HOOFDSTUK XXX.

Hoor mij! Kapitein, zie, bid ik, mij aan,

Zie mij in 't gelaat, het gelaat eener vrouwe,

Zie of iets anders dan vrees of dan schrik,

En bleekheid en angst zich vertoont in mijn blik,

Ik smeek u genade in rouwe....

Bonduca.

De overige uren van den nacht liet men ons slapen, zoo goed als dit

bij den armzaligen toestand der herberg mogelijk was. Jarvie was door

de vermoeienissen van de reis en de daarop gevolgde gebeurtenissen

zeer afgemat. Onze gevangenneming, die trouwens voor hem slechts eene

voorbijgaande onaangenaamheid kon zijn, deerde hem niet veel. Hij

was misschien ook minder verwend dan ik, minder aan zindelijkheid

gewoon, en ging dus in eene der langs den wand zich bevindende

kribben liggen en begon spoedig geducht te snurken, terwijl ik,

met het hoofd op de tafel liggende, slechts weinige oogenblikken een

zeer onrustigen slaap genoot. Gedurende den nacht had ik gelegenheid

den twijfel en besluiteloosheid der soldaten op te merken, door de

maatregelen welke zij namen. Er werden enkele soldaten uitgezonden,

alsof zij op verkenning gingen. Doch telkens kwamen zij terug,

zonder, naar het scheen, hun officier geruststellende berichten te

brengen. Duidelijk was het zichtbaar, dat de aanvoerder in angstige

verwachting verkeerde. Van tijd tot tijd zond hij twee of drie man uit,

van wie sommigen, zoo als ik uit het gefluister der overigen vernam,

in het geheel niet terugkwamen.

Toen de dag aanbrak, kwamen een korporaal en twee soldaten juichende

binnen met een gevangen Hooglander, in wien ik op het eerste gezicht

den ontvluchten cipiersknecht uit Glasgow, Dugald, herkende. Jarvie,

die door dit gejuich ontwaakt was, begreep dit ook al spoedig en

riep uit: »de Hemel ontferme zich! daar hebben zij den armen Dugald

gekregen! Kapitein, ik blijf borg voor hem, ik blijf borg voor dezen

Dugald!"

Op die betuiging, welke de dankbare herinnering aan de laatste

dienstbetooning van den Hooglander hem ingaf, antwoordde de kapitein,

»dat Jarvie liever aan zijne eigene belangen moest denken, en niet

moest vergeten, dat hij zelf een gevangene was."

»Mijnheer Osbaldistone, ik roep u op als getuige," zeide Jarvie,

die zeer waarschijnlijk de burgerlijke rechtspleging beter kende

dan de krijgswetten: »gij kunt verklaren, dat deze officier een

goeden borgtocht geweigerd heeft. Dugald kan eene aanklacht tegen

hem inleveren wegens onwettige gevangenneming, en dan nog een eisch

tot schadevergoeding doen. Ik zal den braven man voor het gerecht

bijstaan."

De officier, dien ik Thornton hoorde noemen, sloeg geen acht op

Jarvie's bedreigingen. Hij begon Dugald streng te verhooren en bracht

hem daardoor zoo zeer in het nauw, dat de gevangene ten laatste,

ofschoon met zichtbaren tegenzin, langzamerhand bekende, dat hij

wel wist wie Robbert Mac-Gregor was. Ja, dat hij hem nog geen jaar

geleden--nog geen half jaar--nog geen maand--nog geen week geleden--had

gezien--en eindelijk, dat hij hem pas voor een uur verlaten had. Alle

deze bekentenissen werden den gevangene als bloeddruppels door Thornton

afgeperst, die telkens dreigde, hem aan den eersten den besten boom

te zullen ophangen, als hij zich maar eene enkele logen veroorloofde.

»En nu," vervolgde de kapitein, »moet gij mij ook zeggen, hoe veel

man die Robbert thans bij zich heeft."

Dugald keek angstig rond zonder den vrager aan te zien, en zeide met

eene flauwe stem: »dat weet ik niet juist."

»Zie mij aan," hernam Thornton, »en bedenk, gij Hooglandsche hond, dat

uw leven van uw antwoord afhangt. Hoe vele schelmen had de vogelvrij

verklaarde schurk bij zich, toen gij hem verliet?"

»Niet meer dan zes schelmen," antwoordde Dugald.

»En waar waren de overige roovers?"

»Met den luitenant tegen de kerels in het Westland opgetrokken."

