De man kwam bij nachttijd,
Bij nachttijd te huis;
Dáár vond hij zoo'n heerschap,
Dat leek hem niet pluis.
"Zeg! vrouwtje, hoe 's dat zoo?
Hoe 's dat zoo?" Zeg vrouw,
Wat hier toch die kerel
Die kerel hier woû?
Oud liedje.
Met de meest mogelijke bedaardheid nam Nikolaas Jarvie zijne
dienstmaagd de lantaren af. Hij begon zijn onderzoek zooals Diogenes
in de straten van Athene; vermoedelijk met even geringe verwachting
als deze, om iets te vinden, wat de moeite van het navorschen waard
zou zijn. De eerste, welke hij naderde, was mijn geheimzinnigen
geleider. Deze zat nog steeds op de tafel, de oogen onafgewend op
den muur gevestigd, terwijl zijne gelaatstrekken eene halsstarrige
onverschilligheid teekenden, en zijn gansche voorkomen zorgeloosheid
en trots verried. Met de hakken zijner schoenen sloeg hij tegen de
tafel de maat van het liedje, hetwelk hij onafgebroken bleef fluiten,
en onderwierp zich aan Jarvie's onderzoek met zooveel vermetele
onbeschaamdheid, dat het achtbaar lid van den stedelijken raad voor
eenige oogenblikken min of meer van zijn stuk geraakte.
»Wat zie ik! Wat zie ik?" riep Jarvie nu. »Waarachtig het is
onmogelijk!--En toch--Neen, het kan niet zijn--en toch--Neen, het
kan niet zijn--en toch! Wat drommel--Ja! gij zijt het! Gij roover,
gij gevleeschte satan--gij, voor alle kwaad en tot niets goeds
geschikt--zijt gij het waarlijk?"
»Zoo als gij ziet, mijnheer Jarvie!" was het droge antwoord.
»Waarachtig--het schemert mij voor de oogen, zoo ben ik
ontsteld. Spreek, aartsschelm! Durft gij u in de gevangenis van
Glasgow wagen? Wat meent gij wel, dat uw rooverskop waard is?"
»Wel! laat eens zien!" hernam de onbekende; »eerlijk gewogen
en met goed geijkt gewicht, zal hij, dunkt mij, wel tegen een
burgemeesterskop, vier schepenskoppen, één secretariskop en zes
vroedmanskoppen kunnen opwegen."
»O, gij satanskind," begon Jarvie weder. »Maar beken uwe zonden en
bereid u voor om te sterven. Want ik behoef slechts een enkel woord
te spreken ..."
»Dat is waar," antwoordde de onbekende en legde de handen achteloos
op zijn rug. »Maar dat woord zult gij toch wel nooit spreken!"
»En waarom zou ik niet?" riep Jarvie. »Waarom zou ik niet? Antwoord
mij, waarom niet?"
»Om drie gegronde redenen, mijnheer Jarvie! Vooreerst om den wille
van vroegere dagen, ons beiden zeer goed bekend. Ten tweede om de
oude vrouw daar ginder in Stuckavrallachan, door wie wij, God zij het
geklaagd! min of meer met elkander verwant zijn, en die een zekeren
neef heeft, welke van zijn ambacht slechts een eenvoudig handwerksman
is. En eindelijk, mijn waarde neef Jarvie, wanneer ik slechts het
minste teeken bespeurde, dat gij mij zoudt willen verraden, zouden uwe
hersens dadelijk aan dezen muur kleven,--lang eer eene menschenhand
u redden kon."
»Weet ge wat gij zijt? Een vermetele, onbeschaamde galgebrok!" hernam
Jarvie onverschrokken. »Ge weet ook zeer goed, dat ik u als zoodanig
ken, ja, dat ik, voor mij zelf geen enkel oogenblik aarzelen zou
om ..."
»Wel zeker, ik weet wel," hernam de onbekende, »dat er bloed van ons
bloed door uwe aderen vliet. Het zou mij waarachtig leed doen, mijn
eigen vleeschelijken neef voor den kop te moeten schieten. Maar in elk
geval zal en wil ik zoo vrij en ongehinderd van hier vertrekken, als
ik gekomen ben, of anders zeg ik u, dat de muren van deze gevangenis
nog jaren ervan zouden weten te vertellen."
