HOOFDSTUK XXXII.

Als ik niet voor de avond valt,

Den stap hier weêr hoor van zijn voeten,

Dan zweer ik bij de wraak van 't diep gefolterd harte

En bij de kracht tot wraak van ijzig wreede smarte

"Zwaar zal uw land die misdaad boeten!"

Uit een oud Tooneelspel.

Opmerkelijk, dat eene enkele wreede daad ons sterker treft, dan

wanneer woeste barbaarschheid talrijke offers eischt? Ik had dien dag

velen van mijne dappere landslieden zien sneuvelen, maar zij schenen

mij slechts in het gewone lot der menschheid te deelen. Wel kwam er

eene weemoedige aandoening in mij op, maar ik gevoelde geenszins die

onbeschrijfelijk smartelijke ontroering, die mij aangreep toen ik

den ongelukkigen Morris, onmachtig om zijn ontmenschten beulen zelfs

den minsten tegenstand te kunnen bieden, den ijselijken marteldood

zag ondergaan. Ik wierp een oog op mijn reisgenoot, en las op zijn

gelaat de gewaarwordingen, die zich op het mijne uitdrukten. Diep

verontwaardigd over de zoo even gepleegde gruweldaad mompelde hij,

hoewel verstaanbaar genoeg, in zich zelven: »Het is een moord, een

gruwzame moord! God zal die eenmaal wreken!"

»Gij vreest dus niet, dat hetzelfde lot u overkomen kan?" vroeg

Helena met dien akelig dreigenden blik, waarmede een havik op zijn

prooi neerziet, voordat hij zijne klauwen uitstrekt.

»Nicht," antwoordde Jarvie, »niemand zal gaarne zijn levensdraad

afknippen, eer het einde van het kluwen behoorlijk om den haspel

zit. En ik heb op deze drukke wereld nog veel te verrichten, niet

alleen in mijne particuliere zaken, maar ook in mijn ambt tot welzijn

van stad en land. Daarenboven heb ik nog voor deze en gene tot mij in

betrekking staande, hulpbehoevende personen te zorgen; bijvoorbeeld

voor het arme Matje, een verlaten wees. Zij is nog eene verre nicht

van den heer van Limmerfield. En zie, als men over dat alles bedaard

nadenkt, dan zou ieder voor het behoud van zijn leven gaarne alles

geven wat hij bezit."

»En als ik u in vrijheid stelde," hernam de Amazone, »met welken naam

zoudt gij dan het verdrinken van dien ellendigen Sakser bestempelen?"

Op deze onverwachte en vrij netelige vraag had de brave Jarvie niet

zoo terstond zijn antwoord gereed. Hij kuchte eenige malen, liet

eenige afgebroken woorden voorafgaan, en zeide toen: »Ik zou er zoo

min mogelijk over spreken; want wie niet veel praat, heeft ook niet

veel te verantwoorden."

»Maar als gij door het een of ander gerechtshof, zoo als gij het noemt,

daarover ondervraagd werdt, wat zoudt gij dan antwoorden?" vroeg

Helena nogmaals.

Jarvie keek rechts en links om zich heen, als zocht hij eene uitvlucht,

die hij niet scheen te kunnen vinden. Eindelijk, als iemand, die

geene kans tot een eerlijken terugtocht ziende, besluit den strijd

te wagen, antwoordde hij moedig: »Ik merk wel, waar gij met mij heen

wilt. Maar ik zeg het u ronduit, nicht, ik moet spreken naar plicht

en geweten. Uw eigen man--om zijn en mijn wil wenschte ik wel, dat

hij hier ware--en ook Dugald weten het beide, dat Nicolaas Jarvie de

gebreken en fouten van een vriend even goed door de vingers kan zien,

als iemand anders. Maar dat moet ik u ook zeggen, nicht, over mijne

tong komt nooit een leugen. Eer ik zeggen zou, dat die arme schelm

daar wettig om het leven is gebracht, zou ik veel liever naast hem

in de diepte van het meer liggen. Maar gij zoudt toch, in elk geval,

de eerste Hooglandsche vrouw zijn, die aan den bloedverwant haars

mans in den vierden graad zulk eene daad zou plegen!"

Waarschijnlijk was de vrijmoedige en stellige toon, waarop Jarvie deze

woorden sprak, beter geschikt om op het harde hart zijner nicht indruk

te maken, dan de smeekende toon, dien hij te voren had aangenomen. Men

snijdt edelgesteenten met staal, maar niet met weeker metalen. Beiden

moesten wij voor haar komen.--»Uw naam is Osbaldistone?" zeide zij

tegen mij. »De ellendeling, dien gij hebt zien sterven, noemde u zoo."

