HOOFDSTUK XXII.

Astolfo! mijn jongling, zie om u. Want hier is de plaats,

Waar menschen verhong'ren, uit armoê tot misslag gekomen.

Hier bluscht elke hoop hare lichten, verstikkend de laatste

der vonken

In smeulenden walm en smook, maar vóór die vonk gansch'lijk sterft,

Komt bittere wanhoop, krankzinnig door woeste vertwijfling,

Doet vlammen de aaklige fakkels van zelf-beschuldiging en rouwe

Dat hij zijn verstand en zijn ziele zoo diep in den afgrond

deed zinken...

Dit licht, dat is schriklijker nog dan het duister des kerkers.

(De Gevangenis.)

Ik was nauwelijks binnengetreden, of vol levendige nieuwsgierigheid

zag ik naar mijn geleider. Maar de lamp in het voorportaal brandde zoo

flauw, dat ik zijne gelaatstrekken niet kon onderscheiden. Het voor

mij veel minder belangrijke gelaat van den gevangenbewaarder, zag

ik daarentegen des te duidelijker bij het licht van de lamp, welke

hij in de hand hield. Hij was een kerel met een woest voorkomen,

wiens ordeloos loshangende roode haren zijne gelaatstrekken

overschaduwden. Maar treffend was in die trekken op dit oogenblik de

uitdrukking van vreugde bij den aanblik van mijnen geleider. Nooit

had ik iets ontmoet, dat mij zoo zeer herinnerde aan hetgeen ik vaak

gelezen had omtrent een ruwen, afzichtelijken wilde, die den afgod van

zijn stam aanbidt. Hij knarste met de tanden, hij beefde, hij lachte

en weende bijna, zoo hij niet werkelijk weende.--»Wat kan ik voor u

doen? Wat wilt gij dat ik voor u onderneem?" sprak uit elken trek, en

tevens eene angstvallige, slaafsche onderdanigheid uit elke spier van

zijn gelaat. »O! in welken langen tijd heb ik u niet gezien!" riep hij

daartusschen met eene van verrukking schier verstikte stem. Hij liet

er nog eenige andere korte uitroepingen in de onverstaanbare taal op

volgen, waarin hij met mijn geleider gesproken had, terwijl wij nog

altijd aan de deur der gevangenis stonden. Laatstgenoemde gedroeg

zich bij al deze ontboezemingen van vreugde, als een vorst, die te

zeer aan de hulde zijner onderdanen gewend is, om daardoor eenigszins

getroffen te zijn, maar ze met trotsche minzaamheid ontvangt. Hij

reikte den gevangenbewaarder met een genadig glimlachje de hand toe

en zeide vrij vriendelijk: »Hoe gaat het, Dugald?"

»O, ik dank u, o!" riep Dugald, doch matigde tegelijk, terwijl

hij behoedzaam rondzag, den vrij luiden toon zijner stem. »O! u

hier te zien--hier te zien! ach, wat zou er van u worden, zoo de

gerechtsdienaars, die liederlijke schurken, er lucht van kregen!"

Mijn geleider legde den vinger op den mond.--»Wees onbezorgd, Dugald:

mij zal uwe hand niet opsluiten."

»Neen, neen! dat zal ze nooit!" riep Dugald uit. »Waarachtig

niet! Eer zou men haar--ja, eer liet ik haar afkappen tot aan den

elleboog toe! Maar wanneer gaat gij weder op reis?--Gij verstaat mij

wel? Daarheen? en zult gij het mij toch laten weten. Want ik ben toch

uw neef, al is het ook slechts in den zevenden graad."

»Welzeker, ik zal het u laten weten, Dugald; ik zal het u laten weten,

zoodra ik mijne zaken behoorlijk geregeld heb."

»Zoodra ik uw bericht ontvang--bij mijne zondige ziel!--al ware het

ook Zaterdagsnachts, ik smijt den hoofdschout de sleutels naar den

kop, eer ik ze nog ééns omdraai, ja, eer het Zondagmorgen wordt--ja,

dat zal ik!"

De geheimzinnige vreemdeling matigde de verrukking van zijnen bekende

nog eenmaal en sprak hem in die vreemde taal aan,--later vernam ik,

dat het de oude Gaelische taal was--vermoedelijk om hem te zeggen,

wat hij van hem begeerde.--Met een: »van harte gaarne! o, van harte

gaarne!" betuigde de gevangenbewaarder, onduidelijk mompelende,

zijne bereidwilligheid. Hij draaide de bijna uitgedoofde lamp wat op

en gaf mij een wenk om hem te volgen.

