Als ik niet voor de avond valt,
Den stap hier weêr hoor van zijn voeten,
Dan zweer ik bij de wraak van 't diep gefolterd harte
En bij de kracht tot wraak van ijzig wreede smarte
"Zwaar zal uw land die misdaad boeten!"
Uit een oud Tooneelspel.
Opmerkelijk, dat eene enkele wreede daad ons sterker treft, dan
wanneer woeste barbaarschheid talrijke offers eischt? Ik had dien dag
velen van mijne dappere landslieden zien sneuvelen, maar zij schenen
mij slechts in het gewone lot der menschheid te deelen. Wel kwam er
eene weemoedige aandoening in mij op, maar ik gevoelde geenszins die
onbeschrijfelijk smartelijke ontroering, die mij aangreep toen ik
den ongelukkigen Morris, onmachtig om zijn ontmenschten beulen zelfs
den minsten tegenstand te kunnen bieden, den ijselijken marteldood
zag ondergaan. Ik wierp een oog op mijn reisgenoot, en las op zijn
gelaat de gewaarwordingen, die zich op het mijne uitdrukten. Diep
verontwaardigd over de zoo even gepleegde gruweldaad mompelde hij,
hoewel verstaanbaar genoeg, in zich zelven: »Het is een moord, een
gruwzame moord! God zal die eenmaal wreken!"
»Gij vreest dus niet, dat hetzelfde lot u overkomen kan?" vroeg
Helena met dien akelig dreigenden blik, waarmede een havik op zijn
prooi neerziet, voordat hij zijne klauwen uitstrekt.
»Nicht," antwoordde Jarvie, »niemand zal gaarne zijn levensdraad
afknippen, eer het einde van het kluwen behoorlijk om den haspel
zit. En ik heb op deze drukke wereld nog veel te verrichten, niet
alleen in mijne particuliere zaken, maar ook in mijn ambt tot welzijn
van stad en land. Daarenboven heb ik nog voor deze en gene tot mij in
betrekking staande, hulpbehoevende personen te zorgen; bijvoorbeeld
voor het arme Matje, een verlaten wees. Zij is nog eene verre nicht
van den heer van Limmerfield. En zie, als men over dat alles bedaard
nadenkt, dan zou ieder voor het behoud van zijn leven gaarne alles
geven wat hij bezit."
»En als ik u in vrijheid stelde," hernam de Amazone, »met welken naam
zoudt gij dan het verdrinken van dien ellendigen Sakser bestempelen?"
Op deze onverwachte en vrij netelige vraag had de brave Jarvie niet
zoo terstond zijn antwoord gereed. Hij kuchte eenige malen, liet
eenige afgebroken woorden voorafgaan, en zeide toen: »Ik zou er zoo
min mogelijk over spreken; want wie niet veel praat, heeft ook niet
veel te verantwoorden."
»Maar als gij door het een of ander gerechtshof, zoo als gij het noemt,
daarover ondervraagd werdt, wat zoudt gij dan antwoorden?" vroeg
Helena nogmaals.
Jarvie keek rechts en links om zich heen, als zocht hij eene uitvlucht,
die hij niet scheen te kunnen vinden. Eindelijk, als iemand, die
geene kans tot een eerlijken terugtocht ziende, besluit den strijd
te wagen, antwoordde hij moedig: »Ik merk wel, waar gij met mij heen
wilt. Maar ik zeg het u ronduit, nicht, ik moet spreken naar plicht
en geweten. Uw eigen man--om zijn en mijn wil wenschte ik wel, dat
hij hier ware--en ook Dugald weten het beide, dat Nicolaas Jarvie de
gebreken en fouten van een vriend even goed door de vingers kan zien,
als iemand anders. Maar dat moet ik u ook zeggen, nicht, over mijne
tong komt nooit een leugen. Eer ik zeggen zou, dat die arme schelm
daar wettig om het leven is gebracht, zou ik veel liever naast hem
in de diepte van het meer liggen. Maar gij zoudt toch, in elk geval,
de eerste Hooglandsche vrouw zijn, die aan den bloedverwant haars
mans in den vierden graad zulk eene daad zou plegen!"
Waarschijnlijk was de vrijmoedige en stellige toon, waarop Jarvie deze
woorden sprak, beter geschikt om op het harde hart zijner nicht indruk
te maken, dan de smeekende toon, dien hij te voren had aangenomen. Men
snijdt edelgesteenten met staal, maar niet met weeker metalen. Beiden
moesten wij voor haar komen.--»Uw naam is Osbaldistone?" zeide zij
tegen mij. »De ellendeling, dien gij hebt zien sterven, noemde u zoo."
