Waarlijk! Het komt mij voor, dat de verklaarder
nog moeielijker te vatten is, dan de schrijver, dien
hij verklaart!
De Criticus.
Niet lang liet ik de aandoeningen, die mij overweldigden, den vrijen
loop. Weldra schaamde ik mij over mijne zwakheid. Ik herinnerde mij,
dat ik sedert eenigen tijd, wanneer Diana's beeld mij voor den geest
kwam, gepoogd had, haar als eene vriendin te beschouwen, aan wier
welzijn ik weliswaar steeds innig deel moest nemen, maar tot wie
ik in het vervolg in geen betrekking kon staan. Maar toen ik dacht
aan hare met moeite onderdrukte teederheid in hare houding, aan de
treffende verrassing van ons wederzien, bleef ik een poos geheel
aan den indruk van het onbewaakte oogenblik. Spoedig kwam ik echter
weder tot bedaren. Zonder mij tijd te gunnen, om mijne beweeggronden
nauwkeurig te toetsen, vervolgde ik den weg, dien ik ingeslagen was,
toen die zonderlinge verschijning mij verraste.
»Ik overtreed toch het gebod niet, dat zij mij zoo welmeenend, zoo
ernstig roerend gegeven heeft,"--zeide ik tot mij zelven.--»Ik wil
immers mijne reis slechts langs den eenigen open weg vervolgen. Mijns
vaders eigendom heb ik, weliswaar, door haar teruggekregen. Maar
mij rest nog de vervulling van een duren plicht jegens mijn vriend
Jarvie. Ik moet hem uit den gevaarlijken toestand redden, waarin hij
om mijnentwil geraakt is. En waar anders dan te Aberfoil zou ik een
nachtverblijf vinden? Ook zij moeten dáár blijven; te paard kunnen
zij onmogelijk verder komen. Wij zullen dus elkander wederzien, en dan
misschien nooit meer! Maar ik zal haar zien; ik zal te weten komen wie
de gelukkige is, die zich bijna als haar echtgenoot gedraagt. Ik zal te
weten komen, of er in den neteligen toestand, waarin zij zich schijnt
te bevinden, eenig gevaar is, dat ik vermag uit den weg te ruimen;
of ik iets doen kan, om mijne dankbaarheid voor hare grootmoedigheid,
voor hare onbaatzuchtige vriendschap, te betoonen."
Aldus redeneerde ik in mijzelf. Ik verontschuldigde mijn hevig
verlangen om Diana nog eenmaal weder te zien, nog eenmaal te spreken,
met elk schijnbaar voorwendsel, dat ik maar wist te bedenken.--Terwijl
ik nog op deze wijze redeneerde, hoorde ik plotseling, terwijl ik een
slag op den schouder ontving, een »holla!" achter mij, en de diepe
stem van een Hooglander, die nog vlugger ging dan ik, riep mij toe:
»Een heerlijke nacht, mijnheer Osbaldistone! wij hebben elkander wel
eens vroeger om dezen tijd ontmoet."
Het was Robberts stem, daaraan viel niet te twijfelen; aan zijn
vervolgers ontkomen, bevond hij zich thans op den terugweg naar
zijne woestenij en zijne bende. Ook had hij zich weder gewapend,
waarschijnlijk bij een geheimen vriend; want over zijn schouder hing
een geweer, en aan zijne zijde het gewone wapen der Hooglanders. In
eene andere gemoedsgesteldheid zou het mij juist niet aangenaam zijn
geweest, met een man van zijn aard onder zulke omstandigheden en zoo
laat in den avond alleen te zijn. Want hoezeer ik ook gewoon was,
Robbert als vriend te beschouwen, moet ik toch gul bekennen, dat na
al wat ik van hem had hooren vertellen, ik onwillekeurig bang voor
hem was.
En zijne wijze van spreken droeg daartoe bij. In den mond der Schotsche
bergbewoners hebben de woorden namelijk een diepen, doffen toon,
zoowel wegens de vele keelklanken, welke zij bezigen, als omdat
zij de woorden met een bijzonderen nadruk uitspreken. Daarbij had
Robbert eene soort van barsche onverschilligheid, als van een gemoed,
dat door niets versaagd, verrast of bewogen werd, hoe vreeselijk,
plotseling of treffend het voorval ook zijn mocht. Aan gevaren gewoon,
en op eigen krachten, op eigen scherpzinnigheid vertrouwende, was
hij onvatbaar voor vrees geworden, en zijne gevoelens omtrent anderen
waren door zijn wetteloos en steeds rusteloos leven, verstompt, zoo
al de gevaren en wanbedrijven van die levenswijze ze niet geheel
vernietigd hadden. Daarbij kwam nog, dat ik eerst kort te voren
getuige was geweest van de wreedheid, waarmede een smeekende, weerlooze
ongelukkige door de aanhangers van dezen man opgeofferd was geworden.
Op dit oogenblik echter, door smartelijke gedachten gepijnigd, vond ik
in het gezelschap van den balling eene groote verlichting. Ik gaf mij
aan de hoop over, dat ik door zijne hulp een leiddraad in den doolhof
zou kunnen erlangen, waarin mijn noodlot mij gebracht had. Hartelijk
beantwoordde ik dus zijne begroeting, en wenschte hem geluk met zijne
redding uit een toestand, waaruit verlossing bijna onmogelijk scheen
te zijn.
