Bestijgt de brug en spant zijn boog
En springt in 't kille nat,
En zwemt met kracht en komt aan wal
Verdwijnt langs kronk'lend pad.
Gil Morrice.
Aan beide zijden van het dal weergalmde het geschal der trompetten
tegen de rotsen en in de enge passen, toen de ruiters in twee benden
langzaam aftrokken. Galbraith's troep wendde zich rechts en ging over
de Forth om een in de nabijheid liggend kasteel te bereiken, waar hij
de nacht zou doorbrengen. De overgang van het krijgsvolk over de rivier
leverde een levendig tooneel op. Maar wij verloren hen weldra uit het
gezicht, daar zij aan den anderen oever tusschen de boomen verdwenen.
Onze bende marcheerde in redelijk goede orde voort. De hertog liet
den gevangene, ten einde zich voldoende van hem te verzekeren, achter
een man van zijn gevolg, met name Ewan en Brigglands, die zich door
zijne buitengewone sterkte en grootte onderscheidde, op het paard
plaatsen. Een buikriem, die beiden om het lijf geslagen en vóór op 's
ruiters borst vastgemaakt was, maakte het Robbert volstrekt onmogelijk
te ontkomen. Ik kreeg een van de handpaarden, en moest naast hen
rijden. Overigens waren wij dicht door de andere ruiters omringd,
als de breedte van den weg dit maar vergunde. En steeds hadden wij
één of twee man met geladen pistool ter hand, naast ons. Andries, die
men op een buitgemaakt Hooglandsch paardje had gezet, reed tusschen
's hertogs bedienden, die in grooten getale den trein volgden, zonder
zich onder de geregelde troepen te mengen.
Weldra bereikten wij de plaats, waar ook wij de rivier moesten
overtrekken. De Forth is, zelfs daar, waar die niet breed is,
van aanmerkelijke diepte. De weg liep langs een steil, smal pad,
waar de ruiters slechts één voor één langs konden komen. Terwijl
de voorsten, de een na den ander, naar beneden reden, moesten
de daaropvolgenden aan den oever stilhouden, waardoor oponthoud,
en zelfs eenige verwarring ontstond, daar verscheidene ruiters,
die niet tot de eigenlijke soldaten behoorden, naar de doorwaadbare
plaats drongen, en de ruiterij, die anders vrij goed geoefend was,
insgelijks min of meer in wanorde brachten.
Toen wij aldus op den oever zoo samengedrongen stonden, hoorde ik,
dat Robbert den man, achter wien hij zat, de woorden toefluisterde:
»uw vader, Ewan, zou een oud vriend waarlijk niet als een kalf ter
slachtbank gevoerd hebben, al hadden ook al de hertogen in het gansche
Christendom dat van hem gevergd."
Ewan antwoordde niet. Maar zijn schouderophalen scheen te zeggen,
dat hij hier niet vrijwillig handelde. Hij wilde misschien wel anders,
maar hij kon er niets aan veranderen.
»En als Mac-Gregor's stam in uw land komt, ging Campbell voort, en gij
ziet de ledige schaapskooien, en bloed op den haard, en de vlam uit
het dak van uwe woning slaan, dan zult gij zeker bij u zelven zeggen:
ware mijn vriend Robbert hier aan het hoofd geweest, dan zou ik zeker
dat alles niet verloren hebben."
Ewan haalde nogmaals de schouders op en zuchtte, maar sprak geen
enkel woord.
»Het is toch wel jammer," vervolgde Robbert en fluisterde zijne
vleiende woorden Ewan zoo zacht in het oor, dat ik alleen ze hooren
kon, ik, die zeker geene roeping gevoelde, om hem zijn laatste hoop op
ontvluchting te benemen.--»Het is wel jammer, dat Ewan, wien Robbert
Mac-Gregor met zijn arm, zijn zwaard en zijn beurs bijstand heeft
verleend, liever den wil van een groot heer gehoorzaamt, dan dat hij
dankbaar het leven van zijn vriend redt!"
Ewan scheen getroffen, maar zweeg.
Op dat oogenblik riep de hertog van den anderen oever: »brengt den
gevangene over!"