»Nu ja, nu ja!" zeide Jarvie: »bloed is dikker dan water. En
bloedverwanten behoeven den splinter in elkanders oogen niet zoo
scherp aan te zien en te openbaren, wanneer vreemde oogen daarvoor
blind zijn. Het zou voor de oude vrouw in Stuckavrallachan een treurig
nieuws zijn, als zij vernam, dat gij mij de hersens ingeslagen, of
ik u aan de galg geholpen had. Maar was dit het geval niet, dan zou
ik den stoutsten schurk in het Hoogland best aandurven:--dat zult
gij toch zelf wel inzien."
»Gij zoudt wel durven neefje, dat weet ik;" antwoordde mijn geleider;
»maar de vangst zou u zoo licht niet gelukken! Wij Hooglanders zijn
een onhandelbaar volkje, wanneer men tegen ons van boeien en stroppen
spreekt. Wij, die niet eens een stuk linnen om onze lendenen begeeren,
willen vooral van geene ijzeren kousebanden weten."
»Maar die ijzeren kousebanden zullen toch vroeg of laat uw lot
worden, en dan krijgt ge nog wat hennepdraad op den koop toe!" hernam
Jarvie. »Nooit heeft iemand zich in een beschaafd land aan zulke
schandelijke en strafwaardige streken schuldig gemaakt als gij! Wees
op uwe hoede, ik heb u gewaarschuwd."
»Dank u neef! Intusschen zult gij bij mijne begrafenis, als lid van
de familie, den rouw moeten dragen."
»Vlei u daar niet mede, Robert," hernam Jarvie. »Alleen uwe wettige
erfgenamen, dat zijn de kraaien en de raven, zullen de rouwdragers
wezen. Maar waar zijn mijn duizend pond Schotsch, die ik u geleend heb,
en wanneer zal ik ze wederzien?"
»Waar dié zijn?" antwoordde mijn geleider, nadat hij zich eenige
oogenblikken gehouden had, alsof hij daarover nadacht; »waar die
zijn?--ja, dat kan ik zoo precies niet zeggen; vermoedelijk waar de
laatste sneeuw is."
»Die ligt op den top van den Schehallion, schurk!" riep Jarvie toornig;
»maar ik verlang mijn geld, hier op deze plaats!"
»Ik heb geen sneeuw en ik heb geen geld bij mij!" hernam de
Hooglander. »Gij vraagt mij wanneer gij het zult wederzien? Wel,
zoodra ik mijn algemeenen betaaldag aankondig."
»En het ergste van alles is, Robert, dat gij, trouwelooze landverrader,
die ge zijt, ons het afschuwelijke pausdom weder op den hals wilt
halen, dat ge ons onder het juk van een eigenmachtige heerschappij
wilt doen bukken, met al den aankleve van die vervloekte papisterij,
die misboeken, koorhemden, wierrookvaten en wijwaterbakjes! Loop dan
liever weder naar uwe dievenbenden. Steel en bedrieg, dat het hagelt
en kraakt. Beter te stelen, dan een land ongelukkig te maken!"
»Hoor eens neefje, schei uit met zulke beuzelpraatjes. Laat die
dingen voor de heeren van Whigs over," antwoordde Robert; »wij kennen
elkander immers sedert lang. Ik zal wel zorg dragen, dat uw kantoor
door onze Hooglanders onaangeroerd blijft, als zij eenmaal bezig zijn
met de Glasgowsche winkels en magazijnen schoon te vegen. En als uw
beroepsplicht het niet volstrekt van u vordert, moet gij mij niet
vaker zien, Nikolaas, dan ik gezien wil wezen."