»Gaat gij niet met ons?" vroeg ik mijn geleider.

»Neen! dat is niet noodig," antwoordde hij. »Mijne tegenwoordigheid

zou u zelfs lastig kunnen zijn. Beter dat ik hier blijf om den aftocht

te dekken."

»Ik kan niet denken, dat gij mij in gevaar wilt brengen?"

»Volstrekt niet.--Zoo dit het geval was, zou ik voor mij er ten

minste dubbel in deelen!" hernam de onbekende op een vasten toon,

die mij alle wantrouwen benam.

Ik volgde den gevangenbewaarder. Hij liet het binnenpoortje achter

zich open, steeg een wenteltrap op, ging een nauwe gang door, en toen

hij eene van eene lange rij deuren geopend had, bracht hij mij in een

klein kamertje, waar hij de lamp op een houten tafeltje zette, op een

bed van stroo in een hoek wees en zachtkens zeide: »Het mensch slaapt!"

»Wie?" vroeg ik; »wie?"--Plotseling rees in mij het denkbeeld op:

zou Diana Vernon zich in dit verblijf der ellende bevinden?

Ik zag op het strooleger neer. Met eene gewaarwording, waarin

teleurgestelde verwachting met vreugde zich mengde, ontdekte ik,

dat mijn eerste vermoeden belachelijk was geweest. Ik zag een hoofd,

dat noch jong, noch schoon was, met een tamelijk langen baard en

eene roode nachtmuts. De eerste blik stelde mij omtrent Diana Vernon

gerust. Maar bij den tweeden, toen de gevangene uit een diepen slaap

ontwaakte en geeuwende zich de oogen wreef, ontdekte ik geheel andere

trekken--het was mijn vriend Owen. Ik trad een stap terug, om hem den

tijd te laten zich te herstellen, daar ik mij, bij geluk herinnerde,

dat ik slechts een vreemdeling in dit verblijf der ellende was,

en elk gerucht noodlottige gevolgen zou kunnen hebben.

Owen had zich intusschen op zijn strooleger opgericht en zeide,

terwijl hij met de eene hand zijn nachtmuts verschoof en zich met de

andere over het gezicht streek, op vrij knorrigen toon en nog half

slaapdronken: »hoor eens, mijnheer Dugald, of hoe gij heeten moogt,

als gij mij weer zoo in mijne rust stoort, zal ik u bij den hoofdschout

moeten aanklagen."

»Er is hier een heer, die met u spreken wil," antwoordde de

gevangenbewaarder op knorrig gebiedenden toon, die geheel anders

klonk, dan de gillende Hooglandsche vreugdetoon, waarmede hij mijn

geheimzinnigen geleider verwelkomd had. En met deze woorden verliet

hij ons.

Het duurde eenige oogenblikken, voor dat ik den ongelukkigen slaper

in zoo verre kon doen ontwaken, dat hij mij herkende. Maar toen

mij dit gelukte, was ook de droefheid van den braven man, die in

het eerst veronderstelde, dat ik zijn medegevangene was geworden,

onbeschrijfelijk groot.

»O, mijnheer Frans!" riep hij uit, »waartoe hebt gij u en ons huis

gebracht! Aan mij zelven denk ik niet eens.--Ik ben, zoo te zeggen,

niets meer dan eene nul in 't cijfer; maar gij waart uws vaders

hoofdsom: gij zoudt de eerste man in het eerste huis in de eerste van

alle steden kunnen zijn--en zit ge nu in een liederlijke Schotsche

gevangenis, waar men niet eens het stof van zijne kleederen kan

laten borstelen!"

Dit zeggende, wreef hij, met zichtbaar misnoegen, den eens zoo

vlekkeloos bruinen rok, die thans door den morsigen grond besmet was,

met den arm af. Zijne gewone overdreven zindelijkheid droeg er nog

bij om zijn verdriet te verhoogen.

»Ach, lieve hemel!" vervolgde hij, »hoe vreeselijk zal dat op de

beurs den kooplieden in de ooren klinken! Zoo iets is niet gehoord

sedert den slag van Almanza, toen het verlies der Britten op 5000

dooden en gekwetsten, en een onbepaald aantal van vermisten geschat

werd.--Ja, wat beteekent dat, vergeleken bij de ontzettende tijding,

dat Osbaldistone en Tresham opgehouden hebben te betalen!"