»Tegen de westelijke clans? Hm! zeer waarschijnlijk. En op welke

schurkachtige expeditie waart gij uitgezonden?"

»Ik moest eens zien, wat gij, mijnheer, en de overige heeren roodrokken

hier in het dorp uitvoerdet."

»Weet ge wel dat die kerel, op de keper beschouwd, een gemeene verrader

is," fluisterde Jarvie, die dicht achter mij stond, mij toe. »Het

is maar goed, dat men mij, toen ik borg voor hem wilde blijven,

niet bij mijn woord heeft gehouden; hij is, waarachtig! geen knip

voor den neus waard!"

»En nu, mijn goede vriend," hernam de kapitein, »zullen wij eens zien,

wat wij met u te doen hebben. Gij hebt bekend, dat gij een spion

zijt, en moest dus van rechtswege aan den eersten den besten boom

opgeknoopt worden. Maar luister! wilt gij mij een dienst bewijzen,

dan bewijs ik u wederkeerig een dienst. Breng mij en eenige van

mijne manschappen naar de plaats, waar gij Robbert verlaten hebt;

want ik moet hem over zeer gewichtige zaken spreken. Doet gij dit,

dan stel ik u in vrijheid, en geef u nog vijf guinjes op den koop toe."

»Neen, dat niet! Ach neen!" riep Dugald in de uiterste vrees en

verwarring; »dat kan ik niet doen, dat kan ik, waarachtig, niet

doen! Hang mij liever op!"

»Nu, dat kan terstond geschieden! Korporaal Cramp, vervul hier de

taak van beul, laat dezen spion dadelijk aan den een of anderen

boom opknoopen."

De korporaal stond tegenover den armen Dugald en maakte met vrij wat

vertoon en heel langzaam een strop gereed, dien hij den veroordeelde

om den hals wierp en hem toen, met behulp van twee soldaten, naar de

deur sleurde, waar Dugald, door doodsangst overmand, uitschreeuwde:

»houdt op! mijne heeren, houdt op, laat mij los! Ik wil den kapitein

den gevraagden dienst bewijzen! Laat mij los!"

»Ellendige kerel!" riep Jarvie. »Hij verdient thans de galg meer dan

ooit. Weg met hem, korporaal! Waarom gaat gij niet?"

»Ik geloof, mijn beste heer," antwoordde de korporaal, »dat, zoo gij

zelf moest opgehangen worden, gij zooveel haast niet zoudt maken."

Dit tusschengesprek belette mij, alles te hooren, wat er tusschen

den kapitein en den gevangene verhandeld werd; maar ik verstond zeer

duidelijk, dat deze den officier snikkende vroeg: »Maar gij zult toch

niet begeeren, dat ik één voetstap verder ga, als ik u eens gewezen

heb, waar Mac-Gregor zich bevindt?"

»Mijn woord daarop," hernam de kapitein, »schei nu uit met uw

gehuil! Korporaal, laat de manschappen voor het huis aantreden en de

paarden van onze beide gevangenen voorbrengen. Wij moeten de heeren

medenemen, want ik heb geen volk genoeg bij mij, om hen hier te laten

bewaken. Allen dadelijk marsch-klaar!"

De soldaten spoedden zich naar buiten, en waren weldra

marschvaardig. Wij werden met Dugald als gevangenen uitgeleid, en

terwijl wij de herberg verlieten, hoorde ik, dat Dugald den kapitein

aan de vijf guinjes herinnerde.

»Daar zijn ze!" zei de officier. »Maar waagt gij het mij te bedriegen,

door mij op een verkeerden weg te brengen, dan jaag ik u zelf een

kogel door den kop!"

»De kerel is nog sluwer en slechter dan ik gedacht had!" zeide

Jarvie. »Hij is een verrader, die alleen om geld geeft! Ja mijn vader

zaliger, de wijkmeester had wel gelijk, als hij zeide--en dat zeide hij

dikwijls--dat het geld meer zielen doodde, dan het zwaard lichamen."

Nu verscheen de waardin en vroeg om betaling van het gelag, daaronder

begrepen al wat Galbraith en zijne vrienden, de Hooglanders, verteerd

hadden. De kapitein maakte tegenwerpingen. Doch de waardin verklaarde,

dat, zoo zij geen krediet had gegeven voor den naam van den edelen

heer, op wien het gezelschap zich beriep, zij geen enkelen droppel

brandewijn zou geschonken hebben; en dat, of zij den majoor Galbraith

wederzag of niet, zij van hem toch nooit een penning zou krijgen.

