Een stam van staal en ijzer woont op de steile bergen,
Hij hoont den zachten aard van 't vlakland, hoont die dwergen.
Ziet fier en koen en trotsch zijn rotsenwallen rond,
Waar naast de matigheid, ook vrijheid woning vond:
Hij spot met weelde en macht van het laaggelegen land.
Zijn zelfbewustzijn sterkt zijn wettelooze hand.
Gray.
»Ge komt laat?" vroeg Jarvie, toen ik de eetkamer van mijn
vriendelijken gastheer binnentrad. »Reeds vijf minuten geleden heeft
het één uur geslagen. Matje heeft tot nu toe met het opdisschen
gewacht. Het is een ramskop, en die kan niet te gaar zijn. Mijn
overleden vader zei steeds: dat hij de ooren het beste er van achtte."
Ik verontschuldigde mij zoo goed mogelijk over mijn lang wegblijven
en zette mij aan tafel, terwijl onze opgeruimde gastheer mijn
vriend Owen en mij aanhoudend noodigde, toch toe te tasten en zijne
Schotsche lekkernijen niet te versmaden, welke wij echter niet
zeer naar onzen Zuidlandschen smaak vonden. Ik was bekend met de
gebruiken der wereld en de manier, waarop men dergelijke welgemeende
uitnoodigingen fatsoenlijk weigert, en kwam er nog al vrij wel af. Maar
kluchtig was het te zien, hoe Owen, die veel strenger begrippen
omtrent wellevendheid had en door de meest mogelijke welwillendheid
den vriend van zijn kantoor zijne achting poogde te bewijzen, met
droevige gedienstigheid den eenen beet na den anderen aan den mond
bracht, door zijn keel duwde, en alle gerechten hemelhoog roemde,
ofschoon men duidelijk genoeg bespeuren kon, dat het roemen er van
hem evenveel moeite kostte als het eten zelf.
Tegen het einde van den maaltijd maakte Jarvie eene kleine kom met
brandewijn-punch gereed. Hij vertelde ons, dat hij de kunst om dezen
drank te bereiden, van zekeren kapitein Coffinkey had geleerd, die,
zoo als hij fluisterend er bijvoegde, ze zelf geleerd had onder de
kapers. »Maar het is toch lekker," zeide hij, »en goede waren komen
dikwijls van eene slechte markt. Wat den kapitein aangaat, die was een
braaf man, toen ik hem kende:--alleen vloekte hij wat veel. Maar hij is
nu dood.--Ik hoop dat hij genade gevonden heeft." Dezen drank, dien wij
hier voor de eerste maal proefden, vonden wij zeer smakelijk. En toen
Jarvie ons verteld had, dat de citroenen, welke hij daartoe bezigde,
op zijne eigen plantaadje in West-Indië gegroeid waren, ontstond
er tusschen hem en Owen een vrij lang gesprek over den handel, die
sedert de vereeniging van Schotland met Engeland tusschen Glasgow en
de Britsche Koloniën in de West begonnen was, en over de voordeelen,
welke deze stad bezat, om gezochte waren naar gindsche markten te
zenden. Eenige aanmerkingen, welke Owen over de moeilijkheid maakte,
om ladingen voor Amerika te vinden, zonder ze van Engeland te koopen,
beantwoordde Jarvie wel wat driftig, maar vrij vaardig.--»Neen,
neen!" zoo eindigde hij, »laat elken haring aan zijn eigen kop
hangen, en elk schaap aan zijn eigen schenkel. Gij zult zien, dat
wij Glasgowers nog zoo erg ver niet ten achteren zijn, dat wij niet
zouden kunnen volhouden. Maar dit onderwerp heeft zeker voor u weinig
aangenaams, mijnheer Osbaldistone," vervolgde hij, toen hij bemerkte,
dat ik reeds eenige minuten gezwegen had; »maar gij weet immers wel,
dat ieder 't liefst over zijn beroep of handwerk spreekt."
Tot verontschuldiging van mijne verstrooiing voerde ik mijn hoogst
moeielijken toestand aan en de voorvallen, welke mij nog voor
weinige oogenblikken bejegend waren. Zoo kreeg ik gelegenheid om
mijne geschiedenis omstandig en onafgebroken te verhalen. Van mijne
onbeduidende wond alleen sprak ik niet. Jarvie hoorde mij met veel
opmerkzaamheid en ook naar het scheen met deelneming aan, terwijl hij
met zijne kleine grijze oogen pinkte, dikwijls een snuifje nam en mij
van tijd tot tijd door allerlei korte uitroepen in de rede viel. Toen
ik aan het tweegevecht kwam, vouwde Owen de handen, en in zijne ten
hemel geslagen oogen las ik droefheid en verbazing. Maar Jarvie riep
plotseling: »dat kan er niet door! Neen, dat kan er niet door! den
degen tegen zijn bloedverwant te trekken, zie, dat is door goddelijke
en menschelijke wetten verboden, en den degen te trekken in de straten
van een koninklijken burcht, daarop staat geldboete en gevangenis. De
tuin van het Collegie heeft insgelijks dat voorrecht, het moest eene
plaats van rust en vrede zijn. Voor die zware tractementen, welke
die heeren daar genieten, konden zij er, dunkt mij, wel voor zorgen,
dat de menschen in hun tuin elkander den hals niet afsnijden, noch dat
die wilde studenten zoo woest met sneeuwballen gooien. Waarlijk, als
ik met Matje daar ga wandelen, moet ik telkens bukken of uitwijken, of
zij smijten mij een gat in het hoofd. Maar ga voort! Wat volgde er?..."