Hier brak ik zijn klaaglied af, om hem te zeggen, dat ik geen gevangene

was, maar ook niet wist hoe ik op zulk een uur in de gevangenis was

gekomen. Aan zijn nieuwsgierige vragen kon ik daardoor alleen een

einde maken, dat ik dringend naar zijne eigen omstandigheden vroeg,

en eindelijk zoo veel van hem vernam, als hij mij wist te zeggen. Wel

was zijn verhaal vrij duister, want hoe duidelijk, schrander en bondig

Owen ook over alles redeneerde, wat tot den handel betrekking had,

zoo verward en onverstaanbaar praatte hij over dingen, die buiten den

handelskring lagen. Zijne berichten verschaften mij echter meer licht,

dan ik tot hiertoe erlangd had. Onder de correspondenten van mijns

vaders kantoor in Glasgow, met welke stad hij, wegens zijn handel op

Schotland, vrij aanzienlijke zaken deed, had het huis Mac-Vittie,

Mac-Fin en Comp. zich steeds het dienstvaardigst betoond, bij elke

gelegenheid de ondubbelzinnigste bewijzen van inschikkelijkheid jegens

het Engelsche huis gegeven. Bij alle ondernemingen, had het zonder

te morren, de rol van den jakhals op zich genomen, die zich met de

overblijfselen vergenoegt, welke de leeuw hem overlaten wil. Hoe gering

ook het voordeel mocht zijn, dat men hun gunde, het was volgens hunne

betuiging nog altijd genoeg voor lieden van hun stand. Hoe veel moeite

en werkzaamheden hun ook ten deel vielen, zij verzekerden steeds, dat

zij levendig gevoelden niet genoeg te kunnen doen, om zich voortdurend

de bescherming en den goeden dunk van hunne hooggeachte Londensche

vrienden waardig te maken. Mijns vaders orders waren voor de heeren

Mac-Vittie, Mac-Fin en Comp. wetten der Perzen en Meden, die niet

veranderd, niet vernieuwd, zelfs niet eens opgehelderd mochten worden,

en de overdreven nauwkeurigheid, waarop Owen in handelszaken gesteld

was, scheen hun niet minder heilig te zijn. Dezen toon van diepen

eerbied hield Owen voor echte munt. Maar mijn vader, die een weinig

dieper in het menschelijke hart zag, en òf omtrent die bovenmatige

inschikkelijkheid argwaan koesterde, of, als een vriend van het

korte en eenvoudige in handelszaken, de langwijlige betuigingen van

onbegrensde hoogachting dier heeren hartelijk moede was, had het

verzoek van dit kantoor te Glasgow, om zijn eenige hoofdcorrespondent

in Schotland te zijn, stellig geweigerd. Integendeel, hij liet vele

zaken door een ander kantoor aldaar verrichten. Aan het hoofd daarvan

stond een man van geheel anderen aard. Hij was den Engelschen over

het algemeen even ongenegen als mijn vader den Schotten. Hij wilde

slechts op een voet van volkomen gelijkheid zaken doen. Daarenboven

was hij jaloersch, bij sommige gelegenheden ook twistziek, en even

halsstarrig aan zijne gevoelens omtrent formaliteiten gehecht,

als Owen. Bovendien was het hem volkomen onverschillig, of alle

aanzienlijke Londensche kooplieden zijne gevoelens goed- of afkeurden.

Het onhandelbare karakter van den heer Nikolaas Jarvie maakte hem

eigenlijk tot den handel niet zeer geschikt. Het was eigenlijk moeilijk

zaken met hem te doen. Er ontstonden dan ook niet zelden tusschen hem

en het Engelsche kantoor allerlei lastige twisten, die slechts alleen

uit besef van het wederzijdsche voordeel weder bijgelegd werden. Daar

Owen's eigenliefde bij de verklaringen, die daaruit ontstonden, soms

een weinig gekrenkt werd, was het geenszins te verwonderen, dat de

goede oude man zijn invloed steeds ten gunste van de zoo wellevende,

bescheidene en gedienstige heeren Mac-Vittie en Mac-Fin deed gelden, en

Jarvie als een trotschen, waanwijzen Schotschen handelaar afschilderde,

met wien volstrekt geen land te bezeilen was.