»Ja, ik heet Osbaldistone!" antwoordde ik.
»Dan is uw voornaam misschien Rashleigh!" vervolgde zij.
»Neen! Ik heet Frans," luidde mijn antwoord.
»Maar gij kent Rashleigh Osbaldistone toch?" hernam zij. »Vermoedelijk
is die uw broeder, of ten minste uw bloedverwant en vriend?"
»Mijn bloedverwant, ja, maar geenszins mijn vriend," antwoordde
ik. »Nog onlangs stonden wij tegenover elkander met den degen, toen
iemand ons scheidde. Die iemand was uw man. Mijn bloed is aan zijn
degen nog nauwelijks droog, de wond in mijne zijde nog niet volkomen
geheeld. Ik heb geen reden, hem mijn vriend te noemen."
»Als gij dus niets met zijne listen en streken hebt te maken," hernam
zij, »kunt gij u veilig en zonder voor uw vrijheid te vreezen naar
Galbraith Garschattachin en diens bende begeven en hun eene boodschap
van Mac-Gregors vrouw overbrengen?"
Ik antwoordde, dat ik niet wist, waarom dat krijgsvolk mij gevangen zou
houden, en dat ik van hen zeker niets te vreezen had. Gaarne, voegde
ik er bij, zou ik die boodschap verrichten, zoo ik hare gevangenen,
mijn vriend en mijn bediende, daardoor bescherming kon verschaffen. Ik
was toch in dit oord gekomen, alleen op uitnoodiging van haar man en
op zijne verzekering, dat hij mij in zekere gewichtige zaak hulp zou
verleenen. Mijn reisgenoot Jarvie had mij, ook al om mij in die zaak
van dienst te zijn, herwaarts vergezeld.
»En ik wenschte wel," viel mijn vriend mij in de rede, »dat er in
Jarvie's laarzen, toen hij ze aantrok, kokend water ware geweest!"
»Hebt gij gehoord, wat de jonge Sakser ons daar heeft gezegd?" vroeg
Helena haren zonen. »Daarin kunt gij uw vader herkennen! Dan alleen
bezit hij verstand, wanneer hij de muts op het hoofd en het zwaard in
de hand heeft. Maar nauwelijks heeft hij den tartan met het lakensche
kleed verwisseld, of hij wordt een slachtoffer van de ellendige
streken der Laaglanders. Zie! na alles wat hij reeds geleden heeft,
wordt hij op nieuw hun zaakwaarnemer, hun werktuig, hun slaaf!"
»Voeg er dan bij," zeide ik, »hun weldoener."
»Mij goed!" antwoordde zij; »dat is de ijdelste titel van
alle. Talloos heeft hij weldaden bewezen. Waartoe? Om lage,
schandelijke ondankbaarheid te oogsten. Maar genoeg! Ik zal u naar de
vijandelijke voorposten laten geleiden. Vraag daar om het opperhoofd,
den bevelhebber, of hoe hij zich noeme, te spreken. Breng hem de
boodschap van mij, van Helena Mac-Gregor, zeg hem: Indien zij van
Mac-Gregor's hoofd slechts een enkel haar krenken en hem binnen den
tijd van twaalf uren niet in vrijheid stellen, dan zal er in Lennox,
vóór Kerstmis, geene vrouw zijn, die geen jammerklacht aanheft over
hem, die haar dierbaar is--geen pachter, die niet wee roept over eene
afgebrande schuur, of een ledigen stal--geen laird, die des avonds
zijn hoofd ter ruste zal leggen, met de zekerheid den volgenden
morgen veilig te zullen opstaan! En namens mij eindigt ge met te
zeggen: Zoodra de bepaalde tijd verstreken is, dan zend ik hun dit
lid van den Glasgowschen raad, en dezen Saksischen kapitein, en al
de overige gevangenen, elk in een plaid gebonden, maar in zoo vele
stukken gehouwen, als er ruiten in een Tartan zijn."
Na deze vreeselijke bedreiging zweeg zij. Thornton had alles
verstaan. Hij richtte zich op en sprak met koelbloedigheid: »Breng den
bevelvoerenden officier de groeten van den kapitein Thornton en zeg
hem, dat hij zijn plicht zal doen zonder zich om mij te bekommeren,
of, om mijnent wil, zelfs een haarbreed van zijn plicht af te
wijken. Ik ben dwaas genoeg, geweest, mij door deze listige wilden
in eene hinderlaag te laten lokken, maar ik ben toch nog verstandig
genoeg, om te weten hoe ik sterven moet, zonder den dienst oneer aan
te doen. Ik beklaag alleen mijne dappere kameraden, dat zij in zulke
wreede handen gevallen zijn."
