O, gij, baron van Kalen!
Jou zal de drommel halen,
En jou tot korrels malen!
Jij hebt hier een mooi kasteel in de stad?
Geen mensch en geen beest vreet er ooit zich zat,
En men vindt er niet eens een stoel voor zijn g....
Schotsch liedje.
De avond was wezenlijk mooi. Bij het heldere maanlicht deed de streek
zich veel gunstiger voor dan bij dag. Het ineensmelten van licht
en schaduw gaf aan de woestenij iets bekoorlijks, wat ze anders
eigenlijk geheel miste. Even als een sluier, over een alledaagsch
vrouwengelaat, wekte het nieuwsgierigheid naar iets, dat op zich zelf
niet belangwekkend was.
De weg liep nog steeds naar beneden, en voerde ons van de heivlakte af
naar kloven met steile randen en, na vele krommingen, naar den oever
eener rivier, die veel meer naar de stroomen van mijn vaderland geleek,
dan naar die, welke ik tot dusver in Schotland gezien had. Het was een
smal, diep, stil water, ofschoon het flauwe licht, dat over de kale
oppervlakte scheen, ons tegelijk aan beide zijden de hooge gebergten,
waaruit het ontstond, deed bemerken.
»Dat is de Forth!" zeide Jarvie op den eerbiedigen toon, waarop de
Schotten doorgaans van hunne voornaamste rivieren spreken. De Clyde,
de Tweed, de Forth, de Spey worden door hen, die aan de oevers daarvan
wonen, steeds met zekeren trots en fierheid genoemd. Zelfs heb ik
gezien, dat een enkel woord van minachting tweegevechten ten gevolge
had. Wie zou deze onschuldige geestdrift willen afkeuren! Gaarne
beantwoordde ik dus den uitroep van mijn vriend met dezelfde levendige
belangstelling, die hij had laten blijken. Inderdaad was ik ook blij,
na zulk een vervelenden tocht, eindelijk in een streek te komen,
die afwisseling bood en den geest bezig hield.
Mijn getrouwe schildknaap Andries scheen geenszins van dat gevoelen te
zijn. De plechtige aankondiging: »dat is de Forth!" beantwoordde hij
met een tamelijk onverschillig »hm!" als wilde hij te kennen geven, dat
het gezicht van de herberg hem oneindig meer welkom zou geweest zijn.
Inderdaad, de rivier verdiende, voor zoo ver ik bij het flauwe licht
dat over haar gespreid lag, het kon beoordeelen, die bewondering,
die haar geschonken werd. Een schoone, ronde heuvel, bekleed met
kreupelhout van hazelnootboomen, esschen, dwergeiken, waartusschen
eenige statige boomen met hunne trotsche kruinen in het maanlicht
uitstaken, beschermde als het ware de bron der rivier. Volgens
het verhaal van mijn reismakker, dat hij met gedempte stem deed,
hoewel hij verklaarde niets te gelooven van hetgeen hij vertelde,
bevatte deze bekoorlijke heuvel in zijne onzichtbare holen de paleizen
der toovergodinnen, die weliswaar niet bepaald vijandinnen van het
menschelijk geslacht zijn, doch wegens haar grilligen, wraakzuchtigen
aard vermeden en gevreesd zijn.
»Die toovergodinnen," zeide hij fluisterend, »heeten hier: »Daoine
Schie". Naar ik mij herinner, beteekent dit: »vrouwen des vredes." Men
meent, haar door dezen titel zich genegen te maken. En waarom zouden
ook wij haar zoo niet noemen? Het is toch nooit raadzaam, van den
heer des huizes binnen zijne eigen muren kwaad te spreken. Op de keper
beschouwd, is dat, wat ik u daar vertel, natuurlijk een sprookje.--Dit
durf ik wel ronduit verklaren," voegde hij er met eenigen nadruk bij,
toen wij op een kleinen afstand van ons in een huis licht zagen
schemeren.--»Wij zijn thans dicht bij de herberg van Aberfoil,"
vervolgde hij: »daar ginder, waar dat licht brandt."
Met veel genoegen vernam ik dit, niet zoozeer omdat mijn
reisgenoot-zich nu vrijmoediger over de toovergodinnen kon uiten,
als wel, omdat ik mij thans eenige uren rust mocht beloven, die wij,
niet minder dan onze paarden, na zulk eene moeielijke dagreis, meer
dan noodig hadden.