»Nu ja," zeide hij, »tusschen den hals en de galg is de afstand
even groot, als tusschen den beker en den mond. Maar mijn gevaar was
geringer, dan gij u misschien verbeeld hebt, omdat gij hier te lande
een vreemdeling zijt. Onder degenen, die mij moesten gevangennemen,
vasthouden en weder gevangennemen, wilde de eene helft eigenlijk in
het geheel niet dat men mij zou vangen. En van de andere helft was
een deel te bang om zich aan mij te wagen. Zoo had ik slechts met
een handvol volks, in 't geheel geen vijftien man, te doen."
Nu vroeg hij naar hetgeen mij bejegend was sedert mijne komst in de
Hooglanden, en lachte hartelijk om mijn verhaal van het gevecht in
de herberg en van Jarvie's heldendaad met het gloeiende rakelijzer.
»Leve Glasgow!" riep hij. »Op mijn woord, die grap had ik wel eens
willen bijwonen! Sakkerloot, wat zal die knaap gekeken hebben, toen
neef Nikolaas hem zijn plaid verzengde! Ja! neef Jarvie," voegde hij
er ernstiger bij, »heeft toch wel nog edel bloed in zijne aderen,
ofschoon hij tot een beroep is opgevoed, dat slechts geschikt is, om
den moed van een flink mensch uit te dooven.--Overigens zult gij licht
kunnen gissen, waarom ik u in de herberg niet kon ontmoeten. Toen ik
voor een paar dagen wegens eene zaak van groot belang voor den koning
te Glasgow was, hadden zij mij een fijnen strik gespannen; maar ik
verbeeld mij, dat ik hun leelijk bij den neus heb gehad. Voortaan
zullen zij den eenen clan niet weder tegen den anderen kunnen opruien,
zoo als zij gedaan hebben. Spoedig hoop ik den dag te beleven, dat alle
Hooglanders voor ééne gemeenschappelijke zaak strijden zullen.--Nu,
wat gebeurde er verder?"
Ik verhaalde hem, dat een de herberg binnenkomende officier mij en
mijne reisgenooten als verdachte personen in hechtenis had genomen,
en toen ik, op Robberts nader vragen, hem mededeelde wat Thornton van
zijn orders om een bejaard en een jong man te arresteeren gezegd had,
begon hij weder luidkeels te lachen.--»Zoo waar ik leef," zeide hij,
»zij hebben mijn vriend Jarvie voor zijne Excellentie en u voor Diana
Vernon gehouden. O, die sluwe nachtuilen!"
»Freule Vernon?" vroeg ik stamelend en verwachtte angstig het
antwoord. »Heet zij nog zoo? Ik heb haar zoo even ontmoet met een man,
die eenige macht over haar scheen te hebben."
»Ja, ja!" hernam Robbert: »zij staat thans onder wettig gezag. Nu,
het was met dat wilde schepsel ook hoog tijd! Maar zij is toch een
moedig meisje: dat moet tot hare eer gezegd worden. Jammer, dat
zijne Excellentie een weinigje te oud is. Een jongeling als gij,
of mijn Robbert, of mijn Jakob, zou haar beter voegen."
Zoo vielen dan de luchtkasteelen ineen, welke mijne verbeelding,
in weerwil van mijn verstand, zich met zooveel zelfbehagen gebouwd
had! Ik had trouwens inderdaad niets anders te verwachten, daar ik
onderstellen moest, dat Diana slechts met een man, die rechtmatige
aanspraak had om haar beschermer te zijn, in zulk een land en op
zulk een tijd reizen kon. Toch was de slag, toen hij mij trof, niet
minder smartelijk, en hoorde ik ter nauwernood Robberts woorden,
toen hij mij uitnoodigde om mijn verhaal te vervolgen.--
»Gij zijt ziek," zeide hij, toen hij mij tweemaal aangesproken had,
zonder antwoord te ontvangen. »Het dagwerk is te moeielijk geweest
voor iemand, die buiten twijfel aan dergelijke dingen niet gewoon is."
De vriendelijke toon dezer woorden bracht mij weder tot mij zelven,
en herinnerde mij, wat mijn toestand vorderde. Ik vervolgde mijn
verhaal, zoo goed ik kon, en Robbert verheugde zich innig over den
gelukkigen uitslag van het gevecht in den bergpas.
»Men zegt wel eens," zeide hij, »dat het kaf van den koning beter is
dan het koren van andere lieden. Maar dit zal men toch waarachtig van
's konings soldaten niet kunnen zeggen. Toch hebben zij zich laten
vangen door een hoopje oude kerels, die eigenlijk niet meer vechten
kunnen, door een paar knapen, die nog eerst moeten leeren vechten,
en door vrouwen met hare spinnewielen. En dan nog die Dugald! Wie
zou gedacht hebben, dat er zoo veel schranderheid in dien leelijken
kop zat. Maar verder! Ik ben al bang voor hetgeen volgen zal. Mijne
Helena is, als haar bloed begint te gisten, eene duivelin! Dat arme
schepsel heeft er trouwens reden genoeg voor!"
Met zooveel verschooning als mogelijk was, poogde ik hem te verhalen,
hoe men ons ontvangen had, maar ik bemerkte duidelijk genoeg, dat
mijn verhaal hem zeer pijnlijk was.
