Ik lijde smart, vertwijfling overmant mij.--
Ik zie de laatste blikken van haar oogen,
Ik hoor de laatste klanken van haar lippen.
Haar engelengelaat--het was de laatste keer.
Vaarwel mijn zielsgeluk, ik zie het nimmer weer.
Basilius.
..... »Zeg mij toch, wat ik van u denken moet, mijnheer Osbaldistone,"
zeide Mac-Gregor, terwijl hij mij de flesch toeschoof. »Gij eet
niet, gij schijnt geen lust tot slapen te hebben, en gij drinkt
ook niet. Toch is deze Bordeaux-wijn zoo goed, alsof hij uit den
kelder van ridder Hildebrand zelven kwam. Waart gij altijd zoo matig
geweest, dan zoudt gij u den doodelijken haat van uw neef Rashleigh
niet berokkend hebben.
»Ware ik altijd voorzichtig geweest," zeide ik, blozend over het
voorval waaraan dit mij herinnerde, »dan zou ik een nog veel grooter
kwaad vermeden hebben: de wroeging van mijn eigen geweten."
Mac-Gregor wierp een snellen en bijna vertoornden blik op mij, als
wilde hij uitvorschen of het verwijt, voor hem in die woorden gelegen,
opzettelijk gedaan was. Maar hij merkte zeer duidelijk, dat ik aan mij
zelven dacht. Diep zuchtende keek hij vóór zich in het vuur. Ik deed
dit insgelijks. Zoo bleven wij gedurende eenige minuten in pijnlijke
gedachten verdiept.
Alles sliep thans in de hut, of was ten minste doodstil. Wij beiden
alleen uitgezonderd. Mac-Gregor brak 't eerst het stilzwijgen af,
en wel op een toon, die duidelijk verried, dat het hem moeite kostte,
over een onaangenaam en pijnlijk onderwerp te spreken.
»Mijn neef Nikolaas," dus begon hij, »meent het goed, maar hij
heeft een man van mijn karakter en in mijne omstandigheden te streng
behandeld. Hij bedenkt niet wat ik geweest ben; wat ik, door dwang
genoodzaakt, heb moeten worden, en vooral niet, wat mij gedwongen
heeft zoo te worden."
Hij zweeg, en ofschoon ik zeer wel gevoelde, hoe netelig het onderwerp
was, waarop het gesprek ons hoogst waarschijnlijk zou brengen, kon
ik echter mijn antwoord niet terughouden. Ik zeide dat ik er niet aan
twijfelen kon, of in Robbert's tegenwoordigen toestand moest veel zijn,
wat voor zijn gevoel alleszins smartelijk was. »Ja, met genoegen,"
voegde ik er bij, »zou ik vernemen, dat er hier of daar een eerlijk
middel te vinden was, om u er uit te redden."
»Gij praat als een kind!" antwoordde Robbert op doffen toon, die
naar het rollen van een verren donder geleek, »als een kind, dat
waant, dat een oude knoestige eik zich even gemakkelijk laat buigen,
als een jonge wilgentak. Kan ik vergeten, dat men mij onteerd heeft
door mij buiten de wet te verklaren;--dat men mij gebrandmerkt heeft
als een verrader; dat men eene belooning op mijn hoofd heeft gesteld,
als ware ik een verscheurende wolf; dat men de mijnen behandeld heeft
als een vossenpaar met hunne jongen, die ieder kwellen, tergen en
beschimpen mag; dat men zelfs mijn naam, dien ik van eene lange en
waarlijk edele reeks van voorvaderen ontving, geschandvlekt en bespot
heeft voor de gansche wereld!"
Onder het spreken zag ik duidelijk, hoe hij zich door het optellen
van geleden beleedigingen opzettelijk meer en meer driftig maakte,
misschien wel om in zijn eigen oogen de dwalingen en misstappen te
rechtvaardigen, waartoe hij zich had laten verleiden. Dit gelukte hem
volkomen. Zijne grijze oogen schenen vlammen te schieten, terwijl
hij met den voet stampte, den greep van zijn dolk vatte, den arm
uitstrekte, de vuist krampachtig balde en eindelijk opsprong.
