HOOFDSTUK XXIX.

Wat hoort ge in het Hoogland?

Den horen Mac-Gregor's, Mac-Lean's krijgsgetier,

Een groven doedelzak, nooit tonen eener lier.

John Cooper's Bescheid aan Allan Ramsay.

Ik bleef eenige oogenblikken stilstaan voor den stal. Die naam was te

fraai voor een ruimte, waar zich paarden met geiten, pluimgedierte,

varkens en koeien onder één dak met het woonhuis bevonden, toch was

het een zekere mate van beschaving, waarmede de overige dorpelingen

nog niet bekend waren, doch dien men, zoo als ik naderhand hoorde,

aan den overdreven trots van onze waardin Jeany Mac-Alpine toeschreef,

die haar bewogen had dezen stal een anderen ingang te geven dan die,

welke voor hare tweebeenige klanten bestemd was. Bij het licht van mijn

fakkel las ik met moeite den brief, die op een vochtig, verfrommeld

en morsig blad papier geschreven en van den volgenden inhoud was:

Mijnheer!

»Er zweven nachtuilen buiten. Daarom kan ik u en mijn waarden

neef N. J. heden niet, zoo als mijn voornemen was, in de herberg

van Aberfoil spreken. Wacht u vooral, om u noodeloos met de

lieden, welke gij daar vinden zult, op eenige wijze in te laten;

want daaruit zouden in het vervolg vele onaangenaamheden kunnen

ontstaan. De persoon die u dezen ter hand stelt, is mij toegedaan,

en gij kunt u veilig aan haar vertrouwen. Zij zal u naar eene

plaats brengen, waar ik u, als het God behaagt, veilig zien

kan, zoo gij en mijn neef mijne schamele woning wilt bezoeken,

waarin ik, mijne vijanden ten spijt, mijne vrienden als een echt

Hooglander onthalen kan. Daar zullen wij dan plechtig op de

gezondheid van zekere D. V. drinken en over de zaak spreken,

waarin ik u waarschijnlijk van dienst zal kunnen zijn. In

afwachting blijf ik, zoo als het onder fatsoenlijke lieden heet:

Uw dienstvaardige

R. M. C."

De inhoud van dezen brief maakte mij knorrig. Het kwam mij voor, dat

die Campbell den dienst, welke ik van hem verwacht had, min of meer op

de lange baan wilde schuiven. Toch deed het mij goed, te vernemen, dat

hij zich aan mij voortdurend liet gelegen zijn, daar ik toch zonder hem

volstrekt geen hoop kon koesteren, mijns vaders papieren weder machtig

te worden. Ik besloot dus zijne wenken te volgen en ten opzichte van

de overige gasten alle mogelijke omzichtigheid en terughouding in acht

nemende, van de eerste gunstige gelegenheid gebruik te maken, om van

de waardin te hooren waar ik den geheimzinnigen man kon aantreffen.

Nu was mijne eerste bezigheid, den vermisten Andries op te zoeken. Ik

riep hem herhaalde malen bij zijn naam, zonder eenig antwoord te

ontvangen. Ik ging toen den stal in, waar een menigte nat stroo

en modder mij voor het gevaar waarborgde, van hier soms met mijne

spaanfakkel onwillekeurig brand te stichten. Eindelijk volgde op

mijn geroep een klagend: »hier!" en wel op een even akeligen toon,

alsof het uit den mond van een spook kwam. Op dit geluid afgaande,

kwam ik in een hoek van de schuur, waar ik den dapperen Andries

achter eene groote kuip vond, die de vederen van misschien al het

gevogelte bevatte, dat sedert eene maand aan het algemeen welzijn

was geofferd. Deels door geweld, deels door bevelen en vermaningen,

deed ik hem uit zijn schuilhoek te voorschijn komen, en zijne eerste

woorden waren: »Waarde heer, ik ben een eerlijke kerel!"

