij herkennende, van vreugde luidkeels schreeuwde,
en, zonder een enkel woord te zeggen, de trap opstoof naar de kamer,
waarin ik het licht had zien branden. Ik dacht met recht, dat hij mijne
komst den, wegens mijn lang wegblijven buiten twijfel bekommerden Owen,
wilde aankondigen, en ik volgde hem op den voet. Maar Owen was niet
alleen in die kamer: naast hem zat--mijn vader.
Eerst trachtte hij zijne gewone bedaardheid te behouden, zeide op
eenigszins gedwongen toon: »het verheugt mij u te zien, Frans!"--Maar
terstond daarop omvatte en omhelsde hij mij met liefdevolle woorden:
»mijn zoon, mijn dierbare zoon!"--Owen vatte mijne eene hand, welke
hij met zijne tranen bevochtigde, terwijl hij mij met mijne terugkomst
gelukwenschte. Welk een onvergetelijk oogenblik! zelfs nu nog komen
de tranen in mijne oude oogen, als ik het mij herinner.
Na de eerste opwelling onzer vreugde, vernam ik, dat mijn vader,
kort nadat Owen zich op reis naar Schotland begeven had, uit Holland
teruggekomen was. Van voortvarenden aard in al zijne handelingen,
vertoefde hij daar slechts korten tijd, om zich de middelen te
verschaffen, waardoor hij de loopende wissels ten laste van zijn
kantoor zou kunnen voldoen. Zijne uitgestrekte correspondentie en
zijn sedert zoo vele jaren alom gevestigd krediet, hetwelk hij aan
het welslagen van zijne ondernemingen op het vaste land en zijne
voorbeeldige eerlijkheid en stiptheid in den handel te danken had,
stelden hem weldra in staat, om thans in persoon datgene bijzonder
spoedig tot stand te brengen, wat in zijne afwezigheid zeer moeilijk
en langzaam had kunnen gedaan worden. Eindelijk vertrok hij naar
Schotland, om Rashleigh tot verantwoording te noodzaken en tevens om
zijne zaken in dat land behoorlijk te regelen. Zijne komst te Glasgow
in zulke onverwacht gunstige omstandigheden, was een donderslag voor
Mac-Vittie en diens compagnon, die stellig geloofd hadden, dat hij voor
altijd geruïneerd was. Ten uiterste verstoord over de onbetamelijke
bejegening, welke zijn brave boekhouder van hen ondergaan had,
bleef mijn vader doof voor alle verontschuldigingen en voorslagen
tot een vergelijk, en toen hij de loopende rekening vereffend had,
verklaarde hij hun, dat zijn koopmansboeken voor altijd voor hen
gesloten zouden zijn.
Terwijl hij zich over deze zegepraal op zijne schijnvrienden verheugde,
was hij om mij niet weinig bekommerd. De goede Owen had niet vermoed,
dat eene reis van ongeveer zestig Engelsche mijlen, die, van Londen
uit, in alle richtingen zoo gemakkelijk en zoo veilig te doen is,
met eenig gevaar kon vergezeld gaan in Schotland. Maar ook hij werd
beangst, toen hij de ongerustheid van mijn vader bemerkte, die het land
en het onbeschaafde, schier woeste karakter der bewoners beter kende.
Deze bezorgdheid steeg tot pijnlijken angst, toen, kort vóór mijne
terugkomst, Andries verscheen, en de, weliswaar ontmoedigende, hoewel
niet weinig overdreven tijding bracht van den neteligen toestand,
waarin hij mij had achtergelaten. De hertog, door wiens soldaten hij
als gevangene was weggevoerd, had hem na een vrij scherp verhoor
niet alleen ontslagen, maar hem tevens in staat gesteld, om zich
ten spoedigste naar Glasgow te begeven, ten einde mijn wedervaren
te berichten.
