HOOFDSTUK XXXIII.

Bestijgt de brug en spant zijn boog

En springt in 't kille nat,

En zwemt met kracht en komt aan wal

Verdwijnt langs kronk'lend pad.

Gil Morrice.

Aan beide zijden van het dal weergalmde het geschal der trompetten

tegen de rotsen en in de enge passen, toen de ruiters in twee benden

langzaam aftrokken. Galbraith's troep wendde zich rechts en ging over

de Forth om een in de nabijheid liggend kasteel te bereiken, waar hij

de nacht zou doorbrengen. De overgang van het krijgsvolk over de rivier

leverde een levendig tooneel op. Maar wij verloren hen weldra uit het

gezicht, daar zij aan den anderen oever tusschen de boomen verdwenen.

Onze bende marcheerde in redelijk goede orde voort. De hertog liet

den gevangene, ten einde zich voldoende van hem te verzekeren, achter

een man van zijn gevolg, met name Ewan en Brigglands, die zich door

zijne buitengewone sterkte en grootte onderscheidde, op het paard

plaatsen. Een buikriem, die beiden om het lijf geslagen en vóór op 's

ruiters borst vastgemaakt was, maakte het Robbert volstrekt onmogelijk

te ontkomen. Ik kreeg een van de handpaarden, en moest naast hen

rijden. Overigens waren wij dicht door de andere ruiters omringd,

als de breedte van den weg dit maar vergunde. En steeds hadden wij

één of twee man met geladen pistool ter hand, naast ons. Andries, die

men op een buitgemaakt Hooglandsch paardje had gezet, reed tusschen

's hertogs bedienden, die in grooten getale den trein volgden, zonder

zich onder de geregelde troepen te mengen.

Weldra bereikten wij de plaats, waar ook wij de rivier moesten

overtrekken. De Forth is, zelfs daar, waar die niet breed is,

van aanmerkelijke diepte. De weg liep langs een steil, smal pad,

waar de ruiters slechts één voor één langs konden komen. Terwijl

de voorsten, de een na den ander, naar beneden reden, moesten

de daaropvolgenden aan den oever stilhouden, waardoor oponthoud,

en zelfs eenige verwarring ontstond, daar verscheidene ruiters,

die niet tot de eigenlijke soldaten behoorden, naar de doorwaadbare

plaats drongen, en de ruiterij, die anders vrij goed geoefend was,

insgelijks min of meer in wanorde brachten.

Toen wij aldus op den oever zoo samengedrongen stonden, hoorde ik,

dat Robbert den man, achter wien hij zat, de woorden toefluisterde:

»uw vader, Ewan, zou een oud vriend waarlijk niet als een kalf ter

slachtbank gevoerd hebben, al hadden ook al de hertogen in het gansche

Christendom dat van hem gevergd."

Ewan antwoordde niet. Maar zijn schouderophalen scheen te zeggen,

dat hij hier niet vrijwillig handelde. Hij wilde misschien wel anders,

maar hij kon er niets aan veranderen.

»En als Mac-Gregor's stam in uw land komt, ging Campbell voort, en gij

ziet de ledige schaapskooien, en bloed op den haard, en de vlam uit

het dak van uwe woning slaan, dan zult gij zeker bij u zelven zeggen:

ware mijn vriend Robbert hier aan het hoofd geweest, dan zou ik zeker

dat alles niet verloren hebben."

Ewan haalde nogmaals de schouders op en zuchtte, maar sprak geen

enkel woord.

»Het is toch wel jammer," vervolgde Robbert en fluisterde zijne

vleiende woorden Ewan zoo zacht in het oor, dat ik alleen ze hooren

kon, ik, die zeker geene roeping gevoelde, om hem zijn laatste hoop op

ontvluchting te benemen.--»Het is wel jammer, dat Ewan, wien Robbert

Mac-Gregor met zijn arm, zijn zwaard en zijn beurs bijstand heeft

verleend, liever den wil van een groot heer gehoorzaamt, dan dat hij

dankbaar het leven van zijn vriend redt!"

Ewan scheen getroffen, maar zweeg.

Op dat oogenblik riep de hertog van den anderen oever: »brengt den

gevangene over!"