»Duizend guinjes gaf ik er voor, als ik te huis geweest ware!" zeide
hij. »Vreemdelingen te mishandelen, en dan nog wel mijn eigen neef
die zoo goedig, zoo welwillend jegens mij was! Liever wilde ik,
dat zij in hunne woede het halve land uitgeplunderd hadden. Maar
zoo gaat het, als men zich op vrouwen en kinderen verlaat: die weten
van maat noch rede in al wat zij doen. Maar die schurk Morris heeft
de schuld aan alles. Hij bedroog mij, toen hij voorgaf, dat hij
eene boodschap van uw neef Rashleigh had, dien ik op eene bepaalde
plaats ontmoeten zou, waar hij mij eene gewichtige zaak van wege den
koning zou mededeelen. Ik dacht dat het reeds zoo ver gekomen was,
dat Galbraith van Garschattachin en een gedeelte der landweer zich
voor koning Jakobus wilden verklaren. Maar ik merkte al terstond,
dat men mij bedrogen had, toen ik hoorde, dat de hertog er was. Toen
zij mij met den buikriem de armen vastbonden, kon ik waarlijk wel
gissen, wat mij te doen stond. Ik kende uw neef. Hij is een sluwe
knaap, met uw verlof, en gebruikt gaarne lieden van zijne soort tot
zijne oogmerken. Ik hoop maar, dat hij zelf er zich niet mede bemoeid
heeft. Die Morris keek ook verduiveld vreemd op, toen ik besloot, dat
hij tot mijne terugkomst als gijzelaar bij de mijnen zou blijven. Maar
ik ben teruggekomen, ten spijt van hen, die zich van hem bediend
hebben; en nu zal het de vraag zijn, hoe de kerel zelf weder vrij
zal komen. Zonder losgeld niet, dat durf ik u wel verzekeren."
»Morris," hernam ik, »heeft reeds het laatste losgeld betaald, wat
een mensch betalen kan."
»Wat zegt gij daar?" riep Robbert driftig uit. »Maar toch in het
gevecht gesneuveld?"
»In koelen bloede vermoord, toen het gevecht reeds geëindigd was,
mijnheer Campbell!" hernam ik.
»In koelen bloede? Vervloekt!" mompelde Robbert. »Maar hoe kwam
dat? Zeg mij alles, en noem mij niet langer mijnheer, of Campbell. Ik
sta hier weder op mijn geboortegrond, en mijn naam is Mac-Gregor."
Ik merkte dat hij min of meer boos werd, maar zonder mij aan zijn
ruwen toon te storen, verhaalde ik hem kort en duidelijk, hoe Morris
vermoord was.
Hij stiet met veel hevigheid met de kolf van zijn geweer op den
grond en riep uit: »Na zulk een daad zou men bloedverwanten, clan,
vaderland, vrouw en kinderen afzweren! En toch, de schurk heeft
het al lang verdiend. Eigenlijk is het toch zoo tamelijk hetzelfde,
of men met een steen aan den hals onder het water worstelt, of met
een strop om den hals in de lucht bengelt: het loopt immers alles
op verstikken uit, en hij heeft juist zulk een dood ondergaan, als
hij mij toegedacht had. Maar veel beter zou het mij bevallen hebben,
als zij hem door een kogel of een dolkstoot naar de andere wereld
geholpen had. De wijze waarop men hem uit den weg heeft geruimd,
zal veel onnut gepraat verwekken. Maar niemand ontgaat zijn noodlot,
en waar is het, dat Helena Mac-Gregor zware grieven te wreken heeft!"
Met deze woorden scheen hij zich dit voorval geheel uit het hoofd
te zetten. Hij vroeg, hoe ik van de ruiters vrijgekomen was, in wier
macht hij mij had gelaten. Mijn verhaal was kort, en ik voegde er nog
bij, dat ik weder in het bezit van mijns vaders papieren was geraakt,
maar waagde het niet Diana's naam te noemen.
»Dat gij die papieren terugkrijgen zoudt, wist ik," zei Mac-Gregor. »De
brief, dien gij voor mij medebracht, verwittigde mij, dat zijne
Excellentie daarin toestemde, en zeer zeker was ook ik voornemens,
u daarin behulpzaam te zijn. Daarom had ik u uitgenoodigd, om in onze
gebergten te komen. Maar zijne Excellentie heeft Rashleigh eerder
gevonden, dan ik dacht."
Het eerste gedeelte van dit antwoord verraste mij zeer.
»Was dan," vroeg ik, »de brief, dien ik u bracht, van den man, dien
gij Excellentie noemt? Wie is hij? Wat is zijn rang, zijn naam?"
»Mij dunkt," hernam Robbert, »dat, daar gij er niets van weet, het
u al tamelijk onverschillig moet zijn, en daarom zal ik u ook van
dat alles volstrekt niets mededeelen. Maar ja, ik wist dat de brief
van zijne eigen hand was, anders zou ik mij niet zooveel om uwe zaak
bekommerd hebben, daar ik, zooals ge begrijpt, genoeg te doen heb
met mijne eigene zaken."