»Ja, ik heet Osbaldistone!" antwoordde ik.

»Dan is uw voornaam misschien Rashleigh!" vervolgde zij.

»Neen! Ik heet Frans," luidde mijn antwoord.

»Maar gij kent Rashleigh Osbaldistone toch?" hernam zij. »Vermoedelijk

is die uw broeder, of ten minste uw bloedverwant en vriend?"

»Mijn bloedverwant, ja, maar geenszins mijn vriend," antwoordde

ik. »Nog onlangs stonden wij tegenover elkander met den degen, toen

iemand ons scheidde. Die iemand was uw man. Mijn bloed is aan zijn

degen nog nauwelijks droog, de wond in mijne zijde nog niet volkomen

geheeld. Ik heb geen reden, hem mijn vriend te noemen."

»Als gij dus niets met zijne listen en streken hebt te maken," hernam

zij, »kunt gij u veilig en zonder voor uw vrijheid te vreezen naar

Galbraith Garschattachin en diens bende begeven en hun eene boodschap

van Mac-Gregors vrouw overbrengen?"

Ik antwoordde, dat ik niet wist, waarom dat krijgsvolk mij gevangen zou

houden, en dat ik van hen zeker niets te vreezen had. Gaarne, voegde

ik er bij, zou ik die boodschap verrichten, zoo ik hare gevangenen,

mijn vriend en mijn bediende, daardoor bescherming kon verschaffen. Ik

was toch in dit oord gekomen, alleen op uitnoodiging van haar man en

op zijne verzekering, dat hij mij in zekere gewichtige zaak hulp zou

verleenen. Mijn reisgenoot Jarvie had mij, ook al om mij in die zaak

van dienst te zijn, herwaarts vergezeld.

»En ik wenschte wel," viel mijn vriend mij in de rede, »dat er in

Jarvie's laarzen, toen hij ze aantrok, kokend water ware geweest!"

»Hebt gij gehoord, wat de jonge Sakser ons daar heeft gezegd?" vroeg

Helena haren zonen. »Daarin kunt gij uw vader herkennen! Dan alleen

bezit hij verstand, wanneer hij de muts op het hoofd en het zwaard in

de hand heeft. Maar nauwelijks heeft hij den tartan met het lakensche

kleed verwisseld, of hij wordt een slachtoffer van de ellendige

streken der Laaglanders. Zie! na alles wat hij reeds geleden heeft,

wordt hij op nieuw hun zaakwaarnemer, hun werktuig, hun slaaf!"

»Voeg er dan bij," zeide ik, »hun weldoener."

»Mij goed!" antwoordde zij; »dat is de ijdelste titel van

alle. Talloos heeft hij weldaden bewezen. Waartoe? Om lage,

schandelijke ondankbaarheid te oogsten. Maar genoeg! Ik zal u naar de

vijandelijke voorposten laten geleiden. Vraag daar om het opperhoofd,

den bevelhebber, of hoe hij zich noeme, te spreken. Breng hem de

boodschap van mij, van Helena Mac-Gregor, zeg hem: Indien zij van

Mac-Gregor's hoofd slechts een enkel haar krenken en hem binnen den

tijd van twaalf uren niet in vrijheid stellen, dan zal er in Lennox,

vóór Kerstmis, geene vrouw zijn, die geen jammerklacht aanheft over

hem, die haar dierbaar is--geen pachter, die niet wee roept over eene

afgebrande schuur, of een ledigen stal--geen laird, die des avonds

zijn hoofd ter ruste zal leggen, met de zekerheid den volgenden

morgen veilig te zullen opstaan! En namens mij eindigt ge met te

zeggen: Zoodra de bepaalde tijd verstreken is, dan zend ik hun dit

lid van den Glasgowschen raad, en dezen Saksischen kapitein, en al

de overige gevangenen, elk in een plaid gebonden, maar in zoo vele

stukken gehouwen, als er ruiten in een Tartan zijn."

Na deze vreeselijke bedreiging zweeg zij. Thornton had alles

verstaan. Hij richtte zich op en sprak met koelbloedigheid: »Breng den

bevelvoerenden officier de groeten van den kapitein Thornton en zeg

hem, dat hij zijn plicht zal doen zonder zich om mij te bekommeren,

of, om mijnent wil, zelfs een haarbreed van zijn plicht af te

wijken. Ik ben dwaas genoeg, geweest, mij door deze listige wilden

in eene hinderlaag te laten lokken, maar ik ben toch nog verstandig

genoeg, om te weten hoe ik sterven moet, zonder den dienst oneer aan

te doen. Ik beklaag alleen mijne dappere kameraden, dat zij in zulke

wreede handen gevallen zijn."