Ewan gaf zijn paard de sporen, en juist toen ik Robbert hoorde zeggen:

»Weeg toch het bloed van een Mac-Gregor niet tegen een behendig

losgemaakten buikriem! want hier en hier namaals zal van dat bloed

rekenschap gegeven worden;"--reden zij mij snel voorbij en spoedden

zich te water.

»Nog niet! nog niet, mijnheer!" riepen eenige ruiters mij toe, toen ik

Ewan en Robbert volgen en mij door het gedrang plaats wilde maken. Bij

het flauwe licht van den vallenden avond zag ik den hertog aan den

anderen oever bezig met de ruiters, die deels hooger, deels lager,

aan land kwamen, in orde te scharen. Velen waren de rivier reeds

overgetrokken, anderen bevonden zich nog midden in het water, en de

overigen maakten zich gereed om hunne kameraden te volgen, toen een

plotseling gedruisch in het water mij te kennen gaf, dat Mac-Gregors

welsprekendheid over Ewans bedenkingen gezegepraald had. De hertog

hoorde insgelijks dat gedruisch en giste terstond de oorzaak.

»Schurk!" riep hij Ewan toe, toen deze aan land kwam: »waar is uw

gevangene?"--En zonder de verontschuldiging af te wachten, die de

bedremmelde ruiter begon uit te stamelen, brandde hij een pistool

op hem los.--Of hij hem doodelijk trof of niet, weet ik niet; maar

hij voegde er dadelijk bij, terwijl hij zich naar de overige ruiters

keerde: »verspreidt u, vervolgt den hond! Honderd guinjes voor hem,

die mij Robbert terug brengt!"

De beide oevers der rivier werden thans een tooneel der levendigste

verwarring. Robbert, dien Ewan buiten twijfel door den buikriem,

waarmede zij samengebonden waren, los te maken bevrijd had, was

ijlings in het water gesprongen en onder den buik van het paard

weggezwommen. Daar hij echter genoodzaakt was, voor een oogenblik

naar de oppervlakte te komen ten einde adem te halen, verried hem

weldra het scheren van zijn bonten plaid. Eenige ruiters stortten zich

dadelijk in de rivier, nu eens met hunne paarden zwemmende, dan weder

ze verlatende en met moeite tegen den stroom worstelende. Anderen,

minder ijverig, of liever voorzichtiger, galoppeerden in verschillende

richtingen langs beide oevers op en neder, om de plaatsen in het oog

te houden, waar de vluchteling zou kunnen landen. Het luid herhaalde

geschreeuw, het roepen om bijstand hier en daar, waar men eenig teeken

van den ontsnapte zag of althans meende te zien, dat de weerklank

der pistool- en geweerschoten, die op elk voorwerp gelost werden, dat

slechts eenigszins argwaan wekte; het gezicht van zoo vele ruiters,

die her- en derwaarts in de rivier en langs den oever reden en hunne

lange sabels tegen alles zwaaiden, wat hunne opmerkzaamheid trok;

de vruchtelooze pogingen der officieren om de orde te herstellen, dit

alles in een zoo woest oord, en bij het flauwe schemerlicht van een

somberen herfstavond nauwelijks zichtbaar, vormde het zonderlingste

tooneel, dat ik ooit aanschouwd had, en in deze aanschouwing bleef

ik geheel aan mij zelven overgelaten, daar al de ruiters zich

verstrooid hadden, om den vluchteling na te rennen, of den afloop

hunner nasporingen te zien. Reeds toen vermoedde ik, en werd er

naderhand volkomen van overtuigd, dat velen van degenen, die zich

het ijverigste schenen te bemoeien om den vluchteling te ontdekken,

eigenlijk het allerminst wenschten, dat men hem weder meester mocht

worden, en slechts medeschreeuwden, ten einde de algemeene verwarring

te vermeerderen en Robbert des te betere gelegenheid te geven om aan

zijne vervolgers te ontkomen.