Eene oude, zeer hooge, smalle steenen brug bracht ons over de Forth,
dicht bij den oorsprong der rivier. De gewone weg uit het Hoogland
naar Zuid-Schotland liep echter, zoo als ik van mijn reisgenoot hoorde,
door de Forth van Firth, waar de stroom steeds zeer diep en moeielijk
over te trekken, ja niet zelden volstrekt ondoorwaadbaar is. Van deze
plaats tot verder oostwaarts naar de brug van Stirling, bevindt zich
nergens een overgang. Zoo vormt dan de Forth, van hare bron tot aan
de Firth--dat is de zeearm die haar omvangt,--eene gemakkelijk te
verdedigen grensscheiding tusschen het Hoogland en Zuid-Schotland. De
gebeurtenissen, waarvan ik naderhand getuige was, herinnerden mij
vaak de aanmerking, die Jarvie, volgens zijne gewoonte, in den vorm
van een spreekwoord maakte: »de Forth is voor de woeste Hooglanders,
een toom, die hen in bedwang houdt."
Na een korten rit aan gene zijde van de brug, bevonden wij ons
eindelijk voor een herberg, waar wij den nacht zouden doorbrengen. Haar
voorkomen was nog veel armzaliger dan van die, waar wij des middags
gegeten hadden. Door de kleine vensters zagen wij echter veel licht en
hoorden weldra ook verscheidene stemmen, wat een gul onthaal scheen
te beloven, waaraan wij ook groote behoefte gevoelden. Intusschen
had Andries al spoedig ontdekt, dat een dikke, afgeschilde wilgentak
dwars vóór de half geopende deur lag. Hij bleef dralende staan en
ried ons aan niet binnen te treden.--»Buiten twijfel zijn daar eenige
van hunne hoofden bijeen, die in hun drinkgelag niet willen gestoord
worden," zeide hij. »Stappen wij nu maar zoo zonder komplimenten
binnen, dan zullen zij ons zeer zeker met een geducht pak stokslagen
verwelkomen, of ons met hunne scherpgepunte dolken een prikje geven,
dat ons dergelijke onwellevendheid voor altijd zou afleeren."
Ik keek vragend mijn reisgenoot aan, die mij toefluisterde: »de ezel
heeft daar een verstandig woord gesproken!"
Nu kwamen er op het hooren van den hoefslag onzer paarden, eenige
half gekleede meiden uit de herberg en de omliggende hutten. Maar
niemand heette ons welkom; niemand gaf zich de moeite, toen wij
afgestegen waren, om onze paarden vast te houden, en op alle onze
vragen ontvingen wij slechts het troostelooze antwoord: »ha niel
Sassenach!" (»kan geen Saksisch!") [10].
Jarvie wist hun echter de tong los te maken en Engelsch te doen
spreken.
»Als ik u," zeide hij tegen een tienjarigen knaap in een haveloozen
plaid, »een stuiver geef, wilt gij dan Saksisch verstaan?"
»Ja, ja, dat wil ik!" antwoordde de knaap in redelijk goed Engelsch.
»Nu ga dan heen, en zeg uwe moeder," vervolgde Jarvie, »dat hier een
paar vreemde heeren zijn, die haar wenschen te spreken."
Terstond daarop verscheen de waardin met een brandenden spaander in
de hand, dien de Hooglanders van het in de turfmoerassen gevonden
pijnboomhout snijden, en niet zelden in plaats van eene kaars of
lamp gebruiken. De heldere vlam verlichtte de woeste gelaatstrekken
eener bleeke, magere vrouw van buitengewone grootte, wier slordige
en gescheurde kleeding haar ternauwernood naar behooren bedekte. Haar
zwart haar, dat in ongekamde lokken uit hare morsige muts nederhing,
en de zonderling verlegen blik waarmede zij ons beschouwde, gaven
haar geheel het voorkomen eener tooverkol, die in hare werken der
duisternis gestoord wordt. Zij weigerde bepaald ons in de herberg
toe te laten. Vruchteloos waren al onze vertoogen. Te vergeefs
verzekerden wij haar, dat wij en onze paarden te veel afgemat waren
om de naastvolgende, omtrent zeven Schotsche mijlen verwijderde
herberg nog vóór den nacht te bereiken.--»Beter verder gegaan,
dan hier de pot verteerd!" antwoordde de onverbiddelijke waardin
in het Nederschotsch. »Binnen zijn lieden, die niet gestoord willen
worden door vreemdelingen. Wie zij zijn, weet ik niet. Misschien wel
roodrokken van het garnizoen," voegde zij er zachter, doch met een
bijzonderen nadruk bij. »Het is goed weer; laat de heide ditmaal
uw bed zijn, dat zal uw bloed verkoelen. Slaap in uwe kleederen,"
voegde zij er bij, »zooals een goed zwaard in de scheede. De hei is
niet al te vochtig, als ge maar een geschikt plekje uitzoekt, en ge
kunt gerust de paarden op den heuvel laten grazen; geen mensch zal
het je kwalijk nemen."