Toen ik van Campbells plotselinge verschijning gewaagde, sprong
Jarvie verrast op en liep in de kamer op en neer.--»Al weder die
Robbert! Die Robbert is dol, volslagen dol! Hij zal nog opgehangen
worden, en zoo zijne bloedverwanten tot eene eeuwige schande strekken:
dat zal men zien en hooren! Mijn overleden vader weefde hem zijne
eerste kousen. Maar waarachtig! onze schepen, de touwslager, zal hem
de laatste das draaien. Ja, ja! hij is reeds op den rechten weg naar
de galg. Maar verder, verder!"
Ik verhaalde hem het gansche voorval, zoo nauwkeurig als ik kon,
maar Jarvie vond nog steeds veel duisters erin, tot ik, niet zonder
tegenzin, op mijn avontuur met Morris en mijne eerste ontmoeting
met Campbell terugkwam. Jarvie, die zeer opmerkzaam geluisterd had,
verzonk in ernstig gepeins, toen ik met mijn verhaal ten einde was.--
»Mijnheer Jarvie, ik moet omtrent een en ander u ten vriendelijkste om
raad vragen," vervolgde ik. »Zonder twijfel zult gij mij de beste en
doelmatigste middelen aan de hand doen, om voor mijns vaders belangen
en mijne eer met goed gevolg werkzaam te zijn."
»Gij hebt gelijk, mijn jongen, volkomen gelijk!" hernam Jarvie. »Vraag
steeds raad bij hen die ouder en wijzer zijn dan gij. Wordt niet
als een tweede goddelooze Rehabeam, die met jonge baardelooze knapen
raadpleegde, en de oude raadsmannen verachtte, die aan de voeten van
zijn vader Salomo gezeten, en, zoo als onze leeraar onlangs zeer juist
aanmerkte, deel aan zijne wijsheid gehad hadden. Maar van eer wil ik
liefst niet hooren: het komt hier alleen op het crediet aan. De eer
begaat dikwerf moord en doodslag, en vecht, als een kwade jongen, op
de publieke straat; maar het crediet is een bedaard, fatsoenlijk man,
die stil te huis zit en vlijtig rekent."
»Juist, mijnheer Jarvie!" zeide Owen; »crediet is de hoofdzaak,
en als wij deze slechts redden kunnen...."
»Goed gezegd, mijnheer Owen, best!" hernam Jarvie. »Gij spreekt als
een verstandig koopman. Maar om weder op Robbert te komen, gaarne
geloof ik, dat hij dezen jongen heer van dienst zal zijn, zoo hij er
toe in staat is. Hij heeft wezenlijk een goed hart, die arme Robbert,
en al heb ik ook vroeger door hem twee honderd pond verloren, en al
mag ik van mijn duizend pond Schotsch ook niet veel terugverwachten,
ik zeg toch en blijf er bij: Robbert meent het goed!"
»Ik mag hem dus voor een eerlijk man houden?" vroeg ik.
»Nu ja!" antwoordde Jarvie met een kuchje. »Nu ja, zoo op zijn
Hooglandsch. Eerlijk op zijne manier, zoo als men pleegt te zeggen."
»Maar gelooft gij dan," vervolgde ik, »dat hij in staat zou zijn,
om mij op zijne manier eerlijk te dienen? Kan ik mij gerust naar de
plaats begeven, waar hij mij genoodigd heeft?"
»Hoor eens, eerlijk gesproken," hernam Jarvie, »ja, het zal u de moeite
wel loonen. Zelf ziet gij, dat gij zonder gevaar hier niet blijven
kunt. Die ellendige Morris heeft niet ver van hier een kommiesplaatsje
gekregen te Greenock. Ieder weet nu wel, dat hij eigenlijk niets
anders is dan een tweebeenig schepsel met een schaapskop en een
hazenhart, die niets verstandigs doet, maar zijne evenmenschen op
allerlei wijzen plaagt en kwelt. Maar als hij zijne aanklacht tegen
u hernieuwt--dan moet de overheid er zich aan laten gelegen liggen;
en dan zou men u provisioneel tusschen vier muren kunnen opsluiten,
wat voor uws vaders belangen lang niet nuttig zou zijn."
»Dat begrijp ik wel!" hernam ik. »Maar ik zie niet in, hoe ik mijn
vader een dienst zou kunnen bewijzen door Glasgow te verlaten. Daar
zal waarschijnlijk het hoofdtooneel van Rashleigh's streken zijn. En
zou ik mij nu aan de twijfelachtige trouw van een man overgeven, van
wien ik niets meer weet, dan dat hij de rechterlijke macht vreest,
waarvoor hij zeker goede redenen zal hebben, en dat hij om een geheim,
zeker gevaarlijk doel te bereiken, een nauw verbond met den man
heeft gesloten, die waarschijnlijk de oorzaak en bewerker van ons
ongeluk is."
»Gij beoordeelt Robbert veel te streng!" zeide Jarvie; »waarlijk veel
te streng en onbillijk! Gij weet niet, hoe het eigenlijk in onze bergen
toegaat, in het Hoogland, zoo als wij het noemen. Dat is dáár een
geheel ander menschenras dan bij ons. Dáár zijn geene gerechtshoven,
geene magistraten, die, even als wij, degens dragen, zonder ze ooit
uit de scheede te trekken. Neen, het hoofd van den stam beveelt,
zijne lieden moeten volgen en hebben geene andere wet dan hunne lange
dolken. Het zwaard is de aanklager, het schild is de aangeklaagde, en
de sterkste heeft gelijk. Zie, dat noemen wij Hooglandsche justitie."
Owen zuchtte diep. Ik zelf gevoelde bij deze beschrijving juist niet
veel lust om zulk een wetteloos land, als deze Schotsche bergstreken,
te bezoeken.