Voor een geoefenden zwemmer, als Robbert was, viel dit trouwens, in

't geheel niet moeielijk, zoodra slechts de eerste drift dergenen,

die hem nazetten, een weinig bekoeld was. Eens waren zij hem echter

zeer nabij, en rondom hem werden tallooze schoten en sabelhouwen in

het water gedaan. Ik herinnerde mij, dit ziende, de otterjacht, die

ik te Osbaldistone had bijgewoond, waarbij het dier, wanneer het den

neus boven het water stak om adem te halen, door de honden ontdekt

werd, maar door dadelijk weder onder te duiken hun ontsnapte. Robbert

redde zich echter veel sluwer dan de otter; en wel op het oogenblik,

waarop hij het hevigst vervolgd werd, door een gelukkig verzonnen

list. Hij ontdeed zich, namelijk, ongemerkt van zijn bonten plaid

en liet dien met den stroom mededrijven. Daardoor werd de algemeene

opmerkzaamheid een poos op het kleed gevestigd. Dit deed verscheiden

ruiters het spoor missen en hij ontkwam.

Toen de vluchteling zijn vervolgers eenmaal uit het gezicht was, werd

het nagenoeg onmogelijk, hem weder machtig te worden. Het water was

op vele plaatsen te diep, de oever te steil en bijna overal met dichte

bosschen bezet, die zoo ver over het water hingen, dat de ruiters dien

niet dicht genoeg naderen konden. Daarenboven brachten verscheidene

dwalingen en tegenspoeden, waarmede de vervolgers te worstelen hadden,

er niet weinig toe bij, om hunne onderneming, toen het volkomen

duister was geworden, meer en meer hopeloos te maken. Eenigen van hen

werden door de snelheid van den stroom medegesleept en riepen hunne

kameraden te hulp, om niet te verdrinken. Anderen waren zelfs, door het

verwarde schieten en houwen, gekwetst, schreeuwden insgelijks om hulp,

of dreigden met wraak. Ja, dergelijke ongevallen veroorzaakten zelfs

nu en dan bloedige gevechten. Eindelijk gaven de trompetten het sein

tot den terugtocht. De hertog had, hoe noode ook en vol ergernis,

voor het oogenblik de hoop opgegeven, om zijn prooi, die hem zoo

onverwachts ontrukt was, weder machtig te worden. Nu begonnen de

ruiters zich langzaam, half onwillig en steeds met elkander twistende,

te scharen. Ik zag hen, als donkere schimmen, langs den zuidelijken

oever der rivier trekken. Het gedruisch daarvan, eerst door het veel

luider geschreeuw van wraakzuchtige vervolgers verdoofd, hoorde ik nu

te midden van het misnoegde en wrevelige grommen der teleurgestelde

soldaten.

Ik was tot nu slechts een stille, ofschoon geenszins onverschillige

aanschouwer van het zonderlinge voorval geweest; maar plotseling riep

nu eene luide stem: »Waar is de Engelschman? Hij gaf Robbert het mes,

om den riem door te snijden."

»Houwt hem in stukken, dien vervloekten puddingvreter! jaagt hem een

paar kogels door den kop! Stoot hem de sabel door de darmen!" aldus

brulden verscheidene stemmen door elkander. Ik hoorde eenige ruiters

heen en weder galoppeeren en twijfelde niet, of zij waren voornemens

deze bedreigingen ten uitvoer te brengen. Ik besefte het gevaarlijke

van mijn toestand. Ik vreesde dat gewapenden, wier getergde driften

door niets getemd werden, mij waarschijnlijk eerst zouden dooden, en

dan onderzoeken zouden, of zij daaraan wel goed hadden gedaan. Dit

denkbeeld deed mij ijlings van het paard springen, hetwelk ik los

liet. Ik vluchtte een elzenboschje in, waar ik, wegens de meer en

meer vallende duisternis van den avond, niet zoo licht zou kunnen

ontdekt worden. Was ik dicht bij den hertog geweest, dan zou ik zijne

bescherming hebben ingeroepen. Maar hij had zijn terugtocht reeds

aangevangen. Op den ganschen linkeroever zag ik geen één officier,

wiens aanzien groot genoeg zou geweest zijn, om mij te beveiligen,

als ik mij aan hem had willen overgeven. Naar mijn oordeel kon, in

zulke omstandigheden, geene wet van eer mij verplichten, om mijn leven

noodeloos in gevaar te stellen. Toen het alarm begon te verflauwen

en de hoefslag der paarden in den omtrek van mijne schuilplaats zich

zeldzamer liet hooren, was mijne eerste gedachte, den hertog op te

zoeken, zoodra alles bedaard zou zijn, en mij aan hem over te geven,

als een getrouw onderdaan, die de gerechtigheid niet vreezen, en die,

als vreemdeling, aanspraak op bescherming had.