Nu herinnerde ik mij het licht, dat ik zoo dikwerf in de boekenkamer
had gezien; vervolgens al die omstandigheden, waardoor mijne jaloezie
was opgewekt geworden: den handschoen, de beweging van het behangsel,
dat den geheimen gang naar Rashleigh's verblijf bedekte. Ik herinnerde
mij ook, dat Diana zich eens verwijderd had, om, zoo als ik toenmaals
geloofde, den brief te schrijven, die in den uitersten nood mijne
toevlucht moest zijn. Zij had dus haren tijd niet in eenzaamheid
doorgebracht, maar aan de vleierijen van een vermetelen aanhanger
der Jakobieten gehoor gegeven, die zich heimelijk in haar ooms huis
ophield. Andere meisjes, zeide ik tot mij zelven, laten zich door
goud verschalken, of worden door ijdelheid aan hare eerste liefde
ontrouw. Maar Diana heeft mijne en hare liefde opgeofferd, om in
het lot van een ellendigen avonturier te deelen, om bij nacht in
woestenijen de schuilhoeken van roovers op te sporen, zonder hoop om
daardoor iets te winnen, dan het armzalige schaduwbeeld van rang en
geluk, die het nog armzaliger hof van den naamkoning (den Pretendent)
in Saint-Germain oplevert. Ik wil haar nog eenmaal zien, dacht ik. Ik
zal als vriend, als bloedverwant, haar over het gevaar onderhouden,
waaraan zij zich blootstelt. Ik zal haar de vlucht naar Frankrijk
gemakkelijk maken. Daar kan zij aangenamer, passender en veiliger den
afloop der onlusten afwachten waarmee de bedrieger, met wien ze haar
lot vereenigd heeft, zich bezighoudt.
»Het schijnt dus," zeide ik, na eenige minuten gezwegen te hebben,
»dat zijne Excellentie, zoo als ik den man maar noemen zal daar ik zijn
naam niet ken, ter zelfder tijd met mij in het kasteel Osbaldistone
zijn verblijf hield?"
»Juist!" antwoordde Robbert, »en wel in de kamers van Freule Diana,
wat ook wel het raadzaamste was."
Deze ongevraagde mededeeling vermeerderde niet weinig mijn
ijverzuchtigen toorn.
»Maar slechts zeer weinigen," vervolgde Robbert, »behalve Rashleigh
en de ridder Hildebrand, wisten, dat hij zich daar bevond. Gij
mocht niets vermoeden. En de overige heeren, uwe neven, bezitten
niet eens zoo veel verstand, dat zij eene kat van den roompot kunnen
wegjagen. Intusschen is dat Osbaldistone een heel aardig kasteeltje,
met zijn vele kelders, geheime gangen en sluiphoeken. Men zou er
twintig of dertig man kunnen verbergen, en er zou eene geheele week
kunnen verloopen, zonder dat de bewoners hen ontdekten. Bij sommige
gelegenheden kan dit van onberekenbaar groot nut zijn. Ik wenschte
wel, dat wij iets dergelijks in onze gebergten hadden, maar wij,
arme Hooglanders, moeten ons met bosschen en holen behelpen."
»Vermoedelijk," vroeg ik, »wist zijne Excellentie van het eerste
ongeval van...."
»Die historie van dien Morris, meent ge?" vroeg Robbert op koelen toon,
toen ik plotseling zweeg; want hij was te zeer aan gewelddadigheden
gewoon, dan dat de aandoening, welke hij in het eerst had laten,
blijken, van langen duur zou hebben kunnen zijn. »Eigenlijk,"
hernam hij, »heb ik om die grap hartelijk gelachen; toch zou ik,
sedert die noodlottige historie aan het meer, dat nu niet nog eens
willen doen. Neen, neen, zijne Excellentie wist er volstrekt niets
van; Rashleigh en ik hadden het alleen beredderd. Maar wat naderhand
gebeurde--dat namelijk Rashleigh de verdenking van zich wist af te
wenden en op u te werpen, terwijl hij u reeds van te voren niet zeer
genegen was,--dat freule Diana hebben wilde, dat wij ons spinneweb
weder vernietigen en u uit de klauwen der heilige gerechtigheid
rukken zouden,--en dat de verschrikte Morris geheel en al van zijn
stuk geraakte, toen hij den rechten man zag, op het oogenblik dat
hij een onschuldig mensch aanklaagde--o daarover heb ik nog dikwijls
moeten lachen. En wat kan ik nu voor den armen drommel anders doen,
dan dat ik een paar zielmissen voor hem laat lezen?"
»Mag ik vragen," hernam ik, »waardoor freule Diana zoo veel invloed
op Rashleigh en zijne helpers heeft gekregen, dat zij in staat was,
om uwe plannen te verijdelen?"
»Het zijn geen plannen van mij?" zeide hij. »Ik heb er eigenlijk niets
mede te maken. Niemand kan zeggen, dat ik mijn eigen last ooit op eens
anders schouders heb gelegd. Maar, het is waar, zij heeft grooten
invloed op ons beiden, wegens de genegenheid van zijne Excellentie,
en omdat zij met te veel geheimen bekend is, dan dat het raadzaam
zou zijn, haar boos te maken. Maar de satan hale dengene, die aan
vrouwen een geheim toevertrouwt, of haar in de gelegenheid stelt,
om er misbruik van te kunnen maken! Kinderen en gekken moet men geen
mes in de hand geven."