»Stil! stil!" fluisterde Jarvie hem toe. »Zijt gij uw leven
moede? Groet den bevelhebber ook van mij, Jarvie, lid van den
stedelijken raad van Glasgow, zoon van mijn overleden vader, den
wijkmeester, die insgelijks eens denzelfden post, als ik thans,
bekleedde. Zeg hem, dat hier een paar brave mannen deerlijk in het nauw
zitten, en dat het nog veel erger met hen kan afloopen. Hij kan voor
het algemeene welzijn niets beters doen, dan Robbert ten spoedigste
in vrijheid te stellen. Want dat hier reeds iets verschrikkelijks
gebeurd is; maar daar dit eigenlijk slechts den kommies getroffen
heeft, is het haast niet de moeite waard, er veel leven over te maken."
Met deze zoo lijnrecht tegen elkander inloopende boodschappen
van Thornton en Jarvie, voor welke beiden evenwel de uitslag
mijner zending van zoo veel belang was, en met Helena's herhaalde
vermaning, om hare bevelen stipt en letterlijk over te brengen, werd
ik eindelijk weggezonden. Andries kreeg verlof mij te vergezellen,
denkelijk om van zijn lastig gejammer en gehuil bevrijd te worden. Men
scheen echter te vreezen, dat ik met behulp van mijn paard aan mijne
geleiders ontsnappen zou. Misschien wilde men ook een onderpand van
eenige waarde behouden, opdat ik terug zou komen, en men gaf mij dus
te verstaan, dat ik te voet moest reizen. Jakob, de oudste zoon van
Mac-Gregor, benevens twee van zijne makkers, begeleidden mij, zoo wel
om mij den weg te wijzen, als voornamelijk om de sterkte en stelling
van den vijand te verkennen. Eerst werd Dugald dit mede opgedragen,
maar zeer sluw wist hij zich daarvan te verschoonen, hij deed dit,
zoo als wij naderhand vernamen, om in persoon voor Jarvie's veiligheid
te kunnen zorgen, wien hij, volgens zijne onbeschaafde begrippen van
trouw en dankbaarheid, hulp meende verschuldigd te zijn, omdat het
lid van den achtbaren stedelijken raad eens zijn beschermer, of ten
minste zijn gebieder geweest was.
Bijna een uur waren wij vrij snel voortgestapt, toen wij op een
met hout bedekten heuvel kwamen, van waar we een vrij uitzicht
over het dal hadden en de stelling van het krijgsvolk nauwkeurig in
oogenschouw konden nemen. Het korps, dat grootendeels uit ruiterij
bestond, had zich, zeer verstandig, niet in den engen pas gewaagd,
die den kapitein Thornton zoo noodlottig was geweest. Het had zijne
stelling vrij doelmatig ingericht op eene hoogte, in het midden
van het kleine dal van Aberfoil, dat, door de Forth, die hier nog
zeer nabij hare bronnen heeft, doorstroomd, door twee rijen heuvels
van kalksteenrotsen, die van den oever opstijgen, ingesloten en
in het verschiet door hooge bergen begrensd wordt. Het dal is zoo
breed, dat de ruiters tegen een plotselingen aanval der Hooglanders
volkomen beveiligd waren; ook waren op een behoorlijken afstand van
het hoofdkorps naar alle kanten schildwachten uitgezet, ten einde
bij het minste alarm tijds genoeg te hebben, om op te zitten en zich
tot den strijd gereed te maken. Toenmaals vreesde men namelijk niet,
dat de Hooglanders eene ruiterbende op het open veld zouden aantasten;
ofschoon latere gebeurtenissen bewezen hebben, dat zij dit met goed
gevolg wagen konden. De Hooglanders voedden, toen ik hen leerde
kennen, eene bijna onbegrijpelijke vrees voor paardenvolk, omdat de
Laaglandsche paarden een veel woester voorkomen hadden, dan de kleine
paarden van hunne gebergten. Het gemeene volk geloofde, dat men die
dieren afgericht had, om ook met hunne pooten en tanden te vechten.