»Maar," vervolgde hij op denzelfden doffen toon van gesmoorde drift;
»zij zullen voor den naam, dien zij gehoond hebben, voor den naam
van Mac-Gregor, beven, sidderen! Van mijne wraak zullen zij hooren,
die niet naar mij hooren wilden, toen ik mij bij hen over het mij
aangedane onrecht beklaagde. De armzalige Hooglandsche veehandelaar,
de bankroetier, wien ze alles ontroofden, wien zij onteerd en diep
ellendig gemaakt hebben, omdat de hebzucht van anderen meer eischte,
dan de arme man betalen kon; die zelfde veehandelaar zal in eene
vreeselijke gedaante gericht over hen houden. Zij, die den kruipenden
worm bespotten, en onder hunne voeten traden, mogen jammeren en kermen,
als zij zien, dat de vuurspuwende draak op hen nederschiet. Maar
waarom zou ik hierover spreken!" vervolgde hij op meer bedaarden
toon, terwijl hij weder ging zitten. »Gij zult echter wel begrijpen,
mijnheer Osbaldistone, dat het mijn geduld tergt, als ik gejaagd word
als een otter, als een zalm in ondiep water, en dat wel door mijne
eigen vrienden en buren. Een heilige zou het geduld verloren hebben,
wanneer men hem met zoo vele zwaarden en pistolen bedreigd had, als
mij heden bij den overtocht van Arondow overkomen is. Hoe veel te
meer dan een Hooglander, die wegens zijn taai geduld juist niet zeer
beroemd is, dat weet gij immers wel! Maar wat Nikolaas mij zeide,
speelt mij nog door het hoofd. Het spijt mij voor mijne jongens. Mij
wordt 't wezenlijk niet best te moede, als ik denk, dat zij eens in
de voetstappen van hun vader zullen moeten treden."
Hij leunde met het hoofd op de hand en verdiepte zich geheel in
gepeins over het lot van zijne zonen, terwijl zijn eigen lot hem
onverschillig scheen te zijn.
Ik was diep geroerd. De smart van een fier, krachtig, zijner hooge
waarde bewust gemoed, heeft mij steeds ernstiger getroffen, dan de
aandoening van menschen, die lichter er toe bewogen werden om hun
lijden te toonen. De wensch om hem te helpen kwam in mij op, en ik
wilde die verwezenlijken, hoe moeielijk, ja zelfs onmogelijk zulks
ook scheen.
»Wij hebben buiten 's lands uitgebreide betrekkingen," zeide ik; »en
uwe zonen zouden met eene ondersteuning, welke zij gerechtigd zijn
van mijns vaders huis te verwachten, licht eene eervolle loopbaan in
vreemden dienst vinden."
Mijn gelaat moet, naar ik geloof, innige aandoening verraden
hebben. Maar Robbert liet mij niet verder spreken. Hij vatte mijne
hand en zeide: »Ik dank u, ik dank u! Maar niets meer daarvan! Ik had
niet gedacht, dat iemand nog een traan in Mac-Gregors oog zou zien."
Dit zeggende, wischte hij met de vlakke hand den traan uit het
oog, dat door de dikke roode wenkbrauw overschaduwd werd.--»Morgen
vroeg," vervolgde hij, »zullen wij hiervan nader en ook over uwe
aangelegenheden spreken. Want wij begeven ons vroeg op weg, al slapen
wij hier heden nacht ook als op rozen. Nu nog een enkel glas! Gij
doet mij toch bescheid?"
Ik verzocht daarvan verschoond te worden.
»Welnu, dan moet ik mij zelf bescheid doen!" hernam hij en ledigde
den vrij grooten beker in één teug.
Ik legde mij ter ruste, vast besloten mijne navorschingen uit te
stellen, tot ik Robbert kalmer gestemd zou vinden. De zonderlinge man
had mijne verbeelding dermate opgewekt, dat ik niet nalaten kon, hem
nog eenige minuten gade te slaan, toen ik mij reeds, als schijnbaar
sluimerende, op mijn bed had uitgestrekt. Hij ging op en neer, sloeg
van tijd tot tijd een kruis, en mompelde een Latijnsch gebed, tot hij
zich eindelijk in zijn plaid wikkelde, zijn ontbloot zwaard aan zijne
ééne en een pistool aan zijn andere zijde legde, en de plooien van
zijn mantel zóó schikte, dat hij, plotseling gewaarschuwd, terstond
opspringen en, met een wapen in elke hand, tot den strijd gereed
zijn kon. Zijn zware, diepe ademhaling gaf mij na weinige minuten te
kennen, dat hij vast ingesluimerd was. Van vermoeienis uitgeput en
door de verrassende gebeurtenissen van den vorigen dag als bedwelmd,
bezweek ook ik weldra voor het onwederstaanbare vermogen van den slaap,
en ontwaakte niet vóór het aanbreken van den morgen.
