HOOFDSTUK XXXV.

Ik lijde smart, vertwijfling overmant mij.--

Ik zie de laatste blikken van haar oogen,

Ik hoor de laatste klanken van haar lippen.

Haar engelengelaat--het was de laatste keer.

Vaarwel mijn zielsgeluk, ik zie het nimmer weer.

Basilius.

..... »Zeg mij toch, wat ik van u denken moet, mijnheer Osbaldistone,"

zeide Mac-Gregor, terwijl hij mij de flesch toeschoof. »Gij eet

niet, gij schijnt geen lust tot slapen te hebben, en gij drinkt

ook niet. Toch is deze Bordeaux-wijn zoo goed, alsof hij uit den

kelder van ridder Hildebrand zelven kwam. Waart gij altijd zoo matig

geweest, dan zoudt gij u den doodelijken haat van uw neef Rashleigh

niet berokkend hebben.

»Ware ik altijd voorzichtig geweest," zeide ik, blozend over het

voorval waaraan dit mij herinnerde, »dan zou ik een nog veel grooter

kwaad vermeden hebben: de wroeging van mijn eigen geweten."

Mac-Gregor wierp een snellen en bijna vertoornden blik op mij, als

wilde hij uitvorschen of het verwijt, voor hem in die woorden gelegen,

opzettelijk gedaan was. Maar hij merkte zeer duidelijk, dat ik aan mij

zelven dacht. Diep zuchtende keek hij vóór zich in het vuur. Ik deed

dit insgelijks. Zoo bleven wij gedurende eenige minuten in pijnlijke

gedachten verdiept.

Alles sliep thans in de hut, of was ten minste doodstil. Wij beiden

alleen uitgezonderd. Mac-Gregor brak 't eerst het stilzwijgen af,

en wel op een toon, die duidelijk verried, dat het hem moeite kostte,

over een onaangenaam en pijnlijk onderwerp te spreken.

»Mijn neef Nikolaas," dus begon hij, »meent het goed, maar hij

heeft een man van mijn karakter en in mijne omstandigheden te streng

behandeld. Hij bedenkt niet wat ik geweest ben; wat ik, door dwang

genoodzaakt, heb moeten worden, en vooral niet, wat mij gedwongen

heeft zoo te worden."

Hij zweeg, en ofschoon ik zeer wel gevoelde, hoe netelig het onderwerp

was, waarop het gesprek ons hoogst waarschijnlijk zou brengen, kon

ik echter mijn antwoord niet terughouden. Ik zeide dat ik er niet aan

twijfelen kon, of in Robbert's tegenwoordigen toestand moest veel zijn,

wat voor zijn gevoel alleszins smartelijk was. »Ja, met genoegen,"

voegde ik er bij, »zou ik vernemen, dat er hier of daar een eerlijk

middel te vinden was, om u er uit te redden."

»Gij praat als een kind!" antwoordde Robbert op doffen toon, die

naar het rollen van een verren donder geleek, »als een kind, dat

waant, dat een oude knoestige eik zich even gemakkelijk laat buigen,

als een jonge wilgentak. Kan ik vergeten, dat men mij onteerd heeft

door mij buiten de wet te verklaren;--dat men mij gebrandmerkt heeft

als een verrader; dat men eene belooning op mijn hoofd heeft gesteld,

als ware ik een verscheurende wolf; dat men de mijnen behandeld heeft

als een vossenpaar met hunne jongen, die ieder kwellen, tergen en

beschimpen mag; dat men zelfs mijn naam, dien ik van eene lange en

waarlijk edele reeks van voorvaderen ontving, geschandvlekt en bespot

heeft voor de gansche wereld!"

Onder het spreken zag ik duidelijk, hoe hij zich door het optellen

van geleden beleedigingen opzettelijk meer en meer driftig maakte,

misschien wel om in zijn eigen oogen de dwalingen en misstappen te

rechtvaardigen, waartoe hij zich had laten verleiden. Dit gelukte hem

volkomen. Zijne grijze oogen schenen vlammen te schieten, terwijl

hij met den voet stampte, den greep van zijn dolk vatte, den arm

uitstrekte, de vuist krampachtig balde en eindelijk opsprong.