»Wie drommel vraagt thans naar uwe eerlijkheid!" hernam ik. »Denk

liever aan uw plicht en kom ons aan tafel bedienen."

»Ja, ja," antwoordde Andries, zonder, naar ik geloof, mijne woorden

goed verstaan te hebben. »Ik ben een eerlijke kerel, wat mijnheer

Jarvie daartegen in te brengen heeft. Het is waar, mijne ziel hangt

zeer aan het wereldsche, maar lieve hemel! dat heb ik immers met

zoo vele, veel verstandiger lieden gemeen. Maar ik ben een eerlijke

kerel, en al heb ik u ook eens gezegd, dat ik u verlaten wilde, was het

slechts mijne tong die dat zeide, en waarlijk niet mijn hart. Ach, het

was zoo bij wijze van spreken, zoo als men wel meer doet, wanneer men

op een voordeeligen handel bedacht is. Neen, u, mijn braven jongenheer,

u, dien ik zoo innig liefheb, zal ik niet verlaten, neen nooit!"

»Maar voor den duivel wat wilt gij toch?" vroeg ik half boos. »Die

zaak is reeds vereffend. Wat praat gij toch elk oogenblik van dat

wegloopen?"

»Ja, ja, tot nu toe was het ook maar een praatje," antwoordde Andries;

»maar thans zou het wel ernstige ernst kunnen worden. Ik moge er bij

verliezen of winnen, dat is mij onverschillig; maar verder ga ik niet

met u. En wilt gij naar mijn eenvoudigen, welgemeenden raad luisteren,

dan breekt gij liever uw woord, dan dat gij verder gaat. Ik houd

machtig veel van u, en er is, dunkt mij, volstrekt geen twijfel aan, of

gij zult een man van hooge eer worden, als ge de wilde haren maar eerst

kwijt zijt en wat bedaarder en verstandiger geworden zijt. Maar zoo

als ik zeg, verder ga ik niet met u, al moest gij ook zonder leidsman

en raadgever onder weg verzinken, of op eene andere wijs omkomen. Wie

zich in het land waagt waar Robbert Roodhaar heer en meester is,

die spot met onzen lieven Heer, en berokkent zich niets dan kwaad."

»Robbert Roodhaar?" vroeg ik verwonderd; »dien ken ik niet. Wat zijn

dat weer voor grappen, Andries?"

»Kijk nu eens, het is toch hard," antwoordde Andries, »dat men een

mensch niet gelooven wil, wanneer hij de zuivere waarheid spreekt,

omdat hij zich soms met een enkel logentje behelpt, als hij zich

niet anders weet te redden. Gij behoeft niet te vragen, wie Robbert

Roodhaar is--die aartsroover--die.... God vergeve mij de zonde! Ik

hoop toch, dat niemand ons hooren kan. Gij hebt immers zelf een brief

van hem op zak. Ik hoorde, dat een van zijne bende de oude waardin

verzocht, u dien ter hand te stellen. Zij dachten, dat ik hunne

gauwdieventaal niet verstond. Maar ofschoon ik die taal wel niet

spreken kan, is het niet heelemaal Spaansch voor me, en ik weet er,

als ze gesproken wordt, nog al het een en ander van op te vangen

en aaneen te knoopen. Eigenlijk had ik u dit niet moeten zeggen,

maar als men in angst is, ontvalt ons wel eens iets, dat, op de keper

beschouwd, veel beter verzwegen ware. Ach, beste mijnheer Frans, al de

dwaasheden van uw oom en al de dolle streken van uwe neven zijn hier

volstrekt niets bij. Drink een vollen beker als ridder Hildebrand;

begin uw ochtend met brood en brandewijn, als jonker Percival;

bluf, als jonker Thorncliff; loop de meisjes na, als jonker John;

ga weddingschappen aan, als jonker Richard; kaap den paus en den

duivel zieltjes weg, als jonker Rashleigh. Maak alarm, raas, tier,

ontheilig den Sabbath of gehoorzaam den paus, zooals zij allen onder

elkander doen.--Maar bij den barmhartigen hemel! spaar uw jeugdig

leven en kom Robbert Roodhaar niet te na!"