Onder deze omstandigheden, welke ik eerst later nauwkeuriger vernam,

was het alleszins natuurlijk, dat Owen, in den neteligen toestand

waarin het kantoor na mijns vaders afwezigheid en bij Rashleigh's

verdwijning geraakte, terstond na zijne komst in Glasgow, waar hij

twee dagen vóór mij aankwam, zijne toevlucht bij die correspondenten

zocht, welke zich jegens zijn patroon zoo dienstvaardig, dankbaar

en genegen betoond hadden. Bij zijn binnentreden in het kantoor

dezer heeren, werd hij schier met denzelfden eerbied ontvangen,

als een Katholiek aan zijn beschermheilige bewijst. Maar helaas! hoe

schielijk veranderde het tooneel, toen hij door deze allerminzaamste

ontvangst aangemoedigd en met de beste hoop bezield, aan de beiden

heeren den benarden toestand van het huis Osbaldistone en Tresham

openbaarde, en om raad en hulp verzocht. Mac-Vittie ontstelde hevig

op deze noodlottige tijding. Mac-Fin spoedde zich, voor dat Owen nog

uitgesproken had, om in het grootboek het aanzienlijke debet en credit

eens na te slaan, en uit te rekenen, aan wiens zijde het batig saldo

was. De balans helde, helaas! vrij aanmerkelijk ten nadeele van het

Engelsche huis over. Op het gelaat van den Schotschen correspondent,

dat, langzaam bleek geworden, eerst onrustigen twijfel verried,

verspreidde zich nu eene sombere norschheid. Owen's dringend verzoek

om ondersteuning en hulp, beantwoordden de heeren met den eisch van

een spoedigen borgtocht tegen het dreigend verlies. Zij verlangden

eindelijk met vrij scherpe woorden, dat hun daartoe zekere som gelds,

die een andere bestemming had, als onderpand zou gegeven worden. Met

verontwaardiging weigerde Owen aan dezen eisch te voldoen. Dit was,

zeide hij, even onteerend voor zijn kantoor, als onrechtvaardig

ten opzichte van de andere crediteuren. Ja, hij zou het als een

bewijs van ondankbaarheid moeten beschouwen van hen, die zulk een

onteerenden eisch stelden. Mac-Vittie en Mac-Fin hadden, wat lieden

die ongelijk hebben steeds welkom is, gedurende deze niet zeer

vriendelijke woordenwisseling eene goede gelegenheid, om in hevigen

toorn te geraken. Onder het voorwendsel, dat men hen getergd had,

konden zij maatregelen nemen, die, zoo niet gemoedelijkheid, dan het

besef van welvoegelijkheid hun anders zou hebben verboden.

Owen had, wat wel meermalen het geval is, een klein aandeel aan de

onderneming van het kantoor, welks eerste boekhouder hij was. Hij

moest dus voor de verplichtingen ervan mede persoonlijk borg

blijven. Mac-Vittie en Mac-Fin wisten dit. Om hem hunne macht te

doen gevoelen, en hem tevens tot de voor hen voordeelige maatregelen,

waartegen hij zich zoo stellig verzette, te dwingen, lieten zij hem in

hechtenis nemen, wat de Schotsche wetten den schuldeischer vergunnen,

die een eed aflegt, dat zijn schuldenaar voornemens is het land te

verlaten. Uit kracht van dit recht, dat tot vele misbruiken aanleiding

geeft, had Owen, vóór dat ik zoo geheimzinnig in zijn kerker werd

gebracht, zijne vrijheid verloren.

»Wat nu te doen?" vroeg ik mij zelven, toen ik van den neteligen staat

der zaken onderricht was. Ik zag de gevaren, waardoor wij omringd

waren, doch des te moeielijker was het, hulpmiddelen te vinden. De

waarschuwing, die ik ontvangen had, scheen aan te duiden, dat mijne

persoonlijke vrijheid gevaar kon loopen, als ik mij openlijk voor Owen

in de bres wilde stellen. Owen koesterde dezelfde vrees, en in zijne

bezorgdheid voor mij niet minder overdreven dan in zijne stiptheid in

den handel, verzekerde hij mij, dat een Schot, eer hij een enkelen

duit aan een Engelschman zou willen verliezen, wel recht zou weten

te vinden, om zelfs zijn schuldenaars vrouw, kinderen en dienstboden

in hechtenis te doen nemen. De wetten tegen schuldenaars zijn in

de meeste landen zoo onbarmhartig streng, dat ik hetgeen hij zeide

niet geheel en al in den wind kon slaan. Mijne gevangenneming zou,

onder de toenmalige omstandigheden, aan de belangen van mijn vader

den doodsteek gegeven hebben. In deze benardheid vroeg ik mijn ouden

vriend, of hij zich ook niet tot mijns vaders tweeden correspondent,

Nikolaas Jarvie, vervoegd had?