Kapitein Thornton gaf eindelijk toe en betaalde met eenige shillings

het kleine gelag, dat slechts in Schotsche munt zoo geweldig

hoog scheen te zijn. Edelmoedig wilde hij ook voor Jarvie en mij

voldoen; doch niettegenstaande de waardin ons toefluisterde, van die

Engelschen maar zooveel te halen als wij krijgen konden, omdat zij

ons toch genoeg kwelden en vilden, vroeg Jarvie eene afzonderlijke

rekening van hetgeen wij verteerd hadden en betaalde die. Bij deze

gelegenheid bood de kapitein ons zijne verontschuldigingen aan over

onze gevangenneming. Hij herhaalde zijne verzekering, dat wij als

getrouwe en vreedzame onderdanen, geen berouw over een kort oponthoud

zouden hebben, wanneer dit voor 's konings dienst noodzakelijk was. Had

hij zich echter in deze veronderstelling omtrent ons vergist, dan

vervulde hij slechts zijn plicht. Met deze verontschuldiging moesten

wij ons tevreden stellen. En zoo moesten wij met hem op weg.

Nooit vergeet ik de aangename gewaarwording, toen ik uit de sombere,

berookte, morsige Hooglandsche kroeg, waar wij den nacht doorgebracht

hadden, in de frissche morgenlucht kwam. De stralen der opgaande

zon schoten uit zacht roode wolken met goud omzoomd, terwijl zij

een landschap verlichtten, bekoorlijker dan mijn oog ooit vroeger

gezien had. Links lag het dal, waarin de Forth in eene oostelijke

richting neerstroomde, aan den voet van den zacht rijzenden heuvel,

welks hellingen door bosschen bedekt werden. Reeds strekte zich,

midden tusschen bosschaadje, heuvels en rotsen, het bed van een groot

bergmeer uit, op welks oppervlakte de morgenwind lichte golfjes krulde,

schitterend in de zonnestralen. Hooge heuvels en rotsachtige oevers,

met berken- en eikenbosschen gekroond, omkransten deze bekoorlijke

watervlakte. Het loof dat in den wind ruischte en in de zon schitterde,

schonk aan de eenzaamheid leven en beweging. De eenigen, die te

midden van dit landschap, waar de gansche natuur zoo grootsch, zoo

verheven was, storend werkten, waren de menschen. De schamele hutten,

wier aantal in het dorpje Aberfoil een dozijn zal bedragen hebben,

bestonden uit losse, met klei aaneengevoegde steenen, en waren met

zoden gedekt, die op balken van ruwe boomstammen rustten. De daken

waren zoo laag bij den grond, dat Andries opmerkte, dat wij den vorigen

nacht, zonder het te bespeuren, over het dorp heen zouden hebben kunnen

rijden, tot de voeten onzer paarden door de daken gedrongen waren.

Voor zoover wij zien konden, was de herberg, die wij pas verlaten

hadden, het fraaiste gebouw van het gehucht. Als ge heden ten dage

het dorp bezocht, zoudt ge het weinig veranderd vinden. Dit denk ik

tenminste. Want de Schotten houden niet van nieuwigheden, ook al zijn

het verbeteringen.

Het gedruisch van onzen afmarsch wekte de bewoners der hutten uit hun

slaap. Terwijl de soldaten, twintig in getal, zich vóór den aftocht

in het gelid plaatsten, werden wij door verscheidene oude vrouwen

door de half geopende deuren begluurd. Toen die grijze hoofden,

met nauw sluitende flanellen nachtmutsen bedekt, vooruit staken, die

rimpelige voorhoofden, die lange, magere armen met allerlei gebaren

en schouderophalen zich vertoonden, en die oude wijven met elkander

in de Gaelische taal mompelden, was het waarlijk als zag ik Macbeths

heksen voor mij, terwijl hare gelaatstrekken de boosaardigheid

der tooverkollen verried. De kleine kinderen, die nog nauwelijks

gaan konden, kwamen insgelijks te voorschijn, deels geheel naakt,

deels uiterst armoedig met eenige lompen bedekt. Zij klapten in de

handjes en lieten den Engelsche soldaten de tanden zien, met eene

uitdrukking van haat en kwaadaardigheid, die hun leeftijd ver te

boven ging. Wat mij zeer verwonderde, was, dat ik geen volwassen man,

zelfs geen knapen van tien tot twaalf jaren, onder de bewoners van

het dorp zag. Toch scheen het, naar evenredigheid van zijne grootte,

vrij bevolkt te zijn. Ik begon te vreezen, dat wij op onzen tocht

nog veel duidelijker bewijzen van die vijandige gezindheid zouden

ontvangen, die op het gelaat der vrouwen en kinderen te lezen en uit

hun gemompel duidelijk te hooren was.