Toen ik de oogen opende en mij mijn toestand herinnerde, zag ik, dat
Mac-Gregor de hut reeds verlaten had. Ik wekte mijn reisgenoot Jarvie,
die na veel geeuwen, zuchten en klagen over zijne als geradbraakte
leden--de gevolgen der vermoeienissen van den vorigen dag--eindelijk in
staat was, om de blijde tijding te begrijpen, dat de door Rashleigh
medegenomen papieren wederom in mijne handen waren. Zoodra hij dit
vernomen had, vergat hij alle leed, sprong haastig op en vergeleek
den inhoud van mijn pakket met Owen's inlichtingen. Onder het
nakijken mompelde hij: »Juist! juist! Daar is het! Baillie en
Whittington zeven honderd pond! Er ontbreekt niets aan! Pollock en
Peelman, acht en twintig pond, zeven shilling: juist! Den hemel zij
dank! Grule de Grind! die zijn best voor het geld: drie honderd en
zeventig! Gliblad--twintig! Hm! En Slipprytongae--dat is mis! maar
het zijn kleine sommen! al het overige is in orde.--God zij dank! dat
is het juist, wat wij noodig hebben. En nu hoe eer hoe liever uit
dit akelige land! Zoo dikwerf ik aan onze lotgevallen denken zal,
zal de enkele herinnering mij een schrik op het lijf blijven jagen."
»Het spijt mij, neef," zeide Mac-Gregor, die op dat oogenblik weder
binnentrad, »het spijt mij zeer, dat de omstandigheden mij niet vergund
hebben, u te onthalen, zoo als ik wel zou gewenscht hebben. Maar als
gij mijne geringe woning eens weder bezoeken wildet..."
»Zeer verplicht! zeer verplicht!" viel Jarvie hem in de rede. »Neen,
wij moeten vertrekken, de heer Osbaldistone en ik. Handelszaken dulden
geen uitstel."
»Waarde neef," hernam de Hooglander; »gij kent onze gewoonte. »Geef
spijs en drank den gast, die komt; help hem, wanneer hij
henengaat." Maar over Drymen kunt gij, in allen geval, niet
terugkeeren: ik moet u over het meer laten roeien, en uwe paarden
kunnen vooruitgaan langs het strand. Een verstandig man keert nooit
denzelfden weg terug, langs welken hij gekomen is, zoo hij, namelijk,
een anderen ter zijner keuze heeft."
»Ja, ja, Robbert!" hernam Jarvie, »dat is een van de regelen, welke gij
geleerd hebt, toen gij nog in vee handeldet. Gij hadt toen geen lust,
om de landlieden weder te zien, wier gras door uw vee op den weg was
gegeten. Maar thans hebt gij, geloof ik, op uw weg veel erger sporen
achter gelaten dan in dien tijd."
»Juist, daarom moet men, zoo min mogelijk, langs zulk een weg gaan,"
antwoordde Robbert. »Dugald zal uwe paarden geleiden. Wij hebben
hem daartoe in uw bediende herschapen. Het achtbaar raadslid komt
natuurlijk niet van een bezoek bij Robbert Roodhaar, maar doet slechts
een vreedzamen tocht uit Stirling. Zie, daar komt hij reeds!"
De woeste Hooglander, die juist voor de deur der hut verscheen, zag er
met den hoed, de pruik en den reisrok van onzen Andries uitgedoscht,
zoo vreemd uit, dat zelfs Jarvie hem niet herkende. Hij besteeg diens
paard en geleidde het mijne bij den toom. Nadat zijn meester hem
bevolen had, zekere plaatsen te vermijden, waar hij argwaan zou kunnen
verwekken, en tevens om onderweg alle mogelijke berichten in te winnen,
draafde hij vooruit, om ons bij het veer te verbeiden. Mac-Gregor
bood zich aan, om ons op onzen weg te vergezellen, en vermaande
ons het morgenslokje niet te vergeten, daar wij vóór het ontbijt
eenigen afstand af te leggen hadden. Jarvie merkte hier op aan, dat
het ongepast, ja, zelfs gevaarlijk was, den dag met het gebruiken
van sterken drank te beginnen. Alleen wanneer men de maag tegen de
nevelachtige morgenlucht moet beveiligen, in dat geval had zijn vader,
de wijkmeester, door leer en voorbeeld, een matig slokje goedgekeurd.
