HOOFDSTUK XXXVI.

Ik roep u vaarwel toe, o land, door wolken omgeven,

Wier mist, als een lijkkleed, gebergten omhult;

Waar de aad'laar zijn schreeuw huwt aan 't ruischen der stroomen,

Waar schrikwekkende storm steeds de eenzaamheid vult.

Door een woest, romanesk oord leidde onze weg. De Ben-Lomond, dien

wij rechts lieten liggen, stak boven al de overige bergen uit. Ik was

verdiept in overpeinzingen, die zwaar op mijn gemoed drukten. Doch

toen wij na een langen, moeielijken tocht uit een bergpas kwamen,

en de spiegelgladde oppervlakte van het Lomond-Meer voor ons lag,

toen was het, of ik plotseling ontwaakte. Wie is in staat dit

landschap te beschrijven! Eene reeks van schilderachtig schoone

eilanden van verschillende gedaante, rijst op uit het heerlijke

meer, dat, naar het noorden zich vernauwend, in de verre, donkere

bergkloven geheel verdwijnt, terwijl het zich naar het zuiden meer

en meer uitbreidt, en de bochten en voorgebergten van een bekoorlijke

landstreek bespoelt. De oostkust was te dien tijde de hoofdplaats van

Mac-Gregor en zijn clan. Om hen in bedwang te houden, had men in het

fort, tusschen den Loch-Lomond en een ander meer, eene kleine bezetting

gelegd. Maar door de natuur was de landstreek zoo goed versterkt en

had zoo vele bergpassen, moerassen, holen en andere sluiphoeken,

dat die kleine vesting het gevaar eer duidelijk aanwees, dan dat

ze genoegzame bescherming daartegen verschafte. Reeds bij meer dan

ééne gelegenheid had de bezetting de gevolgen van den koenen moed van

Mac-Gregor en diens aanhangers ondervonden. Maar de voordeelen welke de

balling op zijne vijanden behaalde, werden nooit door eenige gruweldaad

bezoedeld, wanneer hij zelf aanvoerder was. Want even goedaardig als

schrander, besefte hij zeer goed, dat het alleszins gevaarlijk was,

zich noodeloos gehaat te maken. Met genoegen vernam ik, dat hij de op

den vorigen dag gevangen gemaakte militairen ontslagen had. Nog vele

dergelijke trekken van zachtmoedigheid, ja zelfs van grootmoedigheid,

van dezen merkwaardigen man heb ik van allerlei personen vernomen.

In een bocht, onder eene hooge rots, verbeidde ons eene boot, die

met vier kloeke Hooglandsche roeiers bemand was, en nu nam onze

gastheer hartelijk afscheid van ons. Hem en Jarvie scheen de band

van wederzijdsche achting te verbinden, wat met hunne zoo geheel

verschillende bedrijven en gewoonten eene scherpe tegenstelling

vormde. Toen zij elkander hartelijk omhelsd hadden en op het punt van

scheiden waren, verzekerde Jarvie met een vol hart en eene bevende stem

zijn neef, dat, indien honderd pond, ja al ware het ook tweehonderd,

hem of de zijnen in staat konden stellen om tot een eerlijk bestaan

te geraken, hij hem dit slechts met een paar woorden behoefde te

melden. Maar Robbert vatte met de eene hand het gevest van zijn zwaard

en drukte met de andere Jarvie's hand, terwijl hij hem verzekerde,

dat bijaldien iemand zijn neef beleedigen mocht, en deze hem daarvan

bericht zond, hij den beleediger, al ware die ook de eerste persoon

van geheel Glasgow, de ooren van het hoofd zou houwen.

Na deze wederzijdsche verzekeringen van voortdurende vriendschap

en welwillendheid, stieten wij van den oever af en zetten koers

naar den zuidwestelijken hoek van het meer, waaruit het riviertje

de Leven ontstroomt. Robbert bleef nog geruimen tijd op den top der

rotsen staan, waarvan onze boot afgevaren was. Hij was ook nog op vrij

verren afstand zichtbaar door zijn lang geweer, zijn bont fladderend

gewaad en de enkele pluim op zijne muts, waardoor in die tijden de

Hooglandsche edelman en soldaat zich onderscheidden, ofschoon de

Hooglandsche krijgslieden thans hunne mutsen met eene groote menigte

zwarte vederen versieren. Eindelijk zag ik hem langzaam den heuvel

afdalen, vergezeld van de manschappen, die zijne lijfwacht uitmaakten.

