"Wee den overwonnenen!" riep Brenno trotsch en woest,
Toen Rome voor het Gallisch slagzwaard buigen moest,
En bij dat woord werpt hij zijn krijgsstaal in de schalen
En doet door dat gewicht den prijs van 't losgeld dalen.
Des overwinnaars wil, zijn eigen machtig woord
Drijft op het slagveld ijzeren wetten voort.
De Galliade.
Allerlei pogingen stelde ik in het werk om den ontsnapten Dugald
onder de overwinnaars te ontdekken. Ik twijfelde niet meer, of hij
had opzettelijk zijne rol gespeeld, om den Engelschen kapitein in
den engen bergpas te lokken. Ja, ik moest de bekwaamheid bewonderen,
waarmede de onwetende, zelfs half woeste, geheel onbeschaafde kerel
dat doel wist te verbergen, en tegenzin te veinzen, toen hij zich
dat valsche bericht had laten afdwingen, waarvan de mededeeling reeds
terstond bij hem had vastgestaan. Duidelijk zag ik thans, dat wij niet
zonder gevaar de overwinnaars konden naderen, zoo lang zij nog in de
eerste opwelling waren hunner woeste vreugde over de behaalde zege,
waarin zij wreedheden begingen, die mij nog doen ijzen. Ik zag, dat
een paar soldaten, die, zwaar gekwetst, niet konden opstaan, door de
overwinnaars, of eigenlijk door eenige in lompen gehulde Hooglandsche
jongens, die zich onder hen gemengd hadden, met dolken afgemaakt
werden. Ik oordeelde het dan ook niet raadzaam, ons zonder voorspraak
aan hen te vertoonen. Maar daar ik Robbert nergens kon ontdekken,
wilde ik de bescherming van zijn spion trachten te verkrijgen.
Te vergeefs echter keek ik overal naar hem rond en keerde eindelijk
terug, om te zien, of ik mijn ongelukkigen vriend Jarvie kon
helpen. Tot mijne innige vreugde bemerkte ik, dat hij reeds uit zijn
gevaarlijken toestand verlost was. Zonder eenig letsel zat hij aan
den voet der rots, ver beneden het punt, waar hij nog kort te voren
in de lucht had gezweefd. Ik spoedde mij naar hem toe, om hem met
zijne redding geluk te wenschen, maar dezen gelukwensch ontving hij in
het eerst niet zoo hartelijk, als ik ze hem bracht. Een hoestaanval
liet hem nauwelijks zoo veel adem, om mij zijn twijfel ten opzichte
van mijne oprechtheid te kennen te geven.--»Een vriend, zegt men,
is ons vaak meer genegen en doet meer voor ons, dan een broeder.--Ik
kwam herwaarts, mijnheer Osbaldistone, in dit land, dat van God en
menschen vervloekt is--de Heere vergeve het mij, dat ik mij zoo sterk
uitdruk,--ik kwam hierheen, alleen om uwe belangen. En gij--gij meent
u al wakker, verstandig en dankbaar te gedragen, dat gij uwe piek
schuurt en mij aan mijn lot overlaat, terwijl ik gevaar loop van
tusschen die ruwe Hooglanders en Engelsche roodrokken doodgeschoten
te worden of te verdrinken. En gij laat mij daar tusschen hemel en
aarde, als een vogelverschrikker, hangen, zonder eene poging aan te
wenden om mij te helpen."
Zijn oordeel speet mij innig. Ik maakte tallooze
verontschuldigingen. Ik trachtte hem op alle mogelijke wijzen te
overtuigen, dat het mij volstrekt onmogelijk was geweest, hem eenige
hulp te verleenen. Dit gelukte mij eindelijk, zoo dat Jarvie, die,
wel wat driftig, maar niet onverzoenlijk was, met een hartelijken
handdruk en op even hartelijken toon zeide: »Welnu, ik geloof u
gaarne! laat alles vergeven en vergeten zijn!"
Ik vroeg hem, hoe het hem gelukt was zich los te maken?
»Mij los te maken?" hernam hij. »Tot den jongsten dag zou ik daar
hebben kunnen hangen, als ik mij zelf had moeten helpen. Ik hing
immers met het hoofd naar den eenen kant en met de beenen naar den
anderen kant, precies als een dwarsbalk. Dugald heeft mij wederom,
even als gisteren, uit den nood gered. Met zijn dolk sneed hij de
pand van mijn rok af, en hij en een andere knaap hielpen mij op de
been. Toch heb ik door die anders akelige historie de deugdzaamheid
van het laken leeren kennen. Ware mijn rok van dat nieuwmodische
Fransche laken geweest, hij was als een spinneweb vaneen gescheurd,
en ik zou jammerlijk om het leven gekomen zijn. Sakkerloot! Die wever,
die dat laken geweven heeft, verstaat zijne kunst. Ik bengelde en
schommelde daar even veilig tusschen hemel en aarde, als eene boot,
die aan een driedubbel kabeltouw voor anker ligt."