»Zoo is het ook, neef!" zei Robbert. »Daarom hebben wij, kinderen
van den nevel, het onbetwistbaar recht verkregen, om van den vroegen
morgen tot den laten avond brandewijn te drinken."
Na eenige ververschingen genomen te hebben, besteeg Jarvie een
Hooglandsch hitje. Ik bedankte echter voor een ander, hetwelk mij
aangeboden werd. Zoo stapten wij vooruit den weg op, welken wij
den vorigen dag, onder zoo geheel andere omstandigheden, gegaan
waren. Ons geleide bestond thans uit Mac-Gregor en vijf of zes der
knapste en best gewapende, forsche Hooglanders, die hem gewoonlijk
als lijfwacht vergezelden.
Toen wij nu den nauwen pas naderden, waar het gevecht en de daarop
gevolgde gruweldaad voorgevallen was, vatte Mac-Gregor schielijk het
woord, om de gedachten te beantwoorden, die, gelijk hij vermoedde,
in mij oprezen.--
»Gij moet zeker niet gunstig over ons denken, mijnheer Osbaldistone,"
zeide hij, »en dat kan ook niet anders. Maar neem ten minste in
aanmerking, dat men ons uitgedaagd en getergd heeft. Wij zijn
onbeschaafd, ja, misschien ook wel wat te driftig van aard, maar
gruwelijk wreed zijn wij waarachtig niet. Nooit zou de rust van het
land door ons gestoord zijn geworden, zoo men ons slechts met rust
had gelaten. Maar wij zijn steeds een vervolgd volk geweest."
»En vervolging brengt zelfs de verstandigste menschen tot razernij,"
zeide Jarvie.
»En waartoe moet ze dan lieden, als wij zijn, brengen," vervolgde
Robbert, »daar wij nog op bijna dezelfde wijze leven, als onze
voorvaders voor duizend jaren, en waarlijk niet veel meer verlichting
hebben dan zij? Kunnen wij bedaard blijven, wanneer men bloedplakkaten
tegen ons uitvaardigt; wanneer men onze braafste mannen ophangt,
onthoofd; als men aloude, eerlijke namen onteert, hoewel wij toch een
betere behandeling verdienen dan vijanden van vijanden erlangen? Ik
heb twintig gevechten bijgewoond en nooit eenig mensch kwaad gedaan,
dan wanneer mijn bloed verhit was. Toch zouden zij mij, als een
verachtelijken struikroover, ophangen aan de poort van het een of ander
voornaam kasteel, wanneer men mij vangen kon... Dat is schandelijk."
Ik erkende, dat het onteeren van iemands naam en geslacht, volgens
de begrippen van een Engelschman, een daad van gruwelijke willekeur
was. Toen ik hem door die verzekering min of meer tot bedaren
had gebracht, hernieuwde ik mijn aanbod om hem zelven, zoo hij
wilde, en zijne zonen eene aanstelling in vreemden krijgsdienst te
bezorgen. Mac-Gregor drukte mij hartelijk de hand en hield mij een
weinig terug, ten einde Jarvie op het smalle pad vooruit te laten
rijden.
»Gij zijt een goedaardig, braaf en welmeenend jongmensch," zeide
hij, »en weet zeker wel, wat men den begrippen van een man van
eer verschuldigd is. Maar de heide, die mijn voet betreden heeft,
toen ik leefde, moet boven mij bloeien, wanneer ik dood ben. De moed
zou mij ontzinken, mijn arm zou krachteloos worden en ineenkrimpen
als varenkruid in de vorst, als ik de heuvels van mijn geboorteland
niet meer zien mocht. De geheele wereld heeft geen plekje gronds,
dat mij zou kunnen troosten, als ik deze rotsen en klippen, als gij
hier ziet, hoe woest zij ook zijn, uit het gezicht had verloren. En
mijne Helena--wat zou er van haar worden, als ik haar aan nieuwe
beleedigingen en gruweldaden blootstelde? Of hoe zou zij een oord,
waar de herinneringen aan geleden mishandelingen alleen door de
herinnering aan hare wraak verzacht worden? Eens werd ik zoo zeer in 't
nauw gebracht, dat ik voor den eindelijk over mij losbarstenden stroom
moest zwichten; ik verliet met de mijnen mijne geboorteplaats en woonde
eenigen tijd in het land van Mac-Gallummore. Toen vervaardigde Helena
een klaaglied op ons vertrek--beter zou zelfs de bard Mac-Rimmon
het niet kunnen maken. Het was zoo treurig en roerend, dat het
ons de harten schier brak, toen zij het ons voorzong. Het waren de
jammerklachten van een kind, dat om zijne moeder kermt. Ja, onzen
ruwen krijgslieden biggelden de tranen langs de wangen, terwijl
zij er naar luisterden. Neen, dat zieleleed wil ik niet nogmaals
ondergaan! Neen! zelfs niet voor al de landerijen, die ooit Mac-Gregors
eigendom waren [14]."