»Maar," vervolgde hij op denzelfden doffen toon van gesmoorde drift;

»zij zullen voor den naam, dien zij gehoond hebben, voor den naam

van Mac-Gregor, beven, sidderen! Van mijne wraak zullen zij hooren,

die niet naar mij hooren wilden, toen ik mij bij hen over het mij

aangedane onrecht beklaagde. De armzalige Hooglandsche veehandelaar,

de bankroetier, wien ze alles ontroofden, wien zij onteerd en diep

ellendig gemaakt hebben, omdat de hebzucht van anderen meer eischte,

dan de arme man betalen kon; die zelfde veehandelaar zal in eene

vreeselijke gedaante gericht over hen houden. Zij, die den kruipenden

worm bespotten, en onder hunne voeten traden, mogen jammeren en kermen,

als zij zien, dat de vuurspuwende draak op hen nederschiet. Maar

waarom zou ik hierover spreken!" vervolgde hij op meer bedaarden

toon, terwijl hij weder ging zitten. »Gij zult echter wel begrijpen,

mijnheer Osbaldistone, dat het mijn geduld tergt, als ik gejaagd word

als een otter, als een zalm in ondiep water, en dat wel door mijne

eigen vrienden en buren. Een heilige zou het geduld verloren hebben,

wanneer men hem met zoo vele zwaarden en pistolen bedreigd had, als

mij heden bij den overtocht van Arondow overkomen is. Hoe veel te

meer dan een Hooglander, die wegens zijn taai geduld juist niet zeer

beroemd is, dat weet gij immers wel! Maar wat Nikolaas mij zeide,

speelt mij nog door het hoofd. Het spijt mij voor mijne jongens. Mij

wordt 't wezenlijk niet best te moede, als ik denk, dat zij eens in

de voetstappen van hun vader zullen moeten treden."

Hij leunde met het hoofd op de hand en verdiepte zich geheel in

gepeins over het lot van zijne zonen, terwijl zijn eigen lot hem

onverschillig scheen te zijn.

Ik was diep geroerd. De smart van een fier, krachtig, zijner hooge

waarde bewust gemoed, heeft mij steeds ernstiger getroffen, dan de

aandoening van menschen, die lichter er toe bewogen werden om hun

lijden te toonen. De wensch om hem te helpen kwam in mij op, en ik

wilde die verwezenlijken, hoe moeielijk, ja zelfs onmogelijk zulks

ook scheen.

»Wij hebben buiten 's lands uitgebreide betrekkingen," zeide ik; »en

uwe zonen zouden met eene ondersteuning, welke zij gerechtigd zijn

van mijns vaders huis te verwachten, licht eene eervolle loopbaan in

vreemden dienst vinden."

Mijn gelaat moet, naar ik geloof, innige aandoening verraden

hebben. Maar Robbert liet mij niet verder spreken. Hij vatte mijne

hand en zeide: »Ik dank u, ik dank u! Maar niets meer daarvan! Ik had

niet gedacht, dat iemand nog een traan in Mac-Gregors oog zou zien."

Dit zeggende, wischte hij met de vlakke hand den traan uit het

oog, dat door de dikke roode wenkbrauw overschaduwd werd.--»Morgen

vroeg," vervolgde hij, »zullen wij hiervan nader en ook over uwe

aangelegenheden spreken. Want wij begeven ons vroeg op weg, al slapen

wij hier heden nacht ook als op rozen. Nu nog een enkel glas! Gij

doet mij toch bescheid?"

Ik verzocht daarvan verschoond te worden.

»Welnu, dan moet ik mij zelf bescheid doen!" hernam hij en ledigde

den vrij grooten beker in één teug.

Ik legde mij ter ruste, vast besloten mijne navorschingen uit te

stellen, tot ik Robbert kalmer gestemd zou vinden. De zonderlinge man

had mijne verbeelding dermate opgewekt, dat ik niet nalaten kon, hem

nog eenige minuten gade te slaan, toen ik mij reeds, als schijnbaar

sluimerende, op mijn bed had uitgestrekt. Hij ging op en neer, sloeg

van tijd tot tijd een kruis, en mompelde een Latijnsch gebed, tot hij

zich eindelijk in zijn plaid wikkelde, zijn ontbloot zwaard aan zijne

ééne en een pistool aan zijn andere zijde legde, en de plooien van

zijn mantel zóó schikte, dat hij, plotseling gewaarschuwd, terstond

opspringen en, met een wapen in elke hand, tot den strijd gereed

zijn kon. Zijn zware, diepe ademhaling gaf mij na weinige minuten te

kennen, dat hij vast ingesluimerd was. Van vermoeienis uitgeput en

door de verrassende gebeurtenissen van den vorigen dag als bedwelmd,

bezweek ook ik weldra voor het onwederstaanbare vermogen van den slaap,

en ontwaakte niet vóór het aanbreken van den morgen.