Ik vroeg hem, wat er van zijn redder was geworden?
»Dat heer zeide," antwoordde Jarvie, »dat het gevaarlijk was,
mij terstond naar de dame te begeven. Ik moest wachten, tot hij
terugkwam. Ik geloof stellig, dat hij thans naar u zoekt. Want
hij is een voorzichtige kerel, die Dugald. Ik zou er op durven
zweren, dat hij ten opzichte van zijne dame, zoo als hij haar noemt,
volkomen gelijk heeft. Helena Campbell was reeds als meisje geen kat
om zonder handschoenen aan te pakken. En als vrouw is zij er niet
op verbeterd. Zelfs heeft men mij verzekerd, dat Robbert bang voor
haar is. Ik vermoed, dat zij mij niet meer zal herkennen. Wij hebben
elkander sedert jaren niet gezien. Als Dugald terugkomt, zullen wij
het nader hooren. Laat ons maar op hem wachten."
Ik was volkomen van zijn gevoelen. Maar het stond in het boek des
noodlots geschreven, dat Jarvie's schranderheid dien dag noch hem,
noch een ander veel zou baten.
Wat nu Andries betreft, deze huppelde natuurlijk niet meer op den
top der rots heen en weder, toen het geweervuur, waarvoor hij zoo
bang was, ophield. Maar hij was op dit standpunt een veel te sterk
in het oogvallend voorwerp, dan dat hij de scherpziende blikken
der Hooglanders zou kunnen ontgaan, toen zij tijd vonden om eens
rond te kijken. Een woest geschreeuw onder de overwinnaars deed ons
vermoeden, dat men hem ontdekt had; dit was ook zoo. Terstond snelden
eenigen hunner in het bosch en klauterden van onderscheidene kanten de
rots op naar de plaats, waar zij de zonderlinge verschijning gezien
hadden. Zij, die den armen Andries 't eerst op den afstand van een
geweerschot naderden, schenen volstrekt niet voornemens te zijn, om
hem in zijn hachelijken toestand hulp te bieden. Zij legden eenvoudig
hunne lange geweren op hem aan, en gaven hem door vrij ondubbelzinnige
teekenen te kennen, dat hij trachten moest naar beneden te komen
en zich aan hunne genade overgeven, indien hij niet oogenblikkelijk
wilde doodgeschoten worden. Op een zoo dreigenden wenk kon Andries
niet langer dralen het waagstuk te ondernemen. Het groote gevaar
maakte hem onverschilliger omtrent dat, wat minder onvermijdelijk
scheen, doodgeschoten te worden. Hij begon moedig van de rots af te
klauteren, terwijl hij elken boomstronk, of vooruitstekende punt met
koortsachtigen angst vastgreep. Zoo dikwerf hij eene hand vrij had,
richtte hij die naar de benedenstaande Hooglanders, als om hen te
smeeken, de op hem aangelegde geweren niet los te branden. Eindelijk
kwam hij gelukkig beneden bij de dreigende mannen, die zich met den
onhandigen klauteraar vrij wat vermaakt hadden. Ja, nu en dan losten
zij een schot in de lucht, om de pret te vergrooten, die zijne angst en
zijn inspanning van krachten hun veroorzaakte. Op den laatsten rotshoek
gleed zijn voet uit en hij viel, zoo lang hij was, op den grond,
waar de Hooglanders zich van hem meester maakten, en hem niet alleen
al wat hij in zijne zakken had, ontroofden, maar hem ook met zulk
eene voorbeeldelooze snelheid zijne pruik en zijne geheele kleeding
afnamen, dat de arme man, die als een welgekleede knecht op den rug
was gevallen, geheel naakt en met een kaal hoofd weder opstond. Toen
sleepten zij hem over de scherpe rotspunten naar den straatweg.