»Wij spreken eigenlijk zelden over deze dingen," vervolgde Jarvie,
»omdat ze ons genoegzaam bekend zijn. Wat baat het ook, zijn vaderland
bij Engelschen en vreemden zwart te maken en zijne maagschap te
vernederen? Het is een slechte vogel, die zijn eigen nest bevuilt."
»Welzeker!" antwoordde ik. »Doch geen doellooze nieuwsgierigheid,
maar wezenlijk belang noopt mij berichten in te winnen. Gij zult het
mij dus, hoop ik, niet kwalijk nemen, dat ik u om meer inlichtingen
verzoek. Voor mijns vaders rekening moet ik met verscheidene
landeigenaars in die woeste streken zaken doen, en gij zijt de man,
wiens ervaring en kunde mij in dit opzicht van zeer veel nut zal
kunnen zijn."
Deze vleierij bleef niet zonder uitwerking.--»Wat ervaring
betreft?" hernam Jarvie. »Ja, ervaring kan men mij zeker niet
ontzeggen. Ook heb ik onder ons al eenig onderzoek gedaan. Andries
Wylie, vroeger bij mij op het kantoor, is nu bij Mac-Vittie en Comp.,
maar komt wel eens 's Zaterdagmiddags hier, om een slokje te drinken
bij zijn vorigen patroon. Wilt gij u nu door een Glasgowschen wever
laten leiden en onderrichten, wel nu, ik zal dit aan den zoon van een
ouden handelsvriend niet weigeren. Dat deed mijn vader in zijn tijd
ook niet. Ja, ik heb er zelf wel eens aan gedacht, om mijn licht voor
den hertog van Argyle te laten schijnen of voor zijn broeder, Lord
Hay,--waarom toch zou ik het onder een korenmaat plaatsen!--Maar zulke
voorname heeren bekommeren zich luttel om lieden van onze soort.--Wat
zou een arme wever in hunne oogen beteekenen! Zij zien meer op den
persoon, die iets zegt, dan op hetgeen wat hij zegt. En dat is heel
jammer. Evenwel, kwaad wil ik niet van hem spreken. Immers staat er
geschreven: Vervloek den rijkaard niet in uwe binnenkamer: de vogelen
des hemels zouden het overbrengen."
Jarvie bezat de misschien loffelijke gewoonte, aan zulke inleidingen
de noodige of liever onnoodige uitgebreidheid te geven. Ik brak zijn
woorden dus maar af door de verzekering, dat hij Owen en mij volkomen
vertrouwen kon.
»Neen," antwoordde hij, »daarom zeg ik het niet, want ik vrees
niemand. Waarom zou ik ook vreezen? Ik zeg immers niets, wat als
hoogverraad zou kunnen beschouwd worden. Maar de Hooglanders hebben
lange armen, en wanneer men zich naar hunne gebergten begeeft, om
dezen of genen bloedverwant te bezoeken, is men met hunne geslachten
liefst in goede verstandhouding. Maar gij moet weten, dat ik zoo
mijne eigen opmerkingen heb gemaakt, en de heer Owen weet, dat dit
de eenige menschelijke kennis is, welke zich stellig laat bewijzen."
Owen bleef niet in gebreke om dit volmondig toe te stemmen, en
Jarvie vervolgde: »Dat Hoogland is eene woeste streek vol heuvels,
bosschen, holen, meren, rivieren en bergen; ja, waarachtig! De
duivel zelf zou zijn vleugels gaan voelen, als hij er overheen wilde
vliegen. In dat land nu en op de Orkadische eilanden, die niet veel
beter zijn of misschien nog erger, zullen omtrent twee honderd en
dertig kerspelen wezen, Of zij daar allen Gaelisch spreken of niet,
kan ik u niet stellig zeggen, maar dit weet ik, dat het een ruw,
geheel onbeschaafd volk is. Bereken ik ieder kerspel slechts matig
op achthonderd menschen, na aftrek der kinderen onder de negen jaar,
en ik tel er dan een vijfde bij voor kinderen van negen jaar, dan
bedraagt de gansche bevolking...."
»Juist 220,800 zielen," viel Owen hem in de rede, die zeer in zijn
schik was met deze statistiek.
»Precies en vlug uitgerekend!" zeide Jarvie. »En daar in het Hoogland
elk man, van achttien tot zes en vijftig jaar, de wapenen draagt,
hebt gij een getal van ten minste 57,500 weerbare menschen. Maar
nu moet gij in aanmerking nemen, wat helaas! eene treurige waarheid
is, dat landbouw, veeteelt, visscherij en andere eerlijke bedrijven
niet aan de helft van het volk werk verschaffen, al arbeidt het ook
nog zoo traag--en het arbeidt wezenlijk, alsof de ploeg en de spade
gloeiend heet waren. En deze helft van volstrekt werkelooze menschen
bedraagt nu...."
»Juist 110,400, als de helft van de geheele som."
»Goed uitgerekend, mijnheer Owen, best uitgerekend! Onder deze
laatste helft mogen nu omtrent 28,700 knappe jonge kerels zijn, die
tot den wapenhandel bekwaam zijn en ook de wapens dragen. Zij denken
er volstrekt niet aan, om hun eigen kost te winnen, al konden zij
dat ook, maar zij kunnen het niet eens."
»Hoe is het mogelijk!" viel ik hem in de rede; »dat zou inderdaad
een treurige toestand zijn voor zulk een aanzienlijk gedeelte der
Britsche eilanden!"
