In 't middernacht'lijk uur op de Rialto,
Volbreng ik, peinzende mijn avondgang ...
Daar dan ontmoeten wij elkander ...
Venetië gered.
Een angstig voorgevoel overviel mij, zonder dat ik eene bevredigende
reden er voor geven kon. Ik sloot mij in de kamer van de herberg
op. Want mijn geleider, die er op aandrong, dat ik met hem de
St. Enochskerk bezoeken moest, waar een rechtzinnig geestelijke zou
prediken, had ik bevolen alleen te gaan. Welk besluit was in mijn
toestand het beste? Deze vraag hield mij ernstig bezig. Bijgeloovig
was ik niet, maar ik geloof, dat elk mensch, die in een benauwden
toestand al de hulpmiddelen van zijn verstand vruchteloos uitgeput
heeft, in een aanval van vertwijfeling licht verleid kan worden om
zijne verbeelding den vrijen teugel te vieren. Hij geeft zich dan
geheel aan het toeval over, òf aan die grillige indrukken, die in
hem opkomen en hem, ondanks zich zelven, medesleepen. Er lag iets
zoo zonderling terugstootends in de onaangename gelaatstrekken van
den Schotschen koopman, dat ik niet kon besluiten, mij aan hem te
vertrouwen. Maar bovendien, die waarschuwer, die als een vluchtig
spook onder het gewelf verdwenen was, als in het »rijk der schimmen"
zoo iets moest de verbeelding van een jong mensch wel boeien, die,
zoo als gij u wel zult herinneren, tevens een dichter was, en dus in
de omgeving paste.
Als gevaren mij omringden, zoo als ik gewaarschuwd was, dan was er
slechts één weg om ze te leeren kennen, en middelen te vinden, ze te
ontwijken. Ik moest dan mijn onbekenden raadgever ontmoeten, bij wien
ik immers slechts welmeenende oogmerken mocht veronderstellen. Ik
dacht meer dan eens aan Rashleigh en diens listen. Maar mijne reis
was zoo snel in zijn werk gegaan, dat ik niet gelooven kon, dat
hij reeds van mijne komst in Glasgow onderricht, of voorbereid kon
zijn, een aanslag tegen mij te wagen. Het ontbrak mij dan ook niet
aan moed en vastberadenheid. Ik bezat lichaamskracht, en had mij,
even als destijds alle jongelingen in Frankrijk, in den wapenhandel
geoefend. Een enkelen vijand vreesde ik niet. Sluipmoord was in die
dagen zeldzaam. Ook was de opgegeven plaats van bijeenkomst te open,
om eenig te voren beraamd geweld te vermoeden. Kortom, ik besloot
mijn geheimen raadsman op de brug te ontmoeten, en mij daarna door
de omstandigheden te laten leiden. Ik wil voor u niet verbergen,
waarde Tresham, wat ik toenmaals weliswaar voor mij zelven trachtte te
verbergen--de onderdrukte, heimelijk gevoede hoop, dat Diana Vernon,
ofschoon ik ook niet gissen kon hoe en door welke middelen, bij de
zoo zonderlinge, dubbelzinnige waarschuwing, welke ik onder zulke
verrassende omstandigheden ontvangen had, de hand in het spel moest
hebben. Haar alleen--fluisterde de bedriegelijke hoop mij in--haar
alleen was mijne reis bekend. Zij had, volgens hare eigen bekentenis,
vrienden en invloed in Schotland. Zij had mij een talisman gegeven,
dien ik zou aanwenden, zoodra alle middelen mislukten. Wie anders dus
dan Diana, bezat de middelen, de kennis, de neiging, om de gevaren
af te wenden, die, naar het scheen, mij op den voet volgden. Deze
vleiende overweging drong zich weder meer en meer aan mij op. In het
eerst, voordat ik mij aan tafel zette, kwam die gedachte zeer onbestemd
vóór mijn geest. Maar zij had bekoorlijkheid voor mij. En terwijl ik
mijn sober maal nuttigde, vooral een half uur later, toen misschien
eenige glazen goeden rooden wijn haar aanwakkerden, was het denkbeeld
»Diana roept u" zoo krachtig in mij, dat ik, als het ware om aan een
bedriegelijke verleidster te ontsnappen, welker gevaarlijken invloed
ik levendig gevoelde, flesch en schotels wegschoof en mij naar buiten
spoedde, als om mij zelven te ontvluchten. Maar deze poging--hoe
welgemeend ook, waaraan ik in elk geval niet gaarne zien zoude dat
gij twijfeldet--bewerkte juist het tegendeel van hetgeen zij bewerken
moest. Want onwillekeurig nam ik mijn weg naar de brug over de Clyde,
waar de geheimzinnige waarschuwer beloofd had mij te zullen ontmoeten.