Nauwelijks hadden de blikken der Hooglanders Jarvie en mij ontdekt,
of eenigen van hen omsingelden ons, dreigden ons met hunne dolken en
zwaarden en hielden ons hunne pistolen voor. Aan tegenweer viel niet
te denken. Wij hadden geen wapens, om zulk eene bedreiging te kunnen
beantwoorden. Wij onderwierpen ons dus aan ons lot, en de ongastvrije
handen der Hooglanders wilden ons dadelijk in denzelfden toestand
brengen, waarin zich de van angst en koude rillende Andries bevond,
toen er onverwachts redding kwam opdagen. Reeds had men mij mijn
met kant bezetten halsdoek, en Jarvie het overschot van zijn reisrok
ontnomen, of zie--daar verscheen Dugald! Op scherp verwijtenden toon,
onder vloeken en razen--wat hij eigenlijk zeide, verstond ik niet,
maar ik giste het uit zijne hevige gebaren--dwong hij de plunderaars
hun werk te staken en het reeds geroofde terug te geven. Mijn halsdoek
rukte hij den eenen Hooglander uit de hand. Ja, hij knoopte mij
dien in zijn ijver zoo stijf om den hals, dat ik vermoedde, dat hij,
gedurende zijn verblijf in Glasgow, niet alleen den cipier gediend,
maar ook les bij den scherprechter genomen had. Toen nu nog meer
Hooglanders ons omringden, begaf Dugald zich naar beneden, en beval
den overigen, ons, en wel inzonderheid Jarvie, bij het afklimmen de
noodige hulp te bewijzen. Maar vruchteloos schreeuwde Andries uit
volle keel, om ook voor zich Dugalds bescherming te erlangen. Hij
had door diens bemiddeling ten minste zijne schoenen terug te bekomen.
»Waarachtig niet!" antwoordde Dugald; »gij hebt die niet noodig. Ge
zijt zoo ver ik weet van zulke voorname afkomst niet. Je ouders hebben
ook wel eens barrevoets geloopen."
Vrij snel bracht men ons naar den engen pas, waar het gevecht was
geleverd, om ons als gevangenen voor de aanvoerdster der zegepralende
bende te brengen.
Ik merkte, dat Dugald in een vrij hevigen twist met zijne metgezellen
raakte. Eenigen wilden beweren, dat hij onze gevangenneming aan
hen te danken had, doch met groote bedreigingen antwoordde hij
hierop. Eindelijk stonden wij voor de roemruchtige heldin, wier
uiterlijk voorkomen mij nog meer bezorgdheid gaf, dan dat van de
woeste, ruwe of krijgshaftige mannen, die ons omringden. Ik wist niet,
of Helena Mac-Gregor werkelijk deel aan het gevecht had genomen,--later
vernam ik het tegendeel. Maar de bloedvlekken op hare handen en
naakte armen, het bloedige zwaard, dat zij nog in de hand hield;
haar gloeiend gelaat, en wanordelijke haren, die uit hare roode,
gepluimde muts golfden--alles scheen te kennen te geven, dat zij
zelve medegestreden had. Haar scherp zwart oog en hare gelaatstrekken
verrieden, dat hare ziel vol was van trotsche bewustheid van bevredigde
wraak. In haar voorkomen was overigens volstrekt niets bloeddorstigs
of wreeds. Toen de eerste opwelling van vrees bij mij geweken was,
herinnerde zij mij aan de beelden van de vrome heldinnen, welke ik in
de Katholieke kerken van Frankrijk had gezien. Zij was echter niet
schoon genoeg voor eene Judith. Ook had zij in hare gelaatstrekken
geenszins het geïnspireerde van eene Debora of van de vrouw van Heber,
den Keniter, aan wier voeten de machtige onderdrukker van Israël, die
in het Heidensch Haroseth woonde, machteloos neerzeeg en stierf. Maar
toch deed de hooge graad van geestdrift, waarmede zij bezield was, en
haar gelaat en geheel haar voorkomen mij denken aan de afbeeldingen van
de heldinnen der Heilige Schrift, zooals ik ze op menig schilderstuk
had gezien.