Toen ik de oogen opende en mij mijn toestand herinnerde, zag ik, dat

Mac-Gregor de hut reeds verlaten had. Ik wekte mijn reisgenoot Jarvie,

die na veel geeuwen, zuchten en klagen over zijne als geradbraakte

leden--de gevolgen der vermoeienissen van den vorigen dag--eindelijk in

staat was, om de blijde tijding te begrijpen, dat de door Rashleigh

medegenomen papieren wederom in mijne handen waren. Zoodra hij dit

vernomen had, vergat hij alle leed, sprong haastig op en vergeleek

den inhoud van mijn pakket met Owen's inlichtingen. Onder het

nakijken mompelde hij: »Juist! juist! Daar is het! Baillie en

Whittington zeven honderd pond! Er ontbreekt niets aan! Pollock en

Peelman, acht en twintig pond, zeven shilling: juist! Den hemel zij

dank! Grule de Grind! die zijn best voor het geld: drie honderd en

zeventig! Gliblad--twintig! Hm! En Slipprytongae--dat is mis! maar

het zijn kleine sommen! al het overige is in orde.--God zij dank! dat

is het juist, wat wij noodig hebben. En nu hoe eer hoe liever uit

dit akelige land! Zoo dikwerf ik aan onze lotgevallen denken zal,

zal de enkele herinnering mij een schrik op het lijf blijven jagen."

»Het spijt mij, neef," zeide Mac-Gregor, die op dat oogenblik weder

binnentrad, »het spijt mij zeer, dat de omstandigheden mij niet vergund

hebben, u te onthalen, zoo als ik wel zou gewenscht hebben. Maar als

gij mijne geringe woning eens weder bezoeken wildet..."

»Zeer verplicht! zeer verplicht!" viel Jarvie hem in de rede. »Neen,

wij moeten vertrekken, de heer Osbaldistone en ik. Handelszaken dulden

geen uitstel."

»Waarde neef," hernam de Hooglander; »gij kent onze gewoonte. »Geef

spijs en drank den gast, die komt; help hem, wanneer hij

henengaat." Maar over Drymen kunt gij, in allen geval, niet

terugkeeren: ik moet u over het meer laten roeien, en uwe paarden

kunnen vooruitgaan langs het strand. Een verstandig man keert nooit

denzelfden weg terug, langs welken hij gekomen is, zoo hij, namelijk,

een anderen ter zijner keuze heeft."

»Ja, ja, Robbert!" hernam Jarvie, »dat is een van de regelen, welke gij

geleerd hebt, toen gij nog in vee handeldet. Gij hadt toen geen lust,

om de landlieden weder te zien, wier gras door uw vee op den weg was

gegeten. Maar thans hebt gij, geloof ik, op uw weg veel erger sporen

achter gelaten dan in dien tijd."

»Juist, daarom moet men, zoo min mogelijk, langs zulk een weg gaan,"

antwoordde Robbert. »Dugald zal uwe paarden geleiden. Wij hebben

hem daartoe in uw bediende herschapen. Het achtbaar raadslid komt

natuurlijk niet van een bezoek bij Robbert Roodhaar, maar doet slechts

een vreedzamen tocht uit Stirling. Zie, daar komt hij reeds!"

De woeste Hooglander, die juist voor de deur der hut verscheen, zag er

met den hoed, de pruik en den reisrok van onzen Andries uitgedoscht,

zoo vreemd uit, dat zelfs Jarvie hem niet herkende. Hij besteeg diens

paard en geleidde het mijne bij den toom. Nadat zijn meester hem

bevolen had, zekere plaatsen te vermijden, waar hij argwaan zou kunnen

verwekken, en tevens om onderweg alle mogelijke berichten in te winnen,

draafde hij vooruit, om ons bij het veer te verbeiden. Mac-Gregor

bood zich aan, om ons op onzen weg te vergezellen, en vermaande

ons het morgenslokje niet te vergeten, daar wij vóór het ontbijt

eenigen afstand af te leggen hadden. Jarvie merkte hier op aan, dat

het ongepast, ja, zelfs gevaarlijk was, den dag met het gebruiken

van sterken drank te beginnen. Alleen wanneer men de maag tegen de

nevelachtige morgenlucht moet beveiligen, in dat geval had zijn vader,

de wijkmeester, door leer en voorbeeld, een matig slokje goedgekeurd.