Mijne zeer vrome waardin wilde tusschen de voor- en
namiddagspredikatie, om den Sabbath niet te schenden, volstrekt
geen werk verrichten, en dus ook geen eten koken. Daarom had ik mijn
middagmaal eerst na het eindigen van de namiddagsgodsdienstoefening
gehouden en aldus ook de waarschuwing van den onbekende, om tot aan
schemeravond te huis te blijven, in acht genomen. Toch moesten nog
verscheidene uren verloopen, eer de bepaalde tijd van onze bijeenkomst
daar was. Ongeduldig zag ik de oogenblikken voortkruipen. Ik kan u
bijna niet zeggen, hoe langzaam mij hun slakkengang scheen. Langs den
oostelijken oever der rivier wandelden op eene uitgestrekte weide,
die zoowel tot bleekveld als tot wandelplaats diende, talrijke
groepen in hun Zondagspak uitgedoschte Glasgowers, terwijl anderen
met deftige stappen de lange brug op en neer gingen. Allen, jong en
oud, schenen zich, met een dankbaar gemoed voor de genoten weldaden,
aan de heiligheid van den dag te wijden. Het maakte een aangenamen
indruk. Al was ook de vrome stemming bij sommigen slechts eene
onwillekeurige aandoening, misschien zelfs een aangenomen masker,
bij de meesten kon men duidelijk zien, dat zij uit de echte bron,
uit het hart, opwelde. Hoe vele menschen ik ook voorbij zag gaan,
ik hoorde nooit meer dan één tegelijk overluid spreken. Slechts zeer
weinigen kwamen terug om nog eenige minuten te wandelen. Hoe ook het
schoone weêr en het niet minder schoone oord hen, die toch op dezen dag
van hunne gewone werkzaamheden uitrustten, uitnoodigden, allen spoedden
zich naar huis. Waarlijk, wie, zoo als ik, weet hoe men buiten's lands,
zelfs onder de Fransche Protestanten, den Zondag gewoonlijk doorbrengt,
moet zeker iets Joods, maar tevens iets bijzonder treffends vinden in
deze wijze van den Sabbath te vieren. Terwijl ik zoo langs den oever
heen en weder slenterde en degenen, die dadelijk huiswaarts keerden,
tegenkwam, begon ik eindelijk te begrijpen, dat ik mij hier licht tot
een voorwerp der opmerkzaamheid, zoo niet van allerlei aanmerkingen
maken kon. Ik koos dus een minder bezochte weg. Het verschafte mij
in zekeren zin een afleiding, al wandelende er op te letten, om de
aandacht der overige wandelaars te ontwijken. De lanen der vlakte,
welke even als die van het St. Jamespark te Londen met boomen vrij
dicht bezet zijn, maakten het mij nog al gemakkelijk.
Juist kwam ik eene dezer lanen door, toen ik plotseling tot mijne
verrassing de scherpe stem van den tuinman Andries hoorde, die, in het
besef van zijne tegenwoordige gewichtigheid een weinig luider sprak,
dan anderen met de plechtigheid van den dag bestaanbaar achtten. Er
bleef mij, ofschoon het juist het beste middel niet was, om op die
wijze de lastige praatzucht en nog lastiger nieuwsgierigheid van
mijn reisgenoot te ontgaan, niets anders over dan mij schielijk
achter een boom te verschuilen. Hij wandelde naast een man met een
ernstig voorkomen, wiens kleeding hoofdzakelijk uit een zwarten rok,
een neerhangenden hoed met een breeden rand, en een langen mantel
bestond. Ik hoorde--mijne eigen karakterbeschrijving. Weliswaar,
mijne eigenliefde vond het eene grove karikatuur, die beleedigend was,
maar innerlijk moest ik bekennen--dat de schets gelijkend was.