De angst van den goeden Andries was te ongeveinsd, dan dat ik eenig

wantrouwen daarin zou hebben mogen stellen. Ik liet het echter

daarbij blijven, dat ik hem zeide, voornemens te zijn dien nacht in

de herberg door te brengen, en ik gelastte hem tevens, voor onze

paarden te zorgen. Voor het overige beval ik hem ten ernstigste,

omtrent de oorzaak van zijne vrees het diepste stilzwijgen in acht

te nemen. Ik verzekerde hem ook, dat hij er zich op kon verlaten,

dat ik mij niet noodeloos aan gevaar zou blootstellen. Hij volgde

mij met een bedrukt gelaat en mompelde bij zich zelven: »Redelijke

menschen behooren toch eerder verzorgd te worden, dan het redelooze

vee. Den ganschen dag heb ik niets te eten gekregen, dan een paar

afgekloven vleugels van een taai korhoen."

De goede verstandhouding tusschen de gasten in de herberg scheen,

sedert ik hen verlaten had, min of meer gestoord te zijn. Althans

Galbraith en mijn vriend Jarvie waren in eene vrij luidruchtige

woordenwisseling met elkander gewikkeld.

»Zulke taal over den hertog van Argyle en den naam Campbell duld ik

volstrekt niet!" zeide Jarvie, toen ik binnentrad. »Hij is een braaf

edelman, die het wel met ons land meent; ook is hij een man van aanzien

en gewicht, en beschermt Glasgow's handel op alle mogelijke wijzen."

»Ik zeg immers niets ten nadeele van Mac-Callumore noch van den

Sliochnan Diarmid!" antwoordde de kleine Hooglander glimlachende. »Ik

woon te dicht bij Glencroe om met den heer van het land, tot Inverrary

toe, twist te zoeken."

»Ons meer zag nooit de galei [11] der Campbell's," zei de lange

Hooglander. »Ik spreek ronduit en vrees niemand. Een Cawmil [12]

acht ik volstrekt niet hooger dan een ander mensch, en gij moogt het

Mac-Callumore vrij verhalen, dat Allan-Iverech dat gezegd heeft. Men

heeft ver te schreeuwen van hier tot Lochow [13]."

Galbraith, bij wien de brandewijn, dien hij in ruime teugen gebruikt

had, begon te werken, sloeg driftig en heftig met zijne hand op de

tafel en riep met schorre stem: »dat geslacht heeft eene bloedschuld op

zich geladen en zal die vroeg of laat moeten betalen. De beenderen van

een dappere Grahame rammelen sedert lang in de kist en eischen wraak

op de hertogen van Argyle en de heeren van Lorn. Nooit werd er in

Schotland verraad gesmeed, of een der Campbell's speelde daarin eene

hoofdrol, en nu het onrecht den boventoon heeft, zijn het alweder

de Campbell's die de stem van het recht weten te smoren. Maar die

vervloekte onzin zal niet lang meer duren; het wordt tijd, dat men den

bijl scherpt en hier en daar eenige van de belhamels een kop kleiner

maakt. Ik hoop het ten minste nog te beleven, dat de oude roestige

bijl eens weder aan het maaien komt en een bloedigen oogst maakt!"

»Schaam u, Galbraith!" riep Jarvie; »foei, schaam u, zoo iets te

zeggen in de tegenwoordigheid van een overheidspersoon, en u zelven in

ongelegenheid te brengen! Hoe zult gij de uwen kunnen onderhouden en

uwe schuldeischers voldoen--mij en anderen--als gij steeds op dezen

onbesuisden toon voortgaat? Gij zult de straf der wet op den hals

halen op u en op allen, die met u in betrekking staan!"