Hoe ik eene zoo zonderlinge vrouw zou aanspreken, wist ik niet. Maar
Jarvie, wien de geforceerde marsch wederom buiten adem had gebracht,
begon na een voorbereidend hoesten aldus: »Ik acht mij gelukkig, in de
aangename gelegenheid,"--zijne bevende stem logenstrafte den nadruk,
dien hij op het woord aangename trachtte te leggen--»in de aangename
gelegenheid,"--hernam hij en poogde het bijvoegelijk naamwoord nog
beter te doen uitkomen--»te zijn, mijne waarde nicht goeden morgen
te wenschen. Hoe gaat het u?" vervolgde hij en scheen nu weder van
lieverlede in zijn gewonen toon te geraken. »Hoe hebt gij het in al
dien tijd gemaakt? Zijt gij mij dan geheel vergeten, Mevrouw Mac-Gregor
Campbell? Nu, gij zult u toch, vertrouw ik, mijn vader wel herinneren,
Nicolaas Jarvie, den wijkmeester op de Zoutmarkt te Glasgow. Hij was
een braaf man, een man, op wien men staat kon maken, en hij hield
bijzonder veel van u en de uwen. Zoo als ik zeg, het verheugt mij zeer
u te zien als de echtgenoote van mijn waarden neef. Reeds zou ik u,
schuldig en plichtmatig, als mijne bloedverwante omhelsd hebben,
indien slechts uw volk mij de armen niet zoo vasthield; en mag ik,
zonder omwegen, de waarheid zeggen, dan zou ik u, onder verbetering,
aanraden, eer gij uwe vrienden verwelkomt, eerst wat water te
gebruiken, om de bloedige sporen van den oorlog af te wisschen."
In den vertrouwelijken toon van deze begroeting lag iets, wat met de
overprikkelde gemoedsgesteldheid der heldin geenszins strookte. Zij was
nog in den vollen roes harer vreugde over de zege in een gevaarlijken
strijd. Zij was bezig over leven en dood uitspraak te doen. Dat stemde
niet met Jarvie's gemoedelijk praten.
»Wie zijt gij,"--begon zij--»die u vermeet, aanspraak op de
verwantschap met Mac-Gregor te maken, maar noch zijne kleeding draagt,
noch zijne taal spreekt? Wie zijt gij, die de taal en de gewoonten
van een hond hebt, en u toch bij het hert wilt nederleggen?"
»Of men u," antwoordde de onversaagde Jarvie, »die verwantschap
duidelijk genoeg verklaard heeft, weet ik niet, maar ze bestaat,
en kan in elk geval bewezen worden."
Nu verhaalde hij vrij omstandig, dat zijne moeder de dochter
van een Hooglander was geweest, wiens nog levende dochter in
Stuckavrallachan woonde, die met Robbert Mac-Gregor in den vierden
graad was vermaagschapt. Maar de heldin tot wie hij sprak, besnoeide
den stamboom van Jarvie, door hem met de trotsche vraag in de rede
te vallen, of een machtige stroom eenige verwantschap zou willen
erkennen met het water, dat de aan zijne oevers wonende lieden tot
geringe huiselijke behoeften afgeleid hadden?
»Zeer juist aangemerkt, waarde nicht!" antwoordde Jarvie. »Maar kijk
eens, de stroom zou wel tevreden zijn, wanneer hij in den zomer,
als zijn kiezel door de zonnestralen gebleekt is, een gedeelte van
dat afgeleide water terug had. Ik weet wel, gij Hooglanders acht
ons Glasgowers niet, omdat wij anders dan gij gekleed gaan, en ook
eene andere taal spreken. Maar ieder spreekt de taal, die hij als
kind geleerd heeft. Ik zou er vrij gek uitzien, als mijn ronde buik
in een kort Hooglandsch rokje zat, en mijne korte beenen onder de
knieën met banden omwonden waren, even als die van uwe langbeenige
jongens. Maar nog eens," vervolgde hij, niettegenstaande Dugalds
wenken hem scheen aan te raden, te zwijgen, en de Amazone zelve haar
misnoegen over zijne praatzucht duidelijk liet blijken--»gij moet u
toch herinneren, dat zelfs de koning soms met een eenvoudigen daglooner
het een of ander kan te verhandelen hebben, wat voor zijne majesteit
van zeer veel belang is. Hoe hoog gij uwen man ook boven mij moogt
verheven achten--het is niet meer dan billijk, dat eene vrouw den man
eert, want Gods woord beveelt het--maar, zoo als ik zeg, hoe hoogen
dunk gij ook van uw man tegenover mijne geringheid moogt hebben,
kan ik u echter verzekeren, dat er tijden zijn geweest, waarin hij
mijne diensten geenszins versmaadde, en mijne hulp gaarne erkend zou
hebben. Ook heb ik u, toen gij met hem in het huwelijk zoudt treden,
een snoer fraaie parelen gezonden. Ja, toen was Robbert een eerlijke
veehandelaar en wist nog niets van al dat vechten en plukharen; toen
ontwapende hij nog niet 's konings soldaten, en stoorde nog niet de
rust van den staat."