»Ja, zoo als ik u zeg, mijnheer Hammorgan," zeide Andries tot zijn
geleider, »zoo is hij, van top tot teen. Het ontbreekt hem niet aan
verstand. Hij beseft wel zoo wat hetgeen goed, oorbaar en raadzaam
is in elk geval, maar eer men zich omkeert heeft hij alles weder
vergeten. Dat komt voornamelijk daar van daan, dat hij zich altijd
met die gekke poëzie bezig houdt. Dat brengt hem het hoofd geheel op
hol. Een ouden, half verdorden eik kan hij met even veel belangstelling
aanstaren, alsof het een appelboom met heerlijke vruchten was. Een
kale rots, waarvan eene beek neerstort, is hem veel aangenamer dan
de weligste moestuin. Ook babbelt hij veel liever met een zeker
halfgek meisje, Diana Vernon--ja, men moest haar liever Diana van
Epheze noemen, want zij is niet veel beter dan eene Heidin--wat
zeg ik, beter, zij is veel erger, want zij is eene Papiste!--Ja,
met die, of met andere ledigloopers, loopt en babbelt hij veel
liever, dan dat hij van u, of van mij, of van andere verstandige
lieden bedaard zou aanhooren, wat hem hier en hiernamaals van nut
zou kunnen zijn. Ach, verstandig moet men eigenlijk niet met hem
spreken, mijnheer Hammorgan! Dat baat niets. Alles is wildzang bij
hem. Naar bedaarde rede luistert hij niet. Wat dunkt u? Onlangs had
hij de onbeschaamdheid om te zeggen--die arme verblinde zondaar!--dat
Davids psalmen heerlijke gedichten waren! Alsof de heilige Psalmist
een rijmelaar geweest was, zooals hij en andere wereldlingen!"
Bij het aanhooren dezer stichtelijke beoordeeling van mijn aard
en letterkundige bezigheden, dacht ik in mijn rechtmatigen toorn
den tuinman, bij de eerste gelegenheid de beste, met eene voelbare
antikritiek te dienen. Zijn geleider liet slechts door enkele woorden,
zooals: »ei, ei! wat ge zegt! wel zoo!" eenige opmerkzaamheid blijken,
tot hij eindelijk eene vrij lange aanmerking maakte, wier inhoud ik
slechts uit de antwoorden van mijn reisgenoot kon gissen.--»Wat! Ik
zou hem eens goed mijne meening zeggen? Neen, dan moest Andries
gek zijn! Hij vliegt op als buskruit," en »Ik zou geduld met hem
hebben? Ik weet waarlijk niet waarom ik dat doen zou. Overigens,
de jongen is niet kwaad: hij moet maar iemand hebben, die zoo wat op
hem past. Het goud loopt hem tusschen de vingers door als water. Ja,
wie dicht bij hem is, wanneer hij zijne beurs getrokken heeft, die
is er zoo slecht niet aan toe."
Wat hij verder zeide, kon ik niet verstaan, daar hij zich met zijn
metgezel verwijderde. De opwelling van mijn misnoegen bedaarde
spoedig. Ik bedacht dat Andries juist geen ongelijk zou hebben, als
hij mij, op zijne wijze, toeriep: »een luisteraar hoort zijne eigen
schande." Wie luisteren wil naar eene beoordeeling van zich zelf,
zooals dit in de keuken door de dienstboden geschiedt, moet er zich
wel degelijk op voorbereiden, om ongenadig gehavend te worden. Als
ik dit in aanmerking nam, mocht ik over mijn beoordeelaar misschien
nog zeer tevreden zijn.