Terwijl Jarvie besluiteloos zuchtte, betuigde ik de waardin, dat ik
sinds zes uren niets gegeten had, en den nacht niet hongerend in het
gebergte kon doorbrengen. »Ik moet volstrekt onder dak,"--voegde
ik er bij. »Zie het met uwe gasten voor ons zoo wat ten goede te
schikken.--Beduid hun, dat twee vermoeide vreemdelingen de eer van
hun gezelschap wenschen te genieten. Andries, zorg voor de paarden!"
De oude heks staarde mij met verbazing aan.--»Nu, het zij dan
zoo!" zeide zij eindelijk; »maar ik vrees, ik vrees, dat het u berouwen
zal, met mijne gasten kennis gemaakt te hebben. Evenwel, wie niet naar
goeden raad wil hooren, moet zijn eigen zin volgen! Intusschen kan
ik wel zien, dat gij echte Engelschen zijt. De buik is uw afgod. Gij
hebt heden eenmaal gegeten. En toch wilt gij nog liever vrijheid en
leven wagen, dan een avondmaal missen. Maar ik wasch de handen in
onschuld. Kom," zeide zij tegen Andries, »ik zal de plaats voor de
paarden wijzen."
Over deze uitdrukkingen der waardin, die mij een dreigend gevaar
schenen aan te duiden, was ik min of meer onthutst. Evenwel, ik had
haar nu eenmaal mijn besluit te kennen gegeven. Ik wilde nu niet
angstvallig terugtreden, maar stapte moedig het huis binnen. Toen
wij een smallen gang, waar ik mijne schenen tegen een hoop turf en
eene vleeschkuip bijna stuk stiet, doorgegaan waren, opende ik eene
gebrekkig uit wilgentwijgen gevlochten deur, en trad nu met Jarvie
in de gelagkamer van deze Schotsche herberg.
Hier zag het er, voor de oogen van een Engelschman, al zeer zonderling
uit. Het vuur, dat uit turf en dorre takken bestond, brandde helder
in het midden van het vertrek; maar de rook, die geen anderen uitweg
had dan door een gat in het dak, bleef grootendeels in donkere wolken
vijf of zes voet van den bodem aan de zoldering hangen. Beneden
deze rookwolken was het echter tamelijk licht, dewijl de tocht, die
door het jammerlijk gehavende vlechtwerk der deur en door eenige
met lompen behangen gaten, die tot vensters dienden, als ook door
tallooze scheuren en spleten der van steenen en turf opgetrokken
wanden rijkelijk henendrong, de vlam van het vuur wakker aanblies.
Aan eene oude eikenhouten tafel nabij het vuur zaten drie mannen. Het
waren gasten, die men onmogelijk met een onverschillig oog beschouwen
kon. Twee van hen waren als Hooglanders gekleed. Maar de een, een
klein, zwartachtig mannetje, met levendige, min of meer driftige
uitdrukking op zijne gelaatstrekken, droeg eene eng sluitende lange
broek, »trews" genaamd, van eene fijne, wolachtige stof. Jarvie
fluisterde mij in, dat deze man zeer zeker een persoon van eenigen rang
moest zijn, want dat alleen aanzienlijke lieden zulke broeken droegen,
die, naar de mode der Hooglanders, zeer moeielijk te weven waren.