Wij waren thans het dorp zeer nabij. Drie gewapende Hooglanders
kwamen op ons af, en riepen ons dreigend toe stil te staan en op
hunne vragen te antwoorden. Maar het enkel woord Gregarach, dat mijn
reisgenoot op luiden en gebiedenden toon uitsprak, werd eensklaps met
een gillenden uitroep van blijde herkenning door deze drie mannen
beantwoord. De één wierp zijn geweer weg en omklemde de knieën van
zijn opperhoofd zoo vast, dat Robbert zich nauwelijks van hem kon
ontslaan, en liet nu een stroom van Gaelische gelukwenschen volgen,
welke zich ieder oogenblik tot een vreugdegejuich verhief. De beide
anderen snelden, zoodra de eerste ontboezeming der vreugde voorbij
was, als hazewindhonden heen, met elkander wedijverende, wie in het
dorp, dat door een sterke bende van Mac-Gregors partij bezet was,
't eerst de tijding van Robberts ontvluchting en terugkomst zou
brengen. Hun bericht werd met zulk een algemeen gejuich ontvangen,
dat de heuvels er van weêrgalmden. Jong en oud, mannen, vrouwen
en kinderen liepen ons om strijd te gemoet. Toen ik dit onstuimige
gedruisch en het geschreeuw der uitbundig vroolijke menigte hoorde,
oordeelde ik het raadzaam, mijn reisgenoot te herinneren, dat ik een
vreemdeling was en onder zijne bescherming stond. Hij hield mij dus
bij de hand, terwijl het volk, onder waarlijk roerende betuigingen
van innige genegenheid en hartelijke vreugde over zijne terugkomst,
ons omringde. En niet eerder gaf hij zijnen aanhangers de hand, naar
welke allen begeerig grepen, dan toen hij hun te kennen had gegeven,
dat ik vriendschappelijk en goed moest behandeld worden.
Aan het bevel van een Sultan zou niet sneller hebben kunnen worden
gehoorzaamd. Maar nu werden hunne welmeenende oplettendheden
mij bijna even lastig als vroeger hunne ruwe en onbeschofte
behandeling. Nauwelijks wilden zij den vriend van hun hoofd vergunnen
op zijne eigen voeten te gaan. Toen ik over een steen struikelde, dien
ik in het gedrang niet zag, maakten zij zich met goedhartig geweld
meester van mijn persoon en droegen mij op hunne armen naar de herberg.
Toen wij daar aankwamen, ondervond ik, dat rang, aanzien en volksgeest
ook in het Hoogland even als overal hunne schaduwzijde hebben. Eer
Mac-Gregor in de hut kon komen, waar hij rust en verkwikking hoopte
te vinden, moest hij de geschiedenis van zijne ontvluchting ten minste
tienmaal verhalen, zoo als ik aan een dienstvaardigen grijsaard merkte,
die Robberts verhaal even vaak tot mijne stichting vertolkte, waarnaar
ik, uit wellevendheid, verplicht was met schijnbare aandacht te
luisteren. Toen allen bevredigd waren, verstrooiden zij zich in enkele
groepen, om op de heide of in de naburige hutten hun nachtverblijf te
zoeken. Sommigen verwenschten den hertog en Garschattachin. Anderen
betreurden het ongeluk, dat Ewan zich door zijne edelmoedigheid
jegens Mac-Gregor berokkend zou hebben. Maar allen waren het eens,
dat Robberts vlucht wedijveren kon met de daden van ieder opperhoofd
van hun stam, sedert de tijden des stamvaders van zijn geslacht,
Dugald Ciar; ja dat ze eigenlijk alles overtrof, wat ooit te voren
van dien aard bekend was.
Nu vatte Robbert mij onder den arm en bracht mij in de hut. Ik zag in
dat rookerig nest rond, om Diana en haren geleider te zoeken. Maar zij
waren nergens te vinden, en ik besefte zeer goed, dat als ik berichten
wilde inwinnen, ik geheime beweegredenen zou verraden, welke het veel
beter was verborgen te houden. Nergens zag ik een bekend persoon dan
alleen mijn goeden vriend Jarvie. Hij zat voor het vuur en nam eene
zekere fiere houding aan, toen Robbert hem verwelkomde, hem wegens
den min aangenamen toestand, waarin hij zich bevond, beklaagde,
en eindelijk zeer beleefd naar zijn welstand vernam.
»Ik ben redelijk wel, neef," antwoordde Jarvie, »redelijk wel, God
zij dank! en ik dank u wel zeer voor uwe attentie. En wat het gemak
betreft hier,--nu ja, men kan zijn eigen huis niet als een slak op
zijn rug medenemen. Maar het verheugt mij, dat gij uit de handen uwer
vijanden verlost zijt."
»Dank u!" hernam Robbert. »Eind goed, al goed! Maar wat scheelt
u toch? Kom, laat ons eens drinken. Uw vader, de wijkmeester,
weigerde nooit een dronk, wanneer die door mij of een ander goed
vriend hartelijk aangeboden werd."
»Vooral als hij vermoeid was, Robbert, en dat ben ik thans op meer dan
ééne wijze geworden. Maar," vervolgde hij, terwijl hij langzaam een
houten beker vulde, die geenszins tot de kleinste behoorde;--»hij was
niettemin een zeer matig man, even als ik; dat weet iedereen die mij
kent. Op uw welzijn! Robbert! Uw welzijn hier en hier namaals!" en hij
nam een slok, »en eer ik het vergete, vooral ook op de gezondheid van
mijne lieve nicht Helena en van uwe beide veelbelovende jongens. Toch
moet ik u aanstonds nog iets van hen zeggen."
Met deze woorden ledigde hij den beker heel ernstig en met de meeste
deftigheid. Robbert knipoogde mij ter sluiks toe en glimlachte over de
houding van den ouden man, die hier, waar Robbert zich aan het hoofd
van zijn gewapenden clan bevond, even zelfbewust en hooghartig praatte,
als toen Mac-Gregor nog te Glasgow in de gevangenis in zijne macht
was. Het kwam mij voor, alsof Mac-Gregor mij wilde te kennen geven,
dat hij den toon, dien zijn neef aannam, deels uit eerbied voor de
rechten der gastvrijheid, maar nog meer om de grap, duldde.