»Stil! stil!" fluisterde Jarvie hem toe. »Zijt gij uw leven

moede? Groet den bevelhebber ook van mij, Jarvie, lid van den

stedelijken raad van Glasgow, zoon van mijn overleden vader, den

wijkmeester, die insgelijks eens denzelfden post, als ik thans,

bekleedde. Zeg hem, dat hier een paar brave mannen deerlijk in het nauw

zitten, en dat het nog veel erger met hen kan afloopen. Hij kan voor

het algemeene welzijn niets beters doen, dan Robbert ten spoedigste

in vrijheid te stellen. Want dat hier reeds iets verschrikkelijks

gebeurd is; maar daar dit eigenlijk slechts den kommies getroffen

heeft, is het haast niet de moeite waard, er veel leven over te maken."

Met deze zoo lijnrecht tegen elkander inloopende boodschappen

van Thornton en Jarvie, voor welke beiden evenwel de uitslag

mijner zending van zoo veel belang was, en met Helena's herhaalde

vermaning, om hare bevelen stipt en letterlijk over te brengen, werd

ik eindelijk weggezonden. Andries kreeg verlof mij te vergezellen,

denkelijk om van zijn lastig gejammer en gehuil bevrijd te worden. Men

scheen echter te vreezen, dat ik met behulp van mijn paard aan mijne

geleiders ontsnappen zou. Misschien wilde men ook een onderpand van

eenige waarde behouden, opdat ik terug zou komen, en men gaf mij dus

te verstaan, dat ik te voet moest reizen. Jakob, de oudste zoon van

Mac-Gregor, benevens twee van zijne makkers, begeleidden mij, zoo wel

om mij den weg te wijzen, als voornamelijk om de sterkte en stelling

van den vijand te verkennen. Eerst werd Dugald dit mede opgedragen,

maar zeer sluw wist hij zich daarvan te verschoonen, hij deed dit,

zoo als wij naderhand vernamen, om in persoon voor Jarvie's veiligheid

te kunnen zorgen, wien hij, volgens zijne onbeschaafde begrippen van

trouw en dankbaarheid, hulp meende verschuldigd te zijn, omdat het

lid van den achtbaren stedelijken raad eens zijn beschermer, of ten

minste zijn gebieder geweest was.

Bijna een uur waren wij vrij snel voortgestapt, toen wij op een

met hout bedekten heuvel kwamen, van waar we een vrij uitzicht

over het dal hadden en de stelling van het krijgsvolk nauwkeurig in

oogenschouw konden nemen. Het korps, dat grootendeels uit ruiterij

bestond, had zich, zeer verstandig, niet in den engen pas gewaagd,

die den kapitein Thornton zoo noodlottig was geweest. Het had zijne

stelling vrij doelmatig ingericht op eene hoogte, in het midden

van het kleine dal van Aberfoil, dat, door de Forth, die hier nog

zeer nabij hare bronnen heeft, doorstroomd, door twee rijen heuvels

van kalksteenrotsen, die van den oever opstijgen, ingesloten en

in het verschiet door hooge bergen begrensd wordt. Het dal is zoo

breed, dat de ruiters tegen een plotselingen aanval der Hooglanders

volkomen beveiligd waren; ook waren op een behoorlijken afstand van

het hoofdkorps naar alle kanten schildwachten uitgezet, ten einde

bij het minste alarm tijds genoeg te hebben, om op te zitten en zich

tot den strijd gereed te maken. Toenmaals vreesde men namelijk niet,

dat de Hooglanders eene ruiterbende op het open veld zouden aantasten;

ofschoon latere gebeurtenissen bewezen hebben, dat zij dit met goed

gevolg wagen konden. De Hooglanders voedden, toen ik hen leerde

kennen, eene bijna onbegrijpelijke vrees voor paardenvolk, omdat de

Laaglandsche paarden een veel woester voorkomen hadden, dan de kleine

paarden van hunne gebergten. Het gemeene volk geloofde, dat men die

dieren afgericht had, om ook met hunne pooten en tanden te vechten.