»Ik heb hem heden geschreven," antwoordde Owen; »maar nu die wellevende

en dienstvaardige heeren Mac-Vittie en Mac-Fin in Gallowgate ons reeds

zoo ondankbaar behandeld hebben, kunnen wij ons waarlijk niet veel

van dien ongelikten beer op de Zoutmarkt beloven.--Even goed zoudt

gij van een makelaar kunnen begeeren, dat hij zijne courtage liet

varen, als van dien man een dienst te verwachten, zoo lang hij niet

verzekerd is, een driedubbelen dienst van u te zullen erlangen. Mijn

brief, die hem toch heden, toen hij naar de kerk ging, terstond ter

hand is gesteld, heeft hij niet eens beantwoord. O, mijn ongelukkige

patroon!" vervolgde de troostelooze boekhouder en wierp zich op

zijn stroozak. »Mijn waarde, goede patroon! O, Frans, Frans! dat

komt van uwe eigenzinnigheid! God vergeve het mij, dat ik het u in

uwe tegenwoordige omstandigheden zeg! Maar, hoe het ook zijn moge:

de Heere heeft het zoo beschikt; de zondaar moet zich aan 's Heeren

wil onderwerpen."

Ik deelde innig in de smart van den braven ouden man. Ik was

aangedaan. Ik schreide en de tranen die ik weende, brandden mij des

te smartelijker, daar ik mijne koppigheid jegens mijn vader, welke

de goedhartige Owen mij niet wilde verwijten, als de eenige oorzaak

van al dezen jammer en ellende moest beschouwen.

Terwijl wij ons zwijgende in onze treurige gedachten verdiepten,

werden wij plotseling door een vrij sterk kloppen op de groote poort

der gevangenis in onze mijmering gestoord. Terstond begaf ik mij

naar de wenteltrap, om te luisteren, maar ik kon volstrekt niets

dan de stem van den gevangenbewaarder hooren, die afwisselend luide

sprak tegen iemand, die buiten stond, en zacht met den man, die mij

herwaarts had geleid.--»Ik kom, ik kom!" riep hij en fluisterde dan

weder: »o, mijn hemel! wat zal daarvan worden? Spoed u en verberg u

achter de krib van den gevangene.--Ja, ja, ik kom immers al--het is

de schout en de raadsheeren met eenige gerechtsdienaars. Daar komt de

kommandant ook de trap af. De hemel neme ons in zijne hoede! Ga toch,

ga toch, of hij ziet u! Nu, ik kom--de grendel is zoo verroest."

Terwijl Dugald, zóó langzaam als hem slechts mogelijk was, de sloten

opende en de grendels wegschoof, om de aankloppenden, wier ongeduld

al grooter werd, binnen te laten, snelde mijn geleider de wenteltrap

op en in Owens kamer, werwaarts ik hem volgde. Schielijk zag hij in

het rond, als wilde hij eene plaats zoeken, waar hij zich zou kunnen

verbergen. Daarbij riep hij mij toe: »Leen mij uw pistool!--Doch neen,

ik zal mij wel redden. Wat gij hier ook zien moogt, bekommer u om

niets en bemoei u volstrekt niet met eens anders twisten. Laat alles

aan mij over: ik moet alles zelf klaar spelen. Ik heb wel erger in

de klem gezeten dan nu!"

Dit zeggende wierp de onbekende zijn zwaren mantel af, plaatste zich

tegenover de deur, waarop hij zijn starend oog vestigde, en trad toen

een paar schreden terug, om zijne krachten te verzamelen, als een

moedig paard, dat over een slagboom springen zal. Zonder twijfel was

hij voornemens bij het openen van de deur, de binnentredenden op het

lijf te vallen, en zich, allen tegenstand trotseerende, een weg naar

buiten te banen. In zijne gestalte vertoonde zich zoo veel kracht en

behendigheid, en in zijn geheel voorkomen straalde zooveel vastberaden

moed door, dat ik hem in mijne gedachte reeds als overwinnaar zag,

zoo zijne tegenpartij zich niet met de wapens tegen hem verzette.