Ewan gaf zijn paard de sporen, en juist toen ik Robbert hoorde zeggen:
»Weeg toch het bloed van een Mac-Gregor niet tegen een behendig
losgemaakten buikriem! want hier en hier namaals zal van dat bloed
rekenschap gegeven worden;"--reden zij mij snel voorbij en spoedden
zich te water.
»Nog niet! nog niet, mijnheer!" riepen eenige ruiters mij toe, toen ik
Ewan en Robbert volgen en mij door het gedrang plaats wilde maken. Bij
het flauwe licht van den vallenden avond zag ik den hertog aan den
anderen oever bezig met de ruiters, die deels hooger, deels lager,
aan land kwamen, in orde te scharen. Velen waren de rivier reeds
overgetrokken, anderen bevonden zich nog midden in het water, en de
overigen maakten zich gereed om hunne kameraden te volgen, toen een
plotseling gedruisch in het water mij te kennen gaf, dat Mac-Gregors
welsprekendheid over Ewans bedenkingen gezegepraald had. De hertog
hoorde insgelijks dat gedruisch en giste terstond de oorzaak.
»Schurk!" riep hij Ewan toe, toen deze aan land kwam: »waar is uw
gevangene?"--En zonder de verontschuldiging af te wachten, die de
bedremmelde ruiter begon uit te stamelen, brandde hij een pistool
op hem los.--Of hij hem doodelijk trof of niet, weet ik niet; maar
hij voegde er dadelijk bij, terwijl hij zich naar de overige ruiters
keerde: »verspreidt u, vervolgt den hond! Honderd guinjes voor hem,
die mij Robbert terug brengt!"
De beide oevers der rivier werden thans een tooneel der levendigste
verwarring. Robbert, dien Ewan buiten twijfel door den buikriem,
waarmede zij samengebonden waren, los te maken bevrijd had, was
ijlings in het water gesprongen en onder den buik van het paard
weggezwommen. Daar hij echter genoodzaakt was, voor een oogenblik
naar de oppervlakte te komen ten einde adem te halen, verried hem
weldra het scheren van zijn bonten plaid. Eenige ruiters stortten zich
dadelijk in de rivier, nu eens met hunne paarden zwemmende, dan weder
ze verlatende en met moeite tegen den stroom worstelende. Anderen,
minder ijverig, of liever voorzichtiger, galoppeerden in verschillende
richtingen langs beide oevers op en neder, om de plaatsen in het oog
te houden, waar de vluchteling zou kunnen landen. Het luid herhaalde
geschreeuw, het roepen om bijstand hier en daar, waar men eenig teeken
van den ontsnapte zag of althans meende te zien, dat de weerklank
der pistool- en geweerschoten, die op elk voorwerp gelost werden, dat
slechts eenigszins argwaan wekte; het gezicht van zoo vele ruiters,
die her- en derwaarts in de rivier en langs den oever reden en hunne
lange sabels tegen alles zwaaiden, wat hunne opmerkzaamheid trok;
de vruchtelooze pogingen der officieren om de orde te herstellen, dit
alles in een zoo woest oord, en bij het flauwe schemerlicht van een
somberen herfstavond nauwelijks zichtbaar, vormde het zonderlingste
tooneel, dat ik ooit aanschouwd had, en in deze aanschouwing bleef
ik geheel aan mij zelven overgelaten, daar al de ruiters zich
verstrooid hadden, om den vluchteling na te rennen, of den afloop
hunner nasporingen te zien. Reeds toen vermoedde ik, en werd er
naderhand volkomen van overtuigd, dat velen van degenen, die zich
het ijverigste schenen te bemoeien om den vluchteling te ontdekken,
eigenlijk het allerminst wenschten, dat men hem weder meester mocht
worden, en slechts medeschreeuwden, ten einde de algemeene verwarring
te vermeerderen en Robbert des te betere gelegenheid te geven om aan
zijne vervolgers te ontkomen.