De grazende paarden der ruiterij in het dal; de militairen, die in
allerlei groepen aan den oever der heerlijke rivier zaten, stonden,
of op en neer wandelden; de kale en toch schilderachtig schoone rotsen
aan beide oevers--dit alles vormde een bekoorlijken voorgrond, terwijl
aan de oostzijde het meer Menteith zich uitstrekte, en het kasteel
Stirling in de schemerende verte met het blauwachtige Ochill-gebergte
den achtergrond afsloot.
De jonge Mac-Gregor wierp een snellen, onderzoekenden blik op het
dal. Daarop gaf hij mij te kennen, dat ik naar het krijgsvolk afdalen
en mij van mijne opdracht bij den aanvoerder kwijten moest, terwijl
hij mij tevens met dreigende gebaren verbood te verraden, wie mijn
wegwijzer was geweest, en waar ik mijn geleide achtergelaten had.
Zoo begaf ik mij dan op weg, vergezeld door Andries, die van zijne
Engelsche dracht alleen nog broek en kousen had, maar van zijn hoed
beroofd was en sandalen droeg, welke Dugald hem uit medelijden gegeven
had. Voor het overige had, hij zijne naaktheid vrij armzalig met
een ouden gescheurden plaid bedekt. Wij waren intusschen nog niet
ver gegaan, toen een ruiter, die op schildwacht stond, ons in het
oog kreeg, terstond op ons toereed en met aangelegde karabijn ons:
»staat!" toeriep. Ik gehoorzaamde en gaf hem mijn verlangen te kennen,
om bij zijn bevelhebber gebracht te worden. Terstond toonde hij zich
daartoe bereid en bracht mij in een kring van officieren, die in
het gras zittende, een man van hoogen rang omringden, die een zeer
fraai gepolijst stalen kuras droeg, waarop de teekens van de aloude
distelorde hingen. Mijn bekende, Garschattachin, en verscheidene
anderen, deels in uniform, deels in gewone kleeding, maar allen
gewapend, schenen hunne bevelen van dien edelman te ontvangen. Zeer
vele bedienden in prachtige livrei, hoogst waarschijnlijk tot zijn
gevolg behoorende, verbeidden insgelijks zijne wenken.
Na eene eerbiedige begroeting verhaalde ik den bevelhebber, dat
ik onwillekeurig getuige was geweest van de neêrlaag, welke de
soldaten in den engen pas van Loch-Ard door de Hooglanders geleden
hadden, en dat de overwinnaars hunne gevangenen, als ook het gansche
Lageland, met het ergste bedreigden, tenzij hun dien morgen gevangen
aanvoerder ongekrenkt in vrijheid werd gesteld. De hertog,--want
de opperbevelhebber was iemand die dezen titel voerde--hoorde mij
zeer bedaard aan, en antwoordde toen, dat het hem leed zou doen, de
ongelukkige gevangenen den wreeden wilden, in wiens handen zij gevallen
waren, te moeten prijs geven; maar dat het eene dwaze veronderstelling
was, dat hij den hoofdbewerker van al deze rampen en misdaden uit zijne
gevangenis zou ontslaan, om daardoor diens aanhangers nog vermeteler
te maken.--»Keer terug," voegde hij er met mannelijke vastberadenheid
bij, »en zeg hun, die u gezonden hebben, dat ik Robbert Campbell, dien
zij Mac-Gregor noemen, onfeilbaar met het krieken van den volgenden
dag zal doen ter dood brengen als een vogelvrij verklaarde, die met
de wapens in de hand gevangen genomen werd en voor zijne tallooze
gruweldaden duizendvoudig den dood heeft verdiend, dat ik mij voor
het oog der wereld diep zou vernederen, wanneer ik ten zijnen opzichte
anders handelde; dat ik het land tegen hunne onbeschaamde bedreigingen
zal weten te beschermen, en dat, als zij de beide ongelukkige heeren,
die zich thans in hunne macht bevinden, een enkel haar krenken, ik
zulk eene geduchte wraak zal nemen, dat de steen en in hunne dalen
jaren lang daarover wee zullen roepen!"
Ik veroorloofde mij bescheiden eene ernstige aanmerking betrekkelijk
mijne zending, en sprak van de gevaren, waaraan ik mij bloot stelde;
maar de hertog antwoordde, dat ik in dat geval mijn bediende kon
terugzenden.