Toen Jarvie den beker neerzette, herkende hij mij insgelijks. Hij
groette mij hartelijk, maar protesteerde voor het oogenblik tegen al
hetgeen, wat ik hem verhalen wilde.
»Daarover later!" viel hij mij dadelijk in de rede; »thans moet
ik, zoo als billijk is, eerst over de aangelegenheden van mijn neef
spreken. Robbert," vervolgde hij, »ik hoop toch niet, dat hier iemand
is, die slecht genoeg zou zijn, om hetgeen ik u hier onder de roos
zeggen wil, tot mijn nadeel over te brieven, hetzij naar Glasgow,
hetzij naar elders."
»Wees onbezorgd!" hernam Robbert. »De eene helft van deze lieden
verstaat niet eens, wat gij zegt, en de andere helft luistert er niet
naar. Ik zou ook iedereen de tong uitrukken, die zich verstoutte,
wat mij in zijne tegenwoordigheid gezegd wordt elders over te praten."
»Als dat zoo is, neef, dan is het wel!" antwoordde Jarvie. »Den heer
Osbaldistone ken ik als een verstandig man en een trouw vriend. Laat
mij dus zonder omwegen of achterhoudendheid spreken en u ronduit
zeggen, dat gij uwe kinderen, neem het mij niet kwalijk, heel
slecht opvoedt."--Na een oogenblik zwijgen ging zijn vertrouwelijk
glimlachje in deftigen ernst over, en hij vervolgde: »Gij weet zelf,
op welken voet gij met de heilige gerechtigheid staat,--en mijne
nicht Helena--nu, hoe ze mij ontvangen heeft, wil ik u liefst niet
verhalen. Intusschen, het was geenszins vriendelijk, geenszins zoo
als eene nicht een neef behoort te ontvangen. Evenwel, ik wijt dit
alleen aan hare ongerustheid over u--maar wat ik u van uwe vrouw
moet zeggen...."
»Stil! geen woord verder!" viel Robbert hem op ernstigen toon in de
rede. »Zeg mij volstrekt niets van haar, dan wat een vriend past en
een echtgenoot vernemen mag. Van mij zelven kunt gij alles zeggen,
wat u lust."
»Goed, goed!" antwoordde Jarvie min of meer verlegen; »wij zullen dat
dan daar laten. Ik ben de man niet, die in eene huishouding oneenigheid
zou willen stichten. Maar uwe beide jongens, Robbert en Hamisch--dat
beteekent Jakob, zoo als men mij ten minste gezegd heeft--het zou
eigenlijk beter zijn, dat gij hem voortaan zoo noemdet, want Hamisch,
Eachin en Angus zijn namen, die men in het Westland telkens voor
het gerecht hoort noemen, als er veedieverij gepleegd is. Nu dan,
uwe jongens bezitten geen greintje opvoeding. Zij kennen niet eens de
tafel van vermenigvuldiging, die toch de wortel van alle nuttige kennis
is. Toen ik hun over hunne verregaande domheid mijne meening zeide,
lachten zij mij uit. Ja, zij spotten met mij. Ik geloof waarachtig,
dat zij lezen, noch schrijven, noch rekenen kunnen.--Iets dergelijks
van zijne bloedverwanten in een Christenland te gelooven--het is
wezenlijk te erg...."
»Als zij het konden, neef," antwoordde Robbert, »dan zouden zij het
zich zelven hebben moeten leeren. Want hoe toch zou ik hier voor hen
een leermeester hebben kunnen krijgen. Moest ik misschien te Glasgow
aan de deur van uwe stadsschool een briefje hebben moeten laten
aanplakken met het bericht: Robbert Roodhaar zoekt een leermeester
voor zijne zonen?"
»Nu ja! dat ging niet. Maar gij hadt de jongens ten minste daarheen
moeten zenden, waar zij godsvrucht en de gebruiken van beschaafde
lieden hadden kunnen leeren. Zij zijn waarachtig zoo dom als het vee,
dat gij anders naar de markt dreeft, of als de Engelsche boerenlummels,
die het van u kochten. Zij weten niets goeds te doen!"
»Niets goeds is niet geheel juist," antwoordde Robbert; »Jakob kan
een korhoen in de vlucht doodschieten, en Robbert stoot een dolk door
eene plank van twee duim dikte."
»Des te erger voor beiden!" zeide Jarvie op beslissenden toon; »des
te erger! Kunnen zij niets beters verrichten, dan wenschte ik wel om
hunnentwil, dat zij volstrekt niets konden. Zeg mij eens, neef, wat
hebt gij toch met al dat schieten, houwen en steken gewonnen? Waart gij
niet veel gelukkiger, toen gij als veehandelaar een eerlijk bedrijf
uitoefendet, dan gij ooit geweest zijt, sedert gij u aan het hoofd
van uwe Hooglandsche gezellen en landloopers bevindt?"
Ik begon te bemerken, dat Robbert, terwijl zijn neef hem aldus
aansprak, onaangenaam te moede werd. Hij draaide zich heen en weêr
als iemand, die pijn uitstaat, maar besloten heeft, geen klacht te
laten hooren. Ik wachtte op de gelegenheid, om den, weliswaar goed
gemeenden, maar zichtbaar mislukten toon, waarop Jarvie met den
zonderlingen man sprak, te doen veranderen. Maar het gesprek nam,
zonder dat ik er mij in behoefde te mengen, alras van zelf een einde.