Voor een geoefenden zwemmer, als Robbert was, viel dit trouwens, in
't geheel niet moeielijk, zoodra slechts de eerste drift dergenen,
die hem nazetten, een weinig bekoeld was. Eens waren zij hem echter
zeer nabij, en rondom hem werden tallooze schoten en sabelhouwen in
het water gedaan. Ik herinnerde mij, dit ziende, de otterjacht, die
ik te Osbaldistone had bijgewoond, waarbij het dier, wanneer het den
neus boven het water stak om adem te halen, door de honden ontdekt
werd, maar door dadelijk weder onder te duiken hun ontsnapte. Robbert
redde zich echter veel sluwer dan de otter; en wel op het oogenblik,
waarop hij het hevigst vervolgd werd, door een gelukkig verzonnen
list. Hij ontdeed zich, namelijk, ongemerkt van zijn bonten plaid
en liet dien met den stroom mededrijven. Daardoor werd de algemeene
opmerkzaamheid een poos op het kleed gevestigd. Dit deed verscheiden
ruiters het spoor missen en hij ontkwam.
Toen de vluchteling zijn vervolgers eenmaal uit het gezicht was, werd
het nagenoeg onmogelijk, hem weder machtig te worden. Het water was
op vele plaatsen te diep, de oever te steil en bijna overal met dichte
bosschen bezet, die zoo ver over het water hingen, dat de ruiters dien
niet dicht genoeg naderen konden. Daarenboven brachten verscheidene
dwalingen en tegenspoeden, waarmede de vervolgers te worstelen hadden,
er niet weinig toe bij, om hunne onderneming, toen het volkomen
duister was geworden, meer en meer hopeloos te maken. Eenigen van hen
werden door de snelheid van den stroom medegesleept en riepen hunne
kameraden te hulp, om niet te verdrinken. Anderen waren zelfs, door het
verwarde schieten en houwen, gekwetst, schreeuwden insgelijks om hulp,
of dreigden met wraak. Ja, dergelijke ongevallen veroorzaakten zelfs
nu en dan bloedige gevechten. Eindelijk gaven de trompetten het sein
tot den terugtocht. De hertog had, hoe noode ook en vol ergernis,
voor het oogenblik de hoop opgegeven, om zijn prooi, die hem zoo
onverwachts ontrukt was, weder machtig te worden. Nu begonnen de
ruiters zich langzaam, half onwillig en steeds met elkander twistende,
te scharen. Ik zag hen, als donkere schimmen, langs den zuidelijken
oever der rivier trekken. Het gedruisch daarvan, eerst door het veel
luider geschreeuw van wraakzuchtige vervolgers verdoofd, hoorde ik nu
te midden van het misnoegde en wrevelige grommen der teleurgestelde
soldaten.
Ik was tot nu slechts een stille, ofschoon geenszins onverschillige
aanschouwer van het zonderlinge voorval geweest; maar plotseling riep
nu eene luide stem: »Waar is de Engelschman? Hij gaf Robbert het mes,
om den riem door te snijden."
»Houwt hem in stukken, dien vervloekten puddingvreter! jaagt hem een
paar kogels door den kop! Stoot hem de sabel door de darmen!" aldus
brulden verscheidene stemmen door elkander. Ik hoorde eenige ruiters
heen en weder galoppeeren en twijfelde niet, of zij waren voornemens
deze bedreigingen ten uitvoer te brengen. Ik besefte het gevaarlijke
van mijn toestand. Ik vreesde dat gewapenden, wier getergde driften
door niets getemd werden, mij waarschijnlijk eerst zouden dooden, en
dan onderzoeken zouden, of zij daaraan wel goed hadden gedaan. Dit
denkbeeld deed mij ijlings van het paard springen, hetwelk ik los
liet. Ik vluchtte een elzenboschje in, waar ik, wegens de meer en
meer vallende duisternis van den avond, niet zoo licht zou kunnen
ontdekt worden. Was ik dicht bij den hertog geweest, dan zou ik zijne
bescherming hebben ingeroepen. Maar hij had zijn terugtocht reeds
aangevangen. Op den ganschen linkeroever zag ik geen één officier,
wiens aanzien groot genoeg zou geweest zijn, om mij te beveiligen,
als ik mij aan hem had willen overgeven. Naar mijn oordeel kon, in
zulke omstandigheden, geene wet van eer mij verplichten, om mijn leven
noodeloos in gevaar te stellen. Toen het alarm begon te verflauwen
en de hoefslag der paarden in den omtrek van mijne schuilplaats zich
zeldzamer liet hooren, was mijne eerste gedachte, den hertog op te
zoeken, zoodra alles bedaard zou zijn, en mij aan hem over te geven,
als een getrouw onderdaan, die de gerechtigheid niet vreezen, en die,
als vreemdeling, aanspraak op bescherming had.