Intusschen was dit kleine avontuur mij in zoo verre aangenaam, dat het
mij voor eenige oogenblikken den tijd kortte, die mij zoo lang viel. De
nacht begon intusschen te vallen, en de langzamerhand toenemende
duisternis wierp eerst eene gelijkvormige donkere tint over de breede,
stille en diepe rivier, die daarop een somber aanzien kreeg en hier
en daar flauw door het maanlicht beschenen werd. De nog zeer hechte
oude brug over de Clyde, was nauwelijks zichtbaar. Het herinnerde mij
aan de brug uit het sprookje, die in Mirza's droomgezicht over het dal
van Bagdad liep. De lage bogen, zwart als de rivier waaruit zij zich
verhieven, geleken meer op holen, die het donkere water verslonden,
dan op poorten, om het door te laten. Met den aanbrekenden nacht
werd het al stiller. Slechts nu en dan zweefde langs de rivier een
schemerend licht, als kleine gezelschappen huiswaarts gingen, die na
den dag des Heeren plichtmatig door het bijwonen van den openbaren
godsdienst en onthouding van alle wereldsche vermaken gevierd te
hebben, een vriendschappelijk maal genoten hadden, het eenige, wat
de Presbyterianen zich op den Sabbath veroorloofden. Soms hoorde men
ook den hoefslag van een paard, dat dezen of genen landman, die den
Zondag in Glasgow had doorgebracht, naar zijn dorpje terugvoerde. Van
lieverlede werden deze geluiden en verschijningen zeldzamer. Ze hielden
weldra geheel en al op. Eenzaam wandelde ik nu langs den oever der
rivier, en de plechtige stilte werd slechts van tijd tot tijd door den
klokslag afgebroken, die van den kerktoren helder door de stilte klonk.
Naarmate de nacht vorderde, werd mijn ongeduld over de onzekerheid,
waarin ik mij bevond, met ieder oogenblik levendiger en eindelijk
bijna onbedwingbaar. Reeds vroeg ik mij zelven af, of de laffe grap
van een gek, of de sluwheid van een schelm, of het overlegde plan van
een schurk mij bedrogen had. Met een gemengd gevoel van ongerustheid
en misnoegen begaf ik mij naar de brug. Eindelijk sloeg de klok der
hoofdkerk twaalf ure. Doch nauwelijks was de klank van den laatsten
slag verdwenen, of eene menschelijke gedaante, de eerste, welke ik
sedert twee uren gezien had, kwam van den westelijken oever de brug
over. Ik ging haar te gemoet met eene gewaarwording, alsof van het
gevolg dezer bijeenkomst mijn levenslot afhing; zoozeer had mijne
gespannen verwachting mijne bezorgdheid gaande gemaakt. Toen ik den
onbekende naderde, zag ik, dat hij van meer dan middelbare grootte
en vrij gezet was. Een ruitermantel bedekte hem. Ik vertraagde
mijne schreden en bleef, toen ik nabij hem was, bijna stilstaan,
in de verwachting dat hij mij aanspreken zou. Maar ik zag mij zeer
onaangenaam te leur gesteld, toen hij verder ging zonder iets
te zeggen. Ik had volstrekt geen voorwendsel, om hem het eerst
aan te spreken. Ofschoon hij op het tot onze bijeenkomst bepaald
uur verscheen, kon hij nochtans een vreemdeling zijn. Hij ging mij
voorbij; ik bleef staan en zag hem na in twijfel of ik hem volgen
zou. De onbekende begaf zich naar het oosteinde der brug, bleef daar
staan, keek om, keerde terug en kwam weder naar mij toe. Ik begreep,
dat hij ditmaal mijn stilzwijgen vreemd zou kunnen vinden, als ware
hij een geest, die, zoo als men wel eens zegt, niet vermag te spreken,
voordat hij aangesproken wordt.
»Gij zijt nog laat op weg, mijnheer!" sprak ik, toen hij bij mij stond.
»Ik ben mijn woord getrouw, en gij zijt dit ook, hoop ik, mijnheer
Osbaldistone!"
»Gij zijt dus degeen, die mij uitnoodigde, om u hier op dit ongewone
uur te ontmoeten?"
»Die ben ik!" hernam de onbekende. »Volg mij en gij zult vernemen
waarom."
»Voor dat ik u volg," hernam ik, »moet ik met uw naam en doel bekend
zijn."
»Ik ben een mensch," was het antwoord; »en mijn doel is goed."
»Een mensch?" herhaalde ik. »De aanduiding is zeer kort."
»Zij is voldoende voor hem die geene andere te geven heeft," antwoordde
de onbekende. »Wie zonder naam, zonder vriend, zonder vaderland is,
is ten minste nog altijd een mensch. En zelfs wie al dat genoemde
bezit, wat is die dan meer?"