»Je bent een uitgeslapen schelm, Robert," hernam Jarvie; »de galg
heeft reeds te lang op u gewacht. Hangen zult ge, hangen moet ge,
dat is niet anders! Maar ik voor mij zal mij maar aan de oude spreuk
houden: wie zijn neus schendt, schendt zijn aangezicht. Als ik u zie,
zal ik blind zijn, tenzij de noodzakelijkheid mij dwingt, of de plicht
gebiedt, dien kan niemand ongehoorzaam zijn.--Maar voor den weerga! wie
is die knaap?" vervolgde hij, zich naar mij keerende. »Hebt gij een
rekruut voor uw eerlijk handwerk opgedaan? Hij schijnt mij moed genoeg
voor de straatrooverij te hebben, en een langen hals voor den strop."
»Ach neen, waarde mijnheer Jarvie!" riep Owen, wien de vreemde
herkenning en het even vreemde gesprek tusschen de zonderlinge neven
evenzeer bevreemdde als mij,--»dat is de jongeheer Frans Osbaldistone,
de eenige zoon van mijn patroon. Hij was eigenlijk bestemd om op ons
kantoor te komen, eer zijn neef Rashleigh Osbaldistone zoo gelukkig
was, om in zijne plaats aangenomen te worden," voegde hij er met een
diepen zucht bij--»maar desniettemin...."
»O ja, ik heb van dien jongenheer gehoord. Hij is dan zeker dezelfde,
dien uw patroon in zijne eigenzinnigheid tot koopman wilde maken;
maar die toen een rondreizende komediant geworden is, omdat hij het
handwerk schuwde, waarvan een eerlijk man leven moet. Wel vriendje,
wat dunkt u van de zaak? Zal de Deensche prins Hamlet, of misschien
wel de geest van Hamlet voor den heer Owen borg blijven?"
»Ik verdien uw spot niet," hernam ik; »maar eerbiedig uwe
handelwijze. Ik ben te oprecht dankbaar voor de hulp, welke gij
den heer Owen bewezen hebt, om gevoeligheid te toonen over uwe
onwillekeurig scherpe uitdrukkingen. De eenige reden van mijne komst
hierheen was, om dat weinige te doen wat ik kon, ten einde mijn vriend
Owen in de zorg voor mijns vaders belangen behulpzaam te zijn. Mijn
tegenzin in den koophandel is echter eene zaak, waarover ik zelf
't best meen te kunnen oordeelen."
»Waarachtig," hernam de Hooglander, »ik achtte dezen jongen al,
eer ik recht wist hoe hij dacht; maar nu rijst hij bij mij niet
weinig in waarde, nu ik zie, dat hij wevers en spinners en al zulk
volkje veracht."
»Praat niet als een gek, Robbert!" zeide Jarvie. »Gij spreekt van
wevers? De duivel zelf kan u immers niet uit het weefsel ontwarren,
waarin gij u verstrikt hebt. En spinners? Gij hebt u zelf al een
fraai web gesponnen! En deze jongeling, dien gij regelrecht naar de
galg, en dus naar de hel leidt--met al zijne theatergrappen en zijn
rijmelarijen kan hij evenmin hulp bewijzen, als gij met uwe vloeken en
dolken? Zal hij zijn Tityre te patulae zingen, waar zich een Rashleigh
Osbaldistone bevindt? Kan Macbeth met al zijne krijgshelden, en gij
Robbert er bij, hem de vijf duizend pond bezorgen, welke hij behoeft,
om de wissels te betalen, die binnen tien dagen vervallen zijn?"
»Binnen tien dagen?" viel ik hem in de rede en haalde onwillekeurig
Diana's pakketje te voorschijn. De tijd, gedurende welken ik het zegel
moest eerbiedigen, was verloopen. Ik brak het dus dadelijk open. Een
verzegelde brief viel uit den omslag, toen ik dien met bevende
hand ontvouwde. Een tochtwind, die door eene gebroken vensterruit
drong, woei den brief voor Nikolaas Jarvie's voeten. Hij nam hem
terstond op, en gaf hem, toen hij, zonder eenige komplimenten, het
opschrift nieuwsgierig gelezen had, tot mijne groote verbazing aan
zijn Hooglandschen neef over. »De wind heeft den brief juist aan
het adres besteld!" zeide hij, »ofschoon het duizend tegen één was,
dat hij in uwe handen zou komen."