Met dit voornemen kroop ik eindelijk uit het boschje en keek in
het rond.
Duisternis overdekte thans de geheele streek. Slechts eenige weinige
ruiters bevonden zich nog op den linkeroever der rivier. Van den
anderen kant klonk de verwijderde hoefslag der paarden en het
geschetter der trompetten, dat door het bosch weergalmde, om de
achterblijvers terug te roepen. Mijn toestand was netelig genoeg. Ik
had geen paard, en de diepe rivier, die zich, na het woelige tooneel,
dat zoo even plaats gehad en haar in haren loop verontrust had, in het
flauwe licht van de opkomende maan zeer dreigend vertoonde, noodigde
waarlijk geen voetganger uit, om een overtocht te beproeven. Geenszins
aan het doorwaden van rivieren gewend, had ik daarenboven nog kort te
voren gezien, hoe sommige ruiters al hun krachten moesten inspannen om
niet door den stroom medegesleept te worden, en hoe zij tot aan den
zadel in de diepte zonken. Bleef ik daarentegen op den linkeroever
der rivier, dan had ik geen ander vooruitzicht dan, na alle geleden
ongemakken en verdrietelijkheden, nu nog den nacht onder den blooten
hemel te moeten doorbrengen.
Na eenig nader overleg begreep ik, dat Andries, die zeker, met de
andere bedienden de rivier moest overgekomen zijn, en steeds gewoon
was zich onbescheiden op te dringen, niet in gebreke zou blijven,
om den hertog aangaande mijne betrekkingen in te lichten. Het
scheen mij dus niet zoo noodzakelijk, terstond op te treden om
mijn goeden naam te redden en daarbij gevaar te loopen van in de
rivier te verdrinken. Ja, als ik ook behouden den tegenoverliggenden
oever bereikte, kon ik het spoor der ruiters missen, of door een
achterblijver neergesabeld worden. Ik besloot dus naar de herberg
terug te keeren, waar ik den vorigen nacht doorgebracht had. Van
Robbert had ik niets te vreezen. Hij was nu vrij, en ik twijfelde
niet, of, als ik onder eenigen van zijn volk mocht vallen, ik zou
mij door het bericht van zijne redding bij hen verdienstelijk maken
en mij vrij geleide verschaffen. Op deze wijze kon ik tevens toonen,
dat het geenszins mijn plan was, Jarvie in den gevaarlijken toestand te
verlaten, waarin hij hoofdzakelijk om mijnentwil was geraakt. Eindelijk
kon ik slechts langs dezen weg hopen, tijding aangaande Rashleigh en
mijns vaders eigendom te erlangen, wat de eerste aanleiding tot een
reis was, waarop mij zulke gevaarlijke avonturen bejegend waren. Ik
keerde dus de rivier den rug toe en begaf mij op weg naar Aberfoil.
Een scherpe noordenwind, die zich van tijd tot tijd verhief,
verdeelde de nevelwolken, die anders tot het aanbreken van den dag
het gansche dal zouden overdekt hebben; maar zij werden niet geheel
en al uiteengedreven, maar vormden telkens afwisselende massa's,
zonderling van gedaante, die nu eens om de kruinen der bergen zweefden,
dàn weder in dichte dampen de diepe kloven vulden, waar ontzaglijke
rotsklompen, van de klippen losgerukt, in het dal waren neergestort. De
maan, die thans hoog en helder aan den kouden nachthemel schitterde,
verzilverde de golfjes der rivier, de rotspunten en de steile ruwe
wanden, welke de nevel niet overdekte, terwijl hare stralen door
de dichtere nevelmassa's naar het scheen ingezogen werden, en de
lichtere losse wolkjes in een doorschijnenden sluier veranderden. Bij
dit inderdaad bekoorlijke gezicht en den verlevendigenden invloed
der koude, gevoelde ik, in weerwil van mijn hachelijken toestand,
mijn moed klimmen en mijn zenuwen meer spannen. Ik bevond mij in
eene gemoedsstemming, die mij in staat stelde om elke zorg van mij
te werpen, alle gevaar onverschrokken te gemoet te gaan, en ik floot
onwillekeurig, terwijl ik, door de koude aangespoord, mijne schreden
verdubbelde. Het kwam mij voor dat ik wezenlijk in krachten toenam,
naarmate mijn vertrouwen op de sterkte, den moed en de hulpmiddelen
welke ik in mij zelven vond, toenam; ja, ik hield mij zoo geheel met
mijne gedachten en de gewaarwordingen, die zij in mij verwekten,
bezig, dat twee lieden te paard mij inhaalden, zonder dat ik hen
eerder bemerkt had, dan toen zij mij reeds op zijde waren. Die aan
mijne linkerzijde deed zijn paard oogenblikkelijk den stap van het
mijne houden en sprak mij aldus in het Engelsch aan: »Wel vriend,
waarheen zoo laat?"