Met dit voornemen kroop ik eindelijk uit het boschje en keek in

het rond.

Duisternis overdekte thans de geheele streek. Slechts eenige weinige

ruiters bevonden zich nog op den linkeroever der rivier. Van den

anderen kant klonk de verwijderde hoefslag der paarden en het

geschetter der trompetten, dat door het bosch weergalmde, om de

achterblijvers terug te roepen. Mijn toestand was netelig genoeg. Ik

had geen paard, en de diepe rivier, die zich, na het woelige tooneel,

dat zoo even plaats gehad en haar in haren loop verontrust had, in het

flauwe licht van de opkomende maan zeer dreigend vertoonde, noodigde

waarlijk geen voetganger uit, om een overtocht te beproeven. Geenszins

aan het doorwaden van rivieren gewend, had ik daarenboven nog kort te

voren gezien, hoe sommige ruiters al hun krachten moesten inspannen om

niet door den stroom medegesleept te worden, en hoe zij tot aan den

zadel in de diepte zonken. Bleef ik daarentegen op den linkeroever

der rivier, dan had ik geen ander vooruitzicht dan, na alle geleden

ongemakken en verdrietelijkheden, nu nog den nacht onder den blooten

hemel te moeten doorbrengen.

Na eenig nader overleg begreep ik, dat Andries, die zeker, met de

andere bedienden de rivier moest overgekomen zijn, en steeds gewoon

was zich onbescheiden op te dringen, niet in gebreke zou blijven,

om den hertog aangaande mijne betrekkingen in te lichten. Het

scheen mij dus niet zoo noodzakelijk, terstond op te treden om

mijn goeden naam te redden en daarbij gevaar te loopen van in de

rivier te verdrinken. Ja, als ik ook behouden den tegenoverliggenden

oever bereikte, kon ik het spoor der ruiters missen, of door een

achterblijver neergesabeld worden. Ik besloot dus naar de herberg

terug te keeren, waar ik den vorigen nacht doorgebracht had. Van

Robbert had ik niets te vreezen. Hij was nu vrij, en ik twijfelde

niet, of, als ik onder eenigen van zijn volk mocht vallen, ik zou

mij door het bericht van zijne redding bij hen verdienstelijk maken

en mij vrij geleide verschaffen. Op deze wijze kon ik tevens toonen,

dat het geenszins mijn plan was, Jarvie in den gevaarlijken toestand te

verlaten, waarin hij hoofdzakelijk om mijnentwil was geraakt. Eindelijk

kon ik slechts langs dezen weg hopen, tijding aangaande Rashleigh en

mijns vaders eigendom te erlangen, wat de eerste aanleiding tot een

reis was, waarop mij zulke gevaarlijke avonturen bejegend waren. Ik

keerde dus de rivier den rug toe en begaf mij op weg naar Aberfoil.