»Ik kan u dat zoo duidelijk maken, als twee maal twee vier is," hernam
Jarvie. »Wanneer ik veronderstel, dat elk kerspel vijftig ploegen
behoeft--wat in zulk een armzalig land reeds veel is--en tevens
weiden genoeg heeft voor paarden, ossen en een vijftigtal koeien,
dan kan ik niet meer dan vijf en zeventig huisgezinnen, ieder van
zes zielen, of, in eene ronde som, vijf honderd menschen berekenen,
die arbeiden en zich daarvoor desnoods met zure melk en haverbrei
voeden. Waarvan de andere vijf honderd leven, weet geen mensch!"
»Maar dat is verschrikkelijk. Men beeft ervan, als men aan dien
toestand denkt!" riep ik uit.
»Ja, gij zoudt nog meer beven, als gij in hunne nabijheid
leefdet!" antwoordde Jarvie. »Neem zelfs aan, dat de helft van hen
nu en dan in de Laaglanden het een of ander vindt, waarmede zij zich
kunnen onderhouden; dat deze ons, bij voorbeeld, in den hooi- en
oogsttijd behulpzaam zijn, of met veedrijven. Maar hoe vele honderden,
ja duizenden Hooglanders zwerven dan nog niet rond, die niet arbeiden
en ook geen gebrek willen lijden en dus bij hunne naastbestaanden kost
en inwoning vinden, of ook wel daarvan leven, dat zij doen wat het
hoofd van den stam hun beveelt, het moge recht of onrecht zijn. Vele
honderden begeven zich naar de grenzen van de Laaglanden, waar wat
te halen is. Zij leven van veedieverij en andere rooverijen. Dat is
toch maar erg in een Christenland. En wat nog wel het allerergste is,
zij zijn er trotsch op en achten het een dappere daad, als zij eene
kudde stelen. Ja, zij meenen, dat dit dappere mannen, zoo als zij zich
gelieven te noemen, meer betaamt, dan op eene eerlijke wijze tegen
dagloon te arbeiden. De groote lui zijn even erg, als de kleine. Zij
bevelen het stelen. Zij rooven wel niet zelf, maar verbieden het
ook niet, en verleenen den dief bescherming en schuilplaatsen in
hunne bosschen en sterke kasteelen, als de misdaad gepleegd is. Elk
Opperhoofd onderhoudt zoo vele lieden van zijn naam, of van zijne
»clan", zoo als wij het noemen, als zijne inkomsten hem vergunnen; of,
wat hetzelfde is, zoo vele als zich zelven, op eerlijke of oneerlijke
wijze, onderhouden kunnen. Dus zwerven zij met geweer en pistolen,
met dolk en sabel rond, en zijn steeds gereed, om, zoodra het den
»heer" slechts behaagt, de rust van het land te verstoren. Zoo hebben
zij het sinds vele eeuwen in de Hooglanden gemaakt; steeds waren zij
eene plaag voor hunne vreedzame, godvruchtige buren, zooals wij hier
in West-Schotland."
»En is die neef van u," vroeg ik, »die zich mijn vriend noemt, ook een
van die »heeren", welke zulk eene gewapende rooverbende onderhouden?"
»Neen," hernam Jarvie; »hij is geen van de opperhoofden, zoo als
men hen noemt. Hij is echter van zeer goede afkomst. Ik ken zijne
familie. Hij is, zooals ik gezegd heb, een bloedverwant van mij. Want
ons bloed is edel Hooglandsch bloed.--Hierop laat ik mij, zoo als
gij licht denken kunt, volstrekt niets voorstaan; want dat beteekent
niets. Maar ik zou u toch brieven kunnen laten lezen van zijn vader,
aan mijn vader zaliger, de hemel zij hem genadig!--allen beginnende;
»waarde Jarvie!" en eindigende »uw liefhebbende neef." Zij handelden
meestal over geleend geld--zoodat mijn vader, die heel voorzichtig
was,--ze steeds bewaarde."
»Maar al is hij dan," viel ik hem in de rede, »geen van de hoofdmannen,
van wie ik zoo menig historietje heb hooren verhalen, dan heeft hij
in elk geval toch in het Hoogland zeer veel invloed?"
»Dat zou ik meenen!" zeide Jarvie. »Iedereen in het heele land kent
hem. Robbert was eens een ijverig, vreedzaam veehandelaar, een man,
zoo als men er onder tien duizend geen beter zou hebben kunnen
vinden. Het was een genot hem in zijn plaid te zien en in zijne
bergschoenen, met het schild op den rug, het zwaard en de dolk in
den gordel, wanneer hij een honderd stuks Hooglandsch vee geleidde
met een dozijn wakkere knapen, even ruw en woest, als de dieren die
zij dreven. In den handel was Robbert steeds beleefd en eerlijk, en
als hij meende, dat deze of gene klant te duur van hem gekocht had,
gaf hij hem gaarne iets tot schadevergoeding terug. Ik weet, dat hij
wel eens op het pond sterling, vijf shillings heeft laten vallen."
»Vijf en twintig procent!" riep Owen uit; »een zwaar disconto!"
»Ja, die gaf hij terug," hervatte Jarvie, »en vooral wanneer hij
begreep, dat de kooper een behoeftig man was, die volstrekt geen
verlies dragen kon. Maar er kwamen hachelijke tijden, en Robbert
waagde te roekeloos. Mijne schuld was het niet. Ik heb het hem
honderd-, ja duizendmaal gezegd. Zijne crediteuren, en vooral een
rijke buurman, vielen als hongerige gieren op zijne goederen aan. Men
zegt zelfs, dat men zijne vrouw het huis uitgeworpen en daarenboven
schandelijk mishandeld heeft. Dat schreeuwde om wraak! Zie, ik
ben een vreedzaam man en lid van onze achtbare regeering, maar had
iemand mijn dienstmeisje, mijn Matje, zoo mishandeld, als men zegt,
dat zij Robbert's vrouw mishandeld hebben, ik geloof waarlijk, dat
ik in staat zou zijn geweest, om het beroemde zwaard aan te gorden,
dat mijn overleden vader in den slag bij de Bothwell-brug gebruikt
heeft. Toen Robbert te huis kwam--och arme! vond hij verwoesting,
waar hij overvloed had achtergelaten. Hij zag naar het oosten, naar
het westen, naar alle kanten heen, maar vond nergens toevlucht, nergens
troost, nergens hoop. Toen drukte hij de muts diep in de oogen, gespte
het zwaard aan, snelde naar het gebergte en was voor ons verloren!"