»Zoo is het ook, neef!" zei Robbert. »Daarom hebben wij, kinderen

van den nevel, het onbetwistbaar recht verkregen, om van den vroegen

morgen tot den laten avond brandewijn te drinken."

Na eenige ververschingen genomen te hebben, besteeg Jarvie een

Hooglandsch hitje. Ik bedankte echter voor een ander, hetwelk mij

aangeboden werd. Zoo stapten wij vooruit den weg op, welken wij

den vorigen dag, onder zoo geheel andere omstandigheden, gegaan

waren. Ons geleide bestond thans uit Mac-Gregor en vijf of zes der

knapste en best gewapende, forsche Hooglanders, die hem gewoonlijk

als lijfwacht vergezelden.

Toen wij nu den nauwen pas naderden, waar het gevecht en de daarop

gevolgde gruweldaad voorgevallen was, vatte Mac-Gregor schielijk het

woord, om de gedachten te beantwoorden, die, gelijk hij vermoedde,

in mij oprezen.--

»Gij moet zeker niet gunstig over ons denken, mijnheer Osbaldistone,"

zeide hij, »en dat kan ook niet anders. Maar neem ten minste in

aanmerking, dat men ons uitgedaagd en getergd heeft. Wij zijn

onbeschaafd, ja, misschien ook wel wat te driftig van aard, maar

gruwelijk wreed zijn wij waarachtig niet. Nooit zou de rust van het

land door ons gestoord zijn geworden, zoo men ons slechts met rust

had gelaten. Maar wij zijn steeds een vervolgd volk geweest."

»En vervolging brengt zelfs de verstandigste menschen tot razernij,"

zeide Jarvie.

»En waartoe moet ze dan lieden, als wij zijn, brengen," vervolgde

Robbert, »daar wij nog op bijna dezelfde wijze leven, als onze

voorvaders voor duizend jaren, en waarlijk niet veel meer verlichting

hebben dan zij? Kunnen wij bedaard blijven, wanneer men bloedplakkaten

tegen ons uitvaardigt; wanneer men onze braafste mannen ophangt,

onthoofd; als men aloude, eerlijke namen onteert, hoewel wij toch een

betere behandeling verdienen dan vijanden van vijanden erlangen? Ik

heb twintig gevechten bijgewoond en nooit eenig mensch kwaad gedaan,

dan wanneer mijn bloed verhit was. Toch zouden zij mij, als een

verachtelijken struikroover, ophangen aan de poort van het een of ander

voornaam kasteel, wanneer men mij vangen kon... Dat is schandelijk."

Ik erkende, dat het onteeren van iemands naam en geslacht, volgens

de begrippen van een Engelschman, een daad van gruwelijke willekeur

was. Toen ik hem door die verzekering min of meer tot bedaren

had gebracht, hernieuwde ik mijn aanbod om hem zelven, zoo hij

wilde, en zijne zonen eene aanstelling in vreemden krijgsdienst te

bezorgen. Mac-Gregor drukte mij hartelijk de hand en hield mij een

weinig terug, ten einde Jarvie op het smalle pad vooruit te laten

rijden.

