Geen struik, geen plant.
Slechts roestig bruin, is d'aarde.
Geen bij, die 'k honig zaam'len zag;
Geen duif, die ik ontwaarde.
Geen stroom, die lieflijk ruischt,
Geen wind, die door 't geboomte suist.
(Voorspelling van hongersnood.)
Koel was het op dien herfstmorgen, toen ik Andries, zoo als ik hem
gelast had, met de paarden voor Jarvie's woning vond, vlak in de
nabijheid van mijn logement. Op het eerste gezicht bemerkte ik,
dat Andries zijn slecht paard, het edelmoedige geschenk van zijn
rechtsgeleerden vriend, voor een nog veel ellendiger knol verruild had,
die slechts op drie beenen liep, en het vierde in de hoogte hield.
»Wat moet dat beduiden?" vroeg ik misnoegd. »Waar is het andere paard?"
»Ik heb het verkocht, mijnheer; het was zulk een vraatzuchtig dier,
dat het zich in de herberg zelf zou opgevreten hebben. Dit heb ik
voor uwe rekening gekocht, en het is een koopje. Elke poot kost een
pond sterling, dat is, sumarum sumorum, netto vier pond. Weliswaar
een beetje stijf als het van stal komt;--dat zal echter gauw slijten
en het is een bekende harddraver."
»Waarlijk," zei ik, »gij zult niet rusten tot ik u een flink pak
slaag gegeven heb. Ga dadelijk het andere paard halen, of het zal je
berouwen!" Maar Andries stoorde zich noch aan mijn bevel, noch aan
mijne bedreigingen. Hij beweerde, dat hij den kooper van zijn paard
ten minste eene guinje rouwkoop zou moeten geven. Ik merkte weer,
dat ik met een bedrieger te doen had. Ik besloot echter als een echt
Engelschman, geen tijd te verliezen, maar het geld te betalen. Daar
zag ik Jarvie uit zijne woning treden. Hij was in zijn reismantel
gebakerd, als of het een tocht naar Siberië gold. Onder geleide van
zijne Mathilde brachten twee leerjongens het flinke paard voor, dat
bij zulke gelegenheden gewoon was, den eerzamen heer te dragen. Vóór
dat hij zich in den zadel zette, vroeg hij naar de oorzaak van den
twist tusschen mij en mijn knecht. Toen ik hem de zaak had verteld,
riep hij den weerspannigen Andries toe, het paard onverwijld terug
te bezorgen, onder bedreiging, als hij zich langer verzette, hem in
de gevangenis te zetten, en de helft van zijn loon als boete te doen
betalen. »Mijnheer Osbaldistone," zeide hij, »heeft u en uw paard
gehuurd, twee beesten tegelijk. Vooruit, ik zal u onderweg op de
vingers zien! Gauw wat, mannetje!"
»Hoe! gij wilt mij beboeten?" zeide Andries stoutmoedig. »Ik bezit
immers geen duit. Ge zoudt even goed een Hooglander zijn broek kunnen
ontnemen."
»Genoeg, praatjes! Zoo gemakkelijk laat de justitie zich niet
afschepen. Wie geen geld heeft, betaalt met zijn rug: dat staat
vast," hernam Jarvie. »Op de eene of andere wijze zullen wij met u
wel afrekenen."
Er bleef voor Andries niets over dan te gehoorzamen. Hij mompelde
slechts tusschen de tanden; »al te veel heeren! al te veel heeren! zei
het veld tot de egge, toen al de pennen haar staken."
Hij had blijkbaar weinig moeite, om weder in het bezit van zijn
verkocht paard te geraken, want een paar minuten daarna keerde hij
op zijn ouden Bucephaal terug. Van den rouwkoop werd zelfs geen enkel
woord gerept.
Wij begaven ons nu op weg, maar nauwelijks waren wij aan
den hoek van de straat, of wij hoorden achter ons luidkeels:
»halt! halt!" roepen. Jarvie's beide leerjongens haalden ons in. De
een stelde zijn heer, uit naam van Matje, een zijden doek ter hand,
met hare aanbeveling, dien toch vooral om den hals te slaan, terwijl
de ander hem, ook uit naam van Matje, onder een schalkschen glimlach,
waarschuwde, toch met water drinken voorzichtig te zijn.--»Ei
wat!" zeide Jarvie, »laat zij daaromtrent maar gerust wezen." Maar
zich tot mij wendend zeide hij: »het is toch een bewijs van een goed
hart, van eene hartelijke zorg voor haar heer, niet waar? Ja, ja,
mijn Matje is een best meisje, zoo zorgzaam en trouw!"