Na eenige oogenblikken van angstige verwachting ging de deur open. Maar

er verscheen--geene wacht met snaphanen en bajonetten, geene bende

gerechtsdienaars met hellebaarden en knuppels, maar een heel aardig

meisje, in een wollen, opgeschort rokje, en met eene lantaren in

de hand. Haar volgde eene gestalte, welke men reeds op het eerste

gezicht voor een persoon van meer gewicht moest houden: een klein,

vrij gezet man, met eene tamelijk groote pruik, en, zoo als het

alras bleek, een lid der stedelijke regeering. Hij kwam binnen,

half grommend en brommend en bijna buiten adem. Mijn geleider trad

bij het binnenkomen van dezen man terug, alsof hij zich aan diens

gezicht wilde onttrekken. Doch aan den doordringenden blik, waarmede

het regeeringslid de gansche kamer overzag, kon hij niet ontsnappen.

»Zoo, zoo, dat is hier eene lieve gewoonte, kapitein Stanchell!" zeide

hij tot den kommandant der gevangenis, die zich thans in deemoedige

houding aan de deur vertoonde; »een half uur heb ik aan de poort

moeten wachten, hoewel ik zoo hard geklopt heb om in de gevangenis

te komen, als menigeen doen zou om er uit te komen. En wat moet dit

beteekenen? Bezoek hier, na sluitenstijd? Dat zal onderzocht worden,

Kapitein Stanchells, daarop kunt gij staat maken! Sluit de deur, ik

heb met deze heeren een woordje te spreken. Maar eerst met mijn ouden

bekende. Welnu mijnheer Owen, mijnheer Owen! hoe gaat het u, vriend?"

»Ja, ja, ik dank u mijnheer Jarvie, met de gezondheid zoo tamelijk;

maar naar den geest zeer bedrukt en terneergeslagen."

»Dat zal wel zoo zijn, dat heeft ook zijne reden. Het is inderdaad eene

verschrikkelijke historie--het is wat te zeggen man; en vooral voor

iemand, die het hoofd zoo hoog droeg. Zwakke menschenkinderen! Zwakke

menschenkinderen! Ja, ja, tot een val kunnen wij allen

komen. Osbaldistone is een braaf, eerlijk man. Maar ik heb altijd

gezegd, hij behoort tot die menschen, die het spreekwoord bevestigen:

»hoogmoed komt voor den val!" En daarom zeide mijn overleden vader,

de oud-ouderling, zoo dikwijls tegen mij: »Nikolaas--Nikolaas," zeide

hij, hij heette Nikolaas, even als ik--»Nikolaas, jongen vlieg vooral

niet hooger dan uwe wieken u kunnen dragen. Strek uw arm nooit zoo ver

uit, dat gij hem niet gemakkelijk terug kunt trekken." En datzelfde

heb ik den heer Osbaldistone menigmaal gezegd; maar hij scheen er geen

ooren voor te hebben. Ja, hij nam het zelfs niet eens vriendelijk op,

ofschoon het van mijn kant welgemeend was--ja, welgemeend!"