»Gij zijt een goedaardig, braaf en welmeenend jongmensch," zeide

hij, »en weet zeker wel, wat men den begrippen van een man van

eer verschuldigd is. Maar de heide, die mijn voet betreden heeft,

toen ik leefde, moet boven mij bloeien, wanneer ik dood ben. De moed

zou mij ontzinken, mijn arm zou krachteloos worden en ineenkrimpen

als varenkruid in de vorst, als ik de heuvels van mijn geboorteland

niet meer zien mocht. De geheele wereld heeft geen plekje gronds,

dat mij zou kunnen troosten, als ik deze rotsen en klippen, als gij

hier ziet, hoe woest zij ook zijn, uit het gezicht had verloren. En

mijne Helena--wat zou er van haar worden, als ik haar aan nieuwe

beleedigingen en gruweldaden blootstelde? Of hoe zou zij een oord,

waar de herinneringen aan geleden mishandelingen alleen door de

herinnering aan hare wraak verzacht worden? Eens werd ik zoo zeer in 't

nauw gebracht, dat ik voor den eindelijk over mij losbarstenden stroom

moest zwichten; ik verliet met de mijnen mijne geboorteplaats en woonde

eenigen tijd in het land van Mac-Gallummore. Toen vervaardigde Helena

een klaaglied op ons vertrek--beter zou zelfs de bard Mac-Rimmon

het niet kunnen maken. Het was zoo treurig en roerend, dat het

ons de harten schier brak, toen zij het ons voorzong. Het waren de

jammerklachten van een kind, dat om zijne moeder kermt. Ja, onzen

ruwen krijgslieden biggelden de tranen langs de wangen, terwijl

zij er naar luisterden. Neen, dat zieleleed wil ik niet nogmaals

ondergaan! Neen! zelfs niet voor al de landerijen, die ooit Mac-Gregors

eigendom waren [14]."

»Maar zijn uwe zonen?" vroeg ik, »thans niet in die jaren, waarin

uwe landslieden gaarne de wereld eens zien."

»Geloof mij, in den grond mijns harten zou ik er niets tegen hebben,"

antwoordde Robbert, »als zij hun geluk in den Franschen of Spaanschen

krijgsdienst beproefden, zoo als de Schotsche edellieden plegen te

doen. Gisteren avond kwam dat denkbeeld mij ook zeer aannemelijk

voor. Maar eer gij heden morgen ontwaakt waart, heb ik zijne

Excellentie gezien. Dit heeft mij van die plannen teruggebracht."

»Heeft die dan zoo dicht bij ons den nacht doorgebracht?" vroeg ik

met een onrustig kloppend hart.

»Hij was dichter bij dan gij vermoeddet!" luidde het antwoord. »Maar

het kwam mij voor, dat hij een weinig jaloersch was en ongaarne

zou gezien hebben dat gij met de jonge dame in aanraking

kwaamt. Daarom...."

»Dwaasheid! Er was geen reden om jaloersch te zijn," antwoordde ik

met eenigen trots; »ik zou mij aan hen niet opgedrongen hebben."

»Toch moogt gij niet boos op hen worden," hernam Robbert, »kijk

van onder uw wenkbrauwen niet zoo kwaad als een wilde kat onder een

struik. Zijne Excellentie meent het eigenlijk goed met u, en heeft

dat ook bewezen. En daaraan is het ook gedeeltelijk toe te schrijven,

dat de boel thans in den brand staat."

»Wat staat in den brand?" herhaalde ik. »Hoe meent gij dat?"

»Hoe ik dat meen! weet gij dan niet," zeide Robbert, »dat vrouwen

en geld al het kwaad in de wereld brengen? Ik heb uw neef Rashleigh

niet meer vertrouwd, sedert hij zag, dat Diana Vernon niets van hem

weten wilde. Daarom koestert hij, geloof ik, ook wrok tegen zijne

Excellentie. Nu moest hij ook zelfs uwe papieren teruggeven! Wij weten

het immers wel. Zoodra hij tot de teruggave daarvan gedwongen was,

reed hij zoo hard hij kon naar Stirling en ontdekte aan de regeering

alles, en zelfs nog veel meer, wat stilletjes in onze gebergten

voorviel. Daarom heeft men het krijgsvolk doen uitrukken, om zijne

Excellentie en de jonge dame gevangen te nemen en onverhoeds een

aanval tegen mij te wagen. De arme drommel, Morris, wien men alles

wijs kon maken, heeft zich zeker door Rashleigh en eenige edellieden

in de Laaglanden laten gebruiken, om mij in den val te lokken. Maar

al ware Rashleigh ook de laatste en beste van zijn geslacht, als wij

elkander ooit weder ontmoeten, dan zal, dat zweer ik! mijn dolk met

zijn hart kennis maken."

Deze bedreiging sprak hij uit met een somberen, onheilspellenden blik,

en greep met driftige gebaren naar zijn dolk.--

»Bijna zou ik mij daarover kunnen verheugen," zeide ik, »zoo ik slechts

hopen durfde, dat door Rashleigh's verraad de uitvoering der vermetele

aanslagen verhinderd werd, waarvan hij, zoo als ik reeds sedert lang

vermoed heb, de eigenlijke drijver is geweest."