Met die woorden gaf hij zijn paard de sporen, en zonder verder
opgehouden te worden, geraakten wij buiten de stad. Terwijl wij
langs den straatweg in matigen draf voortreden, had ik gelegenheid,
de voortreffelijke eigenschappen van mijn nieuwen vriend nog nader
te leeren kennen en waardeeren. Weliswaar beschouwde hij, even als
mijn vader, den handel als de gewichtigste bestemming van den mensch,
maar hij was tevens onbevooroordeeld genoeg, om ook de waarde van
andere algemeene kennis op prijs te stellen. Niettegenstaande zijne
zonderlinge grillen, zijn ongemanierd gedrag, zijne ijdelheid,
die juist dan het grappigst was, wanneer hij ze onder den sluier
der nederigheid verborg, ja, ondanks zijn volslagen gebrek aan
wetenschappelijke vorming, liet Jarvie in den loop van het gesprek
helder oordeel, juiste inzichten en vlug begrip blijken, meer dan
men van hem verwacht zou hebben.
Met de oudheden van het land was hij goed bekend. Hij wist mij
aangenaam bezig te houden met het verhalen van gebeurtenissen, die in
de oorden, welke wij doortrokken, voorgevallen waren. Ook in de oudere
geschiedenis van zijne geboorteplaats was hij vrij goed te huis. En
hij zag met het vooruitziend oog van een schranderen vaderlander reeds
zeer vele voordeelen in kiemen, die later tot bloei en rijpheid gekomen
zijn. Ofschoon een echt Schot en uiterst bezorgd voor den roem en de
eer van zijn vaderland, koesterde hij toch geen bekrompen denkbeelden
en kinderachtige vooroordeelen omtrent het naburige land. Dit merkte
ik met genoegen; toen Andries dan ook het verlies van een hoefijzer
aan den alles bedervenden invloed der Unie toeschreef, kreeg hij een
scherpe vermaning.
»Zwijg!" riep hij; »wie zoo spreekt, lastert en hitst buren tegen
buren, volken tegen volken op. Niets ter wereld is volmaakt, dat
geldt ook van de Unie. Niemand was sterker tegen de Unie, dan onze
Glasgowers. Hun razen en tieren was toen misschien goed. Maar ik zou
wel eens willen weten, of er, sinds den tijd, toen St. Mungo haringen
in de Clyde ving, wel iets geweest is, dat ons zoo veel voordeel heeft
aangebracht als de handel in suiker en tabak? En heb ik gelijk, dan
heeft ieder ongelijk, die het verdrag afkeurt, dat ons den weg naar
West-Indië geopend heeft."
Andries Fairservice, wilde dit niet toestemmen. Ja, hij waagde het
grommend daartegen te protesteeren. »Het was een groote verandering
voor Schotland," zeide hij, »dat 's lands wetten nu in Engeland
gemaakt werden. Wat hem betrof, hij zou om alle haringen in Glasgow
en om alle tabaksvaten bovendien, nooit zijne toestemming verleend
hebben tot het afschaffen van het Schotsche Parlement, of het zenden
van de Schotsche kroon en schepter naar Engeland, om bewaakt te worden
door die Engelsche kerels in den Tower te Londen ... Wat zouden Sir
William Wallace, of de oude David Lindsay wel van die mooie Unie gezegd
hebben?" vroeg hij. Jarvie gaf geen verder antwoord. Hij hield niet
van Andries.
Wij kwamen op eene uitgestrekte vlakte, die steeds woester werd,
naarmate wij ons van Glasgow verwijderden. Eindelijk zagen wij rondom
ons niets dan groote, eenzame, hopeloos kale heiden, die nu en dan
afgewisseld door moerassen, met een bedriegelijk groen overdekt, uit
zwarte veengronden bestaande, of door kleine eentoonige hoogten, die
den naam van heuvel niet verdienden. Geen boom, geen struikgewas gaf
eenige afwisseling. Het oog werd moede door het eenvormige van dezen
onvruchtbaren bodem, waar slechts hier en daar een enkel heidebloempje
opschoot. Wij zagen geen ander levend schepsel, dan somwijlen eenige
ronddolende schapen van eene bonte kleur, meestal met pikzwarten kop en
pooten. Zelfs de vogels schenen deze woestenij te vermijden, trouwens,
geen wonder, daar zij ze zoo gemakkelijk ontvluchten konden. Ik hoorde
niets dan het eentonig geluid van den kemphaan en den kievit. Toch
bleek bij ons middagmaal, dat wij in eene armzalige kroeg namen, dat
hier en daar andere dieren rondzwierven. De waardin dischte ons de
opbrengst der laatste jacht van haar man op, en deze bestond uit eenige
korhoenders en ander soortgelijk wild. Daarbij kregen wij schapenkaas,
gedroogden zalm, haverbrood, slecht bier en uitmuntenden brandewijn,
terwijl onze paarden goed verzorgd werden.