Nu voeren wij vrij lang voort, zonder het stilzwijgen te

verbreken. Slechts nu en dan klonk over het water het Gaelische gezang,

dat een der roeiers op eene zachte onregelmatige wijs aanhief, en

dan in een woesten koorzang overging, waarin hij door zijne kameraden

begeleid werd.

Diepe zwaarmoedigheid drukte mij ter neêr. Doch het gezicht van de

ongemeen fraaie landstreek, die ons omringde, verzachtte mijn leed. In

de dweepachtige stemming van het oogenblik verbeeldde ik mij, dat ik,

als ik Roomsch-Katholiek geweest ware, op een der bevallige eilanden,

tusschen welke onze boot henengleed, zeer gaarne als een stille

kluizenaar zou willen leven en sterven.

Jarvie gaf zich insgelijks geheel aan zijne overpeinzingen over. Maar

ik merkte, dat ze van de mijne vrij wat verschilden, toen hij, na lange

stilte, gedurende welke hij de behoorlijke berekeningen had gemaakt,

trachtte te bewijzen, dat het wel mogelijk zou zijn, het meer droog te

maken en voor ploeg en egge vele honderden, ja vele duizenden morgen

lands te winnen, die thans volstrekt niets opleverden, dan hoogstens

een snoek of waterbaarsje. Uit zijn langwijlig betoog, waarvan ik

een tamelijk onverschillig toehoorder was, herinner ik mij, dat het

onder anderen mede tot zijn ontwerp behoorde, dat hij ook een vaart

in het meer tusschen Dumbarton en Glenfalloch behouden wilde hebben,

breed en diep genoeg voor kolenschepen.

Eindelijk bereikten wij de landingsplaats, niet ver van de ruïnen

van een oud kasteel, waar het meer zijne wateren in de rivier de

Leven uitstort. Hier wachtte Dugald ons met de paarden. Jarvie had

een plan ten behoeve van dien knaap gevormd. Het was even goed als

dat tot het droogmaken van het meer, maar bij beide had hij veel meer

op de voordeelen dan op de uitvoerbaarheid er van gelet.

»Dugald," zeide hij, »gij hebt een goed hart en weet wat uwe meerderen

toekomt. Maar het leven dat gij leidt, zal u vroeg of laat in het

verderf storten en uwe ziel hier namaals reddeloos doen verloren

gaan. Ik verbeeld mij, dat de diensten, welke ik in mijn ambt aan

onze goede stad Glasgow bewezen heb, even als mijn vader zaliger, de

wijkmeester, vóór mij heeft gedaan, mij eenig aanzien, eenigen invloed

verschaft hebben, zoo dat ik, dunkt mij, de heeren van den raad wel

zou kunnen bewegen, om, ten opzichte van hetgeen door u bedreven is,

genade voor recht te laten gelden, te meer, dewijl ze bij nog veel

grooter wanbedrijven wel eens, om des lieven vredes wil, een oog

toegedrukt hebben. Wilt gij derhalve met mij naar Glasgow gaan, Dugald,

dan kunt gij als een fiksche, goedgespierde kerel, mij voorloopig in

mijn magazijn behulpzaam wezen, tot er zich iets beters voor u opdoet."

Maar Dugald antwoordde, dat hij voor het welgemeende aanbod van

den heer Jarvie alleszins dankbaar was, maar volstrekt niet weer te

Glasgow wilde komen, dan alleen als men hem, even als vroeger, in

boeien en banden derwaarts sleepte. Hij was, zoo als ik naderhand

vernam, inderdaad wegens deelneming aan een gepleegden roof, als

gevangene naar Glasgow gebracht geworden. Daar had hij de gunst van den

opzichter der gevangenis gewonnen en zich langen tijd in diens dienst

getrouw gedragen, tot eindelijk, bij de onverwachte verschijning

van zijn voormaligen gebieder, zijne ingewortelde neiging weer de

overhand behaalde. Verwonderd over Dugald's weigerend antwoord op

eene zoo voordeelige aanbieding, werd Jarvie te meer in zijne meening

versterkt, dat de man een domkop was. Oneindig beter behaagde Dugald

mijne dankbaarheid, toen ik een paar guinjes in zijne hand liet

glijden. Met ongedwongen behendigheid maakte hij eenige sprongen,

en spoedde zich toen naar de roeiers, die een klein gedeelte, dat

hij hun van het hem geschonkene gaf, nu ook in eene recht vroolijke

stemming bracht.

Toen hij zich verwijderd had, stegen wij te paard en vervolgden onzen

weg naar Glasgow.