»Maar zijn uwe zonen?" vroeg ik, »thans niet in die jaren, waarin
uwe landslieden gaarne de wereld eens zien."
»Geloof mij, in den grond mijns harten zou ik er niets tegen hebben,"
antwoordde Robbert, »als zij hun geluk in den Franschen of Spaanschen
krijgsdienst beproefden, zoo als de Schotsche edellieden plegen te
doen. Gisteren avond kwam dat denkbeeld mij ook zeer aannemelijk
voor. Maar eer gij heden morgen ontwaakt waart, heb ik zijne
Excellentie gezien. Dit heeft mij van die plannen teruggebracht."
»Heeft die dan zoo dicht bij ons den nacht doorgebracht?" vroeg ik
met een onrustig kloppend hart.
»Hij was dichter bij dan gij vermoeddet!" luidde het antwoord. »Maar
het kwam mij voor, dat hij een weinig jaloersch was en ongaarne
zou gezien hebben dat gij met de jonge dame in aanraking
kwaamt. Daarom...."
»Dwaasheid! Er was geen reden om jaloersch te zijn," antwoordde ik
met eenigen trots; »ik zou mij aan hen niet opgedrongen hebben."
»Toch moogt gij niet boos op hen worden," hernam Robbert, »kijk
van onder uw wenkbrauwen niet zoo kwaad als een wilde kat onder een
struik. Zijne Excellentie meent het eigenlijk goed met u, en heeft
dat ook bewezen. En daaraan is het ook gedeeltelijk toe te schrijven,
dat de boel thans in den brand staat."
»Wat staat in den brand?" herhaalde ik. »Hoe meent gij dat?"
»Hoe ik dat meen! weet gij dan niet," zeide Robbert, »dat vrouwen
en geld al het kwaad in de wereld brengen? Ik heb uw neef Rashleigh
niet meer vertrouwd, sedert hij zag, dat Diana Vernon niets van hem
weten wilde. Daarom koestert hij, geloof ik, ook wrok tegen zijne
Excellentie. Nu moest hij ook zelfs uwe papieren teruggeven! Wij weten
het immers wel. Zoodra hij tot de teruggave daarvan gedwongen was,
reed hij zoo hard hij kon naar Stirling en ontdekte aan de regeering
alles, en zelfs nog veel meer, wat stilletjes in onze gebergten
voorviel. Daarom heeft men het krijgsvolk doen uitrukken, om zijne
Excellentie en de jonge dame gevangen te nemen en onverhoeds een
aanval tegen mij te wagen. De arme drommel, Morris, wien men alles
wijs kon maken, heeft zich zeker door Rashleigh en eenige edellieden
in de Laaglanden laten gebruiken, om mij in den val te lokken. Maar
al ware Rashleigh ook de laatste en beste van zijn geslacht, als wij
elkander ooit weder ontmoeten, dan zal, dat zweer ik! mijn dolk met
zijn hart kennis maken."
Deze bedreiging sprak hij uit met een somberen, onheilspellenden blik,
en greep met driftige gebaren naar zijn dolk.--
»Bijna zou ik mij daarover kunnen verheugen," zeide ik, »zoo ik slechts
hopen durfde, dat door Rashleigh's verraad de uitvoering der vermetele
aanslagen verhinderd werd, waarvan hij, zoo als ik reeds sedert lang
vermoed heb, de eigenlijke drijver is geweest."