Tegenstrijdige gewaarwordingen smoorden hier de stem van den goeden
Jarvie. Het was duidelijk te zien, dat hij zich op de verwantschap
met dien Hooglander heimelijk niet weinig liet voorstaan, terwijl hij
openlijk diens stamboom scheen te verachten. Van den vriend in welvaart
sprak hij met eene warme genegenheid, die zijne deelneming aan zijne
rampen en zijne smart over de gevolgen ervan nog hartelijker maakte.
»En toen uw bloedverwant op zulke wijs getergd en tot wanhoop gebracht
werd,"--begon ik, toen Jarvie zweeg--»werd hij vermoedelijk een van
die roovers, die gij ons zoo even afgeschilderd hebt?"
»Neen, zoo slecht werd hij niet," hernam Jarvie, »zoo slecht niet;
maar hij ging aan het heffen van »de zwarte belasting [9]. Ja, hij
dreef dien handel in het groot; veel verder dan ooit iemand het te
voren gewaagd had."
»Wat is dat, zwarte belasting? Hoe moet ik dat verstaan?" vroeg ik.
»Dat zal ik u uitleggen. Robbert vond eenige wakkere knapen, die hem
blind volgden. Want hij voert een ouden, gevreesden naam, een naam,
die het lang tegen den Koning, het Parlement, en zelfs tegen de Kerk
heeft volgehouden, een roemrijken naam, hoe men hem ook vernederd
heeft. Mijne moeder was insgelijks een Mac-Gregor. Dat mag iedereen
hooren.--Nu, wat ik ook zeggen wilde--ja, Robbert had weldra vele
dappere metgezellen; en toen hij nu zag dat aan de zuidelijke grenzen
van het Hoogland zoo vele plunderingen en rooverijen gepleegd werden,
zeide hij den pachters, dat als zij hem vier pond Schotsch voor elke
honderd pond van hunne inkomsten wilden betalen, hij hen schadeloos zou
houden, en dat was toch eene zeer billijke voorwaarde. Hadden zij dan
zelfs een enkelen spijker door diefstal verloren, dan moesten zij maar
Robbert daarvan kennis geven, en die bezorgde hun het gestolene terug,
of betaalde de volle waarde. En hij hield steeds getrouw woord--ja,
dat moet ieder erkennen--Robbert houdt altijd woord."
»Zeker zonderling, geheel tegen de wetten, dat is waar!" hernam
Jarvie; »dergelijke heffingen en betalingen zijn wel beide degelijk
strafbaar. Maar wanneer de wet mijne schuren en mijn stal niet kan
beschermen, waarom zou ik dan niet een onderhandsch akkoordje met een
Hooglander tot beveiliging ervan mogen sluiten? Antwoord eens daarop."
»Maar is dat contract van assurantie," vroeg ik, »zoo als de heer Owen
het noemt, volkomen vrijwillig van de zijde des pachters! Wat gebeurt
dan, wanneer iemand weigert zich aan die belasting te onderwerpen."
»Ha, ha! Nu denkt gij zeker: daar heb ik hem!" zei Jarvie lachend,
terwijl hij den vinger tegen den neus legde. »Nu ja, ik raad zeker
iederen vriend, met Robbert zulk een akkoordje te maken; hij zal er
zich wèl bij bevinden. Want men moge zoo waakzaam zijn als men wil,
in de lange nachten kan er veel kwaads gepleegd worden. In het eerst
waren er eenige pachters van de Grahames en Cohoons, die zich met die
gekheid, zoo als zij het geliefden te noemen, niet wilden inlaten. Maar
in den eerstvolgenden winter ondervonden zij tot hunne onberekenbare
schade, dat zij dom, aartsdom gehandeld hadden, en dat al hun vee
gestolen werd, en nu achten de meesten het raadzaam, met Robbert zulk
een verdrag aan te gaan. Met ieder van zijne contractanten meent hij
het wezenlijk goed, maar die hem in de wielen rijdt, heeft met den
duivel te doen."
»En door zijn heldendaden heeft hij het denkelijk met de landswetten
min of meer verkorven?"
»Verkorven? Nu ja, zooals gij dat noemen wilt," hernam Jarvie. »Zijn
hals zou wel ondervinden, hoe zwaar hij weegt, wanneer zij hem machtig
konden worden. Maar Robbert heeft zeer vele goede vrienden onder de
grooten, en ik zou u eene zeer aanzienlijke familie kunnen noemen,
die haar best doet, om hem een scherpen doorn voor anderen te doen
zijn. Overigens is hij zulk een sluwe, doortrapte schalk, en is door
zoo menig dol avontuur heengekomen, dat men van zijn leven een dik boek
zou kunnen schrijven, even als van Robin-Hood of Willem Wallace, vol
van stoute daden en wonderbare reddingen, zoo als men des winteravonds
gaarne in het hoekje van den haard leest. Zonderling is het toch:
ik ben een vredelievend man, de zoon van een vredelievend vader. Want
mijn vader beminde den vrede zoo zeer, dat hij buiten de vergaderingen
op het stadhuis, waar hij ex officio moest tegenspreken, nooit iemand
sprak, zelfs zijne vrouw, mijne lieve moeder niet. Maar gelooft gij
wel, dat het Hooglandsche bloed, bij het herinneren aan die koene
avonturen, warm begint te worden, ja dat ik ze, wat nog erger is,
soms liever hoor dan een stichtelijk woord--de Heere vergeve mij de
zonde! Toch zijn het ijdelheden, zondige ijdelheden, en bovendien
strijdig met Gods woord en wet."