Hier viel zij hem in de rede. Hij had een teedere snaar aangeroerd,
iets wat zijne nicht volstrekt niet dulden kon. Met fierheid richtte
zij zich op en verried de hevigheid harer gewaarwordingen door een
luid lachen, waaruit spot en verbittering spraken.--»Ja," zeide zij,
»gij en uws gelijken zoudt met ons verwant kunnen zijn, wanneer wij
ons vernederden om als ellendelingen onder uwe heerschappij te leven,
als houthakkers en waterdragers, en wij ons getroostten wildbraad voor
uwe gastmalen te leveren, om als slaven door uwe wetten onderdrukt
en door u met voeten getreden te worden. Maar neen! wij zijn vrij;
wij zijn vrij door dezelfde daad, die ons huis en hof, voedsel en
deksel, ja, die mij alles, alles ontroofde, die mij smart als ik er
aan denk, dat ik nog voor niets anders meer dan om mij te wreken op
de aarde kan zijn. Welaan! Het werk, dat heden zoo goed begonnen is,
wil ik door eene daad voortzetten, die elken band tusschen Mac-Gregor
en de ellendelingen uit de Laaglanden voor altijd zal verbreken! Hier
Allan! Dugald! Bindt deze Saksers bij elkander en werpt hen in het
Hooglandsche meer; daar mogen zij hunne Hooglandsche bloedverwanten
zoeken!"
Ontzet over dit bevel, wilde Jarvie bedenkingen inbrengen. Hij zou
daarmee de hevige drift der Hooglandsche Amazone slechts nog meer
ontvlamd hebben, doch toen trad Dugald tusschen beide. Dezelfde man,
die zich in het Engelsch zoo langzaam en gebrekkig uitdrukte, liet
zich thans in zijne moedertaal ongemeen vlug hooren, om, zoo als ik
uit alles merken kon, ons met den meesten ijver te verdedigen.
Zijne gebiedster viel hem in de Engelsche taal in de rede, als
wilde zij ons den doodsangst in al zijne bitterheid reeds vooraf
doen gevoelen.--»Ellendige hond!" riep zij; »durft gij u tegen
mijne bevelen verzetten? Al zou ik u ook bevelen, den een de tong
uit den mond te snijden en dien in de keel van den ander te duwen,
om te zien wie daarmede het best Saksisch sprak; of den eenen het
hart uit te rukken en het in de borst van den ander te plaatsen,
om te zien wie het best verraderlijke aanslagen tegen Mac-Gregor
ontwerpen kon--want zoo placht men oudtijds in de dagen van wraak te
handelen, als onze voorvaderen beleedigingen te straffen hadden.--Zie,
al wilde ik u zoo iets bevelen, dan nog zou het u passen zonder eenige
tegenwerping mijn wil ootmoedig te gehoorzamen. Hebt gij mij verstaan?"
»Zeer, zeer zeker!" antwoordde Dugald, »uw wil zou moeten geschieden;
dat zou niets meer dan billijk zijn. Maar mij dunkt, dat het u veel
meer voldoening zou verschaffen, dien leelijken kapitein met zijn
korporaal en nog een paar van die roodrokken in het meer te laten
werpen, dan dezen brave heeren eenig leed toe te brengen. Zij zijn
goede vrienden van Gregarach. En, ik zeg u, op zijn hun gegeven woord
zijn zij herwaarts gekomen. En zij denken aan geen verraad, dat durf
ik zweren."
Juist wilde Helena Campbell hierop antwoorden, toen zich eenige
tonen van een doedelzak op den weg naar Aberfoil deden hooren,
waarschijnlijk dezelfde, die Thornton's achterhoede gehoord had. Het
gevecht was van zoo korten duur geweest, dat de gewapenden, die dat
krijgsmuziek volgden, niet spoedig genoeg hadden kunnen aankomen,
om deel aan den strijd te nemen, hoewel zij hunne schreden verhaast
hadden, toen het schieten hun in de ooren klonk. Thans verschenen
zij slechts om de overwinning hunner landslieden te helpen vieren.