Een scherpe noordenwind, die zich van tijd tot tijd verhief,

verdeelde de nevelwolken, die anders tot het aanbreken van den dag

het gansche dal zouden overdekt hebben; maar zij werden niet geheel

en al uiteengedreven, maar vormden telkens afwisselende massa's,

zonderling van gedaante, die nu eens om de kruinen der bergen zweefden,

dàn weder in dichte dampen de diepe kloven vulden, waar ontzaglijke

rotsklompen, van de klippen losgerukt, in het dal waren neergestort. De

maan, die thans hoog en helder aan den kouden nachthemel schitterde,

verzilverde de golfjes der rivier, de rotspunten en de steile ruwe

wanden, welke de nevel niet overdekte, terwijl hare stralen door

de dichtere nevelmassa's naar het scheen ingezogen werden, en de

lichtere losse wolkjes in een doorschijnenden sluier veranderden. Bij

dit inderdaad bekoorlijke gezicht en den verlevendigenden invloed

der koude, gevoelde ik, in weerwil van mijn hachelijken toestand,

mijn moed klimmen en mijn zenuwen meer spannen. Ik bevond mij in

eene gemoedsstemming, die mij in staat stelde om elke zorg van mij

te werpen, alle gevaar onverschrokken te gemoet te gaan, en ik floot

onwillekeurig, terwijl ik, door de koude aangespoord, mijne schreden

verdubbelde. Het kwam mij voor dat ik wezenlijk in krachten toenam,

naarmate mijn vertrouwen op de sterkte, den moed en de hulpmiddelen

welke ik in mij zelven vond, toenam; ja, ik hield mij zoo geheel met

mijne gedachten en de gewaarwordingen, die zij in mij verwekten,

bezig, dat twee lieden te paard mij inhaalden, zonder dat ik hen

eerder bemerkt had, dan toen zij mij reeds op zijde waren. Die aan

mijne linkerzijde deed zijn paard oogenblikkelijk den stap van het

mijne houden en sprak mij aldus in het Engelsch aan: »Wel vriend,

waarheen zoo laat?"

»Naar mijne herberg te Aberfoil," gaf ik ten antwoord.

»Zijn de wegen veilig?" vervolgde hij op denzelfden hoogen toon.

»Dat weet ik niet," hernam ik. »Als ik in mijn nachtkwartier kom,

zal ik dat wel vernemen. Maar,"--voegde ik er bij, toen ik mij het

deerniswaardige lot van den ongelukkigen Morris herinnerde,--»zoo

gij Engelschen zijt, raad ik u terug te keeren en den dag af te

wachten. Want er zijn in dezen omtrek dingen voorgevallen, en ik zou

er niet voor durven instaan, dat de weg voor vreemdelingen volkomen

veilig is."

»De militairen zijn geslagen, niet waar?"

»Ja, en een officier, wiens volk grootendeels gesneuveld was, is met

eenige weinigen van zijn overgebleven manschappen gevangen genomen."

»Weet gij dat zeker?" vroeg de onbekende.

»Zoo zeker als ik u hoor spreken. Ik was tegen wil en dank getuige

van het gevecht."

»Tegen wil en dank? Gij waart er dus niet in betrokken en hadt er

geen deel aan?"

»Wel wis en waarachtig niet!" antwoordde ik. »Ik werd door dien

officier in arrest gehouden."

»Op welk vermoeden? Wie zijt gij? Hoe heet gij?"

»Ik weet inderdaad niet," hernam ik, »waarom ik een onbekenden

vreemdeling zoo vele vragen op eens zou beantwoorden. Ik heb u genoeg

gezegd, om u te overtuigen, dat gij u in een onrustig, gevaarlijk

oord bevindt. Wilt gij verder gaan, dat is uwe zaak; maar daar ik u

noch naar uw naam, noch naar uw beroep vraag, verzoek ik u, mij met

dergelijke vragen evenmin lastig te vallen."

»Als mijnheer Frans Osbaldistone"--zei de andere persoon met eene

stem, die al mijne zenuwen deed trillen--»onbekend wenscht te blijven,

dan moet hij zijn geliefkoosd liedje niet fluiten."

En Diana Vernon--want zij was het, die in een grooten ruitersmantel

gehuld was--floot, mij nabootsende, het andere gedeelte van het lied,

dat mij juist, toen zij mij inhaalden, op de lippen zweefde.

»Rechtvaardige hemel!" riep ik, als door den donder getroffen. »Zijt

gij het, Freule Vernon?--hier in dit oord--op zulk een uur--in zulk

een wetteloos land, gekleed--in...."

»In manskleeding? wilt gij vragen. Ja, wat kan ik er aan doen? Ten

laatste blijkt de filosofie van korporaal Nym toch de beste: de

wereldsche zaken haren wereldschen gang te laten gaan."

Terwijl zij zoo sprak, maakte ik ongeduldig van een buitengewoon

helderen straal der maan gebruik, om haren reisgenoot op te nemen. Ik

behoef niet te zeggen, dat ik tot jaloezie geprikkeld werd, verrast

als ik was, Diana in zulk een eenzaam oord, op zulk een gevaarvollen

tocht onder de bescherming van een enkel man te ontmoeten. De stem

van haar geleider was welluidend als die van Rashleigh. Zijn toon

was dieper en gebiedender. Ook was hij hooger van gestalte dan mijn

vijand. Ik kon bij de spraak des onbekenden ook niet aan een mijner

overige neven denken. Integendeel, zijn taal en uitspraak droegen

geheel dit niet te omschrijven cachet, waaraan men reeds bij de eerste

woorden den man van verstand en opvoeding herkent.