Na deze uitboezeming van onzen gastheer, vroeg ik hem, welken invloed
Campbell op mijn vaders zaken hebben kon?--»Gij moet weten." vervolgde
Jarvie op half fluisterenden toon, »dat de Hooglanders--ik spreek hier
immers tot vrienden en in vertrouwen op uwe geheimhouding--sedert
het jaar negen en tachtig, toen zij bij Killiekranckie geslagen
werden, zich stil hebben gehouden. Maar hoe heeft men hen daartoe
gebracht? Door geld zeg ik u, door geld! Koning Willem liet twintig
duizend pond sterling onder hen uitdeelen en de overleden koningin
Anna gaf den hoofden insgelijks kleine jaargelden, waarmede zij hunne
onderhoorigen, die volstrekt niets doen, konden onderhouden. Zoo
hielden zij zich vrij rustig. Natuurlijk, men mag hierbij niet
in rekening brengen, dat zij soms, naar gewoonte, in de Laaglanden
rooverijen pleegden, of elkander dood sloegen, wat geen mensch schelen
kon. Maar nu zijn er met de regeering van koning George andere tijden
gekomen--doch evenwel, God zegene den koning! Nu krijgen zij in
het Hoogland geld noch ondersteuning; zij kunnen hunne benden niet
meer onderhouden, en hunne clans zuigen hen geheel uit, zoo als gij
best begrijpen zult. Hun crediet is in de Laaglanden geheel weg,
en een Hooglander, die duizend of vijftienhonderd wakkere knapen
samenfluiten kan, welke allen zijn wil volbrengen--waarachtig, zoo
iemand zou in Glasgow nauwelijks vijftig pond op zijne manschap ter
leen kunnen krijgen. Intusschen, lang kan het zoo niet duren. Er moet
een opstand volgen ten gunste der Stuarts; zij zullen de Laaglanden,
even als voor zestig jaren onder Montrose, overstroomen, en dat
gebeurt eer er nog één jaar verloopen is.
»Maar ik zie nog niet in wat Campbell, en nog minder wat mijns vaders
zaak daarmede te maken heeft."
»Robbert kan vijfhonderd man op de been brengen," vervolgde
Jarvie. »De oorlog moet hem dus even welkom zijn, als aan de meeste
Hooglanders--want in vredestijd hebben zij weinig of geen nut van
hunne benden. Om u de waarheid te zeggen, geloof ik ook, dat hij
de voornaamste onderhandelaar is geweest tusschen eenige hoofden
en de edellieden van Noord-Engeland. Ons allen is bekend, dat men
dien Morris niet ver van het Cheviot-gebergte rijksgelden heeft
ontroofd. Openlijk vertelde men, dat de roovers Robbert en een jonge
Osbaldistone waren geweest--ja, het gerucht noemde zelfs u, mijnheer
Frans, en toen ik het hoorde, speet het mij wel zeer, dat de zoon van
mijn ouden correspondent zich aan zulke streken schuldig maakte. Nu,
nu, ik zwijg er van; want ik zie thans dat het eene dwaling was. Maar
ik hield u voor een comediant en dus zeer goed in staat tot zulk een
handwerk. Thans twijfel ik geen oogenblik langer, of het is Rashleigh
zelf geweest, of ten minste een van uwe neven--die zijn toch allen
van hetzelfde allooi, allen Jakobieten en Papisten. Geld, dat de
regeering toebehoort, verklaren zij voor goeden prijs. Die Morris is
echter zulk een ellendige lafaard, dat hij zelfs thans niet waagt,
tegen Robbert te getuigen. Trouwens, men kan hem dit juist zoo kwalijk
niet nemen. Want dat duivelsche volk verstaat geen gekscheren. En
Robbert zou hem zijne moeite betaald zetten, eer men Morris bijstaan
en redden kon door den arm der justitie."
»Dat heb ik reeds lang vermoed, mijnheer Jarvie," zeide ik. »Ik ben
dan ook volkomen van uw gevoelen. Maar mijns vaders zaken..."
»Gij hebt het vermoed?" hernam Jarvie, »hier is geen vermoeden, maar
het is zeker, zeer zeker! Ik ken lieden, die papieren gezien hebben,
welke men Morris ontnomen heeft; waar, dat doet er niet toe. Maar wat
uw vader betreft, zegt gij? Gij moet weten, dat de laatste twintig
jaren eenige heeren en opperhoofden in het Hoogland hun eigen voordeel
beter hebben leeren inzien. Uw vader en eenige andere lieden kochten
van hen uitgestrekte bosschen, en uws vaders kantoor gaf hun daarvoor
wissels tot aanzienlijke bedragen. Osbaldistone en Tresham hadden
overal een schier onbepaald crediet. Want--ik zeg het den heer Owen,
zoo wel hier, nu hij het hooren kan, als achter zijn rug--geen kantoor
was in den handel billijker, braver, eerlijker. Dat bleef dan ook zoo,
tot de ramp kwam, welke God daarover beschoren heeft. De Hooglandsche
heeren vonden met hunne wissels in Glasgow en Edinburg licht crediet,
maar vooral in Glasgow, omdat die trotsche lui in Edinburg zich weinig
op zaken verstaan. Ze konden gemakkelijk de meeste hunner wissels
disconteeren. Op deze wijze.... merkt gij dan niet, waar ik heen wil?"