»Wel ja, waarom niet!" barstte Andries plotseling uit, zijn eerbied
vergetende voor den hertog en zonder mijn antwoord af te wachten:
»den bediende terugzenden! Denkt men dan dat ik, als de Hooglanders
mij deze keel afsnijden, nog een andere tot plaatsvervangster op
zak heb? Of dat ik, als een wilde eend, aan het eene einde van het
meer onderduiken en aan het andere weder boven komen kan? Neen,
neen! daarvan komt niets! Ieder voor zich, en onze lieve Heer voor
ons allen, dat is mijne spreuk. Ieder doe zijne eigen boodschap,
dan weet hij zeker, dat ze goed gedaan wordt. En buitendien, Robbert
Roodhaar heeft nooit het kerspel van Dreepdaily bezocht, veel minder
een enkelen appel of peer uit mijn tuin gestolen."
Toen ik den heilloozen babbelaar niet zonder moeite tot zwijgen had
gebracht, schilderde ik den hertog het groote gevaar, waaraan kapitein
Thornton en mijn vriend Jarvie blootgesteld waren, en smeekte hem,
mij in antwoord eenige gematigde en aannemelijke voorwaarden mede te
geven, waardoor het leven der gevangenen zou kunnen gered worden. Ik
betuigde hem, dat ik voor mij volstrekt geen gevaar zou schuwen, zoo
ik slechts de hoop kon koesteren van dienst te kunnen zijn. Ik voegde
er nog bij, dat ik, na al hetgeen ik gehoord en gezien had, geen
oogenblik twijfelde, dat men de gevangenen terstond zou vermoorden,
als men wist dat Robbert Campbell de doodstraf moest ondergaan.
De hertog was zichtbaar getroffen.--»Het is een netelig, een
allerneteligst geval!" zeide hij; »ik besef het zeer goed. Doch ik
heb hoogere plichten jegens mijn vaderland te vervullen. Robbert
moet sterven!"
Gaarne beken ik, dat ik niet gevoelloos bleef, toen ik hoorde welk
lot den man te wachten stond, die zich zoo dikwerf dienstvaardig
en welwillend jegens mij getoond had. Verscheidene lieden onder 's
hertogs gevolg waren insgelijks getroffen en waagden het voor Robbert
te spreken. Het zou, zeiden zij, raadzamer zijn hem naar het kasteel
van Stirling te zenden en hem aldaar in strenge bewaring te houden,
als onderpand voor de volkomen onderwerping van zijne bende. Het zou
eene onberekenbare ramp zijn, het land aan eene plundering bloot te
stellen, welke men in de lange nachten van den op handen zijnden
winter niet zou kunnen beletten, omdat het niet mogelijk was elk
punt te bewaken, en de Hooglanders zeer zeker de onbewaakte toegangen
zouden weten te vinden. Het zou, voegde hij er bij, zeer hard zijn,
de ongelukkige gevangenen aan de gruwzaamste martelingen ten prooi te
geven, welke zij onfeilbaar zouden ondergaan, wanneer men door al te
strenge maatregelen de wraakzucht der barbaren tergde. Garschattachin
ging nog verder en pleitte voor in vrijheid-stelling, ofschoon hij
zeer wel wist, dat de hertog om bijzondere redenen den gevangen Robbert
geenszins genegen was. »Robbert Roodhaar"--zeide hij--»is, weliswaar,
een gevaarlijk buurman voor de Laaglanden, en in het oog van den hertog
alleszins strafschuldig, doch voor het overige een knappe, schrandere
kerel. Misschien zouden er nog wel middelen te vinden zijn, om hem tot
eene betere zienswijze te brengen. Maar zijne vrouw en zijne zonen,
dat zijn vermetele vijanden, zonder vrees, zonder medelijden. Die
zouden aan het hoofd van zijne bende eene erger landplaag worden,
dan hij ooit zelf geweest was."
»Volstrekt niet!" antwoordde de hertog. »Hij alleen heeft door zijne
schranderheid en listen zijne heerschappij zoo lang gehandhaafd. Een
gewone Hooglandsche roover zou in even vele weken ten onder gebracht
zijn, als hij jaren geheerscht heeft. Zijne bende, met hem niet meer
tot aanvoerder, zal ons niet lang meer verontrusten. Als eene wesp
zonder kop, die wel eens steken kan maar dan ook weldra ophoudt te
leven, zal zij spoedig vernietigd zijn."
Garschattachin liet zich niet zoo licht tot zwijgen brengen. »Uwe
hoogheid," zeide hij, »ik verklaar volstrekt geene vriendschap voor
Robbert te koesteren en hij zeker evenmin voor mij. Immers, hij heeft
tweemaal mijne stallen geplunderd, en mijnen pachters onberekenbaar
veel schade berokkend, maar...."