»Geloof dat niet!" hernam Robbert. »Nooit heeft het woord van een
verrader een eerlijke zaak geheel bedorven. Hij was trouwens door
en door met onze geheimen bekend. Ware dit het geval niet geweest,
dan zouden de kasteelen te Stirling en Edinburg thans, of ten minste
binnen zeer korten tijd, in onze macht zijn. Dat is nu wel niet meer te
hopen, maar er zijn nog vele hulpmiddelen over. Onze zaak is te goed,
dan dat men ze om een verrader zou opgeven. Men zal er van hooren,
en dat wel spoedig. Doch wat ik zeggen wilde: ontvang mijn hartelijken
dank voor uw welgemeend aanbod ten opzichte van mijne zonen. Gisteren
avond had ik bijna besloten, het aan te nemen. Maar thans zie ik,
dat het verraad van den ellendeling onze groote heeren overtuigen
zal, dat zij zich onverwijld vereenigen en wapenen moeten, zoo zij
niet in hunne woningen gevangen genomen, als honden gekoppeld en naar
Londen gedreven willen worden, even als die brave lieden in het jaar
zeventienhonderd en zeven. Burgeroorlog is als een slangenei. Op het
aas, hebben wij volle tien jaren zitten broeien, en zouden er nog tien
jaren op hebben kunnen zitten. En kijk! daar komt Rashleigh en slaat
de schaal in stukken, en vlug kruipt het wonderdier er uit en roept:
te wapen!--In zulke omstandigheden heb ik alle handen noodig, die
ik maar vinden kan, en--ik zeg het niet tot schande der koningen van
Frankrijk en Spanje, wien ik alle goeds wensch--maar koning Jakobus is,
in elk geval, even goed als eenig ander koning, en heeft het naaste
recht op mijne zonen."
Ik begreep wel, dat die woorden op een algemeenen volksopstand
doelden. Ik begreep, dat het even nutteloos als gevaarlijk ware,
de staatkundige gevoelens van mijn geleider op zulk eene plaats en
in zulk een oogenblik te bestrijden. Ik vergenoegde mij met hem de
rampen voor te houden, die uit een algemeenen opstand ten voordeele
van het verdreven koninklijke huis noodzakelijk zouden voorkomen.
»Volkomen waar, vriend!" hernam Mac-Gregor. »Nooit heb ik slecht weer
zonder een flinke bui zien opklaren. Laat maar gaan! Uit wanorde
wordt orde geboren. En in de algemeene verwarring heeft de arme,
maar eerlijke man de beste gelegenheid, om opgemerkt te worden en
aan een stukje brood te komen."
Toen trachtte ik het gesprek nogmaals op Diana Vernon te brengen. Maar
hoe vrij en onbewimpeld hij zich ook over de meeste dingen uitte,
die voor mij weinig of niets belangrijks hadden, ten opzichte
van het eenige onderwerp, die voor mij van zooveel belang was,
bleef hij achterhoudend, ja met eene aan angstvalligheid grenzende
behoedzaamheid. Slechts gaf hij mij te kennen, dat hij hoopte, dat
de jonge dame zich weldra in een vreedzamer land zou bevinden, dan
Schotland hoogst waarschijnlijk gedurende eenigen tijd zijn zou. Met
dit antwoord moest ik mij vergenoegen. Ik troostte mij met de hoop,
dat het toeval mij wel eens weder begunstigen zou en mij ten minste het
treurige genoegen zou schenken, haar vaarwel te zeggen. Ik gevoelde,
dat ik haar beminde, in veel hoogeren graad, dan ik gemeend had. Dit
gevoel trad weder sterk in mij op.
Bijna zes Engelsche mijlen ver gingen wij langs den oever van het
meer, op een zich telkens kronkelend pad, tot wij eindelijk aan
eene Hooglandsche pachthoeve kwamen, die allertreffelijkst aan
het meer lag, dat men, bedrieg ik mij niet, Lidiart noemt. Hier
vonden wij eene talrijke bende van Mac-Gregor's aanhang, die ons
hartelijk verwelkomde. De smaak, en ook de welsprekendheid van
onbeschaafde volksstammen is vaak zeer zuiver, daar noch vooroordeel
of vooringenomenheid, noch eenige gemaaktheid, een nadeeligen invloed
daarop uitoefenen. Een bewijs daarvan verschafte mij de keus der
plaats, waar de Hooglanders hunne gasten begroeten. Een Britsche koning
zou, zegt men, de gezanten van dezen of genen machtigen mededinger het
best in de kajuit van een geducht oorlogschip kunnen ontvangen. Zoo
had het Hooglandsche opperhoofd een oord gekozen, waar de aan zijn
geboortegrond eigenaardige grootsche voorwerpen een levendigen indruk
op zijne gasten moesten maken.