»Gij, Robbert," vervolgde Jarvie, »staat dunkt me, veel te diep in het
zwarte boek, dan dat gij op vergiffenis zoudt kunnen hopen. Gij zijt nu
te oud om van aard te veranderen. Maar jammer, eeuwig jammer zou het
zijn, als zulk een paar knappe jongens voor de hel opgroeiden. Gaarne
wilde ik hen als leerlingen aan mijn weefgetouw plaatsen, even als
ik zelf het ambacht begonnen heb, en even als mijn vader zaliger,
de wijkmeester, ook begonnen is, hoezeer ik thans, dank zij den Gever
van alles goeds! slechts in het groot handel drijf--en...."
Robbert fronste de wenkbrauwen vrij sterk. Jarvie zweeg een
oogenblik. Maar toen ging hij voort om zijn naar het scheen minder
welgevallig voorstel eenigszins te verzachten: »Kijk maar zoo zuur
niet, vriend Robbert! Voor leergeld behoeft gij niet te zorgen;
en ik maan u ook nooit weêr om de duizend mark."
»Alle duivels!" riep Robbert opspringende en liep hevig de kamer op
en neer; »mijne zonen wevers! Eer wilde ik al de weefgetouwen van
geheel Glasgow in lichtelaaie zien staan!"
Het kostte mij eenige moeite om mijn vriend, die hierop reeds een
uitvoerig antwoord op de tong had, te doen inzien, dat het niet goed
en daarenboven gevaarlijk was, bij onzen gastheer op dit punt nog
verder aan te dringen.
Maar weinige oogenblikken daarna klaarde Robberts gelaat weder geheel
op. »Kom, het was goed gemeend van u, zeker goed gemeend! Geef mij
dus de hand maar, neef Nikolaas! Wanneer ik mijne zonen ooit wevers
wil laten worden, zult gij de voorkeur hebben. Maar nog iets: gij
spreekt van de duizend mark, die tusschen ons nog niet vereffend
zijn. Heidaar, Rachin Mac-Anna-Leister, breng mij mijn tasch!"
De geroepene, een rijzige, gespierde Hooglander, die Robberts
luitenant scheen te zijn, haalde uit eene kast eene groote lederen
tasch van zee-ottervel te voorschijn. Ze was rijk met zilveren
borduursel bezet en volkomen zoo als voorname Hooglanders in volle
statie plegen te dragen.
»Niemand zou ik raden, mijne tasch te openen, zoo hij niet met
het geheim bekend is," zeide Robbert, terwijl hij eenige knoopjes
en koorden losmaakte en op een stift drukte, waardoor het slot der
tasch, die met eene zware zilveren plaat bedekt was, opensprong. En nu
toonde hij mij, als of hij het onderwerp van het gesprek met Jarvie
wilde afbreken, eene kleine, in den tasch verborgen pistool, waarvan
de trekker door eene vernuftige inrichting met het slot zoodanig in
verband was gebracht, dat elken onkundige, die het slot wilde openen,
de lading treffen moest.--»Dit," zeide hij, op de pistool wijzende,
»is mijn thesaurier-generaal."
Inwendig glimlachte ik over den eenvoud, waarmede dit middel bedacht
was om een eenvoudige tasch te sluiten, welke iedereen opensnijden kon,
zonder aan het slot te komen; het herinnerde mij aan de verzen van de
Odysseüs, waarin beschreven wordt hoe Ulysses, in nog ruwer tijden,
zijn eigendom zoekt te behoeden door in het touwwerk, om de kist
geslagen waarin hij het bewaart, een ingewikkelden knoop te leggen.
Jarvie zette zijn bril op, om het toestel te bekijken, en gaf, toen
hij zijne nieuwsgierigheid bevredigd had, de tasch glimlachend terug,
terwijl hij met een zucht zeide: »Ja, Robbert, hadden alle menschen
hunne beurs zoo goed bewaard, dan zou uwe tasch zoo vol niet zijn,
als zij is, naar het gewicht ten minste te oordeelen."
»Geloof mij, neef," antwoordde Robbert insgelijks glimlachend, »zij
is steeds open voor iederen vriend, of ook om eenige wettige schuld
te betalen. Ziedaar uwe duizend mark," vervolgde hij, een rolletje
goud uit de tasch halende: »tel ze na, en gij zult bevinden, dat gij
tot den laatsten duit betaald zijt."
Zwijgend nam Jarvie het geld aan, hield het, een oogenblik, wegende in
de hand en zeide eindelijk: »neen, ik kan het niet aannemen, Robbert;
ik wil er volstrekt niets mede te doen hebben, want ik weet maar al te
wel, langs welke wegen gij aan uw geld gekomen zijt. Onrechtvaardig
verkregen goed gedijt niet. Neen, ronduit gezegd, ik durf het niet
aanraken: het ziet er uit, alsof er bloed aan kleefde."
»Op mijn woord!" zei Robbert met eene geveinsde onverschilligheid,
»het is goed Fransch geld, en vóór dat ik het kreeg, is het nooit
in den zak van een Schot geweest. Zie maar eens vriend, enkel fraaie
Louis d'or, alsof ze eerst heden uit de munt kwamen."
»Des te erger! juist daarom des te erger, Robbert!" zeide Jarvie,
de oogen van het goud afwendende, waarnaar echter al zijne vingers
schenen te jeuken. »Oproer is erger dan tooverij of rooverij--het
strijdt tegen Gods woord."