Andries behoorde eigenlijk tot die lieden, die gaarne van zich doen
spreken en zich inzonderheid dat voorkomen van gewicht trachten te
geven, hetwelk den overbrenger van noodlottige tijdingen doorgaans
van zelf ten deel valt. Hij had dus wel gezorgd, zijn verhaal vooral
niet te zacht te kleuren, te meer, toen hij hoorde, dat de rijke
Londensche koopman zelf geheel onverwacht zijn toehoorder was. Zeer
breedvoerig sprak hij van de gevaren, waaraan hij ontsnapt was,
en wel, zoo als hij te kennen gaf, voornamelijk door zijne ervaring,
zijn ijver en zijne schranderheid. Wat er echter van mij geworden was,
nadat men hem, mijn getrouwen beschermengel, van mijne zijde gerukt
had, kon hij slechts vermoeden, maar met geene zekerheid zeggen:
intusschen moest ik buiten twijfel in levensgevaar verkeeren, zoo
men mij het leven niet reeds benomen had. De heer Jarvie, voegde
hij er bij, was geen man, om iemand in hachelijke omstandigheden
van eenigen dienst of hulp te zijn; integendeel, zou hij met zijne
ten eenemaal verkeerde begrippen en door zijne verwaandheid iemand
van den wal in de sloot helpen, waarom hij, Andries, bijna vreesde,
dat het tusschen de pistolen der ruiters, de geweren der soldaten en
de dolken en sabels der Hooglanders en den diepen stroom naast dit
alles er bij, zeker met mij niet al te best moest zijn afgeloopen.
Deze boodschap zou den goeden Owen tot wanhoop gebracht hebben, als
hij alleen en zonder bijstand geweest ware. Maar mijn vader werd door
zijne groote menschenkennis licht in staat gesteld, om het karakter
van den verhaler te doorgronden en in diens verhaal het ware van het
verdichte te schiften. Al het overdrevene daarvan weggenomen, bleef het
toch nog verontrustend genoeg. Reeds had mijn vader besloten zich zelf
op weg te begeven, om door losgeld of onderhandeling mijne vrijheid
te verkrijgen. Ja, met dat doel was hij thans nog zoo laat bezig,
om met Owen eenige brieven te doorloopen en den dienstvaardigen man
omtrent eenige zaken te onderrichten, die gedurende zijne afwezigheid
in orde moesten gebracht worden.
Het was reeds laat toen wij scheidden, en te ongeduldig om lang rust
te genieten, was ik al zeer vroeg weder op de been. Andries kwam om
zijn dienst bij mij waar te nemen. En zie, de vogelsverschrikkers
gestalte, waarin de Hooglanders hem veranderd hadden, was tot mijne
verrassing geheel verdwenen; hij trad op van top tot teen deftig in
het zwart gekleed. Eerst na eenige vragen, welke de schelm zoo lang
mogelijk niet wilde begrijpen, of ten minste verkeerd beantwoordde,
kreeg ik uit hem, dat hij het als passend had beschouwd, mijnentwege
den rouw aan te nemen. Maar nu wilde de uitdrager, in wiens winkel
hij zich het daartoe noodige had aangeschaft, dat gewaad niet terug
nemen. Daar hij in mijn dienst zijne eigen kleeren verloren had, zou
naar zijn oordeel, noch ik, noch mijn vader, dien de Voorzienigheid
zoo rijkelijk met tijdelijke middelen gezegend had, hem dwingen het
weg te doen en dulden, dat zulk een arme drommel, als hij was, de
schade droeg. Deze list gelukte hem, daar zijne klacht wegens geleden
verlies in mijn dienst alleszins gegrond was. Zoo geraakte hij aan
een vrij goed rouwpak, terwijl zijn heer, over wien hij rouwde,
frisch en gezond was.
Zoodra mijn vader ontwaakt was, bezocht hij den braven Jarvie, wiens
hartelijke goedheid hij met eene innige dankbaarheid erkende, zooals
hij het met eenige weinige krachtige woorden uitdrukte. Toen hij van
den zoo gunstig veranderden toestand zijner zaken had gesproken, bood
hij zijn beproefden vriend, onder voordeelige voorwaarden, het deel in
zijn handel aan, dat Mac-Vittie en Comp. te voren gehad hadden. Jarvie
wenschte mijn vader en Owen hartelijk geluk met dezen zoo gunstigen
keer, en zonder met geveinsde nederigheid te ontkennen, dat hij zijn
best had gedaan, om hun van dienst te zijn, toen de zaken nog geheel
anders stonden, zeide hij slechts, dat hij zoo gehandeld had, als
hij wenschte in diergelijk geval zelf behandeld te worden; terwijl
hij de hem aangeboden uitbreiding aan zijn handel dankbaar aannam.