»De Satan hale mijne schuldeischers en u er bij, als ge er toe

behoort!" hernam Galbraith. »Ja, zeg ik u nog eens: de poppen gaan

spoedig aan het dansen; het zal dan anders in de wereld toegaan. Dan

zal geen Campbell den neus zoo trotsch in den wind steken, noch zijne

honden op menschen aanhitsen, met wie hij zich zelf niet durft meten,

noch dieven en moordenaars beschermen, noch brave lieden uitplunderen

en van hun wettig eigendom berooven."

Jarvie zou misschien dezen woordentwist voortgezet hebben. Maar de

welriekende geuren van het door de waardin opgedischte wildbraad

werd zulk een veelvermogenden bemiddelaar, dat hij zich tegenover den

uitlokkenden schotel plaatste, en den anderen gasten het veld ruimde.

»Ja, dat is maar zoo en niet anders!" zei de lange Hooglander, die

Steedart heette: »men zou ons zoo onmanierlijk niet plagen en ons

hier niet bijeen doen komen om Robbert Roodhaar te vangen, als de

Cawmil's hem geene bescherming verleenden. Wij waren eens met ons

dertigen en joegen het volkje van den stam Mac-Gregor als hazen voor

ons uit, tot wij in den omtrek van Glenfollich kwamen. Daar stonden

de Cawmil's op en beletten ons om hen verder te vervolgen: vergeefs

was toen al onze aangewende moeite! Doch ik zou er, ik weet niet wat

om geven, als ik dien Robbert weder zoo dicht op de hielen kon komen,

als op dien bewusten dag!"

Ongelukkig vond mijn vriend Jarvie in elke uitdrukking van den

Hooglander iets dat hem mishaagde.

»Neem het mij niet kwalijk," zeide hij, »dat ik spreek zoo als ik denk,

mijn beste Heer: maar gij zoudt er zeker, wie weet wat om gegeven

hebben, als gij dan zoo ver van Robbert verwijderd kondet zijn, als

thans. Mijn gloeiend ploegijzer zou, in vergelijking met zijn zwaard,

niets geweest zijn."

»Ik raad u, welmeenend, geen woord meer van uw vervloekt ploegijzer

te reppen! Gij zult en moet daarover zwijgen, dat eisch ik of ik zal

mij, om u daartoe te noodzaken, van een middeltje bedienen, dat nog

nooit gefaald heeft!"--Dit zeggende, greep hij met een dreigenden

blik naar zijn dolk.

»Halt! Geene vechtpartij meer, Allan!" riep de kleine Hooglander. »Is

die mijnheer uit Glasgow zulk een boezemvriend van Robbert, welnu,

dan kan hij hem misschien nog heden nacht in boeien en morgen aan de

galg zien. Lang genoeg heeft hij het land geplaagd, en nu delft zijn

stam eindelijk het onderspit: dat behoort zoo.--Maar het wordt tijd:

wij moeten ons naar onze lieden begeven."

»Toch niet, Inverashalloch!" riep Galbraith. »Zouden wij nu voor eene

enkele flesch opdraaien! Gekheid! Toon u een man!"

»Alles goed en wel. Gij weet, dat ik mijne flesch sta en, als het er

op aan komt, geen kniesoor ben. Maar de duivel hale elken droppel,

dien ik te veel drink, als ik 's morgens iets van belang te doen

heb. En naar mijne domme meening zoudt gij, Galbraith, veel beter doen,

als gij uwe ruiters vóór het aanbreken van den dag hierheen bracht."

»Waarvoor die haast?" antwoordde Galbraith. »Met eten en drinken

moet men lichaam en ziel bij elkander houden: met vasten komen wij

er waarachtig niet! En had ik iets te zeggen gehad, dan zou ik u

zeker niet met uw volk te hulp geroepen hebben. Het garnizoen en

onze ruiters zouden best alleen in staat zijn geweest, om Robbert te

knippen. Hier is de hand, die hem in het gras zal doen bijten en die

geen hulp van een uwer Hooglanders behoeft."