»Maar," viel de hertog hem met een veelbeteekenend glimlachje in
de rede; »gij meent, geloof ik, dat men zulk eene vrijheid aan den
vriend van een vriend wel vergeven kan, en Robbert is immers, zoo als
men vermoedt, geen vijand van uwe vrienden aan gene zijde van de zee?"
»Welnu, al ware dat eens zoo," antwoordde Galbraith op denzelfden
schertsenden toon, »dan is dat toch het ergste niet wat ik van
hem gehoord heb. Maar ik wenschte wel, dat wij al tijding van de
stammen hadden, op wier komst wij reeds zoo lang wachten. Zij zullen
denkelijk hun woord houden als--Hooglanders. Maar ik ken hunne wijze
van handelen. Zij vechten niet gaarne tegen elkaar!"
»Dat geloof ik niet!" hernam de hertog. »Zij zijn als mannen van eer
bekend, en ik mag op goeden grond vertrouwen dat zij hunne belofte
gestand zullen doen. Er kunnen zich toch eens paar ruiters op weg
begeven, om hen te gemoet te rijden. Vóór hunne aankomst kunnen wij
het niet wagen, den engen pas aan te tasten, waar kapitein Thornton
zich liet verschalken. Tien man voetvolk kunnen zich daar tegen het
beste regiment ruiterij handhaven, dat weet ik best! Laat intusschen
aan de manschappen eenige ververschingen geven."
»Ook ik genoot het voordeel van dit laatste bevel, en dit was mij
zeer welkom, daar ik sinds onzen overhaasten maaltijd te Aberfoil
volstrekt niets genuttigd had. De uitgezonden ruiters kwamen terug,
maar zonder naricht aangaande de verwachte hulptroepen, en de zon
was reeds vrij diep aan de kimmen gezonken, toen een Hooglander,
die tot de verbonden stammen behoorde, een brief bracht, dien hij
den hertog met eene diepe buiging aanbood.
»Ik wed om een okshoofd wijn," zeide Galbraith, »dat deze brief de
tijding behelst, dat die satansche Hooglanders, die wij hier onder
zoo vele plagen en ongemakken verbeid hebben, terugtrekken en ons
aan ons lot overlaten zullen."
»Zoo is het ook!" riep de hertog, gloeiende van verontwaardiging,
toen hij den brief gelezen had, die op een morsig stuk papier
geschreven, maar met het aan 's hertogs hoogen rang verschuldigde
opschrift voorzien was. »Onze bondgenooten hebben ons verlaten en
een afzonderlijken vrede met den vijand gesloten."
»Dat is de gewone loop van alle verbonden!" hernam Galbraith. »De
Hollanders wilden onlangs even zoo met ons handelen, toen wij hun te
Utrecht de kans afkeken."
»Ik vind u erg vroolijk gestemd," zei de hertog eenigszins geërgerd,
te kennen gevend, dat hij nu niet tot schertsen geneigd was. »Onze
tegenwoordige toestand vereischt allen mogelijken ernst. Ik geloof
niet, mijne heeren," vervolgde hij, zich tot de overige officieren
wendende, »dat iemand uwer in de tegenwoordige omstandigheden van
gevoelen zal zijn, dat wij verder in het land moeten doordringen,
zoolang wij noch door vriendschappelijke Hooglanders, noch door
voetvolk ondersteund worden."
Allen waren van gevoelen, dat zulk eene onderneming de grootste en
onvergefelijkste dwaasheid zou zijn.
»En even dwaas zou het wezen," hernam de hertog, »als wij ons hier
aan het gevaar blootstellen van gedurende den nacht overvallen te
worden. Ik stel u dus voor, naar Duchray en Gartartan terug te trekken
en onze wachtposten tot den morgen uit te zetten. Maar voor dat wij
scheiden, wil ik Robbert in uwer aller tegenwoordigheid verhooren,
ten einde gij u met uwe eigen oogen en ooren kunt overtuigen, hoe
ongeraden het zijn zou, hem weder gelegenheid tot nieuwe daden van
geweld te geven."
Op bevel van den hertog werd de gevangene voorgebracht. Zijne handen
waren samengebonden en met een buikriem op den rug gekneveld. Twee
onderofficieren hielden hem van weerskanten vast, en twee mannen met
geladen karabijnen en opgezette bajonetten stonden achter hem.