De nieuw aangekomenen onderscheidden zich in het oogloopend en
zeer ten hunnen voordeele van diegenen, die over de manschappen
van Thornton gezegepraald hadden. Onder de Hooglanders, die tot het
gevolg van Helena Campbell behoorden, waren grijsaards en knapen,
nauwelijks in staat om de wapens te voeren; ja, zelfs vrouwen,
kortom, menschen, die alleen in dringenden nood gewapend werden. De
neerslachtigheid, welke Thornton's manhaftige gelaatstrekken benevelde,
werd dan ook vermeerderd door smartelijke schaamte, toen hij zag,
dat het een overigens verachtelijken vijand slechts door overmacht
en door eene gunstige stelling gelukt was, zijne dappere soldaten te
overwinnen. Maar de dertig of veertig Hooglanders, die nu aankwamen
en zich met de overigen vereenigden, waren allen deels in den bloei
hunner jeugd, deels van mannelijken leeftijd. Het waren krachtige,
goed gebouwde mannen, wier gespierde leden in de korte kousen en
onder den omgegorden plaid zich voordeelig voordeden. Ook waren zij
beter gewapend dan de andere bende. De volgelingen der Amazone hadden
deels geweren, deels bijlen, sikkels en allerlei oude wapens; zelfs
hadden eenigen niets anders dan knodsen, dolken en lange messen. De
naderenden hadden echter meestal pistolen in den gordel, en bijna
allen dolken naast de zakken, die zij voor het lijf droegen. Ieder had
een goed geweer, een zwaard op zijde; daarbij een sterk rond schild,
dat van licht hout gemaakt, met leder overtrokken en sierlijk met
koperen spijkers bezet was, met een ingeschroefde stalen punt in het
midden. Dit schild droegen zij onderweg, of wanneer zij op den vijand
schoten, op den rug, maar zoodra zij met het zwaard den aanval deden,
werd het op den linkerarm gebonden.
Al spoedig bemerkte men, dat deze uitgelezen bende niet van zulk eene
overwinning terugkwam, als hunne slecht gewapende makkers bevochten
hadden. De doedelzak liet van tijd tot tijd eenige klagende tonen
hooren, die geheel iets anders uitdrukten dan vreugde over eene
behaalde zege. Zwijgend, met neergeslagen, sombere blikken, verschenen
zij voor de vrouw van haar opperhoofd. Toen zij vóór haar stonden,
klonken, na eene korte stilte, nog eenmaal de woeste weemoedige tonen
van den doedelzak.
Helena naderde hen snel, en op haar gelaat was toorn en bezorgdheid
te lezen.
»Wat beduidt dit, Alaster?" zeide zij tot den speelman. »Waartoe deze
klaagtonen in het oogenblik der overwinning? Robbert! Jakob! Waar is
Mac-Gregor, uw vader?"
Hare zonen, die deze bende aanvoerden, naderden met langzame,
dralende schreden. Zij mompelden eenige Gaelische woorden, waarop de
moeder eensklaps een luiden gil gaf, een schrillen schreeuw door de
rotsen en door al de vrouwen en knapen luide herhaald, terwijl deze
de handen samensloegen en huilden, alsof hun laatste uur geslagen
was. En de weerklank der bergen, die, sedert het gedruisch en gewoel
van het gevecht ophield, gezwegen had, werd weder gehoord. Het was
een vreeselijk jammergeschrei; het joeg zelfs de nachtvogels uit hunne
rotsholen, verschrikt van een gehuil, dat akeliger en van nog droeviger
voorbeduiding dan hun eigen, zich midden op den dag liet hooren.
»Gevangen?" herhaalde Helena, toen het geschreeuw eindelijk
bedaarde. »Gevangen? En gij leeft, om het mij te zeggen? Ellendige
lafaards! Heb ik u daarom gezoogd, dat gij uw bloed tegen uws vaders
vijanden zoudt sparen? Durfdet en kondet gij hem gevangen zien nemen
en terugkeeren?"
Tot Mac-Gregors zonen waren deze harde woorden gericht. Zij waren
jongelingen, de oudste had nauwelijks den leeftijd van twintig jaren
bereikt. Hamisch, of Jakob heette de oudste der beiden; hij was een
hoofd langer en veel schooner dan zijn broeder. Zijne lichtblauwe
oogen en het weelderige blonde haar, dat van onder zijne fraaie blauwe
muts te voorschijn golfde, maakten hem tot het type van een knappen
Hooglandschen jongeling. De jongere heette Robbert, maar om hem
van zijn vader te onderscheiden, noemden de Hooglanders hem »Oig",
dat wil zeggen »de jonge". Donker haar en een gelaatskleur die van
gezondheid en levendigheid getuigde, maakten ook dezen jeugdigen
bergbewoner tot eene aangename verschijning.