De andere gast was bijzonder groot en sterk gespierd, met dik rood
haar, een gezicht vol zomersproeten, bolle wangen en eene lange kin,
eene soort van karikatuur der eigenaardige Schotsche physionomie. Zijne
tartan was rijk met rood gekleurd, terwijl in het gewaad van den
anderen, zwart en donkergroen de heerschende kleuren waren. De derde
gast, in Nederschotsch costuum, was een man van een onversaagd,
ja, vermetel voorkomen; zijn oog en zijne houding teekenden den
krijgsman. Sierlijk en rijk met koorden en galon was zijn reisrok
bezet, en zijn opgetoomde hoed was van eene vervaarlijke grootte. Zijn
kort zijdgeweer en een paar pistolen lagen voor hem op de tafel. Elk
der beide Hooglanders had zijn ontblooten dolk naast zich in de tafel
gestoken, wat, zoo als ik naderhand vernam, een teeken was, dat hun
drinkgelag door geen twist mocht gestoord worden. Voor de drie gasten
stond eene groote tinnen kan met Usquebaugh, een sterken, geestrijken
drank, dien de Hooglanders van mout brouwen en onverdund in onmatige
hoeveelheid zwelgen. Een gebroken glas met een houten voet, het
eenige drinkgereedschap, waarvan zij zich gemeenschappelijk bedienden,
ging zoo vaak rond, dat het mij, met het oog op den krachtigen drank,
inderdaad verbaasde. Zij spraken luid en vrij levendig met elkander,
dan eens in het Engelsch, dan weder in het Gaelisch. Een andere,
in zijn plaid gewikkelde, Hooglander, lag uitgestrekt te slapen,
zonder zijn hoofd op een bos stroo, en sliep, of scheen ten minste
te slapen, zonder op hetgeen rondom hem gebeurde in het minst acht te
slaan. Intusschen scheen hij insgelijks een der gasten te zijn, want
hij was geheel gekleed, met zijn zwaard en schild, de gewone wapens
der Hooglanders, wanneer zij zich op reis bevinden, naast hem. Kribben
van onderscheidene grootte bevonden zich op eenige hoogte langs de
wanden, sommige van oude planken, andere van slordig ineengevlochten
wilgentwijgen, die den huisgenooten, mannen, vrouwen en kinderen,
tot slaapplaatsen dienden, maar door de donkere rookwolken, die haar
omringden, genoegzaam onzichtbaar waren.
Wij traden het vertrek zoo stil binnen, dat de drie in hun gesprek
geheel verdiepte drinkebroers ons gedurende eenige minuten volstrekt
niet bemerkten. Het ontsnapte mij echter niet, dat de Hooglander, die
op den grond, niet ver van het vuur lag, zich, toen wij binnenkwamen,
een weinig oprichtte, op zijn elleboog leunende en het gezicht met
zijn plaid half bedekkende, ons eenige oogenblikken aanzag en daarna
zich weder te slapen legde.
Wij begaven ons naar het vuur, dat ons, na een zoo laten rit in een
kouden herfstavond, eene aangename verkwikking beloofde, en trokken
nu eindelijk de opmerkzaamheid der gasten tot ons, toen wij de
waardin riepen. Zij kwam, zag weifelend en vreesachtig dan ons dan de
andere gasten aan, en maakte, toen wij haar verzochten ons het een
en ander voor ons avondmaal te brengen, allerlei nietsbeduidende
verontschuldigingen. In het eerst betuigde zij volstrekt niets
eetbaars in huis te hebben. Toen verzekerde zij ons weder, dat zij,
ja, wel iets had, maar dat het geenszins aan lieden van onzen stand
kon voorgezet worden.
Ik antwoordde haar, dat wij met elk gerecht, hoe gering ook, tevreden
zouden zijn. En nadat ik naar stoelen voor ons had rondgezien, die
echter nergens te vinden waren, bood ik Jarvie een ouden hoenderkorf
tot zitplaats aan, en ging zelf op een gebroken tobbe zitten. Nu trad
Andries insgelijks binnen, en plaatste zich zwijgend achter ons. De
gasten staarden ons onafgewend aan, als had onze vrijmoedigheid hen
min of meer in verlegenheid gebracht; en--ik ten minste--trachtte, zoo
goed als het gelukken wilde, onder den schijn van onverschilligheid
de heimelijke vrees te verbergen, dat wij van deze onbekende heeren
juist niet de aangenaamste ontvangst te wachten hadden.
Eindelijk keerde de kleine Hooglander zich naar mij en zeide op
trotschen toon in zeer goed Engelsch: »naar ik merk, gedraagt gij u
hier als of gij te huis waart."
»Dat doe ik gewoonlijk als ik mij in eene herberg bevind," antwoordde
ik.
»En hebt gij dan aan den dwars voor de deur liggende wilgentak niet
gezien, dat de herberg reeds door andere gasten bezet was?" vroeg de
lange Hooglander.
»Ik ken de gewoonten van dit land niet," hernam ik; »maar ik zou toch
wel eens willen weten, hoe drie menschen het recht zouden hebben,
om ieder ander reiziger van eene herberg, die de eenige binnen den
omtrek van verscheidene mijlen is, uit te sluiten.