»Naar mijne herberg te Aberfoil," gaf ik ten antwoord.
»Zijn de wegen veilig?" vervolgde hij op denzelfden hoogen toon.
»Dat weet ik niet," hernam ik. »Als ik in mijn nachtkwartier kom,
zal ik dat wel vernemen. Maar,"--voegde ik er bij, toen ik mij het
deerniswaardige lot van den ongelukkigen Morris herinnerde,--»zoo
gij Engelschen zijt, raad ik u terug te keeren en den dag af te
wachten. Want er zijn in dezen omtrek dingen voorgevallen, en ik zou
er niet voor durven instaan, dat de weg voor vreemdelingen volkomen
veilig is."
»De militairen zijn geslagen, niet waar?"
»Ja, en een officier, wiens volk grootendeels gesneuveld was, is met
eenige weinigen van zijn overgebleven manschappen gevangen genomen."
»Weet gij dat zeker?" vroeg de onbekende.
»Zoo zeker als ik u hoor spreken. Ik was tegen wil en dank getuige
van het gevecht."
»Tegen wil en dank? Gij waart er dus niet in betrokken en hadt er
geen deel aan?"
»Wel wis en waarachtig niet!" antwoordde ik. »Ik werd door dien
officier in arrest gehouden."
»Op welk vermoeden? Wie zijt gij? Hoe heet gij?"
»Ik weet inderdaad niet," hernam ik, »waarom ik een onbekenden
vreemdeling zoo vele vragen op eens zou beantwoorden. Ik heb u genoeg
gezegd, om u te overtuigen, dat gij u in een onrustig, gevaarlijk
oord bevindt. Wilt gij verder gaan, dat is uwe zaak; maar daar ik u
noch naar uw naam, noch naar uw beroep vraag, verzoek ik u, mij met
dergelijke vragen evenmin lastig te vallen."
»Als mijnheer Frans Osbaldistone"--zei de andere persoon met eene
stem, die al mijne zenuwen deed trillen--»onbekend wenscht te blijven,
dan moet hij zijn geliefkoosd liedje niet fluiten."
En Diana Vernon--want zij was het, die in een grooten ruitersmantel
gehuld was--floot, mij nabootsende, het andere gedeelte van het lied,
dat mij juist, toen zij mij inhaalden, op de lippen zweefde.
»Rechtvaardige hemel!" riep ik, als door den donder getroffen. »Zijt
gij het, Freule Vernon?--hier in dit oord--op zulk een uur--in zulk
een wetteloos land, gekleed--in...."
»In manskleeding? wilt gij vragen. Ja, wat kan ik er aan doen? Ten
laatste blijkt de filosofie van korporaal Nym toch de beste: de
wereldsche zaken haren wereldschen gang te laten gaan."
Terwijl zij zoo sprak, maakte ik ongeduldig van een buitengewoon
helderen straal der maan gebruik, om haren reisgenoot op te nemen. Ik
behoef niet te zeggen, dat ik tot jaloezie geprikkeld werd, verrast
als ik was, Diana in zulk een eenzaam oord, op zulk een gevaarvollen
tocht onder de bescherming van een enkel man te ontmoeten. De stem
van haar geleider was welluidend als die van Rashleigh. Zijn toon
was dieper en gebiedender. Ook was hij hooger van gestalte dan mijn
vijand. Ik kon bij de spraak des onbekenden ook niet aan een mijner
overige neven denken. Integendeel, zijn taal en uitspraak droegen
geheel dit niet te omschrijven cachet, waaraan men reeds bij de eerste
woorden den man van verstand en opvoeding herkent.