Schaamte en verdriet benevelden de gelaatstrekken der broeders, toen
zij daar voor hunne moeder stonden. Met de eerbiedigste onderdanigheid
ontvingen zij de verwijten, waarmede zij overladen werden. Toen
eindelijk de gramschap der Amazone eenigszins scheen te bedaren,
beproefde de oudste in de Engelsche taal--waarschijnlijk om door de
overigen niet verstaan te worden--zich en zijn broeder tegenover hunne
moeder te rechtvaardigen. Ik stond zoo dicht bij hem, dat ik zeer veel
van hetgeen hij zeide verstond. Daar het voor mij van groot belang was,
omtrent deze gewichtige gebeurtenis nauwkeurig onderricht te worden,
luisterde ik met opmerkzaamheid.
Volgens het verhaal van zijn zoon, was Mac-Gregor door een zekeren
Laaglander, die een teeken bracht van--de naam werd zeer zacht
uitgesproken, doch ik meende »Osbaldistone" te hooren--tot eene
samenkomst uitgenoodigd. Mac-Gregor had die uitnoodiging aangenomen,
maar tevens bevolen, den man, die de boodschap overgebracht had,
als gijzelaar terug te houden, ten einde hij zeker zou kunnen
zijn, van goed behandeld te worden. Toen had hij zich naar de
plaats der samenkomst begeven--den Hooglandschen naam kon ik niet
verstaan,--slechts door twee mannen uit zijn gevolg, Angus Breek
en den kleinen Vrory, vergezeld. Dit had hij volstrekt zoo gewild;
meer mochten hem niet volgen. Maar na verloop van omtrent een half uur
was een der beide geleiders met de treurige mare teruggekomen, dat hun
opperhoofd door eene bende soldaten, onder aanvoering van Galbraith van
Garschattachin, overvallen en gevangen genomen was. Naar de verzekering
van den ongeluksbode had Mac-Gregor bij zijne gevangenneming gedreigd,
zich op den gijzelaar te zullen laten wreken, waarop Galbraith met
minachting geantwoord had: »Ieder moge zijn man ophangen! Wij hangen
den dief op en gij den tollenaar, dan wordt het land op eens van twee
plagen bevrijd." De terugkeerende geleider, Angus Breek, dien men
niet zoo streng als zijn gebieder bewaakt had, was gelukkig ontsnapt,
om den zijnen deze noodlottige tijding te brengen.
»En dat hoordet gij, ellendige verraders!" riep Helena, »en gij
spoeddet u niet terug om uw vader te redden, om hem te verlossen,
of te sterven?"
De jonge Mac-Gregor sprak met de meeste bescheidenheid van des
vijands groote overmacht. Hij voegde er bij, dat, daar de vijand geen
voorbereidselen maakte, om weder op te breken, hij zich terstond naar
het dal had begeven, om eene genoegzame macht bijeen te verzamelen,
ten einde zijns vaders bevrijding met hoop op een gelukkigen uitslag te
kunnen ondernemen. De soldaten wilden, zoo als hij gehoord had, in de
nabijheid van het huis Gartartan, of in het oud aan zee liggend kasteel
bij Monteith overnachten. Wel was dit slot sterk en verdedigbaar,
maar wanneer men het met eene talrijke bende waagde, dan kon het wel
genomen worden.
Ik heb eerst later vernomen, dat de aanhangers van het opperhoofd
in twee sterke benden verdeeld waren, van welke de eene de bezetting
van Inversnaid met kapitein Thornton gadesloeg, en de andere tegen de
vijandige Hooglanders. Deze laatsten hadden zich met de koninklijke
soldaten en de Neder-Schotten vereenigd, om een inval te doen in de
woeste, bergachtige streken tusschen de meeren Lomond, Katrine en Hard,
toenmaals Robbertsland genoemd.
Onverwijld werden nu eenige boden uitgezonden, om, naar ik vermoedde,
de hier en daar verstrooide krijgsmacht bijeen te brengen, ten einde
de Laaglanders aan te tasten. De smart, de droefheid en vertwijfeling,
die in het eerst op aller gelaat te lezen waren, wisselden af met de
streelende hoop hun opperhoofd te redden en hunne wraak te bevredigen.
Van dezelfde wraakzucht gloeiende, liet Helena den man, die als
gijzelaar voor Mac-Gregor's veiligheid teruggebleven was, voor
zich brengen. Misschien hadden hare zonen, de noodlottige gevolgen
vreezende, den ongelukkige buiten haar gezicht gehouden. Maar was dat
inderdaad het geval geweest, dan vermocht hunne menschlievende voorzorg
zijn wreed lot slechts eenige oogenblikken te vertragen. Op haar bevel
sleurden zij den man, die reeds halfdood van schrik was, voor haar. Tot
mijne uiterste verbazing en innige ontroering herkende ik in zijne
door doodsangst reeds misvormde trekken, mijn ouden bekende Morris.