De grazende paarden der ruiterij in het dal; de militairen, die in

allerlei groepen aan den oever der heerlijke rivier zaten, stonden,

of op en neer wandelden; de kale en toch schilderachtig schoone rotsen

aan beide oevers--dit alles vormde een bekoorlijken voorgrond, terwijl

aan de oostzijde het meer Menteith zich uitstrekte, en het kasteel

Stirling in de schemerende verte met het blauwachtige Ochill-gebergte

den achtergrond afsloot.

De jonge Mac-Gregor wierp een snellen, onderzoekenden blik op het

dal. Daarop gaf hij mij te kennen, dat ik naar het krijgsvolk afdalen

en mij van mijne opdracht bij den aanvoerder kwijten moest, terwijl

hij mij tevens met dreigende gebaren verbood te verraden, wie mijn

wegwijzer was geweest, en waar ik mijn geleide achtergelaten had.

Zoo begaf ik mij dan op weg, vergezeld door Andries, die van zijne

Engelsche dracht alleen nog broek en kousen had, maar van zijn hoed

beroofd was en sandalen droeg, welke Dugald hem uit medelijden gegeven

had. Voor het overige had, hij zijne naaktheid vrij armzalig met

een ouden gescheurden plaid bedekt. Wij waren intusschen nog niet

ver gegaan, toen een ruiter, die op schildwacht stond, ons in het

oog kreeg, terstond op ons toereed en met aangelegde karabijn ons:

»staat!" toeriep. Ik gehoorzaamde en gaf hem mijn verlangen te kennen,

om bij zijn bevelhebber gebracht te worden. Terstond toonde hij zich

daartoe bereid en bracht mij in een kring van officieren, die in

het gras zittende, een man van hoogen rang omringden, die een zeer

fraai gepolijst stalen kuras droeg, waarop de teekens van de aloude

distelorde hingen. Mijn bekende, Garschattachin, en verscheidene

anderen, deels in uniform, deels in gewone kleeding, maar allen

gewapend, schenen hunne bevelen van dien edelman te ontvangen. Zeer

vele bedienden in prachtige livrei, hoogst waarschijnlijk tot zijn

gevolg behoorende, verbeidden insgelijks zijne wenken.

Na eene eerbiedige begroeting verhaalde ik den bevelhebber, dat

ik onwillekeurig getuige was geweest van de neêrlaag, welke de

soldaten in den engen pas van Loch-Ard door de Hooglanders geleden

hadden, en dat de overwinnaars hunne gevangenen, als ook het gansche

Lageland, met het ergste bedreigden, tenzij hun dien morgen gevangen

aanvoerder ongekrenkt in vrijheid werd gesteld. De hertog,--want

de opperbevelhebber was iemand die dezen titel voerde--hoorde mij

zeer bedaard aan, en antwoordde toen, dat het hem leed zou doen, de

ongelukkige gevangenen den wreeden wilden, in wiens handen zij gevallen

waren, te moeten prijs geven; maar dat het eene dwaze veronderstelling

was, dat hij den hoofdbewerker van al deze rampen en misdaden uit zijne

gevangenis zou ontslaan, om daardoor diens aanhangers nog vermeteler

te maken.--»Keer terug," voegde hij er met mannelijke vastberadenheid

bij, »en zeg hun, die u gezonden hebben, dat ik Robbert Campbell, dien

zij Mac-Gregor noemen, onfeilbaar met het krieken van den volgenden

dag zal doen ter dood brengen als een vogelvrij verklaarde, die met

de wapens in de hand gevangen genomen werd en voor zijne tallooze

gruweldaden duizendvoudig den dood heeft verdiend, dat ik mij voor

het oog der wereld diep zou vernederen, wanneer ik ten zijnen opzichte

anders handelde; dat ik het land tegen hunne onbeschaamde bedreigingen

zal weten te beschermen, en dat, als zij de beide ongelukkige heeren,

die zich thans in hunne macht bevinden, een enkel haar krenken, ik

zulk eene geduchte wraak zal nemen, dat de steen en in hunne dalen

jaren lang daarover wee zullen roepen!"

Ik veroorloofde mij bescheiden eene ernstige aanmerking betrekkelijk

mijne zending, en sprak van de gevaren, waaraan ik mij bloot stelde;

maar de hertog antwoordde, dat ik in dat geval mijn bediende kon

terugzenden.