Ik had dezen man nog nooit in zijne landskleeding gezien, die het
eigendommelijke van zijne gestalte nog meer deed uitkomen. Zijn
gekroesd rood haar, dat de hoed en pruik der Laaglandsche dracht
grootendeels verborgen had, stak onder de Hooglandsche muts uit,
en billijkte den bijnaam Roodhaar, onder welken hij in het Laagland
't best bekend was. Trouwens, zoo deze naam, niet bijzonder op zijn
hoofdhaar toepasselijk ware, had men hem dien ook met het oog op
zijn beenen kunnen geven. Van den zoom zijns roks tot aan den rand
der slobkousen, volgens de Hooglandsche gewoonte naakt, waren die
met rood haar, inzonderhand rondom de knie, bedekt. Daardoor en ook
wegens hunne krachtige spieren, zagen ze er uit als de schenkels van
een rooden Hooglandschen stier.
Zijne veranderde kleeding, gevoegd bij hetgeen men mij ten opzichte
van zijn woest en wreed karakter verhaald had, gaf hem thans in mijne
oogen een veel vreeselijker voorkomen, dan ooit te voren. Nauwelijks
herkende ik hem.
Zijne houding was vrijmoedig, ongedwongen, en in zoover zijne banden
hem niet hinderden, fier en waardig. Hij boog voor den hertog, knikte
Garschattachin en de overigen toe, en scheen verwonderd te zijn,
dat hij ook mij in dit gezelschap vond.
»Wij hebben elkander sinds lang niet gezien, mijnheer Campbell!" zei
de hertog.
»Dat is waar, Milord!" antwoordde Robbert; »en ik wenschte wel,
dat deze ontmoeting op een tijd ware voorgevallen, dat ik u beter en
voegzamer mijn verschuldigden eerbied had kunnen bewijzen!" voegde hij
er, met een blik op zijne geboeide armen, met veel nadruk bij.--»Doch
die tijd zal wel eens wederkomen!"
»Geen tijd is zoo goed als de tegenwoordige, mijnheer Campbell!" hernam
de hertog. »Nog slechts zeer weinige zijn de uren, die u resten, om
uwe rekening met deze wereld te vereffenen. Dit zeg ik niet, om met uw
ongelukkigen toestand te spotten. Maar gij zelf moet zeer goed inzien,
dat gij het einde van uwe aardsche loopbaan genaderd zijt. Ik erken
gaarne, dat gij u vaak menschelijker, grootmoediger gedragen hebt,
dan anderen van uw heilloos beroep, ja, dat gij nu en dan bewijzen van
een edelen aanleg en van gezindheden hebt gegeven, die iets beters van
u deden hopen. Maar gij weet zelf hoe lang gij de schrik en plaag uwer
vreedzame buren geweest zijt. Gij weet ook, door welke gewelddadigheden
gij uwe onwettige heerschappij gehandhaafd en uitgebreid hebt. Kortom,
gij weet, dat gij den dood verdient en u daarop voorbereiden moet."
»Milord," hernam Robbert; »ofschoon ik u op goede gronden mijn ongeluk
zou kunnen wijten, zal ik echter nooit zeggen, dat gij willens en
wetens daarvan de oorzaak en bewerker zijt geweest. Had ik dit geloofd,
hertog, dan zoudt gij heden niet tegenover mij staan. Want driemaal heb
ik u onder het bereik van mijn geweer gehad, en men weet zeer goed,
dat mijn kogel nooit mist. Maar men heeft mij bij u belasterd. Men
heeft u tegen een man vooringenomen, die eens zoo vreedzaam was,
als iemand in het gansche land wezen kan. Ja, men heeft uw naam
misbruikt, om mij tot het uiterste te brengen. Maar dit alles heb
ik hun vergolden. En ik zeg u, ik hoop het te beleven, hun ook te
vergelden wat gij thans tot mij gezegd hebt!"
»Dat is mij bekend," zei de hertog met klimmend misnoegen, »dat gij
een koene, onbeschaamde knaap zijt, die woord houdt, als hij zijn
medemenschen onheil zweert. Maar ik zal zorg dragen, dat de macht
daartoe u voor altijd benomen wordt. Gij hebt geene andere vijanden,
dan uwe booze daden."
»Had ik Grahame geheeten in plaats van Campbell, dan zou men mij zulke
taal zeker niet hebben doen hooren!" hernam Robbert op wreveligen,
vasten toon.
»Gij zult wel doen, met uwe vrouw, uwe verwanten en aanhangers te
waarschuwen, dat zij zich wachten, de personen, die thans in hunne
macht zijn, eenig leed toe te voegen. Want duizendvoudig zal ik zelfs
de geringste beleediging wreken, die de uwen zich verstouten getrouwen
onderdanen van den koning aan te doen."