»Welnu, dan hadt gij ons maar moeten laten blijven, waar wij

waren!" hernam Inverashalloch. »Ik ga waarlijk geen twintig uren

ver, als men mij niet oproept. Wil ik u eens zeggen, hoe ik over

u denk. Gij zijt een groote babbelaar, en als gij wat minder in

den mond en wat meer in het hoofd hadt, zou het met uwe onderneming

veel beter gelukken. Wie nog een steun heeft, kan zich lang staande

houden, en zoo is het geval met onzen man. Wil men een vogel vangen,

dan moet men niet met de muts naar hem smijten. En die lieden daar

ginder hebben ook het een en ander gehoord, wat zij niet zouden gehoord

hebben, als gij den brandewijn niet zoo druk aangesproken hadt, majoor

Galbraith. Nu, nu! gij behoeft uw hoed niet zoo uitdagend op het ééne

oor te zetten, en den menschenvreter uit te hangen. Ik ken u immers,

vriendje: gij zijt zoo gevaarlijk niet!"

»Ik heb het reeds gezegd," hernam de beschonken Galbraith met

belachelijke deftigheid; »ik twist heden nacht met niemand, hij moge

laken of tartan dragen. Maar buiten den dienst twist ik met u en met

ieder uit het Hoogland en uit de Laaglanden. Zoo lang ik mij in dienst

bevind, gebeurt dit echter niet!--Neen, zeg ik u, neen! Ik wenschte

wel, dat de roodrokken er reeds waren. Was er iets tegen koning

Jakobus te ondernemen, dan zouden zij wel bij de hand zijn; maar om

de rust in het land te bewaren, zijn zij even traag als hunne buren."

Terwijl hij dit zeide, hoorden wij de regelmatige stappen van eene

bende voetvolk, en kort daarop trad een officier met eenige soldaten de

kamer binnen. Zijn Engelsch luidde als aangename muziek in mijne ooren,

die reeds zoo lang niets dan het Schotsche dialekt gehoord hadden.

»Waarschijnlijk zijt gij de majoor Galbraith van de ruiterij uit

Lennox,"--vroeg hij--»en deze heeren zullen, denkelijk, de Hooglanders

zijn, die ik hier zou vinden?"

De gasten beantwoordden deze vragen toestemmend en noodigden den

officier eenige ververschingen te gebruiken. Hij weigerde echter,

en ging voort: »Ik ben wat te lang opgehouden, mijne heeren, en

wensch nu den verloren tijd weder in te halen. Onder anderen luiden

mijne bevelen om twee personen te arresteeren, die van verraderlijke

aanslagen beschuldigd worden."

»Ja, wat dat betreft, daarmede hebben wij niets te maken, en kunnen

er ons dus ook niet mede bemoeien," zeide Inverashalloch. »Ik ben

met mijne lieden herwaarts gekomen, om tegen den roover Mac-Gregor,

die mijn neef in den zevenden graad vermoord heeft, te vechten. Maar

mij raakt het volstrekt niet, wat brave lieden, die voor hunne zaken

reizen, doen of laten willen."

»Neen, dat raakt mij ook niet!" zeide Iverach, de andere Hooglander.

Galbraith nam de zaak ernstiger op en begon dadelijk: »Ten nadeele

van koning George wil ik geen enkel woord zeggen, kapitein, want

het kan zeer wel wezen dat ik van hem mijne aanstelling heb. Maar

wanneer de eene aanstelling goed is, is de andere daarom niet slecht,

en voor sommige lieden klinkt de naam Jakobus even goed als de naam

George. De een is koning, de ander behoorde het te zijn. Naar mijn

oordeel kan een eerlijk man het goed met beiden meenen. Ik verklaar

mij voor de bestaande machten, zoo als het een officier betaamt. Maar

om verder van verraad en dergelijke dingen te spreken, dat is slechts

tijd verspillen!"