Weldra hadden wij het meer en de buitengewoon fraaie bergketen uit

het oog verloren. Ik kon mij niet weerhouden nog een poos te gewagen

van mijne bewondering van deze zoo bekoorlijke landstreek, ofschoon ik

wel wist, dat Jarvie de man niet was, op wien schoone natuurtooneelen

indruk maakten.--

»Gij zijt nog jong," zeide hij, »en daarenboven een Engelschman:

dit is de reden, waarom gij dit alles zoo fraai vindt. Ik, die een

eenvoudig man ben, hoewel ik zeer goed weet wat landerijen waard zijn,

geef gaarne het schoonste natuurtooneel, dat het Hoogland oplevert,

voor het eerste gezicht der daken van Glasgow. Ben ik maar eens weder

te huis, dan zal ik wel zorg dragen, dat ik voortaan niet weder zoo

zonder eenige noodzakelijkheid, louter om iemand pleizier te doen,

naar dit verwenschte land op reis ga."

De wensch van den goeden man werd spoedig vervuld. Na flink

doorgedraafd te hebben, hadden wij zeer laat in den avond zijne

woning bereikt.

Zoodra ik zag, dat mijn waarde reisgenoot zich weder onder de

zorgvuldige hoede van zijne dienstvaardige Martha bevond, begaf ik mij

naar mijne voormalige herberg, waar ik, zelfs op dit ongewone uur,

nog eenige vensters verlicht zag. Niemand anders opende mij de deur

dan Andries, die, mij herkennende, van vreugde luidkeels schreeuwde,

en, zonder een enkel woord te zeggen, de trap opstoof naar de kamer,

waarin ik het licht had zien branden. Ik dacht met recht, dat hij mijne

komst den, wegens mijn lang wegblijven buiten twijfel bekommerden Owen,

wilde aankondigen, en ik volgde hem op den voet. Maar Owen was niet

alleen in die kamer: naast hem zat--mijn vader.

Eerst trachtte hij zijne gewone bedaardheid te behouden, zeide op

eenigszins gedwongen toon: »het verheugt mij u te zien, Frans!"--Maar

terstond daarop omvatte en omhelsde hij mij met liefdevolle woorden:

»mijn zoon, mijn dierbare zoon!"--Owen vatte mijne eene hand, welke

hij met zijne tranen bevochtigde, terwijl hij mij met mijne terugkomst

gelukwenschte. Welk een onvergetelijk oogenblik! zelfs nu nog komen

de tranen in mijne oude oogen, als ik het mij herinner.

Na de eerste opwelling onzer vreugde, vernam ik, dat mijn vader,

kort nadat Owen zich op reis naar Schotland begeven had, uit Holland

teruggekomen was. Van voortvarenden aard in al zijne handelingen,

vertoefde hij daar slechts korten tijd, om zich de middelen te

verschaffen, waardoor hij de loopende wissels ten laste van zijn

kantoor zou kunnen voldoen. Zijne uitgestrekte correspondentie en

zijn sedert zoo vele jaren alom gevestigd krediet, hetwelk hij aan

het welslagen van zijne ondernemingen op het vaste land en zijne

voorbeeldige eerlijkheid en stiptheid in den handel te danken had,

stelden hem weldra in staat, om thans in persoon datgene bijzonder

spoedig tot stand te brengen, wat in zijne afwezigheid zeer moeilijk

en langzaam had kunnen gedaan worden. Eindelijk vertrok hij naar

Schotland, om Rashleigh tot verantwoording te noodzaken en tevens om

zijne zaken in dat land behoorlijk te regelen. Zijne komst te Glasgow

in zulke onverwacht gunstige omstandigheden, was een donderslag voor

Mac-Vittie en diens compagnon, die stellig geloofd hadden, dat hij voor

altijd geruïneerd was. Ten uiterste verstoord over de onbetamelijke

bejegening, welke zijn brave boekhouder van hen ondergaan had,

bleef mijn vader doof voor alle verontschuldigingen en voorslagen

tot een vergelijk, en toen hij de loopende rekening vereffend had,

verklaarde hij hun, dat zijn koopmansboeken voor altijd voor hen

gesloten zouden zijn.

Terwijl hij zich over deze zegepraal op zijne schijnvrienden verheugde,

was hij om mij niet weinig bekommerd. De goede Owen had niet vermoed,

dat eene reis van ongeveer zestig Engelsche mijlen, die, van Londen

uit, in alle richtingen zoo gemakkelijk en zoo veilig te doen is,

met eenig gevaar kon vergezeld gaan in Schotland. Maar ook hij werd

beangst, toen hij de ongerustheid van mijn vader bemerkte, die het land

en het onbeschaafde, schier woeste karakter der bewoners beter kende.