Mijn onderzoekende blik scheen hem lastig te zijn.--»Diana," zeide
hij op een toon, die half goedig, half gebiedend klonk: »geef uw neef
zijn eigendom terug: wij moeten hier niet veel tijd verspillen."
Diana had toen daarop een klein kistje te voorschijn gehaald, en
toen zij zich van haar paard naar mij vooroverboog, zeide zij op
een toon, waarin opgeruimde ernst met dieper gevoel en aandoening
scheen te kampen: »Zoo als ge ziet, waarde neef, ik ben tot uw
beschermengel geboren. Rashleigh is genoodzaakt geworden zijn buit af
te staan. Hadden wij den vorigen nacht, zoo als ons voornemen was,
het dorp Aberfoil bereikt, dan zou ik wel een gedienstigen geest
uit het Hoogland hebben gevonden, die u deze belangrijke papieren
in handen gespeeld zou hebben. Maar reuzen en draken zwierven overal
langs den weg, en dolende ridders en jonkvrouwen van onzen tijd mogen
zich niet, als in oude tijden, noodeloos in gevaar begeven. Doe dat
ook niet, neefje!"
»Diana," hervatte haar geleider; »ik moet u nog eenmaal herinneren,
dat de nacht op handen is, en dat wij nog ver van huis zijn."
»Ik kom, ik kom!" antwoordde zij, maar voegde er tegelijk zuchtende
bij: »bedenk toch, dat ik eerst zoo laat aan beperking van mijn vrijen
wil gewoon ben geworden. Ook heb ik mijn neef het pakje nog niet
gegeven, noch hem vaarwel gezegd--voor altijd! Ja, Frans!" vervolgde
zij--»voor altijd! Er ligt een afgrond tusschen ons beiden--een
onoverkomelijke afgrond van onfeilbaar verderf. Gij moogt ons, waarheen
wij ons ook begeven, volstrekt niet volgen; en aan hetgeen wij willen,
moogt gij geen deel nemen. Vaarwel! Wees gelukkig!"
Toen zij zich van hare Hooglandsche merrie vooroverboog, raakte
haar gelaat, misschien niet geheel onwillekeurig, het mijne aan. Zij
drukte mijne hand, terwijl de traan, die in haar oog glinsterde, op
mijne wang viel. Het was een onvergetelijk oogenblik--onuitsprekelijk
bitter en toch zoo innig roerend. In een zoet, zalig gevoel, welden
nog eenmaal de gewaarwordingen uit het diepst van mijn hart op. Maar
het was slechts voor een oogenblik. Zich dadelijk herstellende van de
aandoening, waaraan zij zich een seconde had overgegeven, zeide Diana
tot haar reisgenoot, dat zij gereed was met hem te vertrekken. Zij
gaven hun paarden de sporen en waren weldra ver van de plek verwijderd,
waar ik vol verbazing bleef staan.
Neen! het was geene gevoelloosheid, die mijne tong belemmerde,
dat ik Diana's halve omhelzing evenmin als haar vaarwel vermocht
te beantwoorden. Het woord bestierf mij op de lippen, zoo bedwelmd
was ik door verrassing en droefheid. Ik stond onbewegelijk, met het
pakje papieren in de hand, en staarde hen na, alsof ik de vonken
wilde tellen, die onder de hoefslagen hunner paarden uit de steenen
spatten. Ik volgde hen met mijn blik, tot zij geheel uit het gezicht
waren, en ik luisterde nog, toen het geluid van den hoefslag voor
mij reeds niet meer hoorbaar was. Eindelijk kwamen mij de tranen in
de oogen, die nog altijd staarden naar iets, dat niet meer zichtbaar
was. Ik droogde ze werktuigelijk af, maar de tranen vielen hoe langer
hoe meer. Ik gevoelde eene krampachtige opwelling in keel en borst. Ik
zette mij op een steen aan den weg neder. De smartelijkste tranen,
die ik sinds mijne jeugd vergoten had, heb ik daar vergoten, daar op
dien eenzamen weg in het woeste Schotsche Hoogland.....