»Met leedwezen bespeur ik, hoe gij uw tijd hier hebt doorgebracht!" zei

de Engelsche officier, die begreep hoe sterk Galbraith's argumenten

den genoten brandewijn verrieden. »Ik wenschte wel, dat zoo iets

bij zulk eene gewichtige gelegenheid niet gebeurd ware! Ik raad u

welmeenend, uw roes een uurtje uit te slapen. Behooren deze heeren

tot uw gezelschap?" vervolgde hij, op Jarvie en mij wijzende, die

beiden nog met ons avondmaal bezig waren en weinig op den officier

gelet hadden.

»Reizigers," zeide Galbraith, »eerzame reizigers te water en te land,

zoo als in het kerkboek staat."

»Ik heb bevel," hernam de kapitein, terwijl hij ons bijlichtte, »een

bejaard en een jong man te arresteeren en het signalement komt met

deze beide heeren vrij goed overeen."

»Bedenk wel wat gij zegt, mijnheer!" zeide Jarvie: »noch uw roode

rok, noch uw gegaloneerde hoed kan u beschermen, zoo gij mij zelfs de

geringste beleediging aandoet. Ik ben een gezeten burger, en bovendien

een overheidspersoon uit Glasgow. Nikolaas Jarvie is mijn naam, en

zoo heette ook mijn vader zaliger. Ik ben lid van den stedelijken

raad--een groote eer voor mij--en mijn vader was wijkmeester."

»Hij was een oude schoelje!" viel Galbraith hem in de rede; »en vocht

bij de Bothwell-brug tegen zijn wettigen koning."

»Wat hij kocht betaalde hij eerlijk, mijnheer Galbraith!" zeide Jarvie;

»en hij was een veel braver man dan op uwe been en staat."

»Ik heb geen tijd om mij hiermede verder in te laten," hernam de

officier. »Kunt gij, heeren, geene genoegzame bewijzen geven, dat

gij getrouwe onderdanen zijt, dan moet ik u in hechtenis nemen."

»Ik verlang voor den burgerlijken rechter gebracht te worden," hernam

Jarvie; »want ik ben niet verplicht, iederen roodrok te antwoorden,

die mij met zijne onbescheidene vragen lastig valt."

»Goed, mijnheer! wilt gij mij niet antwoorden, dan zal ik wel weten

wat ik met u te doen heb. En gij," aldus sprak officier mijn aan;

»uw naam!"

Toen ik mijn naam genoemd had, vervolgde hij: »hoe, een zoon van

Hildebrand Osbaldistone in Northumberland?"

»Neen," viel Jarvie hem in de rede, »een zoon van den beroemden

Willem Osbaldistone, van het vermaarde kantoor Osbaldistone en Tresham

in Londen."

»Ik vrees, dat uw naam de verdenking tegen u slechts vermeerderen

moet," hernam de officier. »Ik moet u verzoeken, mij al de papieren,

welke gij bij u hebt, ter hand te stellen."

Toen hij dit verzocht, bemerkte ik dat de Hooglanders elkander

angstig aanzagen.

»Ik heb u niets ter hand te stellen!" was mijn antwoord.

De officier beval mij te ontwapenen en te onderzoeken. Tegenstand zou

razernij zijn geweest. Ik gaf mijne wapens over, en onderwierp mij

aan dat onderzoek, dat met alle mogelijke kiesheid geschiedde. Men

vond echter niets dan den brief, dien ik van de waardin had ontvangen.

»Ik had iets anders verwacht," zei de officier, »maar ook dit

is voor mij reden genoeg om u gevangen te houden. Ik vind u in

briefwisseling met den gebannen en voor vogelvrij verklaarden roover

Robbert Mac-Gregor Campbell, die zoo lang eene plaag van deze streken

is geweest. Wat moet ik daarvan denken?"

»Spionnen van Robbert!" riep Inverashalloch; »kort en goed recht over

hen! Men hange hen op aan den eersten den besten boom!"