Deze bezorgdheid steeg tot pijnlijken angst, toen, kort vóór mijne

terugkomst, Andries verscheen, en de, weliswaar ontmoedigende, hoewel

niet weinig overdreven tijding bracht van den neteligen toestand,

waarin hij mij had achtergelaten. De hertog, door wiens soldaten hij

als gevangene was weggevoerd, had hem na een vrij scherp verhoor

niet alleen ontslagen, maar hem tevens in staat gesteld, om zich

ten spoedigste naar Glasgow te begeven, ten einde mijn wedervaren

te berichten.

Andries behoorde eigenlijk tot die lieden, die gaarne van zich doen

spreken en zich inzonderheid dat voorkomen van gewicht trachten te

geven, hetwelk den overbrenger van noodlottige tijdingen doorgaans

van zelf ten deel valt. Hij had dus wel gezorgd, zijn verhaal vooral

niet te zacht te kleuren, te meer, toen hij hoorde, dat de rijke

Londensche koopman zelf geheel onverwacht zijn toehoorder was. Zeer

breedvoerig sprak hij van de gevaren, waaraan hij ontsnapt was,

en wel, zoo als hij te kennen gaf, voornamelijk door zijne ervaring,

zijn ijver en zijne schranderheid. Wat er echter van mij geworden was,

nadat men hem, mijn getrouwen beschermengel, van mijne zijde gerukt

had, kon hij slechts vermoeden, maar met geene zekerheid zeggen:

intusschen moest ik buiten twijfel in levensgevaar verkeeren, zoo

men mij het leven niet reeds benomen had. De heer Jarvie, voegde

hij er bij, was geen man, om iemand in hachelijke omstandigheden

van eenigen dienst of hulp te zijn; integendeel, zou hij met zijne

ten eenemaal verkeerde begrippen en door zijne verwaandheid iemand

van den wal in de sloot helpen, waarom hij, Andries, bijna vreesde,

dat het tusschen de pistolen der ruiters, de geweren der soldaten en

de dolken en sabels der Hooglanders en den diepen stroom naast dit

alles er bij, zeker met mij niet al te best moest zijn afgeloopen.

Deze boodschap zou den goeden Owen tot wanhoop gebracht hebben, als

hij alleen en zonder bijstand geweest ware. Maar mijn vader werd door

zijne groote menschenkennis licht in staat gesteld, om het karakter

van den verhaler te doorgronden en in diens verhaal het ware van het

verdichte te schiften. Al het overdrevene daarvan weggenomen, bleef het

toch nog verontrustend genoeg. Reeds had mijn vader besloten zich zelf

op weg te begeven, om door losgeld of onderhandeling mijne vrijheid

te verkrijgen. Ja, met dat doel was hij thans nog zoo laat bezig,

om met Owen eenige brieven te doorloopen en den dienstvaardigen man

omtrent eenige zaken te onderrichten, die gedurende zijne afwezigheid

in orde moesten gebracht worden.

Het was reeds laat toen wij scheidden, en te ongeduldig om lang rust

te genieten, was ik al zeer vroeg weder op de been. Andries kwam om

zijn dienst bij mij waar te nemen. En zie, de vogelsverschrikkers

gestalte, waarin de Hooglanders hem veranderd hadden, was tot mijne

verrassing geheel verdwenen; hij trad op van top tot teen deftig in

het zwart gekleed. Eerst na eenige vragen, welke de schelm zoo lang

mogelijk niet wilde begrijpen, of ten minste verkeerd beantwoordde,

kreeg ik uit hem, dat hij het als passend had beschouwd, mijnentwege

den rouw aan te nemen. Maar nu wilde de uitdrager, in wiens winkel

hij zich het daartoe noodige had aangeschaft, dat gewaad niet terug

nemen. Daar hij in mijn dienst zijne eigen kleeren verloren had, zou

naar zijn oordeel, noch ik, noch mijn vader, dien de Voorzienigheid

zoo rijkelijk met tijdelijke middelen gezegend had, hem dwingen het

weg te doen en dulden, dat zulk een arme drommel, als hij was, de

schade droeg. Deze list gelukte hem, daar zijne klacht wegens geleden

verlies in mijn dienst alleszins gegrond was. Zoo geraakte hij aan

een vrij goed rouwpak, terwijl zijn heer, over wien hij rouwde,

frisch en gezond was.