Langs den oever van eene ruischende beek gingen wij verder. De weg
was stijgend. Aan de rechterhand lagen eenige Hooglandsche hutten,
omringd door kleine stukken lands, die uit het omliggende boschaadje
als uitgehouwen waren, en een weligen oogst van gerst en haver
opleverden. Hoogerop werd de heuvel steiler. En op den kalen rand
zagen wij de schitterende wapens en de in den wind fladderende plaids
van ongeveer vijftig man uit Mac-Gregor's gevolg. Zij stonden op eene
plek, die ik mij nog steeds met verrukking herinner. De beek ontmoette
hier een rotswand, waarover zij in twee sprongen heen stortte. De
eerste waterval, over welks donker water een prachtige oude eik,
in den oever geworteld, zich schilderachtig schoon, als een gewelf
boog, zal omtrent twaalf voet hoog geweest zijn. De gebroken stroom
viel in een uit de rots gevormd en regelmatig, als met den beitel
gehouwen bekken, en toen hij zich op den rand gebroken had, stortte hij
loodrecht, ten minste vijftig voet diep, door een donkere, enge kloof,
en spoedde zich dan, maar meer bedaard, naar de golven van het meer.
Met dien bijzonderen aanleg voor smaakvolle stoffeering, die
inzonderheid den Schotschen bergbewoners eigen is, in wier karakter
ik steeds een zekeren romanesken en dichterlijken trek heb opgemerkt,
waren Robbert's vrouw en vrienden tot ons onthaal bijeengekomen op eene
plaats, die den vreemdeling een gevoel van ontzag moest inboezemen. Ook
hebben de Hooglanders van natuur iets plechtstatigs en hoogmoedigs. Hoe
onbeschaafd zij ons ook vaak voorkomen, omtrent het in acht nemen van
de wetten van het gezellig verkeer en der wellevendheid zijn zij zoo
stipt, dat men hen waarlijk te dezen opzichte van overdrijving zou
beschuldigen, zoo niet het gevoel van meerderheid in krachten daarin
tevens uitgedrukt ware. Bij een landman van den gewonen stempel zou
dit bespottelijk zijn, terwijl het bij den als krijgsman toegerusten
Hooglander, iets eigenaardigs en indrukwekkends is.
De Hooglanders, die langs den heuvel verstrooid waren geweest,
voegden zich, toen wij naderden, bijeen en stonden in gelederen
achter drie personen, in wie ik terstond Helena Mac-Gregor en hare
beide zonen herkende. Robbert schaarde zijne manschappen insgelijks,
en toen het oploopende pad steiler en steiler werd, verzocht hij
Jarvie af te stijgen en bracht ons, langzaam aan het hoofd der zijnen
voorttrekkende, naar de hoogte. Daar hoorden wij de woeste tonen der
doedelzakken, die, met het ruischen van den waterval ineensmeltende,
hun natuurlijken wanklank verloren. Toen wij naderden, kwam Helena
Mac-Gregor, ons tegemoet. Hare kleeding was meer vrouwelijk dan den
vorigen dag, maar op hare gelaatstrekken lag nog steeds de onbuigzame
hoogmoed. Zij omvatte mijn vriend Jarvie in eene onverwachte en
blijkbaar niet zeer welkome omhelzing. De beweging van zijne pruik, van
zijn rug en van zijne beenen, deden mij zien, dat het hem ongeveer te
moede was, als iemand, die zich plotseling door een beer omvat ziet,
zonder dat hij juist weet of onderscheiden kan, of het dier goed of
boos gestemd is.
»Neef," zeide zij, »gij zijt welkom, en ook gij vreemdeling," vervolgde
zij, zich tot mij wendende. Daarbij liet zij mijn reisgenoot los,
die onwillekeurig terugtrad en zijn pruik weder terecht zette.--»Gij
kwaamt," zeide zij tot mij, »in ons ongelukkig land, toen ons bloed
verhit en onze hand met bloed geverfd was. Verschoon het ruwe onthaal,
dat u ten deel viel. Wijt het den booze tijden, niet ons."