»Geloof dat niet!" hernam Robbert. »Nooit heeft het woord van een

verrader een eerlijke zaak geheel bedorven. Hij was trouwens door

en door met onze geheimen bekend. Ware dit het geval niet geweest,

dan zouden de kasteelen te Stirling en Edinburg thans, of ten minste

binnen zeer korten tijd, in onze macht zijn. Dat is nu wel niet meer te

hopen, maar er zijn nog vele hulpmiddelen over. Onze zaak is te goed,

dan dat men ze om een verrader zou opgeven. Men zal er van hooren,

en dat wel spoedig. Doch wat ik zeggen wilde: ontvang mijn hartelijken

dank voor uw welgemeend aanbod ten opzichte van mijne zonen. Gisteren

avond had ik bijna besloten, het aan te nemen. Maar thans zie ik,

dat het verraad van den ellendeling onze groote heeren overtuigen

zal, dat zij zich onverwijld vereenigen en wapenen moeten, zoo zij

niet in hunne woningen gevangen genomen, als honden gekoppeld en naar

Londen gedreven willen worden, even als die brave lieden in het jaar

zeventienhonderd en zeven. Burgeroorlog is als een slangenei. Op het

aas, hebben wij volle tien jaren zitten broeien, en zouden er nog tien

jaren op hebben kunnen zitten. En kijk! daar komt Rashleigh en slaat

de schaal in stukken, en vlug kruipt het wonderdier er uit en roept:

te wapen!--In zulke omstandigheden heb ik alle handen noodig, die

ik maar vinden kan, en--ik zeg het niet tot schande der koningen van

Frankrijk en Spanje, wien ik alle goeds wensch--maar koning Jakobus is,

in elk geval, even goed als eenig ander koning, en heeft het naaste

recht op mijne zonen."

Ik begreep wel, dat die woorden op een algemeenen volksopstand

doelden. Ik begreep, dat het even nutteloos als gevaarlijk ware,

de staatkundige gevoelens van mijn geleider op zulk eene plaats en

in zulk een oogenblik te bestrijden. Ik vergenoegde mij met hem de

rampen voor te houden, die uit een algemeenen opstand ten voordeele

van het verdreven koninklijke huis noodzakelijk zouden voorkomen.

»Volkomen waar, vriend!" hernam Mac-Gregor. »Nooit heb ik slecht weer

zonder een flinke bui zien opklaren. Laat maar gaan! Uit wanorde

wordt orde geboren. En in de algemeene verwarring heeft de arme,

maar eerlijke man de beste gelegenheid, om opgemerkt te worden en

aan een stukje brood te komen."

Toen trachtte ik het gesprek nogmaals op Diana Vernon te brengen. Maar

hoe vrij en onbewimpeld hij zich ook over de meeste dingen uitte,

die voor mij weinig of niets belangrijks hadden, ten opzichte

van het eenige onderwerp, die voor mij van zooveel belang was,

bleef hij achterhoudend, ja met eene aan angstvalligheid grenzende

behoedzaamheid. Slechts gaf hij mij te kennen, dat hij hoopte, dat

de jonge dame zich weldra in een vreedzamer land zou bevinden, dan

Schotland hoogst waarschijnlijk gedurende eenigen tijd zijn zou. Met

dit antwoord moest ik mij vergenoegen. Ik troostte mij met de hoop,

dat het toeval mij wel eens weder begunstigen zou en mij ten minste het

treurige genoegen zou schenken, haar vaarwel te zeggen. Ik gevoelde,

dat ik haar beminde, in veel hoogeren graad, dan ik gemeend had. Dit

gevoel trad weder sterk in mij op.

Bijna zes Engelsche mijlen ver gingen wij langs den oever van het

meer, op een zich telkens kronkelend pad, tot wij eindelijk aan

eene Hooglandsche pachthoeve kwamen, die allertreffelijkst aan

het meer lag, dat men, bedrieg ik mij niet, Lidiart noemt. Hier

vonden wij eene talrijke bende van Mac-Gregor's aanhang, die ons

hartelijk verwelkomde. De smaak, en ook de welsprekendheid van

onbeschaafde volksstammen is vaak zeer zuiver, daar noch vooroordeel

of vooringenomenheid, noch eenige gemaaktheid, een nadeeligen invloed

daarop uitoefenen. Een bewijs daarvan verschafte mij de keus der

plaats, waar de Hooglanders hunne gasten begroeten. Een Britsche koning

zou, zegt men, de gezanten van dezen of genen machtigen mededinger het

best in de kajuit van een geducht oorlogschip kunnen ontvangen. Zoo

had het Hooglandsche opperhoofd een oord gekozen, waar de aan zijn

geboortegrond eigenaardige grootsche voorwerpen een levendigen indruk

op zijne gasten moesten maken.