»Wel ja, waarom niet!" barstte Andries plotseling uit, zijn eerbied

vergetende voor den hertog en zonder mijn antwoord af te wachten:

»den bediende terugzenden! Denkt men dan dat ik, als de Hooglanders

mij deze keel afsnijden, nog een andere tot plaatsvervangster op

zak heb? Of dat ik, als een wilde eend, aan het eene einde van het

meer onderduiken en aan het andere weder boven komen kan? Neen,

neen! daarvan komt niets! Ieder voor zich, en onze lieve Heer voor

ons allen, dat is mijne spreuk. Ieder doe zijne eigen boodschap,

dan weet hij zeker, dat ze goed gedaan wordt. En buitendien, Robbert

Roodhaar heeft nooit het kerspel van Dreepdaily bezocht, veel minder

een enkelen appel of peer uit mijn tuin gestolen."

Toen ik den heilloozen babbelaar niet zonder moeite tot zwijgen had

gebracht, schilderde ik den hertog het groote gevaar, waaraan kapitein

Thornton en mijn vriend Jarvie blootgesteld waren, en smeekte hem,

mij in antwoord eenige gematigde en aannemelijke voorwaarden mede te

geven, waardoor het leven der gevangenen zou kunnen gered worden. Ik

betuigde hem, dat ik voor mij volstrekt geen gevaar zou schuwen, zoo

ik slechts de hoop kon koesteren van dienst te kunnen zijn. Ik voegde

er nog bij, dat ik, na al hetgeen ik gehoord en gezien had, geen

oogenblik twijfelde, dat men de gevangenen terstond zou vermoorden,

als men wist dat Robbert Campbell de doodstraf moest ondergaan.

De hertog was zichtbaar getroffen.--»Het is een netelig, een

allerneteligst geval!" zeide hij; »ik besef het zeer goed. Doch ik

heb hoogere plichten jegens mijn vaderland te vervullen. Robbert

moet sterven!"

Gaarne beken ik, dat ik niet gevoelloos bleef, toen ik hoorde welk

lot den man te wachten stond, die zich zoo dikwerf dienstvaardig

en welwillend jegens mij getoond had. Verscheidene lieden onder 's

hertogs gevolg waren insgelijks getroffen en waagden het voor Robbert

te spreken. Het zou, zeiden zij, raadzamer zijn hem naar het kasteel

van Stirling te zenden en hem aldaar in strenge bewaring te houden,

als onderpand voor de volkomen onderwerping van zijne bende. Het zou

eene onberekenbare ramp zijn, het land aan eene plundering bloot te

stellen, welke men in de lange nachten van den op handen zijnden

winter niet zou kunnen beletten, omdat het niet mogelijk was elk

punt te bewaken, en de Hooglanders zeer zeker de onbewaakte toegangen

zouden weten te vinden. Het zou, voegde hij er bij, zeer hard zijn,

de ongelukkige gevangenen aan de gruwzaamste martelingen ten prooi te

geven, welke zij onfeilbaar zouden ondergaan, wanneer men door al te

strenge maatregelen de wraakzucht der barbaren tergde. Garschattachin

ging nog verder en pleitte voor in vrijheid-stelling, ofschoon hij

zeer wel wist, dat de hertog om bijzondere redenen den gevangen Robbert

geenszins genegen was. »Robbert Roodhaar"--zeide hij--»is, weliswaar,

een gevaarlijk buurman voor de Laaglanden, en in het oog van den hertog

alleszins strafschuldig, doch voor het overige een knappe, schrandere

kerel. Misschien zouden er nog wel middelen te vinden zijn, om hem tot

eene betere zienswijze te brengen. Maar zijne vrouw en zijne zonen,

dat zijn vermetele vijanden, zonder vrees, zonder medelijden. Die

zouden aan het hoofd van zijne bende eene erger landplaag worden,

dan hij ooit zelf geweest was."

»Volstrekt niet!" antwoordde de hertog. »Hij alleen heeft door zijne

schranderheid en listen zijne heerschappij zoo lang gehandhaafd. Een

gewone Hooglandsche roover zou in even vele weken ten onder gebracht

zijn, als hij jaren geheerscht heeft. Zijne bende, met hem niet meer

tot aanvoerder, zal ons niet lang meer verontrusten. Als eene wesp

zonder kop, die wel eens steken kan maar dan ook weldra ophoudt te

leven, zal zij spoedig vernietigd zijn."

Garschattachin liet zich niet zoo licht tot zwijgen brengen. »Uwe

hoogheid," zeide hij, »ik verklaar volstrekt geene vriendschap voor

Robbert te koesteren en hij zeker evenmin voor mij. Immers, hij heeft

tweemaal mijne stallen geplunderd, en mijnen pachters onberekenbaar

veel schade berokkend, maar...."