»Maar dat is in elk geval eene veel te algemeene verklaring van uw
persoon, dan dat een vreemdeling zich aan u zou kunnen toevertrouwen."
»En toch is zij de eenige, die ik voornemens ben u te geven. Nu kunt
gij mij volgen. Maar wilt gij hier blijven zonder de inlichtingen te
erlangen welke ik u wensch te verstrekken, welnu, dan moet gij dit
zelf weten."
»Kunt gij mij die hier niet geven?" vroeg ik.
»Gij moet ze door middel van uwe eigen oogen ontvangen, niet door
middel van mijn mond. Of gij volgt mij of gij blijft zonder die
belangrijke mededeelingen aangaande het bericht, dat ik u wil geven."
Er lag in den toon en het voorkomen van den man iets droogs, stelligs,
ja iets min of meer ruws, dat juist niet zeer geschikt was om een
onbepaald vertrouwen in te boezemen.
»Wat vreest gij dan toch?" vervolgde hij. »Voor wien meent gij dat uw
leven van zooveel belang is, dat men trachten zou het u te ontrooven?"
»Ik vrees niets," antwoordde ik op vasten toon, doch eenigszins
haastig. »Welaan, vooruit maar, ik volg u."
Wij gingen heen, maar tegen mijne verwachting terug naar de stad, en
slopen als spoken door de ledige straten, terwijl in het schemerlicht
der maan de hooge, sombere voorgevels der huizen met hunne sieraden,
nog hooger en somberder schenen.
Na eenige minuten brak mijn geleider het zwijgen aldus af: »Zijt
gij bevreesd?"
»Ik herhaal uwe eigene woorden: Waarom zou ik bevreesd zijn?"
»Omdat gij u met een onbekende bevindt, misschien met een vijand,
en wel op eene plaats, waar gij geen vrienden en vele vijanden hebt."
»Ik vrees u, noch hen. Ik ben jong, moedig en goed gewapend."
»En ik ben integendeel niet gewapend," antwoordde mijn geleider. »Maar
dat doet er niet toe. Eene gewillige hand ontbreekt het nooit aan
kracht tot tegenweer. Gij verzekert mij, dat gij niets vreest. Maar
zoo gij wist, wien gij thans naast u hebt, zou het u, geloof ik,
wel eenigszins anders om het hart worden."
»En waarom dat?" vroeg ik. »Nog eens, ik vrees volstrekt niets van u."
»Niets van mij? Het kan zijn! Maar vreest gij de gevolgen niet, die
het zou kunnen hebben, wanneer men u bij een man vond, wiens naam
men in deze eenzame straten slechts fluisterend behoeft te noemen,
om zelfs de steenen te doen oprijzen om hem te grijpen?--bij een man,
door wiens hoofd over te leveren de helft der inwoners van Glasgow hun
fortuin zouden kunnen maken, als zij maar gelukkig genoeg waren hem te
pakken?--bij een man, wiens gevangenneming een even welkome boodschap
in Edinburg zou zijn, als ooit een gewonnen slag in Vlaanderen zou
kunnen wezen?"
»En wie zijt gij dan, wiens naam zoo geducht is?" vroeg ik.
»Uw vijand niet. Want ik breng u naar eene plaats, waar, zoo men mij
herkende, een ijzer aan mijn been en een strop om mijn hals dadelijk
mijn lot zouden worden."
Ik bleef staan en trad zoo ver terug, dat ik mijn geleider zoo
nauwkeurig kon opnemen, als in de schemering mogelijk was, terwijl
ik mij tevens tegen elken plotselingen aanval nu veilig achtte.--»Gij
hebt òf te veel òf te weinig gezegd!" antwoordde ik. »Te veel, dan dat
ik u, een vreemdeling, zou kunnen vertrouwen, daar gij zelf bekent,
dat gij door de gestrengheid der wetten van dit land vervolgd wordt;
te weinig, zoo gij mij niet bewijzen kunt, dat die vervolging ten
onrechte geschiedt."
Toen ik dit gezegd had, trad hij een stap naar mij toe. Ik week
onwillekeurig terug en legde de hand aan mijn degen.