De Hooglander las het opschrift en brak den brief haastig open. Ik
wilde hem dit beletten, en zeide: »ik moet overtuigd zijn, dat de
brief aan u gericht is, voordat ik u vergunnen kan, hem te lezen."
»Wees onbezorgd, mijnheer Osbaldistone!" antwoordde hij. »Denk aan
den vrederechter Inglewood, aan den griffier Jobson, aan Morris,
en vooral aan uw gehoorzamen dienaar Robbert Campbell, die hier voor
u staat, als ook aan de schoone Diana Vernon. Herinner u dit alles,
en twijfel niet langer of de brief aan mij is gericht."
Ik zou mij wel voor het hoofd hebben willen slaan om mijne
onnoozelheid! De stem, zelfs de gelaatstrekken van dezen man,
hoe onvolkomen ik ze ook bij het flauwe licht kon onderscheiden,
hadden gedurende den ganschen nacht vermoedens en herinneringen in
mij opgewekt, die ik vruchteloos met plaatselijke of persoonlijke
omstandigheden trachtte te verbinden. Nu werd mij eensklaps alles
zonneklaar. Campbell stond vóór mij met alle zijne eigenaardigheden. De
diepe, krachtige stem, het gelaat, waaruit strengheid naast sluwe
bedachtzaamheid sprak, de Schotsche tongval, zijn beeldrijke stijl,
die hij echter, wanneer hij wilde, zeer wel vermijden kon, maar,
die zich in onbewaakte oogenblikken terstond weder verried en
aan zijne spotternij een zekeren klem, aan zijne redenen eene
bijzondere levendigheid bijzette--het kwam mij alles helder voor
den geest. Zijne gestalte was eerder beneden dan boven middelbare
grootte. Maar zijne leden waren zoo krachtig mogelijk, zonder dat de
vlugheid daardoor eenigszins benadeeld werd. En vlug was hij, naar
de losheid zijner bewegingen te oordeelen, in hoogen graad. Eene
minder volkomen evenredigheid heerschte echter in zijne gestalte,
want zijne schouders waren eigenlijk te breed en maakten hem daardoor
min of meer vierkant. Zijne armen, ofschoon rond en goed gespierd,
waren veel te lang; hoewel ik naderhand vernam, dat hij zich op
die lengte vrij wat liet voorstaan, daar zij hem, wanneer hij zijn
Hooglandsch kostuum droeg, bij het aangespen der kousenbanden--wat
hij zonder te bukken doen kon--en ook bij het hanteeren van de sabel,
waarmede hij behendig wist om te gaan, van wezenlijk voordeel was. Dit
gebrek aan evenredigheid, hetwelk hem alle aanspraak op den naam van
mannelijk schoon benam, gaf aan zijn uiterlijk iets woests, iets
onregelmatigs. Het herinnerde mij onwillekeurig aan de sprookjes
onzer kindermeid. Daarin waren de Pieten, die in vroegere tijden
Northumberland verwoestten, als wezens afgeschilderd, die half spook
half mensch waren, en zich, even als deze Hooglander, door moed,
list, woestheid, lange armen en breede schouders onderscheidden.
Ik riep de omstandigheden in mijn geheugen terug, waaronder wij
elkander vroeger gezien hadden. Ik kon er niet aan twijfelen, dat
de brief hem toebehoorde. Hij was een van de belangrijkste onder de
geheimzinnige wezens, op welke Diana invloed scheen te hebben, en die
wederkeerig op haar invloed hadden. Het denkbeeld smartte mij, dat het
lot van zulk een beminnelijk meisje aan dat van zulk een gevaarlijk
mensch verbonden was; en dit was toch ontwijfelbaar. Maar van welk nut
kon deze man voor mijns vaders zaken en belangen zijn? Ik zag slechts
één voordeel. Zooals Rashleigh, op Diana's aansporing, den Hooglander
had doen optreden, toen diens tegenwoordigheid noodzakelijk was om
mij te rechtvaardigen, zoo was het zeker nu mogelijk, dat zij door
haren invloed op gelijke wijze Campbell wist te bewegen, Rashleigh
thans evenzoo te voorschijn te doen komen. In deze onderstelling
verlangde ik van hem te weten, waar mijn gevaarlijke neef zich bevond,
en wanneer Campbell hem gezien had.