Hij viel voor haar neder om hare knieën te omvatten. Maar zij trad
terug alsof zijne aanraking eene heiligschennis ware. In diepen
ootmoed kon hij slechts den zoom van haar plaid kussen. Nooit heb
ik met zooveel zielsangst om lijfsgenade hooren smeeken. Die angst
was zelfs zoo hevig, dat in plaats van hem, zoo als doorgaans,
de tong te verlammen, bij hem buitengewoon welsprekend maakte. Met
doodsbleeke wangen, met krampachtig samengevouwen handen, en oogen,
die zich voor de laatste maal op het aardsche schenen te vestigen,
betuigde hij, onder de duurste eeden, dat hij volstrekt niets van
een aanslag tegen Robbert, dien hij als zijn eigen leven liefhad
en eerbiedigde, geweten had. Zich zelven echter in zijne angst
tegensprekende, voegde hij er nog bij, dat hij slechts het werktuig
van anderen was, en mompelde Rashleigh's naam. Hij smeekte slechts
om zijn leven; daarvoor wilde hij alles geven, wat hij in de wereld
bezat. Slechts zijn leven vroeg hij, al moest hij het ook onder
kwellingen en ontberingen, als gevangene, als slaaf, voortsleepen,
al moest het akeligste berghol zijn verblijf zijn.
Onmogelijk kan ik de diepe verachting beschrijven, waarmede de vrouw
van Mac-Gregor op den smeekende neerzag, die niets dan het armzalige
geschenk van verlenging zijns levens begeerde.--»Ik zou u het leven
hebben laten behouden," zeide zij, »als het voor u een zoo zware,
ondragelijk drukkende last ware, als het voor mij is en voor elke
edele, harer eigene waarde bewuste ziel. Maar gij, ellendige, gij
zoudt door uwe schande, door uwe eerloosheid, uwe opeengestapelde
misdaden niet in het minst zelfs gekweld, zeker niet gefolterd
worden. Worm! Gij zoudt door de wereld kruipen. Gij zoudt leven en
uw leven genieten, terwijl de brave verraden wordt, terwijl schurken
zonder naam, zonder afkomst, den dapperen, maar ongelukkigen man op
den nek trappen. Gij zoudt uw leven genieten als een slachtershond,
die in de ingewanden wroet, terwijl de dapperen geslacht worden! Neen,
dat genot zult gij niet smaken, ellendige! sterven zult gij, en wel
vóórdat die wolk daar voorbij de zon is gedreven!"
Nu gaf zij haren volgelingen met korte woorden in de Gaelische taal
hare bevelen. Twee kerels grepen den smeekende, die nog steeds op
de knieën lag, en sleurden hem naar den rand der klip, die over het
meer uitstak. Hij schreeuwde en gilde op ijzingwekkende wijze. Toen
de moordenaars, of beulen, als men hen zoo noemen wil, hem voorbij
mij sleepten, herkende hij mij, en de laatste woorden, welke ik van
hem hoorde, waren: »O, mijnheer Osbaldistone, red mij! red mij!"
Ik was door dien vreeselijken aanblik zoo getroffen, dat ik,
ofschoon zelf eigenlijk nog een dergelijk lot verwachtende, voor
hem poogde te spreken. Zoo als men denken kan, werd mijne voorspraak
met somberen ernst versmaad. Het slachtoffer werd door eenige kerels
vastgehouden, terwijl anderen een steen in een plaid bonden, dien zij
hem om den hals knoopten, en nog anderen hem snel van een gedeelte
zijner kleederen beroofden. Daarop wierpen zij het half naakte, half
vastgebonden lichaam in het meer, dat op die plaats omtrent twaalf
voet diep was. Door een luid vreugdegejuich over hunne gekoelde wraak,
trachtten zij zijn laatste angstgeschreeuw te verdooven, dat nochtans
duidelijk genoeg gehoord kon worden. Zoodra hij in het water geploft
was, hielden de Hooglanders zich met hunne strijdbijlen en zwaarden
gereed, om, indien het hem soms gelukken mocht, zich van den plaid en
den steen te bevrijden en den oever te bereiken, hem terstond af te
maken. Maar de knoop was zoo goed gelegd, dat de ongelukkige dadelijk
in de diepte zonk. De golven, door zijn val gekliefd, waren eenige
oogenblikken in beweging, doch kwamen spoedig tot rust. Morris had
daar beneden zijn graf gevonden.