»Daartoe heeft niemand het recht, mijne Heeren!" zeide Jarvie. »Wij
willen niemand beleedigen. Doch niemand, wie hij ook zij, mag ons
verdrijven. Evenwel, is eene flesch goede brandewijn in staat, om een
einde aan deze onaangename ontvangst te maken--wij zijn vredelievend,
en......"
»Naar den Satan met uw brandewijn!" zei de Laaglander en zette zijn
ontzaggelijk grooten hoed met eene zekere fierheid op het hoofd. »Wij
hebben uw brandewijn evenmin noodig, als uw gezelschap."
Met deze woorden sprong hij op. Zijne metgezellen volgden
zijn. voorbeeld, mompelden tegen elkander, trokken hunne plaids op
en snoven en bliezen, zoo als zij gewoonlijk doen, wanneer zij zich
driftig willen maken.
»Heb ik het u niet gezegd?" riep de waardin. »Weg met u uit mijn
huis! Ik wil hier geen twist, en niemand moet ten mijnent gestoord
worden, ten minste, zoo lang ik het beletten kan. Het zou waarlijk wat
fraais zijn, als bij nacht en ontij de rondzwervende Engelschen zoo
maar tegen wil en dank in de huizen mochten indringen en ordentelijke,
vreedzame lieden storen, die in rust hun glaasje drinken!"
Op een anderen tijd, zou ik mij het oude Latijnsche spreekwoord
herinnerd hebben:
Dat veniam corvis, vexat censura columbas.
(De kleine dieven hangt men, de groote laat men loopen.) Maar ik had
geen tijd, om mijne geleerdheid uit te kramen, want alles scheen
hier op een gevecht te zullen uitloopen. Verontwaardigd over de
ongastvrije ruwheid, waarmede men mij behandelde, was mij dit volmaakt
onverschillig, hoewel ik medelijden met den goeden Jarvie had, die
bij zulk eene gelegenheid zeer zeker eene zeer slechte figuur zou
maken. Toen ik dus de andere gasten zag opstaan, sprong ik insgelijks
op en sloeg mijn mantel terug om ter verdediging bereid te zijn.
»Drie tegen drie," zei de kleine Hooglander. »Als gij dappere kerels
zijt, trekt dan van leer!"
En nu ging hij met het ontbloote zwaard op mij los. Ik had mijn
degen getrokken en op het overwicht van mijn wapen vertrouwende,
vreesde ik de uitkomst van het gevecht niet. Jarvie betoonde meer
moed dan ik verwacht had. Toen hij den reusachtigen Hooglander met
het blanke zwaard tegenover zich zag, trok hij eenige oogenblikken
aan zijne spies, zoo als hij het noemde; maar de verroeste kling
wilde uit zuivere getrouwheid, de scheede niet verlaten, en nu
greep hij met bewonderenswaardige tegenwoordigheid van geest het
gloeiende ploegijzer, dat men in plaats van een pook gebruikte,
en zwaaide het met zulk een goed gevolg, dat hij dadelijk den plaid
van den Hooglander vuur deed vatten, waarop deze retireeren moest,
ten einde zijn brandend gewaad te blusschen.
Andries, die met den Laaglander had moeten kampen, was, tot mijn
leedwezen moet ik zeggen, reeds terstond bij den aanvang van het
gevecht heimelijk weggeslopen.--»Eerlijk spel! eerlijk spel!" riep
zijne tegenpartij en scheen ongeneigd om thans deel aan den strijd
te nemen. Wij waren dus weder twee tegen twee. Mijn oogmerk was,
mijne tegenpartij, indien ik het kon, te ontwapenen; maar ik waagde
het niet hem te na te komen, uit vrees voor zijn dolk, dien hij in de
linkerhand hield, en waarmede hij de stooten van mijn degen afweerde.
Intusschen geraakte Jarvie, in weerwil van zijn in het begin behaald
voordeel, spoedig deerlijk in het nauw. De zwaarte van zijn wapen en
het opbruisen van zijne drift, putten de krachten van den zwaarlijvigen
man genoegzaam geheel uit, en hij zou zeker voor zijn vijand bezweken
zijn, toen de slaper plotseling van den grond opsprong en zich met het
bloote zwaard tusschen de strijders wierp.--»In Glasgow heb ik zijn
brood gegeten, en ik vecht voor den Glasgower Jarvie--ja, dat doe ik!"