Zoodra mijn vader ontwaakt was, bezocht hij den braven Jarvie, wiens

hartelijke goedheid hij met eene innige dankbaarheid erkende, zooals

hij het met eenige weinige krachtige woorden uitdrukte. Toen hij van

den zoo gunstig veranderden toestand zijner zaken had gesproken, bood

hij zijn beproefden vriend, onder voordeelige voorwaarden, het deel in

zijn handel aan, dat Mac-Vittie en Comp. te voren gehad hadden. Jarvie

wenschte mijn vader en Owen hartelijk geluk met dezen zoo gunstigen

keer, en zonder met geveinsde nederigheid te ontkennen, dat hij zijn

best had gedaan, om hun van dienst te zijn, toen de zaken nog geheel

anders stonden, zeide hij slechts, dat hij zoo gehandeld had, als

hij wenschte in diergelijk geval zelf behandeld te worden; terwijl

hij de hem aangeboden uitbreiding aan zijn handel dankbaar aannam.

»Wanneer Mac-Vittie en diens compagnon," zeide hij, »als eerlijke lui

hun plichten waren nagekomen, dan zou ik niet gaarne ten hunnen koste

deze voordeelen willen genieten. Maar daar het tegendeel gebleken is,

moeten zij billijkerwijs daarvoor boeten."

Maar nu nam Jarvie mij ter zijde en fluisterde mij met eenige

verlegenheid het volgende in het oor: »Beste mijnheer Frans, ik

wenschte wel, dat er zoo min mogelijk van al datgene gesproken werd,

wat wij daar ginder hebben gezien. Worden wij niet gerechtelijk

ondervraagd, dan zal het wel 't best zijn, geen enkel woord van de

aan Morris gepleegde daad te reppen. Ook zou men het in onze raadzaal

geenszins roemrijk achten, dat een der leden van den achtbaren raad met

Hooglanders gevochten en een plaid verzengd had. Daarenboven meen ik

mij steeds als fatsoenlijk man te gedragen, wanneer ik in mijn gewonen

doen ben. Maar ik moet wel een zonderling figuur gemaakt hebben, toen

ik zonder hoed en pruik aan dien tak hing. Als zij op het stadhuis

van dat gevalletje hoorden, zou men mij dagelijks er mede plagen."

Toen Jarvie mij dit ongeval herinnerde, kon ik een glimlachje niet

bedwingen. De goedhartige man werd een weinig verlegen. Maar hij

glimlachte ook terwijl hij, het hoofd schuddende, zeide: »ja, ja, ik

kan me best voorstellen hoe het er uitzag, o heel best! Maar spreek er

toch vooral niet van, en beveel uwen praatzieken verwaanden knecht,

dat hij insgelijks zijn mond houdt. Zelfs zou ik niet gaarne hebben,

dat mijn Matje er iets van vernam. Al spoedig werd het dan door de

gansche buurt verspreid en aan het gepraat zou geen einde zijn."

De bezorgdheid van den goeden man, om niet in een bespottelijk licht

te verschijnen, werd zichtbaar verminderd, toen ik hem zeide, dat

mijn vader voornemens was Glasgow terstond te verlaten. Wij hadden

ook werkelijk geen reden om er langer te vertoeven, daar toch de

gewichtigste papieren, die Rashleigh ontvreemd had, weder in onze

handen waren. Wat hij reeds tot geld gemaakt en voor zijne vermetele

plannen besteed had, kon slechts door een rechtsgeding teruggekregen

worden, dat dan ook zonder verwijl begonnen werd.

Wij brachten nog één dag bij onzen gastvrijen vriend door, en namen

toen afscheid van hem, zoo als dan ook mijn verhaal hier afscheid van

hem neemt. Hij klom in welvaart en aanzien, en steeg eindelijk tot de

hoogste eereambten in zijne geboortestad. Omtrent twee jaren na onze

eerste kennismaking werd hij het ongehuwde leven moede en verhief

hij de getrouwe Matje van keukenprinses tot zijne echtgenoote. Zijne

benijders en vijanden, waaronder vooral Grahame en de Mac-Vittie's,

trachtten deze verandering in zijne leefwijze bespottelijk te

maken. Ja, zelfs zijne vrienden vonden den stap bedenkelijk. Doch

Martha gedroeg zich na hare verheffing zoo voorbeeldig, dat zij

alle bezorgdheid daaromtrent volkomen wederlegde. »Laat hen praten,

zooveel zij willen," zeide Jarvie, toen hij van het gebabbel hoorde;

»het deert mij niet. Ik doe toch wat ik goedvind, al blijven zij er

veertien dagen lang in eens door er over praten."

In zijn vreedzaam en nuttig leven, was geloof ik geene gebeurtenis,

die eenige bijzondere melding verdient, dan de voorvallen, die ik

van hem verhaald heb.

Robbert Roodhaar · 第 49 / 57 题