»Wij zijn van huis gegaan om eenige goederen terug te halen, die

ons behooren, en toevallig in zijne handen zijn geraakt," zeide

Jarvie. »Mij dunkt toch, dat er geen wet bestaat, die ons verbiedt

voor het behoud van ons eigendom te zorgen."

»Hoe zijt gij aan dezen brief gekomen?" vroeg mij de officier.

Ik wilde de waardin niet verraden en zweeg.--»Weet gij er niets

van?" vroeg de officier thans aan Andries, die, zoodra hij het

vonnis had gehoord, dat de Hooglander over ons velde, van schrik

klappertandde.--»O ja, ja, ik weet er alles van--het was--het was

een slungel uit het Hoogland--die gaf den brief aan de vrouw van

dezen huize. Mijnheer wist er echter niets van, daarop wil ik des

noods een eed doen! Maar hij wil zich naar het gebergte begeven

en met Robbert spreken. Ach, mijnheer! verricht hier eens een werk

van barmhartigheid en laat een paar van uwe roodrokken hem veilig

naar Glasgow terugbrengen: hij moge willen of niet. De heer Jarvie

kunt gij bij u houden, zoo lang gij verkiest: die man is goed voor

iedere geldboete, welke gij hem zoudt willen opleggen. Mijnheer is

het trouwens ook, wat dat betreft--en ik--ik ben een arm tuinier en

niet waardig dat gij u een enkel oogenblik om mij bekommert."

»Het zal wel 't best zijn deze lieden onder bedekking naar het

fort te zenden," zei de officier. »Zij schijnen met den vijand in

verstandhouding te zijn, en ik durf het niet op mij nemen, hen in

vrijheid te laten.--Gij zijt mijne gevangenen. Met het aanbreken

van den dag wordt gij van hier vervoerd. Zijt gij inderdaad degenen

welke gij zegt te zijn, dan zal dat spoedig blijken, en een paar dagen

oponthoud zal u juist zooveel schade niet veroorzaken. Verschoon mij

van alle tegenbedenkingen," vervolgde hij, zich van Jarvie afwendende,

die hem wilde aanspreken: »de dienst duldt niet dat ik mij met een

nutteloos onderzoek inlate."

»Zeer wel, zeer wel!" hernam Jarvie. »Wij zullen dan eens naar uwe

pijpen dansen. Maar pas op. Ik zal, als mijne beurt komt, u een nog

moeielijker dansje voorspelen en dan zult gij dansen dat gij omvalt."

Nu had er eene ernstige beraadslaging tusschen den officier en

de Hooglanders plaats, maar zoo zacht en geheimzinnig, dat men er

volstrekt niets van kon verstaan.--Eindelijk gingen zij allen naar

buiten.--»Deze Hooglanders," zeide Jarvie tot mij, »zijn van de

westelijke stammen. Zij hebben, zooals men zegt, even lange vingers

als hunne naburen. Maar gij ziet, dat zij herwaarts zijn gekomen om

den ongelukkigen Robbert te vervolgen, omdat zij een ouden haat tegen

hem en zijn stam voeden, en nu komen zij uit alle oorden gewapend

opdagen. Men weet eigenlijk wel waarom zij vechten, en ik kan het

hun niet kwalijk nemen; want wie wil gaarne zijn vee verliezen. En

dan zijn er ook nog soldaten uit de vesting bij! Ja, de arme Robbert

zal morgen de handen vol hebben, dat voorzie ik! Het is waar, een

overheidspersoon, een lid van den stedelijken raad van Glasgow mag

niets wenschen, wat tegen den gang der gerechtigheid indruischt. Maar

toch zeg ik u, dat ik mij de haren niet uit het hoofd rukken zou,

als ik hoorde, dat Robbert zijne vijanden eens aardig om den tuin

had geleid."

Robbert Roodhaar · 第 42 / 57 题