Nauwelijks was er echter door den kapitein »marsch!" gekommandeerd,

of de wrevel der vrouwen barstte eerst recht uit. En toen het laatste

gelid onzer manschap het dorp verlaten had, langs een smal spoor,

gegraven door de sleden, waarmede de bewoners van deze streken zoden

en turf vervoeren, verhief zich plotseling een luid gegil der vrouwen

en een oorverdoovend geschreeuw en handgeklap der kinderen. Het akelig

geschreeuw bleef langen tijd voortduren. Ik vroeg den doodsbleeken

Andries wat dat geschreeuw beduidde.

»Wat dat zeggen wil," antwoordde hij, »zullen wij spoedig genoeg

ondervinden. Het beteekent, dat de Hooglandsche vrouwen de roodrokken

vervloeken en in het diepste der hel wenschen. Zoo verwenschen zij

iedereen, die Saksisch spreekt. Vaak heb ik in Engeland en Schotland

vrouwen hooren kijven--en ik verzeker u op mijn woord, dat zij

mondjes hadden als hooischuren!--Maar zulke venijnige tongen als

van deze wijven, zulke ijselijke vervloekingen als van deze heksen,

bah! de haren rijzen iemand te berge! Zij wenschen, dat de roodrokken

als schapen mogen geslacht en gevild worden; dat zij hare armen tot

aan de ellebogen in hun bloed mogen dompelen, en dat er van al, wat

roodrok heet en Saksisch spreekt, niet zoo veel moge overblijven, als

een hond voor zijn avondeten noodig heeft. Ik vertaal u maar een paar

staaltjes.... Het is waarachtig al te erg! het is ijselijk! Als zij

bij den duivel waren school gegaan, zij zouden niet verschrikkelijker

hebben kunnen leeren vloeken. Ook zij hebben ons toegeroepen, dat wij

maar langs het meer moesten gaan, dan zouden wij eens zien, waar wij

te recht komen."

Het kwam mij voor, uit een en ander wel te mogen opmaken, dat men

voornemens was een aanval op ons te wagen. De weg waarlangs wij

trokken, scheen zulk eene onderneming bij uitstek te begunstigen. Het

pad liep in het begin van het meer af, door moerassig en met struiken

bewassen weiland, vervolgens door kreupelhout, waarin zich licht eene

hinderlaag kon bevinden. Vaak moesten wij bergstroomen doorwaden,

waarin de soldaten tot aan de knieën door het water gingen. Zoo hevig

bruisten en kookten die stroomen, dat de soldaten de kracht van

den stroom op geene andere wijs weerstand konden bieden, dan door

elkander, twee of drie te zamen, vast onder den arm te houden. Hoe

weinig ik ook van de krijgskunst wist, kwam het mij toch voor, dat

half woeste krijgslieden, zoo als men de Hooglanders afschilderde,

in zulke bergpassen eene vijandelijke bende met zeer veel voordeel

zouden kunnen aantasten. Van die meening scheen Jarvie insgelijks te

zijn. Althans vermoedde ik dit uit zijn verlangen om den kapitein te

spreken. »Ik wensch mij niet bij u in te dringen, dat zou verachtelijk

zijn. Ik betuig u nogmaals, dat ik mij mijne aanklacht wegens onwettige

gevangenneming in allen geval voorbehoud.--Maar vergun mij, als een

vriend des konings en zijner soldaten, ééne vraag. Dunkt u niet, dat

gij een veel geschikter tijd zoudt kunnen kiezen, om in dit dal op

te trekken? Zoekt gij Robbert, laat mij u dan waarschuwen, dat zijne

bende, naar men zegt, minstens vijftig man sterk is, als hij slechts

zijn gewoon getal bij zich heeft. Heeft hij echter nog daarenboven

versterking van zijne vrienden ontvangen uit Glencyle en Glenfinles met

de menschen uit Balguidder, dan kan hij het u benauwd genoeg maken. Mag

ik dus, als vriend des konings, u een goeden, welmeenenden raad geven,

keer dan liever naar het dorp terug. De vrouwen in Aberfoil zijn als

zeemeeuwen: »als zij schreeuwen, komt er storm.""