»Wees onbezorgd, neef!" hernam Robbert; »gij komt immers eerlijk aan
dat geld. Moge het van een koning zijn, welnu, dan kunt gij het weder
aan een anderen koning geven, zoo u dat namelijk behaagt. Het zal
dan immers dienen kunnen, om een vijand te verzwakken, en juist op
een punt, waar de arme koning Jakobus het zwakst is. God weet het,
handen en harten heeft hij in overvloed, maar aan geld zal het hem
wel ontbreken."
»Dan zal hij ook niet vele Hooglanders krijgen!" hernam Jarvie, die
zijnen bril weder opzette en den inhoud van het nu geopende rolletje
goud begon te tellen.
»En zeker niemand uit de Laaglanden," zeide Robbert en trok de zware
borstelige wenkbrauwen op. Hij zag mij ook aan en wees op zijn neef,
die, zonder Robberts spotachtig glimlachen te bemerken, elken Louis
d'or met de meeste voorzichtigheid op den vinger woog.
Toen Jarvie de som tweemaal geteld en in orde bevonden had, interesten
en kapitaal, gaf hij drie Louis d'or terug voor een kleed voor
zijne nicht, zoo als hij zeide, en nog een paar, waarvoor Robberts
jongens konden koopen, wat zij maar zouden willen, buskruit alleen
uitgezonderd. De Hooglander stond verbaasd over Jarvie's onverwachte
grootmoedigheid, maar nam het geschenk beleefd aan en bergde het in
zijne tasch, waar het voor het oogenblik goed bewaard was. Nu haalde
Jarvie de schuldbekentenis te voorschijn, op welker rugzijde hij een
kwitantie schreef, die ik als getuige mede moest onderteekenen. Bezorgd
keek hij naar een tweeden getuige rond, daar, volgens de Schotsche
wetten, zulk een stuk slechts geldig is, als het door twee getuigen
onderteekend is.--
»In den omtrek van geen drie mijlen," zeide Robbert, »vindt gij,
als gij ons drieën uitzondert, iemand die schrijven kan. Maar laat
ons de zaak met minder moeite afdoen," vervolgde hij en wierp
het papier op het vuur. »Zie, dat is de Hooglandsche manier om
rekeningen te kwiteeren!" zeide hij hierop tegen den van verbazing
sprakeloozen Jarvie. »Er mocht ook soms een tijd komen, neef, waarin
deze schuldbekentenissen en kwitantiën mijne vrienden in ongelegenheid
zouden kunnen brengen, omdat zij met mij in betrekking hadden gestaan."
Jarvie eerbiedigde deze argumenten, en daarenboven verscheen op dit
oogenblik onze avondmaaltijd, en wel rijkelijker en smakelijker en
zelfs met meer weelde dan zich op deze plaats liet verwachten. De
meeste spijzen waren koud, en dit deed mij met recht vermoeden, dat
zij op eenigen afstand toebereid waren. Ook werden er eenige flesschen
goeden Franschen wijn opgedischt. Robbert gedroeg zich als gastheer
bijzonder minzaam en voorkomend. Hij verzocht ons om verschooning,
als eene pastei, of een andere schotel, dien men ons voorzette,
reeds aangesneden was.--»Gij moet weten," zeide hij tot Jarvie, en
zonder mij aan te zien, »dat gij heden avond niet de eenige gasten
in Mac-Gregors land zijt. Want ware dat zoo, dan zou mijne vrouw met
mijne beide jongens, zooals het betaamde, ook hier wezen."
Ik kon het Jarvie aanzien, dat de afwezigheid der geduchte Amazone hem
recht aangenaam was. Ja, ik zou zeer zeker hieromtrent van hetzelfde
gevoelen geweest zijn. Maar Robbert's verontschuldiging wekte bij
mij het vermoeden, dat zij op dat zelfde oogenblik Diana met haren
reisgenoot onthaalde--haren reisgenoot, dacht ik; want mij hem als
haar echtgenoot voor te stellen, was mij volstrekt onmogelijk.
Te midden van de verdrietige overpeinzing die deze gedachten in
mij deden ontstaan, en die mij onverschillig voor het goede onthaal
maakten, bemerkte ik, dat Robbert's vriendelijke oplettendheid ons
ook eene betere standplaats wilde bezorgen, dan wij den vorigen
nacht gehad hadden. Twee van de minst gebrekkige kribben, die langs
den wand der hut stonden, waren met heidekruid, dat juist in vollen
bloei was, zoo kunstmatig opgevuld, dat het, daar de bloesem naar
boven gekeerd lag, eene weeke, geurige rustplaats vormde, die met
mantels en al het beddegoed, dat men bijeen had kunnen brengen,
overdekt was en een verkwikkenden slaap scheen te beloven. Jarvie
was van de geleden ongemakken en moeilijkheden zichtbaar afgemat en
uitgeput. Ik besloot dus, hetgeen ik hem te verhalen had, tot den
volgenden morgen te besparen en liet hem naar bed gaan, nadat hij zich
aan tafel rijkelijk te goed had gedaan. Ik was onrustig, koortsachtig,
opgewonden. Dat benam mij de neiging tot slapen, hoe vermoeid ik mij
ook gevoelde. Dientengevolge bleef ik nog bij Robbert zitten praten,
en wij hadden nog een vrij belangwekkend gesprek.