»Maar," viel de hertog hem met een veelbeteekenend glimlachje in

de rede; »gij meent, geloof ik, dat men zulk eene vrijheid aan den

vriend van een vriend wel vergeven kan, en Robbert is immers, zoo als

men vermoedt, geen vijand van uwe vrienden aan gene zijde van de zee?"

»Welnu, al ware dat eens zoo," antwoordde Galbraith op denzelfden

schertsenden toon, »dan is dat toch het ergste niet wat ik van

hem gehoord heb. Maar ik wenschte wel, dat wij al tijding van de

stammen hadden, op wier komst wij reeds zoo lang wachten. Zij zullen

denkelijk hun woord houden als--Hooglanders. Maar ik ken hunne wijze

van handelen. Zij vechten niet gaarne tegen elkaar!"

»Dat geloof ik niet!" hernam de hertog. »Zij zijn als mannen van eer

bekend, en ik mag op goeden grond vertrouwen dat zij hunne belofte

gestand zullen doen. Er kunnen zich toch eens paar ruiters op weg

begeven, om hen te gemoet te rijden. Vóór hunne aankomst kunnen wij

het niet wagen, den engen pas aan te tasten, waar kapitein Thornton

zich liet verschalken. Tien man voetvolk kunnen zich daar tegen het

beste regiment ruiterij handhaven, dat weet ik best! Laat intusschen

aan de manschappen eenige ververschingen geven."

»Ook ik genoot het voordeel van dit laatste bevel, en dit was mij

zeer welkom, daar ik sinds onzen overhaasten maaltijd te Aberfoil

volstrekt niets genuttigd had. De uitgezonden ruiters kwamen terug,

maar zonder naricht aangaande de verwachte hulptroepen, en de zon

was reeds vrij diep aan de kimmen gezonken, toen een Hooglander,

die tot de verbonden stammen behoorde, een brief bracht, dien hij

den hertog met eene diepe buiging aanbood.

»Ik wed om een okshoofd wijn," zeide Galbraith, »dat deze brief de

tijding behelst, dat die satansche Hooglanders, die wij hier onder

zoo vele plagen en ongemakken verbeid hebben, terugtrekken en ons

aan ons lot overlaten zullen."

»Zoo is het ook!" riep de hertog, gloeiende van verontwaardiging,

toen hij den brief gelezen had, die op een morsig stuk papier

geschreven, maar met het aan 's hertogs hoogen rang verschuldigde

opschrift voorzien was. »Onze bondgenooten hebben ons verlaten en

een afzonderlijken vrede met den vijand gesloten."

»Dat is de gewone loop van alle verbonden!" hernam Galbraith. »De

Hollanders wilden onlangs even zoo met ons handelen, toen wij hun te

Utrecht de kans afkeken."

»Ik vind u erg vroolijk gestemd," zei de hertog eenigszins geërgerd,

te kennen gevend, dat hij nu niet tot schertsen geneigd was. »Onze

tegenwoordige toestand vereischt allen mogelijken ernst. Ik geloof

niet, mijne heeren," vervolgde hij, zich tot de overige officieren

wendende, »dat iemand uwer in de tegenwoordige omstandigheden van

gevoelen zal zijn, dat wij verder in het land moeten doordringen,

zoolang wij noch door vriendschappelijke Hooglanders, noch door

voetvolk ondersteund worden."

Allen waren van gevoelen, dat zulk eene onderneming de grootste en

onvergefelijkste dwaasheid zou zijn.

»En even dwaas zou het wezen," hernam de hertog, »als wij ons hier

aan het gevaar blootstellen van gedurende den nacht overvallen te

worden. Ik stel u dus voor, naar Duchray en Gartartan terug te trekken

en onze wachtposten tot den morgen uit te zetten. Maar voor dat wij

scheiden, wil ik Robbert in uwer aller tegenwoordigheid verhooren,

ten einde gij u met uwe eigen oogen en ooren kunt overtuigen, hoe

ongeraden het zijn zou, hem weder gelegenheid tot nieuwe daden van

geweld te geven."

Op bevel van den hertog werd de gevangene voorgebracht. Zijne handen

waren samengebonden en met een buikriem op den rug gekneveld. Twee

onderofficieren hielden hem van weerskanten vast, en twee mannen met

geladen karabijnen en opgezette bajonetten stonden achter hem.