En dit deed hij ook zonder dralen; want in hetzelfde oogenblik
suisde zijn zwaard zoo duchtig om de ooren van zijn landsman,
dat die moeite genoeg had om zich tegen dezen ongeroepen kampioen
te verdedigen, hoewel hij--dit zij te zijner eere gezegd,--hem
volstrekt niets schuldig bleef. Maar beiden hadden ronde, houten, met
koperen spijkers beslagen en met leer overdekte schilden, waarmede
zij de slagen behendig afweerden, en aldus veroorzaakte het gevecht
eigenlijk veel meer rumoer dan wezenlijk gevaar. En inderdaad scheen
men het er meer op toegelegd te hebben, om ons schrik aan te jagen,
dan wel om ons eenig leed toe te brengen; want de Laaglander,
die een tijdlang werkeloos getuige van het gevecht was geweest,
nam al spoedig de taak van vredestichter op zich: »houdt op! houdt
op!" riep hij; »al genoeg! al genoeg! het gaat hier immers niet op
leven en dood! De vreemde heeren hebben getoond, dat zij moed hebben,
en ons genoegzame voldoening gegeven. Als het er op aankomt, en men
mij beleedigt, ben ik, zoo als gij weet, gansch niet gemakkelijk;
maar nutteloos bloedvergieten haat ik."
Natuurlijk had ik geen lust om het gevecht nog langer te doen
voortduren; ook scheen mijne tegenpartij niet ongeneigd, om zijn zwaard
in de schede te steken. Jarvie, die naar adem hijgde, was reeds als
overwonnen te beschouwen, en de beide Hooglandsche kampioenen met de
beide schilden, staakten hun gevecht even onverschillig, als zij het
aangevangen hadden.
»En nu, mijne Heeren," hernam onze vredemaker, »laat ons als
brave kerels thans eens met elkander drinken en elkander leeren
verdragen. Dit huis is groot genoeg voor ons allen. Hoort dus mijn
voorstel. Deze kleine, dikke heer, die bij het gevecht wel het meest
geleden heeft, laat eene kan brandewijn komen; ik betaal eene tweede
kan om den vrede te bevestigen, en zoo verdrinken wij, als broeders,
ons zakgeld."
»En wie betaalt mij mijn nieuwen plaid?" vroeg de lange Hooglander. »Er
is een gat in gebrand, zoo groot, dat men er een emmer doorheen kan
steken. Heeft men ooit een fatsoenlijk man met een gloeiend ploegijzer
zien vechten!"
»Wees daaromtrent onbezorgd, vriend!" zeide Jarvie, die nu weder
bij adem was, en wien het verheugde zooveel moed betoond te hebben,
en niet genoodzaakt te zijn, nog eens een gevaarlijken en alleszins
twijfelachtigen strijd te wagen;--»voor die wond zullen wij wel
eene pleister vinden. Gij zult een nieuwen plaid hebben, en wel een
allerbesten, van de kleuren van uwen clan. Zeg mij maar, waar ik het
u uit Glasgow moet toezenden."
»Ik behoef mijn clan niet te noemen," antwoordde de Hooglander: »ik
ben van een konings-clan, en die is bekend genoeg. Maar gij kunt tot
staal een stukje van mijn plaid krijgen; een mijner neven, een edelman,
die eieren ter markt brengt, uit Glencroe, komt binnen kort te Glasgow,
en die zal het dan wel bij u afhalen, als gij mij maar uwe woonplaats
opgeeft. Maar goede man, als gij ooit weder vechten wilt, vecht dan
toch met uw zwaard, want gij hebt er een, maar niet met ploegijzers
of brandhouten, als een wilde Indiaan."
»Nu ja," hernam Jarvie; »men moet in deze wereld wel eens van den nood
eene deugd maken. Sedert den slag aan de Bothwel-brug heeft mijn degen
het daglicht niet gezien; toen had mijn overleden vader hem op zijde;
en zelfs weet ik niet recht, of hij bij die gelegenheid wel eens uit
de scheede is geweest, want het gevecht duurde niet lang. Kortom,
hoe het daarmede ook zij, thans zit die zoo onmanierlijk vast in de
scheede, dat ik er hem maar volstrekt niet uit kan krijgen, en toen ik
dat bemerkte, nam ik het eerste het beste ding, dat mij voor de hand
kwam, en behielp mij daarmede zoo goed ik kon. Eigenlijk wil ik wel
gelooven, dat vechten mijne zaak niet is, maar in elk geval laat ik
mij niet ongestraft op de teenen trappen. Maar, eer ik het vergeet,
waar is de dappere man, die mij zoo moedig verdedigde? Ik geef hem
eene kan brandewijn; al zou het mij ook mijn laatsten stuiver kosten."