»Stoor u aan dit alles niet," antwoordde kapitein Thornton. »Trouwens,

ik moet als krijgsman zonder eenige bedenking aan de mij gegeven

orders gehoorzamen. Maar dewijl gij een vriend van koning George

wilt zijn, zult gij zeker met genoegen hooren dat deze rooverbende,

wier teugelloosheid het land sedert zoo langen tijd verontrust heeft,

onmogelijk aan de maatregelen kan ontsnappen, die men thans tot hare

verdelging heeft genomen. De landweer, onder bevel van den majoor

Galbraith, heeft zich reeds met twee andere ruiterbenden vereenigd,

en zullen alle passen van deze woeste streek bezetten. Driehonderd

Hooglanders, onder aanvoering van de beide heeren, die gij in de

herberg hebt gezien, hebben zich thans op de heuvels geschaard,

terwijl eenige sterke afdeelingen de dalen in verscheidene richtingen

doorkruisen. De laatste tijdingen, welke wij omtrent Robbert

ingewonnen hebben, stemmen met de verklaringen van dien knaap overeen,

namelijk dat hij van alle kanten ingesloten, het grootste gedeelte

van zijne bende weggezonden heeft, hetzij met het oogmerk om zich te

verschuilen, of om van zijne plaatselijke kennis der bergpassen voor

zijne ontvluchting partij te trekken."

»Maar ik weet dan wel," hernam Jarvie, »dat die majoor Galbraith

vandaag meer brandewijndampen dan hersens in zijn hoofd heeft. In

uwe plaats, kapitein, zou ik mij op die Hooglanders zoo vast niet

verlaten. Gij kent immers het oude spreekwoord wel: »de eene kraai

pikt de andere de oogen niet uit." Zij twisten vaak onder elkander,

trekken zelfs tegen elkander het zwaard. Maar ten slotte, als zij

zich tegenover een fatsoenlijk man bevinden, die geld op zak heeft,

dan helpen ze elkaar weer."

Thornton scheen deze waarschuwingen niet geheel en al in den wind

te slaan. Hij maakte terstond eenige veranderingen in onzen optocht,

door te bevelen, dat de soldaten hunne geweren in den arm nemen en de

bajonetten opzetten zouden. Hij vormde ook eene voor- en achterhoede,

ieder uit twee man en een onderofficier, die strenge bevelen ontvingen,

om op alles een waakzaam oog te houden. Ook werd Dugald nogmaals scherp

ondervraagd. Maar hij bleef standvastig bij zijne reeds afgelegde

bekentenis. En toen men hem wegens, het verdachte en gevaarlijke van

den weg, langs welken hij ons leidde, een verwijt deed, antwoordde

hij met eene gemelijkheid, die inderdaad natuurlijk scheen te zijn,

dat hij den weg niet had aangelegd, en dat, als de heeren gemakkelijker

wegen verkozen, zij liever in Glasgow hadden moeten blijven.

Na dit korte oponthoud begaf onze bende zich weder op marsch. De

weg helde schuin naar het meer af, maar was tot hiertoe door zwaar

geboomte zoo dicht belommerd, dat wij slechts van tijd tot tijd de

uitgestrekte watervlakte bemerkten. Thans echter nam hij eene andere

richting en liep zoo nabij den oever van het meer, dat wij den ganschen

waterspiegel overzagen. Er was volstrekt geen wind. In stille pracht

weerkaatsten zich in het fraaie watervlak de hooge donkere heuvels

en grijze rotsen in het rond. Ook liepen de heuvels zoo dicht langs

den oever neer en waren zoo steil, dat er bijna geen andere weg

overbleef dan het smalle pad, langs hetwelk wij marcheerden. Rotsen

hingen dreigend over ons. Door zware steenen op ons neder te laten

rollen, zou men ons allen hebben kunnen doen omkomen, zonder dat wij

in staat waren geweest, eenigen wederstand te bieden. Daarenboven

konden wij, wegens de vele bochten van ons pad, nauwelijks meer

dan honderd schreden vóór ons zien. Onze aanvoerder scheen over den

hachelijken weg, dien men hem gewezen had, ongerust te worden. Hij

verried dit onwillekeurig, door zijne soldaten telkens te bevelen,

toch vooral op hunne hoede te zijn, en door Dugald te dreigen, dat,

zoo hij hen in gevaar had gebracht, een oogenblikkelijke dood zijne

straf zou wezen. Dugald hoorde echter deze bedreigingen aan met eene

koele onverschilligheid, die òf uit bewustheid van onschuld of uit

hardnekkigheid voortkwam.--»Willen de heeren Robbert Roodhaar zoeken

en vinden," zeide hij, »dan moeten zij voor een weinigje gevaar niet

bang zijn."