Een korte poos bleven wij daar. Toen vervolgden wij onze reis. De
versterking, welke ons middagmaal mij gaf, diende ook een weinig,
om een aanval van neerslachtigheid af te wenden, die mij ongemerkt
bekroop, toen ik de zonderlinge onzekerheid van mijn avontuur en het
woeste oord naging, waardoor heen het mij voerde. Onze weg werd al
akeliger. De weinige ellendige hutten, die nog eenige sporen van
menschelijke bewoning verrieden, werden zeldzamer, en verdwenen
eindelijk geheel en al, naarmate het terrein zacht hellend opwaarts
liep. Gedachteloos reed ik voort, toen opeens een bocht van den
weg ons eene reeks donkerblauwe bergen deed aanschouwen, die zich
noordwestelijk in de verte uitstrekten. De toppen dezer bergen
waren schilderachtiger dan de kale en wanstaltige heuvels, welke
wij tot dusver gezien hadden. Ik deed mijn geleider verscheidene
vragen omtrent de namen en de ligging van die zonderlinge bergen;
maar hij scheen er òf niets van te weten, òf geen lust te hebben,
om mij er veel van mede te deelen.
»Ja, kort gezegd, dat zijn de Hooglandsche bergen," antwoordde hij;
»ge zult nog genoeg daarvan zien en hooren, eer gij weder te Glasgow
komt. Ik wil er niet naar zien. Ik ril als ik ze zie. Vrees is dat
niet--neen, geene vrees, maar medelijden met de arme, verblinde,
half verhongerende menschen, die daar wonen. En vraag mij nu niets
meer. Het is niet goed over de Hooglanders te spreken, als men zoo
dicht bij hunne grenzen is. Menigen eerlijken kerel heb ik gekend,
die zulk een reisje niet zou ondernomen hebben, zonder vooraf zijn
testament te maken. Mijn Matje had er ook vrij wat tegen, dat ik mij
zoo noodeloos ging wagen. Zij schreide zelfs; maar aan dat oor ben
ik doof, want vrouwen hebben hare tranen altijd gereed."
Ik wilde het gesprek weder op den man brengen, dien wij bezoeken
wilden. Maar Jarvie was ook aan dat oor doof, misschien wel
voornamelijk daarom, omdat Andries zoo dicht bij ons was, dat hij
elk woord kon opvangen en zich ook de vrijheid veroorloofde, telkens
deel aan ons gesprek te nemen. Eindelijk begon dit Jarvie te vervelen,
die hem toeriep: »Blijf achter ons kerel, zoo al u betaamt. Ge wilt u
overal mee bemoeien. Blijf dáár, waar ge t'huis behoort, zeg ik!" Toen
nu Andries niet meer hooren kon, wendde Jarvie zich weder tot mij
en zeide: »Het staat u zeker vrij mij zooveel te vragen als gij
verkiest, mijnheer Osbaldistone, maar mij staat het evenzeer vrij u
al of niet te antwoorden. Veel goeds kan ik van Robbert niet zeggen,
en kwaad wil ik van hem niet spreken. Hij is nu eenmaal mijn neef;
daarbij zijn wij thans dicht bij zijn landstreek, en achter elken
struik kon een van zijne lieden op den loer liggen. Laat u door mij
raden; hoe minder gij over hem spreekt, hoe minder gij laat blijken,
waarheen wij gaan, of wat wij doen willen, des te meer hoop mogen wij
koesteren, onze zaken spoedig in orde te brengen. Want het zou ook
wel kunnen gebeuren, dat wij onder vijanden van hem vielen--hij heeft
vele vijanden. Toch zit zijn hoofd nog vrij vast op zijne schouders,
hoewel ik bijna begin te gelooven, dat zij het hem eindelijk te benauwd
zullen maken en hij voor hen zal moeten zwichten; de rat loopt eens
in den val, is het niet vroeg, dan laat."
»Ik zal mij geheel door uwe meerdere ondervinding laten leiden,"
antwoordde ik.
»Daaraan zult gij zeer verstandig doen, mijnheer Osbaldistone. Doch
dien babbelaar daar moet ik den mond snoeren. Andries! Andries! hoe
heet ge ook? Kom eens hier!"
Maar Andries, die sedert de laatste ernstige vermaning ver
achtergebleven was, kwam slechts stapvoets en brommende bij ons.
»Andries! Schelm! Hier!" riep weêr de heer Jarvie.
»Hier!" zeide hij. »Zoo roept men een hond!"
»Ik zal je als een hond behandelen, als je niet let op hetgeen ik je
zeg!--We gaan nu naar de Hooglanden...."
»Dat dacht ik al...."
»Zwijg, zeg ik! We gaan naar de Hooglanden...."
»Dat hebt ge al gezegd," hernam Andries.
»Houd je mond, zeg ik, of...."
»Mond houden?" herhaalde Andries. »Ge hebt...." Hier kwam ik
tusschenbeide en gebood hem te zwijgen.