Dit zeide zij met de houding van eene vorstin en op een ongemeen
hoffelijken, alleszins beschaafden toon. Ook liet zij volstrekt
niets van die plompheid blijken, welke wij doorgaans in de taal der
Schotsche Laaglanders vinden. Weliswaar sprak zij met Schotschen
tongval, maar overigens waarlijk niet onbevallig en daarenboven zeer
vloeiend, hoewel zij blijkbaar alles uit het inderdaad dichterlijke
Gaelisch in het Engelsch overzette, welke taal zij zich, even als wij
de doode talen leeren, eigen gemaakt, doch waarschijnlijk nooit in
het dagelijksch verkeer gehoord had. Haar man, die gedurende zijn
leven zoo vele rollen had gespeeld, drukte zich minder verheven,
minder welsprekend uit, maar zelfs zijne taal werd zuiverder, wanneer
de onderwerpen, waarover hij sprak, zijn gemoed bewogen en van eenig
belang waren. Ook bij hem vond ik bevestigd, wat ik meen bij sommige
Hooglanders opgemerkt te hebben, dat zij, vertrouwelijk en gemeenzaam
sprekende, zich van den Nederschotsen tongval bedienen, maar voor hunne
woest verhevene, dichterlijke uitdrukkingen, het Engelsch bezigen. De
taal van den hartstocht is inderdaad steeds heftig, maar zuiver. Niet
zelden hoort men een Schot, wanneer een zijner landgenooten hem met
een rappe tong bittere verwijtingen doet, spotachtig zeggen: »Aha,
nu begint gij Engelsch te praten."
Helena noodigde ons tot den maaltijd, die op een grasperk
opgedischt was, en alles aanbood, wat het onvruchtbare gebergte
slechts had kunnen opleveren. De sombere, onveranderlijke ernst,
die het voorhoofd van onze gastvrouw omwolkte, en de pijnlijke
herinneringen der gebeurtenissen van den vorigen dag, deden geene
vroolijke gewaarwordingen in ons opkomen. Vruchteloos poogde Robbert
een opgeruimden toon aan te slaan. Er beving ons telkens eene
onwillekeurige rilling, alsof wij aan een begrafenismaal gezeten
hadden, en ieders hart klopte ruimer, toen het geëindigd was.
»Vaarwel, neef!" zeide Helena tot Jarvie, toen wij opstonden. »De
beste wensch, dien Helena Mac-Gregor een vriend geven kan, is, dat
hij haar nooit moge wederzien."
Jarvie wilde dit zonderlinge kompliment op zijne manier plechtig
beantwoorden en er zeker een paar zedespreuken invlechten. Maar de
bedaarde, zwaarmoedige ernst van haar gelaat bracht den goeden man,
met zijne ouderwetsche deftigheid, geheel van zijn stuk. Hij hoestte,
mompelde eenige woorden, boog en--zweeg.
»Voor u, vreemdeling," vervolgde Helena, »heb ik een aandenken van...."
»Helena!" viel Mac-Gregor haar op ernstig bestraffenden toon in de
rede: »wat moet dit beduiden? Hebt gij het bevel vergeten?"
»Mac-Gregor," hernam zij; »ik heb niets vergeten, wat ik mij behoor te
herinneren. Zulke handen," vervolgde zij, terwijl zij haren langen,
naakten, gespierden arm uitstrekte, »zijn geenszins geschikt om
geschenken der liefde over te brengen, zoo het geschenk iets anders dan
smart beduidt.--»Jongman!" zeide zij, terwijl zij mij een ring aanbood,
welken, zoo als ik mij wel herinnerde, Diana Vernon nu en dan gedragen
had; »dit komt van iemand, die gij nooit zult wederzien. Is het een
vreugdeloos aandenken, dan moet het juist door de handen van haar gaan,
die de vreugde nooit weder kennen zal. Hare laatste woorden waren:
»hij vergete mij voor altijd!""
»En kan zij," vroeg ik, schier onbewust van hetgeen ik zeide; »kan
zij dit bij mij als mogelijk veronderstellen?"
»Alles kan vergeten worden," antwoordde de zonderlinge vrouw;
»alles--alleen niet het gevoel van schande, alleen niet het verlangen
naar wraak!"
»Frisch opgespeeld!" riep Mac-Gregor, van ongeduld stampvoetende. De
doedelzakken klonken, en de doordringende, knetterende tonen maakten
een einde aan het gesprek. Zwijgend namen wij door gebaren afscheid
van onze gastvrouw, en toen wij vertrokken, was ik meer dan ooit
overtuigd, dat ik door Diana bemind werd, maar voor altijd van haar
gescheiden was.