Nauwelijks had de Hooglander dit gezegd, of de onderofficier, die

de voorhoede kommandeerde, maakte plotseling halt. Hij zond een

van zijne manschappen naar den kapitein, om dien te berichten,

dat zich Hooglanders vertoonden op een vooruitstekend, den

ganschen weg bestrijkend punt. Op hetzelfde oogenblik berichtte een

soldaat van de achterhoede, dat men in het bosch, dat wij zoo even

doorgetrokken waren, het geluid van een Hooglandschen doedelzak had

gehoord. Thornton, even krijgshaftig als dapper, besloot terstond den

voor ons liggenden pas te bestormen, eer hij in den rug kon aangevallen

worden. Zijne soldaten stelde hij door de verzekering gerust, dat

het geluid der doedelzakken, dat zij gehoord hadden, de nabijheid

der Hooglanders aankondigde, die hen ter hulpe kwamen. Hij bracht

hun tevens onder het oog, van hoeveel belang het was, voorwaarts te

trekken en zich van Robbert meester te maken, voordat de hulptroepen

aankwamen. Want dan zouden zij alleen den roem oogsten en ook den

prijs, die op het hoofd van den roover was gesteld. De achterhoede

vereenigde hij met het hoofdkorps en beval beiden de voorhoede snel

te volgen. De twee gelederen deed hij naast elkander marcheeren,

om met zijne bende de gansche breedte van den begaanbaren weg te

bezetten.--»Hebt gij mij bedrogen, schurk, dan zult gij terstond

sterven!" zeide hij zacht tegen Dugald en gaf bevel, den verdachten

gevangene in het midden tusschen twee grenadieren te plaatsen,

die hem bij de eerste poging om te ontvluchten dadelijk moesten

neerschieten. Jarvie en ik werden insgelijks, tot meerdere zekerheid,

in het midden der bende genomen. Nu plaatste Thornton zich aan het

hoofd van zijne dapperen en riep op vasten toon: »voorwaarts!"

Moedig rukten de soldaten vooruit. Maar de arme Andries was van angst

schier half dood. En om u de waarheid te zeggen, waren Jarvie en ik

weliswaar niet zoo vreesachtig en bang als hij, maar we konden toch

niet met onverschilligheid het gevaar te gemoet gaan, om ons leven

te verliezen in een strijd, die ons volstrekt niet aanging. Maar

bedenkingen noch tegenstand kon hier helpen. We moesten meê.

Wij waren op een afstand van ruim twintig pas van de plaats, waar

onze voorhoede den vijand beweerde gezien te hebben. Het was een

van die in het meer uitloopende voorgebergten, aan welks voet de weg

zich kromde. Het ongebaande pad, van den oever afwijkende, nam hier

eene zig-zag richting en liep ter zijde van eene steile rots op,

die langs geen anderen weg te beklimmen was. Op den top van die

rots, waarheen alleen dat smalle pad leidde, meende de korporaal

de mutsen en lange geweren van eenige Hooglanders gezien te hebben,

die zich waarschijnlijk verscholen hadden in het hooge heikruid en

de bosschaadjes, waarmede de top bedekt was. Thornton beval hem, met

drie man vooruit te rukken, ten einde den vijand uit de vermeende

hinderlaag te verjagen, terwijl hij zelf met langzame, maar vaste

schreden tot ondersteuning der vooruittrekkenden, volgde.

De aanval, dien hij voornemens was te doen, werd door de plotselinge

verschijning van een vrouw op den top der rotsen verhinderd.

»Staat!" riep zij met gebiedende stem, »en zegt mij, wat gij zoekt

in het land van Mac-Gregor?"

Eene zoo verhevene en gebiedende gestalte zag ik zelden, als van deze

vrouw. Zij mag tusschen de veertig en vijftig jaar zijn geweest. Haar

gelaat droeg nog de sporen van buitengewone schoonheid, doch de

invloed van het weer, misschien ook van kommer en hartstocht, had er

zijn stempel op gedrukt. Zij zag er nu alleen ruw en krachtig uit. Haar

plaid droeg zij niet om hoofd en schouders, zoo als de andere Schotsche

vrouwen gewoon zijn, maar zij had hem, als de Schotsche soldaten,

om haar lijf gewonden. Haar hoofd was met eene nachtmuts gedekt,

waarop eene pluim stak. In hare hand hield zij een ontbloot zwaard

en in haar gordel staken twee pistolen.