Maar den kampioen, naar wien men rondzag, kon men nergens
vinden. Terstond na den afloop van het gevecht was hij weggeslopen,
maar aan zijne woeste gelaatstrekken en haveloos rood haar had ik in
hem dadelijk onzen Dugald herkend, den vluchteling uit de gevangenis te
Glasgow. Deze ontdekking deelde ik mijn reisgenoot fluisterend mede,
en op dezelfde wijze antwoordde hij mij: »ja, ja, ik zie het wel,
die bewuste vriend van ons had wel gelijk: Dugald is zoo dom niet. Ik
moet er intusschen over denken, hoe ik hem dezen gewichtigen dienst
vergelden kan."
Met deze woorden ging hij zitten en riep, toen hij weder geheel op
adem was gekomen, de waardin.--»Moedertje," zeide hij, »met genoegen
bespeur ik, dat mijn lichaam gaaf en ongedeerd is gebleven, wat ik,
bij het zoo even hier gebeurde, schier als een wonder beschouw--nu
zal het, dunkt mij, het best zijn, de ledige ruimte daarin met iets
smakelijks aan te vullen."
De waardin, die zich, zoodra de storm voorbij was, ongemeen
dienstvaardig betoonde, maakte terstond toebereidselen, om ons
met een avondmaal te verkwikken. Niets was mij echter gedurende het
gevecht zonderlinger voorgekomen, dan de buitengewone koelbloedigheid,
waarmede zij en hare huisgenooten ons hadden zien vechten. »De deur
dicht! de deur dicht!" riep zij uit al hare macht tegen de haren:
»zij mogen doodslaan, of doodgeslagen worden, niemand komt er uit,
voordat het gelag betaald is."--De kinderen, die in de kribben langs
den wand sliepen, richtten zich even onverschillig op, wreven zich
bedaard de oogen, riepen, terwijl zij hunne naakte lichamen over den
rand der kribben bogen, half grijnzende uit: »oho! oho!" en waren
geloof ik, eer wij den vrede gesloten hadden, ook weder ingesluimerd.
Terwijl de waardin tot mijne verbazing een smakelijk gerecht van
wildbraad voor ons gereed maakte, liet zij ons den brandewijn brengen,
dien de Hooglanders, in weerwil van hunne vooringenomenheid met hunne
sterke inheemsche dranken, geenszins versmaadden. Toen de eerste
beker de ronde had gedaan, vroeg de gast uit de Laaglanden naar ons
bedrijf en het doel van onze reis.
»Wij zijn uit Glasgow," antwoordde Jarvie met geveinsde nederigheid,
»en begeven ons naar Stirling, om daar eenige gelden te innen, die
men ons schuldig is."
Ik moet bekennen, dat ik dom genoeg was, om mij door de bescheidenheid
waarmede Jarvie van ons sprak, min of meer boos te laten maken; maar
ik herinnerde mij mijne belofte van te zwijgen en mijn reisgenoot
de zorg over te laten, om onze aangelegenheden op zijne wijze
te beredderen. Kon ik den braven man deze inschikkelijkheid
weigeren? Immers, mij ten gevalle, had hij den langen tocht
ondernomen. Dat hij zeer vermoeid was, zag ik aan de pijnlijke houding,
waarmede hij zich nederzette en opstond. Bovendien was hij zelfs in
levensgevaar geweest.
De spreker der andere partij haalde snuivende den adem in en zeide
op hoonenden toon: »gij, kooplieden uit Glasgow, hebt niets anders
te doen, dan West-Schotland van het eene einde tot het andere door
te trekken om brave lieden te plagen, dien het even als mij juist
aan het noodige geld ontbreekt."
»Hoor eens, wanneer onze schuldenaars zulke eerlijke lieden waren
als gij, vriend Garschattachin," antwoordde Jarvie, »dan zouden wij
ons de moeite van rond te reizen wel kunnen besparen; want zij zouden
zelven tot ons komen."
»Ei, ei, wat hoor ik daar!" riep de aangesprokene. »Ja, zoo waar ik
van brood en water leef--onder dien verstande, dat ik er ook wat
rundvleesch en brandewijn bij gebruik--gij zijt mijn oude vriend
Nikolaas Jarvie, de beste vent dien ik ken, en die geen eerlijk man
geld ter leen weigert op zijn woord. Denkelijk komt gij mijn kant
uit,--de Endrick op naar Garschattachin?"