Bemoedigend was die toespraak niet. Zij werd met eene bijzondere

vlugheid van tong, en bij de herinnering aan zijne waarschuwingen en

voorspellingen met zichtbaar zelfbehagen voorgedragen en gaf ons luttel

hoop, om van Jarvie eenige hulp te erlangen. Maar spoedig bleek het,

dat niet zoo zeer gebrek aan welwillendheid, dan wel aan kieschheid hem

deze harde woorden deed spreken. Toen Owen zijne gevoeligheid daarover

te kennen gaf, dat men hem in zijn ongelukkigen toestand dergelijke

dingen herinnerde, vatte Jarvie hem bij de hand en zeide op gullen,

vertrouwen inboezemenden toon: »Wees goeds moeds! Denkt gij dan,

dat ik te middernacht herwaarts gekomen ben en bijna den Sabbath zou

geschonden hebben, om een gevallen medemensen zijn val te verwijten

en hem zijne misstappen onder den neus te wrijven? Neen, dat doet

Nikolaas Jarvie niet. Zoo handelde ook nooit zijn overleden vader,

die brave, nu godzalige, man! Luister eens vriend, het is bij mij een

stalen regel, op den Sabbath nooit aan wereldsche zaken of bezigheden

te denken. Ik heb mij alle mogelijke moeite gegeven, om mij uw brief,

dien ik heden morgen ontving, uit het hoofd te zetten. Toch heb ik

er den ganschen dag meer aan gedacht dan aan de preek, die ik in de

kerk gehoord heb. Verder is het bij mij een niet minder vaste regel

precies te tien ure in mijn bed met de gele gordijnen te stappen,

tenzij ik eens een schelvischje met een buurman eet, of een buurman

bij mij soupeert. Vraag het maar dat meisje daar, of dat mijne gewone

manier van doen niet is. En denk nu eens, daar heb ik te huis gezeten

met een stichtelijk boek in de hand en intusschen geluisterd en naar

buiten gezien, en weer geluisterd, en weer naar buiten gezien, en

gegaapt, alsof ik den kerktoren wilde verslinden, tot het eindelijk

twaalf ure sloeg. Toen was het mij geoorloofd, mijn grootboek eens

in te zien, om te weten, hoe de zaken tusschen ons stonden. En toen

moest het meisje de lantaarn opsteken, en zoo begaf ik mij herwaarts,

om te overleggen, wat er in uwe zaak kon gedaan worden. Nicolaas

Jarvie kan als lid van den stedelijken raad, elk uur de gevangenis

bezoeken, en datzelfde voorrecht had ook mijn vader, die insgelijks

in zijn tijd lid van den stedelijken raad was. Die brave man--ach,

hij is nu dood, maar zijne nagedachtenis blijft eeuwig in eere."

Een diepe zucht, welken Owen bij het noemen van het grootboek slaakte,

deed mij vermoeden en vreezen, dat het ook hier met de rekening

niet zeer voordeelig stond. Bovendien, de woorden van het achtbare

regeeringslid gaven zeer veel zelfbehagen en min of meer trotschheid

op het overwicht van zijn oordeel te kennen. Doch aan den anderen kant

spraken daaruit tevens eene gulheid en ongeveinsde goedhartigheid,

die mij weder met nieuwe hoop bezielden. Hij verlangde eenige papieren

te zien, welke hij opnoemde. Owen gaf ze hem; schielijk rukte hij ze

hem uit de hand, ging op den rand der krib zitten, om, zoo als hij

zeide, wat uit te rusten, liet zich door het meisje met de lantaren

bijlichten, en terwijl hij nu eens over het flauwe licht, dan weder

over het slechte, onleesbare schrift klaagde, las hij toch de papieren

met zeer veel ijver en aandacht door.

Van dit gunstige oogenblik scheen mijn geleider partij te willen

trekken om te ontsnappen. Hij gaf mij een wenk om mij stil te houden,

en begon langzaam van plaats te veranderen. Zijn voornemen was

natuurlijk om onopgemerkt naar de deur te sluipen. Maar de waakzame

Jarvie,--geheel anders dan mijn vroegere kennis de vrederechter

Inglewood,--werd het oogenblikkelijk gewaar. Hij riep terstond:

»Kommandant Stanchells! pas op de deur! Toegesloten, zeg ik u. Buiten

wachthouden!"

De onbekende fronste de wenkbrauwen. Een oogenblik scheen hij op

gewelddadige middelen tot zijne bevrijding te denken. Maar eer hij

een besluit had genomen, was de voordeur gesloten en de zware grendel

daar voor geschoven. Hij mompelde een paar driftige woorden in zijne

moedertaal, deed eenige stappen heen en weder, ging toen, als ware

hij volkomen bereid om het gevolg af te wachten, met wrevelige

vastberadenheid op de eikenhouten tafel zitten en floot een liedje.

Jarvie, die in handelszaken vrij vlug van bevatting scheen te zijn,

had den inhoud der papieren spoedig begrepen.

»Ja, mijnheer Owen," zeide hij, »ik zie hoe de zaken staan. Uw

kantoor is aan dat van Mac-Vittie en Mac-Fin en Co. eene zekere

som schuldig. Waarachtig! zij moesten zich schamen, die zoogenaamde

wellevende en vriendelijke heeren! Immers, zij hebben zoo veel, ja

vrij wat meer, bij die negotie met het eikenhout uit de bosschen

van Clen-Cailziechat gewonnen, die zij mij door den neus hebben

geboord. Dat was toch voornamelijk door uw lieve voorspraak, mijnheer

Owen. Maar daarover zullen wij thans niet haspelen. Gedane zaken

hebben geen keer, placht mijn overleden vader Nicolaas Jarvie te

zeggen. Dus kort en goed, uw kantoor is hun die som schuldig, en

voor eene andere som, welke zij voor uwe firma overgenomen hebben,

heeft men u hier achter de traliën gezet. Gij zijt hun schuldig man,

en misschien ook nog wel iets aan iemand anders schuldig--misschien

nog wel iets aan mij."