»Milord," antwoordde Robbert, »geen van mijne vijanden kan zeggen,
dat ik een bloeddorstig man ben geweest. Bevond ik mij thans onder de
mijnen, ik zou vier- of vijfhonderd Hooglanders even licht kunnen
regeeren, als gij deze acht of tien lakeien. Maar wilt gij het
hoofd van een stam doen vallen, dan moet gij er staat op maken,
dat dit geenszins ongewroken zal blijven. Intusschen, hoe het ook
gaan mocht, er is onder onze gevangenen een braaf man, mijn neef;
dien mag volstrekt geen leed wedervaren. Is hier niemand, die voor
Mac-Gregor iets goeds wil doen? Hij kan het nog wel vergelden,
ofschoon zijne handen thans geboeid zijn."
De Hooglander, die den hertog den brief had gebracht, zeide: »Ik
zal doen wat gij begeert, Mac-Gregor, en terstond naar het dal
terugkeeren."
Hij trad voor, en de gevangene gaf hem eene boodschap aan zijne vrouw,
maar daar hij Gaelisch sprak, kon ik van hetgeen hij zeide geen enkel
woord verstaan, hoewel ik niet twijfelde, dat het eenige bevelen
aangaande Jarvie's veiligheid betrof.
»Ziet die schaamteloosheid eens aan!" zei de hertog. »Hij waant zich
veilig als afgezant. Hij gedraagt zich even als zijne meesters,
die ons eerst uitnoodigden om gemeenschappelijk met hen tegen de
roovers op te trekken, en ons verlaten, zoodra zij met die roovers
omtrent de landerijen overeengekomen zijn, waarover zij met hen in
twist waren. Neen, neen! er bestaat geen trouw onder het volk, dat de
plaid en tartan draagt. Als een kameleon verwisselt het duizendmaal
van kleur."
»Zoo sprak uw beroemde stamvader niet, Milord!" antwoordde Galbraith;
»en met uw welnemen, ook gij zoudt geen recht hebben zoo te spreken,
als men maar jegens iedereen de billijkheid in het oog wilde
houden. Laat ieder zijn eigen weg gaan en zijne eigen muts dragen zoo
als hij verkiest. Dan zal er spoedig geen twist meer in het land zijn."
»Stil, stil, Galbraith!" zeide de hertog op bestraffenden toon;
»dat zijn gevaarlijke woorden, welke gij u vermeet tegen mij te
spreken. Verbeeldt gij u een bevoorrecht persoon te zijn? Gij moet met
uwe manschappen naar Gartartan opbreken. Ik zelf zal den gevangene
naar het kasteel Duchray laten brengen en u morgen mijne nadere
bevelen zenden. Ik beveel u geen man van uw volk verlof te verleenen."
»Bevel en tegenbevel!" mompelde Galbraith tusschen de tanden. »Maar
geduld! de bakens zullen spoedig verzet worden: de koning komt."
De beide ruiterbenden maakten zich tot den marsch gereed, om nog vóór
het vallen van den avond het dal te verlaten en hun nachtkwartier te
bereiken. Ik voor mij ontving een soort bevel om het krijgsvolk te
vergezellen. Ik zag, dat ik zoo al niet als gevangene, ten minste
als een verdacht persoon beschouwd werd. De omstandigheden waren
in alle opzichten gevaarlijk. De partijgeest van de aanhangers
der Jakobieten en Hannoveranen verdeelde het land. De aanhoudende
twisten en ijverzucht tusschen de Hooglanders en Laaglanders gaven
tallooze andere aanleidingen tot twisten. De voornaamste geslachten
in Schotland waren tegen elkander in het harnas gekomen. Dit alles
verwekte zulk een algemeenen argwaan, dat de eenzame vreemdeling
op zijne reizen steeds allerlei onaangename ontmoetingen te duchten
had. Ik onderwierp mij geduldig aan mijn lot, en troostte mij met de
hoop, om van den gevangene nog eenige berichten aangaande Rashleigh
en diens listen te erlangen. Mijne bedoeling was echter geenszins
alleen eigenbelang. Ik had te veel sympathie voor mijn zonderlingen
vriend, dan dat ik niet zou gewenscht hebben, hem van dienst te zijn,
nu hij dit in zijn ongelukkigen toestand zoo dringend noodig had en
op welke wijze ik maar zou kunnen.