»Ik zwijg immers al lang," hernam Andries. »Wat gij mij beveelt doe
ik zonder tegenspreken. Mijne lieve overledene moeder zeide altijd:
»kind, wie geld heeft, kan bevelen, en dan gehoorzaamt men gaarne
het geld." Dus praat maar toe, alle beide!"
»Hoor eens, Andries," viel Jarvie hem in de rede. »Is uw leven
u lief--hoewel het misschien niet veel waard is--denk dan aan
hetgeen ik u thans zeg! De herberg, waarheen wij thans gaan, en
waar wij waarschijnlijk den nacht zullen doorbrengen, wordt vrij
druk door lieden van al de clans bezocht, uit het Hoogland en uit de
Laaglanden. Daar ziet men meer bloote dolken dan open bijbels; vooral
als de drank de hoofden warm maakt. Bemoei u met niets. Beleedig
niemand met uwe veel te vlugge tong. Houd u stil en laat elk zijn
twist zelf beslechten."
»Nu, was dat de moeite waard, mij dat onder het oog te
brengen!" antwoordde Andries minachtend. »Alsof ik nog nooit
Hooglanders gezien had, en niet wist hoe men met hen moet omgaan! Wees
maar gerust: ik ken hen beter dan gij. Ik heb van hen gekocht, aan
hen verkocht, met hen gegeten, met hen gedronken...."
»Misschien ook met hen gevochten?" vroeg Jarvie.
»Dat niet! Waarachtig niet!" antwoordde Andries. »Daarvoor heb ik
mij wel gewacht. Bovendien, daar ik een kunstkenner, een halve
geleerde in mijn vak ben, past het niet, met lieden te vechten,
die geen enkele plant of bloem in het Schotsch weten te noemen,
veel minder in het Latijn."
»Best, maar hoor eens, wilt gij de tong in uw mond en de ooren aan uw
hoofd behouden,--want gij zoudt onder dat woeste volk zeer licht het
een en het ander kwijt kunnen raken--spreek dan geen enkel woord,
hetzij ten goede, hetzij ten kwade, met iemand, dien gij in de
herberg mocht aantreffen. En wees vooral bedacht, dat gij daar noch
mijn naam, noch dien van uw meester noemt. Het kon u eens invallen
te gaan pochen en te roepen: die daar is de heer Nikolaas Jarvie,
lid van den stedelijken raad van Glasgow, zoon van den ouden Nikolaas
Jarvie, voorheen wijkmeester en ook lid van den stedelijken raad,
een man bij oud en jong met roem bekend en bij allen bemind; die
andere heer is de heer Frans Osbaldistone, zoon van het hoofd van
het beroemde kantoor Osbaldistone en Tresham in Londen."
»Houd maar op! Al genoeg!" riep Andries. »Denkt ge dat ik uwe namen
noemen zal, zoo lang het niet noodig is? Ik heb wel over wat anders,
van veel meer belang te spreken."
»Daar hebt ge 't al--weergaasche snapper! Gij hebt over niets, noch
over het een, noch over het ander te spreken, maar u stil te houden,
stil als eene muis, hoort gij!"
»Wel mijnheer, als gij meent, dat ik niet in staat ben om te spreken
of te zwijgen, waar ik spreken of zwijgen moet," hernam Andries, »geef
mij dan mijn loon en kostgeld, en ik keer naar Glasgow terug. Het
scheiden zal mij niet moeilijk vallen, zei de oude merrie tegen den
gebroken wagen."
Ik vreesde dat de lastige onhandelbaarheid van den tuinman aanleiding
tot nieuwe onaangenaamheden zou geven. Ik zeide dus, dat hij, als
hij het goedvond, terug kon keeren, maar dan geen enkelen duit voor
zijn dienst ontvangen zoude. Zulke geldbeurs-argumenten, hebben bij de
meeste menschen nog al invloed en gewicht. Onze Andries maakte in dit
opzicht geen uitzondering op de meeste menschen. Hij begon terstond
op een anderen toon te praten, betuigde, dat hij geenszins voornemens
was, mijn misnoegen tegen zich op te wekken, maar integendeel in
alles aan mijne bevelen te gehoorzamen.
Zoo was de vrede weer hersteld. Wij vervolgden onzen weg, bergaf,
door een oord, dat noch vruchtbaarder, noch bekoorlijker was dan dat,
hetwelk reeds achter ons lag. Slechts nu en dan bracht het gezicht van
een uit den achtergrond oprijzenden bergtop eenige afwisseling. Zonder
stoornis reden wij verder, maar toen de avond begon te vallen en
deze woeste streken in schaduw begon te hullen, bevonden wij ons,
volgens de verzekering van den heer Jarvie, nog meer dan een uur
gaans van onze herberg.