»Ik kan het niet ontkennen, mijnheer Jarvie," antwoordde Owen; »de

balans zou tegen ons kunnen zijn; maar bedenk toch...."

»Hoor eens, mijn goede vriend, ik heb thans weinig tijd om te

bedenken. Het is nog zoo kort na den Sabbath en op een tijd van

de nacht, waarop iemand, als ik, zoo gaarne in zijn bed ligt! En

als men zich dan nog daarenboven aan de ongezonde nachtlucht moet

blootstellen--neen, dan is er geen tijd noch lust om zich lang te

bedenken! Maar, zoo als ik zeg, gij zijt mijn schuldenaar--dat is

niet te loochenen--gij zijt mijn schuldenaar; of de schuld groot of

klein is, zie, dat moet nader blijken. Maar mijnheer Owen, hoe knap

gij ook zijt, hoe volkomen gij u op den handel verstaat, de zaak,

waarvoor gij hier zijt gekomen, zult gij nooit in orde krijgen, als

gij hier in de gevangenis moet blijven. Derhalve, manlief, kunt gij

nu iemand vinden, die borg voor u wil spreken, dat gij het land niet

verlaten, maar voor ons gerecht verschijnen en alzoo behoorlijk uw

borg ontslaan zult--dat is dan, zoo als de rechtsgeleerden het noemen,

judicio sisti--zie, dan komt gij morgenochtend weder op vrije voeten."

»Ach, mijnheer Jarvie! Was er maar een braaf mensch, die op deze wijs

borg voor mij wilde blijven, dan zou ik zeker mijne herkregen vrijheid

thans zeer nuttig kunnen besteden, niet alleen voor onze firma, maar

ook voor al de vrienden, met wie wij in handelsbetrekkingen staan."

»Juist, dat geloof ik gaarne! En zulk een goed mensch zou dan ook

buiten twijfel zeker moeten zijn, dat gij op de eerste dagvaarding

behoorlijk verschijnen zoudt om hem van zijne op zich genomen

verplichting te ontheffen."

»Zeer zeker zou ik dat doen, zoo zeker als tweemaal twee vier is,

wel te verstaan, met uitzondering van onverhoopt tusschenkomende

ziekte of dood."

»Nu ja, dat spreekt van zelf. Hoor eens, mijnheer Owen, ik voed

volstrekt geen wantrouwen omtrent u. Dat zal ik u bewijzen--ja,

bewijzen zal ik het u! Ik ben een voorzichtig man, dat is bekend. Ik

schuw geen arbeid en laat het mij om mijn stukje brood zuur genoeg

worden, dat kan de gansche stad getuigen. Ik weet mijn geld te winnen,

mijn geld te tellen en mijn geld te bewaren, even goed als de beste

financier van geheel Glasgow.--Ook durf ik zeggen, dat ik mij niet

spoedig tot het een of ander laat bepraten of overhalen, maar doorgaans

mijne eigen meening volg, van welke ik dan ook geen haarbreed afwijk,

even als mijn vader, die op dat punt ook onverzettelijk was.--Maar

een braaf man, die den handel verstaat, door en door, die gaarne als

eerlijk man ieder het zijne wil geven, hier in de gevangenis te laten

versmachten, buiten staat om zich zelven of anderen te helpen--neen,

dat kan ik niet van mij verkrijgen! Kortom vriend Owen, ik zelf zal

uw borg zijn. Maar neem het wel in aanmerking, het is een borgtocht

judicio sisti, zoo als onze rechtsgeleerde stadssecretaris zegt,

en geen judicatum solvi, want dat is heel iets anders."

Owen verzekerde, dat hij in de tegenwoordige omstandigheden natuurlijk

niet hopen kon een borg voor de werkelijke betaling te zullen vinden,

maar dat niemand behoefde te vreezen, dat hij in gebreke zou blijven

om op de eerste dagvaarding te verschijnen.

»Ik geloof u, ik geloof u, en daarmede basta! Morgen, of eigenlijk

heden ochtend, tegen den tijd van het ontbijt zijt gij weêr op vrije

voeten. Maar nu zullen we eens onderzoeken wat uw gezelschap hier

doet, en hoe het tegen alle orde en regel des nachts in de gevangenis

is gekomen?"

Robbert Roodhaar · 第 34 / 57 题