»Het is Helena Campbell, Robberts vrouw!" fluisterde Jarvie, geheel

onthutst, mij toe; »ach, nu zal het bloed kosten, dat zult gij zien!"

»Wat zoekt gij hier?" herhaalde zij, toen kapitein Thornton nader

gekomen was, om haar zelf van nabij te zien.

»Wij zoeken den vogelvrij verklaarden Robbert Mac-Gregor Campbell,"

antwoordde Thornton, »maar voeren geen oorlog tegen vrouwen. Bied dus

geen vruchteloozen weerstand aan 's konings krijgsmacht. U wordt eene

welwillende behandeling beloofd."

»Ja, ik ken uwe zachtmoedige welwillendheid!" hernam de Amazone. »Gij

hebt mij mijn naam en eer ontroofd. Mijn moeders gebeente, zal zich

in het graf omkeeren, als men mijn gebeente bij het hare legt. Gij

hebt mij en de mijnen huis en hof, bed en huisraad, kleederen, vee,

alles, alles ontnomen--zelfs den naam van onze vaderen hebt gij ons

ontroofd, en nu staat gij ons ook naar het leven!"

»Dooden wil ik niemand," antwoordde de kapitein, »maar ik gehoorzaam

aan de bevelen die mij gegeven zijn. Zijt gij alleen, goede vrouw,

dan hebt gij niets te vreezen! zijn er echter roekeloozen bij u,

die vergeefschen wederstand willen wagen, dan kome hun bloed over

hen! Sergeant! voorwaarts!"

»Voorwaarts!" herhaalde de onderofficier. »Hoera! kameraden! Robberts

hoofd en eene beurs vol goud!"

In stormpas liep hij vooruit, gevolgd door zes man, maar nauwelijks

hadden de soldaten het steile pad begonnen te bestijgen, of er vielen

schielijk achter elkander geweerschoten van verscheidene kanten. De

aanvoerder der voorhoede, de sergeant, gevaarlijk gekwetst, trachtte

nog op handen en voeten de rots te beklauteren. Doch na eene wanhopige

poging, liet hij krachteloos los en van den rand der rotsen stortte

hij in de diepte van het meer en verdronk. Drie zijner wapenbroeders

vielen insgelijks, en de overigen, allen min of meer zwaar gekwetst,

trokken op het hoofdkorps terug.

Thornton liet zijne grenadiers aanrukken, die, naar het toenmalige

gebruik, hunne verwoestende granaat-bommen bij zich droegen. De

kapitein beval den overigen, den aanval dezer dapperen te

ondersteunen. Mij en mijne lotgenooten riep hij toe: »zorgt voor

u zelven."

En onmiddellijk daarop gaf hij het bevel tot den aanval. Onder

een luid »hoera!" rukten de soldaten voort. De grenadiers maakten

zich gereed hunne granaten in het bosch te werpen, waar zich de

hinderlaag bevond. Dugald, die in het gewoel van het gevecht vergeten

werd, ontsnapte in de struiken, die een gedeelte van den rotsweg

overdekten, waar wij eerst halt gemaakt hadden, en klauterde toen met

de behendigheid van eene wilde kat naar boven. Onwillekeurig volgde

ik zijn voorbeeld, daar ik begreep dat het open pad door het vuur der

Hooglanders bestreken zou worden. Ik klauterde voort, tot ik geheel

buiten adem was. Het onafgebroken schieten--elk schot werd door de

echo's in de bergen duizendvoudig weerkaatst--het sissen der brandende

granaten, het losspringen ervan, het geschreeuw der beide vechtende

partijen--dit alles,--ik schaam mij niet het te bekennen,--joeg mij

naar boven, om eene veilige wijkplaats te bereiken. Het steil opgaand

pad werd echter spoedig zoo moeielijk, dat ik bijna wanhoopte Dugald

in te halen, die van de eene rots sprong op de andere, van den eenen

boomstronk op den anderen, zoo vlug als een eekhoren. Ik keek even

achter mij, om te ontdekken, wat er van mijne beide metgezellen

geworden was.