Ik verzekerde hem, dat ik zijne meening nog niet volkomen vatte.
»Welnu," vervolgde hij, »worden de wissels niet betaald, dan vallen de
Glasgowsche kooplieden de Hooglandsche heeren op het lijf. Maar die
hebben geen geld, en kunnen ook niet teruggeven wat reeds sinds lang
doorgebracht is. Ja, die zaak zal treurig afloopen; ik voorspel het
u en al dengenen, die er belang bij hebben. Vijf honderd onversaagde
kerels, die anders stil te huis zouden gebleven zijn, vatten de
wapens op, en wat er dan meer zal volgen. Ziet gij nu wel, dat, zoo
uws vaders kantoor ophoudt met betalen, een opstand onvermijdelijk is?"
Deze zonderlinge wijze van de zaak te beschouwen verraste
mij.--»Gelooft gij dan," zeide ik, »dat Rashleigh mijn vader dit
ongeluk berokkend heeft, alleen om daardoor een opstand der Hooglanders
te bespoedigen?"
»Zeker is dit een van zijne beweegredenen geweest," hernam
Jarvie. »Maar het contante geld, dat hij medegenomen heeft, is
nog eene andere. Voor uw vader is dit, trouwens, slechts een weinig
beteekenend verlies, maar voor Rashleigh zou het misschien ten laatste
wel de voornaamste winst kunnen worden. De papieren, welke hij heeft
medegenomen, zijn voor hem van geene hoogere waarde, dan dat hij zijne
pijp er aan opsteken kan. Hij beproefde of Mac-Vittie en Comp. hem er
contanten voor wilden geven--ik heb dat uit de derde hand. Maar die
sluwe vossen wilden er volstrekt niets van weten, en betuigden hem hun
innig leedwezen, dat zij in zijn overigens zeer aannemelijk voorstel om
honderd gewichtige redenen niet treden konden. Men kent Rashleigh in
Glasgow zeer goed, en daarom vertrouwt niemand hem. Reeds eenmaal was
hij hier, in het jaar 1707, bij eene gelegenheid van een nog gelukkig
gedempten opstand der Jakobieten en Papisten. Toen liet hij hier vrij
wat schulden achter. Neen, neen! hier kon hij zijne papieren niet aan
den man brengen. Niemand vertrouwt, dat hij er eerlijk aan gekomen
is. Maar in het Hoogland zal hij ze wel geborgen hebben. Ik geloof
zelfs, dat neef Robbert, zoo hij wilde, ze wel zou weten te vinden."
»Maar zou diens vriendschap jegens ons zoo ver gaan?" vroeg ik. »Is
hij in de aanslagen der Jakobieten gewikkeld, dan zal hij niet licht
om mij, als uit gevoel van recht, genegen zijn tot eene teruggave,
die de ontwerpen van zijne partij zou schaden."
»Daarover kan ik u niets stelligs zeggen," hernam Jarvie. »De
grooten in het Hoogland vertrouwen Robbert niet. Hij zal hen
denkelijk ook niet vertrouwen. Met het geslacht van Argyle staat hij
op goeden voet. Bevond hij zich niet in behoeftige omstandigheden,
dan zou hij zich liever aan Argyle, dan aan den graaf van Breadalbane
aansluiten. Want gij moet weten, dat er van oudsher eene veete tusschen
het geslacht van Breadalbane en zijn stam bestond. Maar op de keper
beschouwd, staat Robbert geheel op zich zelven: de partij, die hem het
voordeeligst toeschijnt, kiest hij zeker. Als de duivel landheer was,
zou Robbert zijn pachter worden, en dit kunt gij den armen kerel, in
zijne benarde omstandigheden, niet kwalijk nemen. Maar er is toch iets,
wat u bij hem niet zeer behagen zal: op zijn stal staat een boos dier."
»Een boos dier?" vroeg ik verrast. »Wat gaat mij dat aan?"
»Robberts vrouw," hernam Jarvie; »een grimmig wijf! Het gezicht van
een Schot, wanneer hij uit de Laaglanden komt, kan zij volstrekt
niet verdragen, en nog veel minder dat van een Engelschman. Voor
koning Jakobus vecht zij op leven en dood; koning George zou zij
willen ophangen."
»Vreemd," merkte ik op, »dat de handelsondernemingen van Londensche
burgers met staatsomwentelingen en volksopstanden in betrekking
moeten staan."
»Niet vreemd, beste vriend, volstrekt niet vreemd!" hernam Jarvie. »Dat
zijn vooroordeelen. Ik heb eens in Bakers Kroniek gelezen, dat deze
Londensche kooplieden de bank van Genua dwongen, om den koning van
Spanje eene aanzienlijke som, welke zij hem toegezegd had, niet uit te
betalen. Daardoor werd het uitzeilen van de zoogenaamde onverwinnelijke
vloot een jaar lang vertraagd. Wat zegt gij daarvan?"
»Dat de kooplieden hun vaderland een onberekenbaar grooten dienst
bewezen, die de geschiedenis met roem vermelden moest."
»Dat zou ik denken!" zeide Jarvie. »Maar men zou ook iets goeds
verrichten en zich bij staat en menschheid verdienstelijk maken, als
men die drie of vier brave Hooglandsche landheeren belette, zich hals
over kop met hunne ongelukkige aanhangers in den afgrond des verderfs
te storten, ja als men uws vaders crediet, en mijn eigen geld, dat
ik van Osbaldistone en Tresham te vorderen heb, wilde redden. Wie
dit alles in het reine kon brengen, dien moest men, al ware hij ook
slechts een eenvoudige wever, eeren en prijzen en als een zeldzaam
kleinood in onze dagen in waarde houden."