Ik had dezen man nog nooit in zijne landskleeding gezien, die het

eigendommelijke van zijne gestalte nog meer deed uitkomen. Zijn

gekroesd rood haar, dat de hoed en pruik der Laaglandsche dracht

grootendeels verborgen had, stak onder de Hooglandsche muts uit,

en billijkte den bijnaam Roodhaar, onder welken hij in het Laagland

't best bekend was. Trouwens, zoo deze naam, niet bijzonder op zijn

hoofdhaar toepasselijk ware, had men hem dien ook met het oog op

zijn beenen kunnen geven. Van den zoom zijns roks tot aan den rand

der slobkousen, volgens de Hooglandsche gewoonte naakt, waren die

met rood haar, inzonderhand rondom de knie, bedekt. Daardoor en ook

wegens hunne krachtige spieren, zagen ze er uit als de schenkels van

een rooden Hooglandschen stier.

Zijne veranderde kleeding, gevoegd bij hetgeen men mij ten opzichte

van zijn woest en wreed karakter verhaald had, gaf hem thans in mijne

oogen een veel vreeselijker voorkomen, dan ooit te voren. Nauwelijks

herkende ik hem.

Zijne houding was vrijmoedig, ongedwongen, en in zoover zijne banden

hem niet hinderden, fier en waardig. Hij boog voor den hertog, knikte

Garschattachin en de overigen toe, en scheen verwonderd te zijn,

dat hij ook mij in dit gezelschap vond.

»Wij hebben elkander sinds lang niet gezien, mijnheer Campbell!" zei

de hertog.

»Dat is waar, Milord!" antwoordde Robbert; »en ik wenschte wel,

dat deze ontmoeting op een tijd ware voorgevallen, dat ik u beter en

voegzamer mijn verschuldigden eerbied had kunnen bewijzen!" voegde hij

er, met een blik op zijne geboeide armen, met veel nadruk bij.--»Doch

die tijd zal wel eens wederkomen!"

»Geen tijd is zoo goed als de tegenwoordige, mijnheer Campbell!" hernam

de hertog. »Nog slechts zeer weinige zijn de uren, die u resten, om

uwe rekening met deze wereld te vereffenen. Dit zeg ik niet, om met uw

ongelukkigen toestand te spotten. Maar gij zelf moet zeer goed inzien,

dat gij het einde van uwe aardsche loopbaan genaderd zijt. Ik erken

gaarne, dat gij u vaak menschelijker, grootmoediger gedragen hebt,

dan anderen van uw heilloos beroep, ja, dat gij nu en dan bewijzen van

een edelen aanleg en van gezindheden hebt gegeven, die iets beters van

u deden hopen. Maar gij weet zelf hoe lang gij de schrik en plaag uwer

vreedzame buren geweest zijt. Gij weet ook, door welke gewelddadigheden

gij uwe onwettige heerschappij gehandhaafd en uitgebreid hebt. Kortom,

gij weet, dat gij den dood verdient en u daarop voorbereiden moet."

»Milord," hernam Robbert; »ofschoon ik u op goede gronden mijn ongeluk

zou kunnen wijten, zal ik echter nooit zeggen, dat gij willens en

wetens daarvan de oorzaak en bewerker zijt geweest. Had ik dit geloofd,

hertog, dan zoudt gij heden niet tegenover mij staan. Want driemaal heb

ik u onder het bereik van mijn geweer gehad, en men weet zeer goed,

dat mijn kogel nooit mist. Maar men heeft mij bij u belasterd. Men

heeft u tegen een man vooringenomen, die eens zoo vreedzaam was,

als iemand in het gansche land wezen kan. Ja, men heeft uw naam

misbruikt, om mij tot het uiterste te brengen. Maar dit alles heb

ik hun vergolden. En ik zeg u, ik hoop het te beleven, hun ook te

vergelden wat gij thans tot mij gezegd hebt!"

»Dat is mij bekend," zei de hertog met klimmend misnoegen, »dat gij

een koene, onbeschaamde knaap zijt, die woord houdt, als hij zijn

medemenschen onheil zweert. Maar ik zal zorg dragen, dat de macht

daartoe u voor altijd benomen wordt. Gij hebt geene andere vijanden,

dan uwe booze daden."

»Had ik Grahame geheeten in plaats van Campbell, dan zou men mij zulke

taal zeker niet hebben doen hooren!" hernam Robbert op wreveligen,

vasten toon.

»Gij zult wel doen, met uwe vrouw, uwe verwanten en aanhangers te

waarschuwen, dat zij zich wachten, de personen, die thans in hunne

macht zijn, eenig leed toe te voegen. Want duizendvoudig zal ik zelfs

de geringste beleediging wreken, die de uwen zich verstouten getrouwen

onderdanen van den koning aan te doen."