»Wat is dat?" zeide hij; »tegen een weerlooze, tegen uw vriend?"
»Ik weet nog niet, of gij het een of het ander zijt, en ronduit
gesproken, uwe woorden en uw gedrag geven mij alleszins recht, om
aan beide te twijfelen.
»Dat noem ik moedig gesproken!" hernam mijn geleider. »Ik heb achting
voor den man, wiens hand in staat is, om, des noods, zijn hoofd
te verdedigen. Dus zonder omwegen, mijn vriend! Ik breng u naar
de gevangenis."
»Naar de gevangenis?" riep ik uit. »En op wiens bevel, of om welke
misdaad? Mijn leven eerder, dan mijne vrijheid! Ik trotseer alle
pogingen en volg geen stap verder!"
»Versta mij toch wel, ik breng u er niet heen als
gevangene!" antwoordde hij, en voegde er op fieren toon bij: »ik
ben geen gerechtsdienaar--waarvoor ziet gij mij aan? Neen, ik breng
u derwaarts bij een gevangene, uit wiens mond gij het gevaar zult
vernemen, waarin gij u hier bevindt. Uwe vrijheid loopt, bij dit
bezoek, geen gevaar, maar de mijne wel degelijk. Maar ik waag het
onverschrokken om uwent wil. Want ik tel eigenlijk geen gevaren,
en stel belang in een braven jongeling, die geen andere beschermer
kent dan zijn degen."
Terwijl hij dit zeide, waren wij in de hoofdstraat gekomen en stonden
voor een groot steenen gebouw, welks vensters, zoo als ik meende te
ontwaren, met ijzeren staven voorzien waren.
»Wat zouden zij er niet om geven,"--zoo begon de onbekende weder,
wiens langzame uitspraak, wanneer hij in den toon van vertrouwelijk
gesprek viel, meer en meer zijne geboorteplaats verried,--»wat zouden
de Glasgowsche trawanten van vrouw Justitia er niet om geven, als zij
hem achter deze traliën in ijzers en banden hadden, die thans onder
Gods vrije lucht zoo vrij is, als een hert in de bosschen. Maar het
zou hun toch luttel baten, al hadden zij mij ook van het hoofd tot
de voeten in de boeien geklonken. Zij zouden, eer de morgen aanbrak,
eene ledige kooi en den vogel gevlogen vinden.--Kom dan, wat draalt
gij toch?"
Bij die woorden klopte hij aan een laag poortje. Iemand, die uit een
droom scheen te ontwaken, antwoordde met eene schelle stem: »Wat--is
het? Wat Satan! Op dezen tijd?--Tegen alle orde...."
De stem werd langzamerhand flauwer, alsof de spreker weder
insluimerde.--»Dugald, vriend Dugald!" zeide mijn geleider vrij luid
fluisterende: »hebt gij dan vergeten--ha num Gregarach?"
»Alle duivels, ja waarachtig! bijna zou ik het vergeten hebben!" was
het vlugge antwoord, en ik hoorde, hoe de gevangenbewaarder zich
spoedde om de deur te openen, terwijl mijn geleider en hij nog eenige
woorden, in eene voor mij volstrekt onverstaanbare taal, wisselden. De
grendels werden weggeschoven, doch met eene voorzichtigheid, die de
vrees verried, dat men het knarsen daarvan mocht hooren. Wij stonden
in het nauwe voorportaal, waaruit een smalle trap naar de tweede
verdieping en een paar lage deuren naar vast gegrendelde vertrekken
leidden. De kale muren waren met boeien en andere, tot gruwzamer
doeleinden bestemde, werktuigen behangen, tusschen welke hellebaarden
en verdere oude wapentuigen prijkten.
Daar stond ik nu als door een onverwacht toeval en in nachtelijk
geheim, in eene der gevangenissen van Schotland. Onwillekeurig kwam
mij mijn avontuur in Northumberland in de gedachte. Ik verwenschte
de zonderlinge omstandigheden, die mij nog eens, zonder dat ik het
door eigene schuld verdiend had, in hoogst onaangename aanraking
met de wetten van het land dreigden te brengen. Ik was slechts als
vreemdeling hier. Het kon wel eens gevaarlijk worden.