Ik moest ondanks mijn ernstigen toestand even glimlachen. En

toch had ik angst voor hen, want ik zag beiden in een staat van

gedwongen rust, die lang niet benijdenswaard was, maar waarin zij

eene allerzonderlingste vertooning maakten. Jarvie, aan wien de vrees

waarschijnlijk voor een oogenblik de noodige vlugheid had verleend,

was eerst een dertig voet boven het pad opgeklauterd. Doch toen hij van

de eene rotspunt op de andere wilde stappen, gleed hij uit. En zijn

ziel zou zich toen zeker hebben vereenigd met die van zijn vader den

wijkmeester, wien hij zich zoo gaarne herinnerde, zoo niet een stevige

tronk van een doornstruik, waaraan hij met het eene pand van zijn rok

bleef hangen, hem zwevende in de lucht had gehouden. Zoo bleef hij als

het uithangbord van »Het gulden vlies", in de lucht bengelen. Andries

was in zijn klimmen gelukkiger geweest, tot hij eindelijk den top van

eene kale rots bereikte. Maar ze stak zoo hoog boven het bosch uit,

dat hij vast geloofde, aan al de gevaren van het meer en meer naderend

gevecht blootgesteld te zijn. Daarbij was ze tevens zoo steil en

ontoegankelijk, dat hij noch voor- noch achterwaarts zich waagde. Op

de smalle rotsvlakte op en neder gaande als een kunstenmaker op de

kermis, riep hij beurtelings in de Gaelische en Engelsche taal om

genade, naarmate de overwinning zich voor deze of gene partij scheen

te zullen verklaren. Maar zijne jeremiaden werden slechts begroet

door de kreten der beklagenswaardige Jarvie, wien de vrees, evenzeer

als zijn gevaarlijke toestand, het angstzweet deed uitbreken.

Toen ik Jarvie in dezen dringenden nood zag, besloot ik terstond

hem hulp te verleenen. Het was echter onmogelijk, zoo niet Andries

insgelijks behulpzaam wilde wezen. Maar ik kon dezen noch door

vriendelijke uitnoodiging, noch door ernstige bevelen, noch door

scheldwoorden, noch door bedreiging van ongenade, den moed inboezemen,

om van zijne gevaarlijke hoogte af te dalen. Hij stond daar als

een onbekwaam minister, die niet met fatsoen van de verheven plaats

kan dalen, die hij zich vermeten heeft te beklimmen. Onophoudelijk

riep hij om genade, liep heen en weder en kromde zich in allerhande

zonderlinge bochten, om de kogels te ontwijken.

Gelukkig duurde de oorzaak van zijn angst niet lang, daar het schieten,

dat eerst zonder eenige tusschenpoozen had voortgeduurd, plotseling

ophield. Want het gevecht was opeens geëindigd. Snel zocht ik een plek,

waar ik het gevolg en den uitslag van den strijd zien kon. Ik wilde

het medelijden der overwinnaars inroepen voor den goeden Jarvie. Ze

zouden hem toch niet als Mahomed's kist tusschen hemel en aarde laten

zweven. Eindelijk vond ik, na een moeielijk klauteren, een plekje,

vanwaar ik het slagveld kon overzien. Het gevecht was geëindigd, en,

zoo als ik reeds vermoed had, ten nadeele van kapitein Thornton. Ik

zag eene bende Hooglanders, die bezig waren, den kapitein en het

geringe overschot van zijn korps te ontwapenen. Er waren slechts een

twaalftal manschappen over, meest allen gewond. Aan het moorddadig en

goed gericht vuur der vijanden waren zij blootgesteld geweest, zonder

het met eenig goed gevolg te kunnen beantwoorden. Ten laatste hadden

zij hunne wapens neergelegd, toen hun aanvoerder zag, dat hij ook in

den rug bedreigd werd en door een langeren weêrstand slechts nutteloos

het leven zijner dappere soldaten zou opofferen. Den Hooglanders,

die eigenlijk uit eene hinderlaag vochten, had de overwinning weinig

of niets gekost. Zij hadden slechts één doode en twee gekwetsten, en

wel, zoo als ik later vernam, door de in hunne hinderlaag geworpen

granaten. De woeste, krijgshaftige mannen omringden den Engelschen

officier, wiens gelaat met bloed bedekt was, terwijl hij van hoed en

wapens was beroofd. Zijne soldaten zwegen in diepe smart, terwijl de

overwinnaars, in wier midden zij zich bevonden, maatregelen namen om

hun eigen veiligheid te verzekeren, naar de ruwe wetten en gebruiken

van den oorlog.

Robbert Roodhaar · 第 43 / 57 题