Mijn onderzoekende blik scheen hem lastig te zijn.--»Diana," zeide

hij op een toon, die half goedig, half gebiedend klonk: »geef uw neef

zijn eigendom terug: wij moeten hier niet veel tijd verspillen."

Diana had toen daarop een klein kistje te voorschijn gehaald, en

toen zij zich van haar paard naar mij vooroverboog, zeide zij op

een toon, waarin opgeruimde ernst met dieper gevoel en aandoening

scheen te kampen: »Zoo als ge ziet, waarde neef, ik ben tot uw

beschermengel geboren. Rashleigh is genoodzaakt geworden zijn buit af

te staan. Hadden wij den vorigen nacht, zoo als ons voornemen was,

het dorp Aberfoil bereikt, dan zou ik wel een gedienstigen geest

uit het Hoogland hebben gevonden, die u deze belangrijke papieren

in handen gespeeld zou hebben. Maar reuzen en draken zwierven overal

langs den weg, en dolende ridders en jonkvrouwen van onzen tijd mogen

zich niet, als in oude tijden, noodeloos in gevaar begeven. Doe dat

ook niet, neefje!"

»Diana," hervatte haar geleider; »ik moet u nog eenmaal herinneren,

dat de nacht op handen is, en dat wij nog ver van huis zijn."

»Ik kom, ik kom!" antwoordde zij, maar voegde er tegelijk zuchtende

bij: »bedenk toch, dat ik eerst zoo laat aan beperking van mijn vrijen

wil gewoon ben geworden. Ook heb ik mijn neef het pakje nog niet

gegeven, noch hem vaarwel gezegd--voor altijd! Ja, Frans!" vervolgde

zij--»voor altijd! Er ligt een afgrond tusschen ons beiden--een

onoverkomelijke afgrond van onfeilbaar verderf. Gij moogt ons, waarheen

wij ons ook begeven, volstrekt niet volgen; en aan hetgeen wij willen,

moogt gij geen deel nemen. Vaarwel! Wees gelukkig!"

Toen zij zich van hare Hooglandsche merrie vooroverboog, raakte

haar gelaat, misschien niet geheel onwillekeurig, het mijne aan. Zij

drukte mijne hand, terwijl de traan, die in haar oog glinsterde, op

mijne wang viel. Het was een onvergetelijk oogenblik--onuitsprekelijk

bitter en toch zoo innig roerend. In een zoet, zalig gevoel, welden

nog eenmaal de gewaarwordingen uit het diepst van mijn hart op. Maar

het was slechts voor een oogenblik. Zich dadelijk herstellende van de

aandoening, waaraan zij zich een seconde had overgegeven, zeide Diana

tot haar reisgenoot, dat zij gereed was met hem te vertrekken. Zij

gaven hun paarden de sporen en waren weldra ver van de plek verwijderd,

waar ik vol verbazing bleef staan.

Neen! het was geene gevoelloosheid, die mijne tong belemmerde,

dat ik Diana's halve omhelzing evenmin als haar vaarwel vermocht

te beantwoorden. Het woord bestierf mij op de lippen, zoo bedwelmd

was ik door verrassing en droefheid. Ik stond onbewegelijk, met het

pakje papieren in de hand, en staarde hen na, alsof ik de vonken

wilde tellen, die onder de hoefslagen hunner paarden uit de steenen

spatten. Ik volgde hen met mijn blik, tot zij geheel uit het gezicht

waren, en ik luisterde nog, toen het geluid van den hoefslag voor

mij reeds niet meer hoorbaar was. Eindelijk kwamen mij de tranen in

de oogen, die nog altijd staarden naar iets, dat niet meer zichtbaar

was. Ik droogde ze werktuigelijk af, maar de tranen vielen hoe langer

hoe meer. Ik gevoelde eene krampachtige opwelling in keel en borst. Ik

zette mij op een steen aan den weg neder. De smartelijkste tranen,

die ik sinds mijne jeugd vergoten had, heb ik daar vergoten, daar op

dien eenzamen weg in het woeste Schotsche Hoogland.....

Robbert Roodhaar · 第 46 / 57 题