Langs den oever van eene ruischende beek gingen wij verder. De weg

was stijgend. Aan de rechterhand lagen eenige Hooglandsche hutten,

omringd door kleine stukken lands, die uit het omliggende boschaadje

als uitgehouwen waren, en een weligen oogst van gerst en haver

opleverden. Hoogerop werd de heuvel steiler. En op den kalen rand

zagen wij de schitterende wapens en de in den wind fladderende plaids

van ongeveer vijftig man uit Mac-Gregor's gevolg. Zij stonden op eene

plek, die ik mij nog steeds met verrukking herinner. De beek ontmoette

hier een rotswand, waarover zij in twee sprongen heen stortte. De

eerste waterval, over welks donker water een prachtige oude eik,

in den oever geworteld, zich schilderachtig schoon, als een gewelf

boog, zal omtrent twaalf voet hoog geweest zijn. De gebroken stroom

viel in een uit de rots gevormd en regelmatig, als met den beitel

gehouwen bekken, en toen hij zich op den rand gebroken had, stortte hij

loodrecht, ten minste vijftig voet diep, door een donkere, enge kloof,

en spoedde zich dan, maar meer bedaard, naar de golven van het meer.

Met dien bijzonderen aanleg voor smaakvolle stoffeering, die

inzonderheid den Schotschen bergbewoners eigen is, in wier karakter

ik steeds een zekeren romanesken en dichterlijken trek heb opgemerkt,

waren Robbert's vrouw en vrienden tot ons onthaal bijeengekomen op eene

plaats, die den vreemdeling een gevoel van ontzag moest inboezemen. Ook

hebben de Hooglanders van natuur iets plechtstatigs en hoogmoedigs. Hoe

onbeschaafd zij ons ook vaak voorkomen, omtrent het in acht nemen van

de wetten van het gezellig verkeer en der wellevendheid zijn zij zoo

stipt, dat men hen waarlijk te dezen opzichte van overdrijving zou

beschuldigen, zoo niet het gevoel van meerderheid in krachten daarin

tevens uitgedrukt ware. Bij een landman van den gewonen stempel zou

dit bespottelijk zijn, terwijl het bij den als krijgsman toegerusten

Hooglander, iets eigenaardigs en indrukwekkends is.

De Hooglanders, die langs den heuvel verstrooid waren geweest,

voegden zich, toen wij naderden, bijeen en stonden in gelederen

achter drie personen, in wie ik terstond Helena Mac-Gregor en hare

beide zonen herkende. Robbert schaarde zijne manschappen insgelijks,

en toen het oploopende pad steiler en steiler werd, verzocht hij

Jarvie af te stijgen en bracht ons, langzaam aan het hoofd der zijnen

voorttrekkende, naar de hoogte. Daar hoorden wij de woeste tonen der

doedelzakken, die, met het ruischen van den waterval ineensmeltende,

hun natuurlijken wanklank verloren. Toen wij naderden, kwam Helena

Mac-Gregor, ons tegemoet. Hare kleeding was meer vrouwelijk dan den

vorigen dag, maar op hare gelaatstrekken lag nog steeds de onbuigzame

hoogmoed. Zij omvatte mijn vriend Jarvie in eene onverwachte en

blijkbaar niet zeer welkome omhelzing. De beweging van zijne pruik, van

zijn rug en van zijne beenen, deden mij zien, dat het hem ongeveer te

moede was, als iemand, die zich plotseling door een beer omvat ziet,

zonder dat hij juist weet of onderscheiden kan, of het dier goed of

boos gestemd is.

»Neef," zeide zij, »gij zijt welkom, en ook gij vreemdeling," vervolgde

zij, zich tot mij wendende. Daarbij liet zij mijn reisgenoot los,

die onwillekeurig terugtrad en zijn pruik weder terecht zette.--»Gij

kwaamt," zeide zij tot mij, »in ons ongelukkig land, toen ons bloed

verhit en onze hand met bloed geverfd was. Verschoon het ruwe onthaal,

dat u ten deel viel. Wijt het den booze tijden, niet ons."