»Milord," antwoordde Robbert, »geen van mijne vijanden kan zeggen,

dat ik een bloeddorstig man ben geweest. Bevond ik mij thans onder de

mijnen, ik zou vier- of vijfhonderd Hooglanders even licht kunnen

regeeren, als gij deze acht of tien lakeien. Maar wilt gij het

hoofd van een stam doen vallen, dan moet gij er staat op maken,

dat dit geenszins ongewroken zal blijven. Intusschen, hoe het ook

gaan mocht, er is onder onze gevangenen een braaf man, mijn neef;

dien mag volstrekt geen leed wedervaren. Is hier niemand, die voor

Mac-Gregor iets goeds wil doen? Hij kan het nog wel vergelden,

ofschoon zijne handen thans geboeid zijn."

De Hooglander, die den hertog den brief had gebracht, zeide: »Ik

zal doen wat gij begeert, Mac-Gregor, en terstond naar het dal

terugkeeren."

Hij trad voor, en de gevangene gaf hem eene boodschap aan zijne vrouw,

maar daar hij Gaelisch sprak, kon ik van hetgeen hij zeide geen enkel

woord verstaan, hoewel ik niet twijfelde, dat het eenige bevelen

aangaande Jarvie's veiligheid betrof.

»Ziet die schaamteloosheid eens aan!" zei de hertog. »Hij waant zich

veilig als afgezant. Hij gedraagt zich even als zijne meesters,

die ons eerst uitnoodigden om gemeenschappelijk met hen tegen de

roovers op te trekken, en ons verlaten, zoodra zij met die roovers

omtrent de landerijen overeengekomen zijn, waarover zij met hen in

twist waren. Neen, neen! er bestaat geen trouw onder het volk, dat de

plaid en tartan draagt. Als een kameleon verwisselt het duizendmaal

van kleur."

»Zoo sprak uw beroemde stamvader niet, Milord!" antwoordde Galbraith;

»en met uw welnemen, ook gij zoudt geen recht hebben zoo te spreken,

als men maar jegens iedereen de billijkheid in het oog wilde

houden. Laat ieder zijn eigen weg gaan en zijne eigen muts dragen zoo

als hij verkiest. Dan zal er spoedig geen twist meer in het land zijn."

»Stil, stil, Galbraith!" zeide de hertog op bestraffenden toon;

»dat zijn gevaarlijke woorden, welke gij u vermeet tegen mij te

spreken. Verbeeldt gij u een bevoorrecht persoon te zijn? Gij moet met

uwe manschappen naar Gartartan opbreken. Ik zelf zal den gevangene

naar het kasteel Duchray laten brengen en u morgen mijne nadere

bevelen zenden. Ik beveel u geen man van uw volk verlof te verleenen."

»Bevel en tegenbevel!" mompelde Galbraith tusschen de tanden. »Maar

geduld! de bakens zullen spoedig verzet worden: de koning komt."

De beide ruiterbenden maakten zich tot den marsch gereed, om nog vóór

het vallen van den avond het dal te verlaten en hun nachtkwartier te

bereiken. Ik voor mij ontving een soort bevel om het krijgsvolk te

vergezellen. Ik zag, dat ik zoo al niet als gevangene, ten minste

als een verdacht persoon beschouwd werd. De omstandigheden waren

in alle opzichten gevaarlijk. De partijgeest van de aanhangers

der Jakobieten en Hannoveranen verdeelde het land. De aanhoudende

twisten en ijverzucht tusschen de Hooglanders en Laaglanders gaven

tallooze andere aanleidingen tot twisten. De voornaamste geslachten

in Schotland waren tegen elkander in het harnas gekomen. Dit alles

verwekte zulk een algemeenen argwaan, dat de eenzame vreemdeling

op zijne reizen steeds allerlei onaangename ontmoetingen te duchten

had. Ik onderwierp mij geduldig aan mijn lot, en troostte mij met de

hoop, om van den gevangene nog eenige berichten aangaande Rashleigh

en diens listen te erlangen. Mijne bedoeling was echter geenszins

alleen eigenbelang. Ik had te veel sympathie voor mijn zonderlingen

vriend, dan dat ik niet zou gewenscht hebben, hem van dienst te zijn,

nu hij dit in zijn ongelukkigen toestand zoo dringend noodig had en

op welke wijze ik maar zou kunnen.

Robbert Roodhaar · 第 45 / 57 题