»Ik weet niet hoe ver de openlijke dankbaarheid in dat opzicht behoorde
te gaan," hernam ik; »maar onze dankbaarheid, mijnheer Jarvie zou,
dit durf ik u stellig verzekeren, aan de grootte van onze verplichting
geëvenredigd zijn."
»En wij zullen ons best doen, om het door een per contra weder te
vereffenen, zoodra onze patroon Osbaldistone uit Holland teruggekomen
is," zeide Owen.
»Dat weet ik; hij is een braaf man, een man van zijn woord. Met
mijne hulp zou hij in Schotland vrij goede zaken kunnen doen. Maar
beste mijnheer Owen, als men slechts die papieren uit de klauwen
der Filistijnen kon krijgen! Want ze zijn echte waar, als ze in de
rechte handen zijn, zooals in de uwe, mijnheer Owen. Ik weet, dat
gij hier in Glasgow drie mannen kunt vinden, zooals ge thans noodig
hebt. Ja, ja, dat is waar, hoe geringen dunk gij ook van ons moogt
hebben--en die mannen zijn: Sandie Steenson in Trade's-Land; John
Pirie in Candleriggs, en dan nog een ander, dien ik nu nog niet noemen
zal. Zij zullen het geld voorschieten en wel zooveel als noodig zal
zijn, om het crediet van uw kantoor te redden, en ook geene verdere
zekerheid verlangen."
Owens oogen schitterden bij het schoone vooruitzicht, dat die woorden
hem schenen te openen; maar weldra betrok weder zijn gelaat, toen hij
zich herinnerde, hoe onwaarschijnlijk het was, dat wij de papieren
terugkrijgen zouden.
»Wanhoop niet, mijn goede man!" vervolgde Jarvie. »Ik heb al zoo
veel deel aan uwe zaken genomen, dat ik er mij nu wezenlijk met lijf
en ziel op toeleggen moet. Ik ben in zulke gevallen juist als mijn
overleden vader. Bemoei ik mij eens met de zaak van een vriend, dan
wordt die zaak spoedig geheel de mijne. Morgen met den dag stijg ik te
paard en rijd met mijnheer Frans over de Drymenheî naar het gebergte,
en kan ik Robbert en diens vrouw niet tot rede brengen, dan weet ik
niet, wie dat zou kunnen doen. Meer dan eens heb ik mij jegens hem
en haar vriendelijk en dienstvaardig betoond. Zelfs heden nacht heb
ik hem niet eens willen zien, en het zou hem het leven hebben gekost,
al ik hem slechts genoemd had. In onze raadsvergadering zal er zeker
wel over gesproken worden. Grahame en Mac-Vittie en anderen hebben
mij mijne verwantschap met Robbert al meer verweten, en den neus er
voor opgetrokken. Ik zeide hun, dat ik niemands gebreken en ondeugden
wilde verontschuldigen, noch iets verontschuldigen dat hij tegen de
wet gedaan had, maar dat hij, in allen geval, zoo eerlijk was als een
van hen allen. En waarom zou ik mij aan praatjes storen? Is Robbert
gebannen--ik wil hun dat in het gezicht zeggen--welnu, dan bestaan er
thans toch geene wetten meer, die verbieden, met gebannenen gemeenschap
te hebben, even als in de tijden der leelijke Stuarts. Ja, ik heb eene
Schotsche tong; dat zullen zij ondervinden, als zij mij te na komen!"
Met innige blijdschap bemerkte ik, dat Jarvie vuur
vatte. Vaderlandsliefde, deelneming in onzen toestand, de wensch,
om verliezen te vermijden en winst te maken, en ook wel een weinigje
vergeeflijke ijdelheid werkten samen op hem. Zoo kwam hij eindelijk
tot het heldhaftige besluit om in eigen persoon te velde te trekken en
tot herkrijging van mijns vaders eigendom behulpzaam te zijn. Al, wat
hij mij gezegd had, versterkte mij in de meening, dat de Hooglandsche
avonturier, indien die papieren in zijne handen waren, wel zou zijn
over te halen, om dat terug te geven, wat hem toch geen voordeel kon
aanbrengen. Ik besefte ook zeer goed, dat de tegenwoordigheid van
zijn neef zeer veel invloed op hem zou uitoefenen.
Gretig nam ik dus Jarvie's aanbod aan, om hem den volgenden morgen te
vergezellen. De wakkere man was nu bereidvaardig en opgewekt, om zijn
voornemen uit te voeren, al was hij langzaam en bedachtzaam geweest om
tot een stellig besluit te komen. Hij riep Matje toe, om zijn reisjas
te luchten te hangen, zijne rijlaarzen schoon te maken, ze den ganschen
nacht bij den haard te zetten, voor zijn paard te laten zorgen, en al
wat verder noodig was, gereed te maken. Wij besloten met het aanbreken
van den dag te vertrekken. Toen wij afgesproken hadden dat Owen, die
ons op onzen tocht van geen dienst kon zijn, onze terugkomst in mijne
herberg te Glasgow zou verbeiden, namen wij hartelijk afscheid van den
ijverigen vriend, dien wij hier zoo onverwachts gevonden hadden. Ik
gaf Andries last, om des morgens vroeg op het bepaalde uur bij mij
te zijn, en legde me toen ter ruste met de hoop op de toekomst. In de
laatste dagen had ik innerlijk aan alles gewanhoopt. Nu kwam er licht.