»Wanneer Mac-Vittie en diens compagnon," zeide hij, »als eerlijke lui
hun plichten waren nagekomen, dan zou ik niet gaarne ten hunnen koste
deze voordeelen willen genieten. Maar daar het tegendeel gebleken is,
moeten zij billijkerwijs daarvoor boeten."
Maar nu nam Jarvie mij ter zijde en fluisterde mij met eenige
verlegenheid het volgende in het oor: »Beste mijnheer Frans, ik
wenschte wel, dat er zoo min mogelijk van al datgene gesproken werd,
wat wij daar ginder hebben gezien. Worden wij niet gerechtelijk
ondervraagd, dan zal het wel 't best zijn, geen enkel woord van de
aan Morris gepleegde daad te reppen. Ook zou men het in onze raadzaal
geenszins roemrijk achten, dat een der leden van den achtbaren raad met
Hooglanders gevochten en een plaid verzengd had. Daarenboven meen ik
mij steeds als fatsoenlijk man te gedragen, wanneer ik in mijn gewonen
doen ben. Maar ik moet wel een zonderling figuur gemaakt hebben, toen
ik zonder hoed en pruik aan dien tak hing. Als zij op het stadhuis
van dat gevalletje hoorden, zou men mij dagelijks er mede plagen."
Toen Jarvie mij dit ongeval herinnerde, kon ik een glimlachje niet
bedwingen. De goedhartige man werd een weinig verlegen. Maar hij
glimlachte ook terwijl hij, het hoofd schuddende, zeide: »ja, ja, ik
kan me best voorstellen hoe het er uitzag, o heel best! Maar spreek er
toch vooral niet van, en beveel uwen praatzieken verwaanden knecht,
dat hij insgelijks zijn mond houdt. Zelfs zou ik niet gaarne hebben,
dat mijn Matje er iets van vernam. Al spoedig werd het dan door de
gansche buurt verspreid en aan het gepraat zou geen einde zijn."
De bezorgdheid van den goeden man, om niet in een bespottelijk licht
te verschijnen, werd zichtbaar verminderd, toen ik hem zeide, dat
mijn vader voornemens was Glasgow terstond te verlaten. Wij hadden
ook werkelijk geen reden om er langer te vertoeven, daar toch de
gewichtigste papieren, die Rashleigh ontvreemd had, weder in onze
handen waren. Wat hij reeds tot geld gemaakt en voor zijne vermetele
plannen besteed had, kon slechts door een rechtsgeding teruggekregen
worden, dat dan ook zonder verwijl begonnen werd.
Wij brachten nog één dag bij onzen gastvrijen vriend door, en namen
toen afscheid van hem, zoo als dan ook mijn verhaal hier afscheid van
hem neemt. Hij klom in welvaart en aanzien, en steeg eindelijk tot de
hoogste eereambten in zijne geboortestad. Omtrent twee jaren na onze
eerste kennismaking werd hij het ongehuwde leven moede en verhief
hij de getrouwe Matje van keukenprinses tot zijne echtgenoote. Zijne
benijders en vijanden, waaronder vooral Grahame en de Mac-Vittie's,
trachtten deze verandering in zijne leefwijze bespottelijk te
maken. Ja, zelfs zijne vrienden vonden den stap bedenkelijk. Doch
Martha gedroeg zich na hare verheffing zoo voorbeeldig, dat zij
alle bezorgdheid daaromtrent volkomen wederlegde. »Laat hen praten,
zooveel zij willen," zeide Jarvie, toen hij van het gebabbel hoorde;
»het deert mij niet. Ik doe toch wat ik goedvind, al blijven zij er
veertien dagen lang in eens door er over praten."
In zijn vreedzaam en nuttig leven, was geloof ik geene gebeurtenis,
die eenige bijzondere melding verdient, dan de voorvallen, die ik
van hem verhaald heb.