»Waarlijk niet!" hernam Jarvie. »Ik heb heel iets anders te doen. Maar
ik dacht wel dat gij meenen zoudt, dat ik wegens de verschenen renten
van het bewuste kapitaaltje kwam."
»De duivel hale de renten!" zei de laird, naar het scheen uit den
grond van zijn hart. »Geen enkel woord meer over geldzaken tusschen
ons beiden, daar gij thans zoo dicht bij mijne woning zijt. Het
kleed maakt den man! dat is maar niet anders. Wie zou u, in deze
reiskleeding herkend hebben! Wie zou vermoed hebben, dat in dien
mallen rok de wijkmeester Jarvie zat!"
»Lid van den raad, als ik u verzoeken mag!" hernam mijn
reisgenoot. »Maar ik merk al waaruit dit misverstand zijn oorsprong
heeft. De schuldbekentenis werd bij mijns vaders leven door u
gepasseerd, en de brave man, zijne ziel zij bij God in den hemel, was
wijkmeester: en voor zoo ver ik mij herinneren kan, zijn er na zijn
dood geen renten betaald--ja, ja, daaruit ontstaat dit misverstand!"
»De duivel hale het misverstand en alles, waaruit het ontstaan
is!" zeide Duncan Galbraith van Garschattachin. »Evenwel, het
verheugt mij, dat gij lid van den raad zijt; dat is nog al iets,
niet waar? ten minste houdt gij het daarvoor. Kom aan, heeren, eens
ingeschonken! Op de gezondheid van mijn voortreffelijken vriend, den
heer Nikolaas Jarvie, lid van den stedelijken raad van Glasgow! Hem
en zijnen zaligen vader ken ik reeds sedert twintig jaren! Nog eens,
op den aanstaanden hoofdschout, Nikolaas Jarvie. Niemand in geheel
Glasgow is beter tot dien post geschikt dan hij, en wie hierover anders
denkt, die heeft met mij te doen," voegde hij er op hoogen toon bij,
en zette met vrij wat fierheid den hoed op.
De brandewijn was hoogst waarschijnlijk bij de Hooglanders de beste
aanbeveling voor deze vleiende toosten; zij deden dan ook gaarne
bescheid, zonder zich eenigszins om den eigenlijken inhoud daarvan
te bekommeren.
Terwijl zij zich met Galbraith in hunne landtaal onderhielden,
die de man uit het Laagland, als hun nabuur, zeer vlug sprak,
fluisterde Jarvie mij toe: »Ik herkende dien knaap al terstond op
het eerste gezicht. Maar met zijn verhit bloed en ontbloot zwaard,
dacht ik, wie weet, op welke wijze hij mij zijne schuld zou hebben
kunnen betalen! Want het zal, vrees ik, vrij lang duren, eer hij ze
mij op de gewone manier betaalt. Toch is hij overigens een eerlijke
kerel en hij heeft ook een goed hart. Zelden komt hij te Glasgow,
maar dikwerf zendt hij een ree of korhoen uit het gebergte. Ook kan
ik het geld nog wel missen, en mijn vader, de wijkmeester, had steeds
zeer veel op met de familie Garschattachin."
Toen wij ons avondmaal geëindigd hadden, vroeg ik naar Andries;
maar mijn getrouwe volgeling was, sinds den aanvang van het gevecht,
nergens te vinden. De waardin meende, dat hij zich in den stal had
verscholen, en bood aan, mij derwaarts te geleiden en mij voor te
lichten. Noch door hare kinderen, noch door haar zelve, zeide zij,
was hij te bewegen geweest, om op hare vragen te antwoorden, en zij had
waarlijk ook niet veel lust, om zich op dit ongelegen uur nog eenmaal
in den stal te begeven; want het spookte er geweldig en dat was dan
ook de reden, waarom zij geen stalknecht in haar dienst kon houden.
Terwijl zij mij naar de armzalige schuur voorlichtte, waar onze
paarden zich met een weinig grof hooi moesten vergenoegen, verried
zij duidelijk genoeg, dat zij mij met een geheel ander doel dan
zij eigenlijk voorgaf, van de overige gasten had afgetroond.--»Lees
dit!" zeide zij, en stopte mij, toen wij ons voor den stal bevonden,
een papier in de hand. »God dank, dat ik het kwijt ben! Onder soldaten
en Saksers, roovers en veedieven, onder plunderen en moorden te
leven--waarachtig! eene eerlijke vrouw geniet meer rust in de hel
dan op de grenzen van het Hoogland!"
Dit zeggende gaf zij mij haar brandende spaander over en keerde naar
de gelagkamer terug.