Dit zeide zij met de houding van eene vorstin en op een ongemeen

hoffelijken, alleszins beschaafden toon. Ook liet zij volstrekt

niets van die plompheid blijken, welke wij doorgaans in de taal der

Schotsche Laaglanders vinden. Weliswaar sprak zij met Schotschen

tongval, maar overigens waarlijk niet onbevallig en daarenboven zeer

vloeiend, hoewel zij blijkbaar alles uit het inderdaad dichterlijke

Gaelisch in het Engelsch overzette, welke taal zij zich, even als wij

de doode talen leeren, eigen gemaakt, doch waarschijnlijk nooit in

het dagelijksch verkeer gehoord had. Haar man, die gedurende zijn

leven zoo vele rollen had gespeeld, drukte zich minder verheven,

minder welsprekend uit, maar zelfs zijne taal werd zuiverder, wanneer

de onderwerpen, waarover hij sprak, zijn gemoed bewogen en van eenig

belang waren. Ook bij hem vond ik bevestigd, wat ik meen bij sommige

Hooglanders opgemerkt te hebben, dat zij, vertrouwelijk en gemeenzaam

sprekende, zich van den Nederschotsen tongval bedienen, maar voor hunne

woest verhevene, dichterlijke uitdrukkingen, het Engelsch bezigen. De

taal van den hartstocht is inderdaad steeds heftig, maar zuiver. Niet

zelden hoort men een Schot, wanneer een zijner landgenooten hem met

een rappe tong bittere verwijtingen doet, spotachtig zeggen: »Aha,

nu begint gij Engelsch te praten."

Helena noodigde ons tot den maaltijd, die op een grasperk

opgedischt was, en alles aanbood, wat het onvruchtbare gebergte

slechts had kunnen opleveren. De sombere, onveranderlijke ernst,

die het voorhoofd van onze gastvrouw omwolkte, en de pijnlijke

herinneringen der gebeurtenissen van den vorigen dag, deden geene

vroolijke gewaarwordingen in ons opkomen. Vruchteloos poogde Robbert

een opgeruimden toon aan te slaan. Er beving ons telkens eene

onwillekeurige rilling, alsof wij aan een begrafenismaal gezeten

hadden, en ieders hart klopte ruimer, toen het geëindigd was.

»Vaarwel, neef!" zeide Helena tot Jarvie, toen wij opstonden. »De

beste wensch, dien Helena Mac-Gregor een vriend geven kan, is, dat

hij haar nooit moge wederzien."

Jarvie wilde dit zonderlinge kompliment op zijne manier plechtig

beantwoorden en er zeker een paar zedespreuken invlechten. Maar de

bedaarde, zwaarmoedige ernst van haar gelaat bracht den goeden man,

met zijne ouderwetsche deftigheid, geheel van zijn stuk. Hij hoestte,

mompelde eenige woorden, boog en--zweeg.

»Voor u, vreemdeling," vervolgde Helena, »heb ik een aandenken van...."

»Helena!" viel Mac-Gregor haar op ernstig bestraffenden toon in de

rede: »wat moet dit beduiden? Hebt gij het bevel vergeten?"

»Mac-Gregor," hernam zij; »ik heb niets vergeten, wat ik mij behoor te

herinneren. Zulke handen," vervolgde zij, terwijl zij haren langen,

naakten, gespierden arm uitstrekte, »zijn geenszins geschikt om

geschenken der liefde over te brengen, zoo het geschenk iets anders dan

smart beduidt.--»Jongman!" zeide zij, terwijl zij mij een ring aanbood,

welken, zoo als ik mij wel herinnerde, Diana Vernon nu en dan gedragen

had; »dit komt van iemand, die gij nooit zult wederzien. Is het een

vreugdeloos aandenken, dan moet het juist door de handen van haar gaan,

die de vreugde nooit weder kennen zal. Hare laatste woorden waren:

»hij vergete mij voor altijd!""

»En kan zij," vroeg ik, schier onbewust van hetgeen ik zeide; »kan

zij dit bij mij als mogelijk veronderstellen?"

»Alles kan vergeten worden," antwoordde de zonderlinge vrouw;

»alles--alleen niet het gevoel van schande, alleen niet het verlangen

naar wraak!"

»Frisch opgespeeld!" riep Mac-Gregor, van ongeduld stampvoetende. De

doedelzakken klonken, en de doordringende, knetterende tonen maakten

een einde aan het gesprek. Zwijgend namen wij door gebaren afscheid

van onze gastvrouw, en toen wij vertrokken, was ik meer dan ooit

overtuigd, dat ik door Diana bemind werd, maar voor altijd van haar

gescheiden was.

Robbert Roodhaar · 第 48 / 57 题