De Hooglander antwoordde niet stellig, maar in algemeene
uitdrukkingen. »Het is eene netelige zaak, welke zij mij opdraagt,"
zeide hij; »maar eene eerlijke zaak, en daarom wil ik haar ook haar zin
geven. Mijnheer Osbaldistone, ik woon niet ver van hier. Mijn neef zal
u den weg wijzen. Intusschen moet mijnheer Owen hier in Glasgow doen,
wat hij kan. Maar gij moet mij in het dal bezoeken. Waarschijnlijk
kan ik u van dienst zijn, en uw vader in zijn benarden toestand hulp
verleenen. Ik ben trouwens slechts een arm man, maar verstand is
beter dan rijkdom. En wanneer gij, neef,"--vervolgde hij, zich tot
Jarvie richtende--»het wagen durft, een eenvoudig Schotsch middagmaal
bij mij te gebruiken, dan vergezelt gij dezen jongenheer naar Drymen
of Bucklivie, of liever naar de herberg van Aberfoil. Daar laat ik u
door iemand afhalen, die u den weg naar de plaats zal wijzen, waar ik
mij bevinden zal. Wat zegt gij hiervan, Nicolaas? ziedaar mijne hand;
ik zal u niet bedriegen, gij kunt mij vertrouwen...."
»Dat kan ik niet doen, neen, Robbert, neen," zei de voorzichtige
Jarvie. »Het past mij niet, mij in uwe woeste gebergten onder uwe
kortrokken te begeven; dat duldt de waardigheid van mijn ambt in
geenen deele."
»De duivel hale uw ambt en u daarbij!" hernam Campbell. »De eenige
droppel edel bloed, dien gij in de aderen hebt, is van onzen oudoom,
die te Dumbarton opgehangen werd, en gij durft zeggen, dat uw ambt
u niet toelaat dat gij mij bezoeken zoudt? Hoor eens, vriendje, in
den herfst moet ik u betalen, dat weet ik. Welnu, ik zal uwe duizend
pond, tot den laatsten stuiver toe eerlijk betalen, zoo gij thans
eens handelt gelijk het behoort, en dezen jongen man begeleidt."
»Spreek mij toch niet meer van uw edel bloed," zeide Jarvie. »Breng
uw edel bloed eens op de markt, en zie wat men er voor biedt. Maar
als ik nu aan uw verzoek voldeed en ten uwent kwam, zoudt gij mij
dan werkelijk betalen?"
»Dat zweer ik u!" zeide de Hooglander, »ja, dat zweer ik u bij het
heilige gebeente van hem, die onder den grauwen steen te Juch-Calleach
sluimert!"
»Al wel, Robbert, al wel! Wij zullen zien wat wij doen
kunnen. Verbeeld u evenwel niet, dat ik de grenzen van het Hoogland
zal overschrijden. Neen, waarachtig niet! Geen enkelen stap doe
ik verder! Gij moet mij te Bucklivie, of in de herberg te Aberfoil
wachten, en vooral het noodige niet vergeten."
»Wees onbezorgd!" hernam Campbell: »gij kent mij immers? Mijn woord
is mij heilig. Maar het wordt tijd dat ik ga, neefje. Want de lucht
eener gevangenis is voor een Hooglander zeer ongezond."
»Waarachtig!" zeide Jarvie, »als ik mijn plicht deed, dan zoudt
gij nooit meer eene andere lucht inademen. O, dat ik een booswicht
behulpzaam moet zijn, om aan de gerechtigheid te ontsnappen! Welk
eene schande voor mij en de mijnen en voor mijns vaders nagedachtenis
voor altijd!"
»Stil toch, stil toch, mannetje!" hernam de Hooglander. »Laat de dooden
rusten! Uw vader wist bij zijn leven voor de fouten en gebreken van
een goed vriend even knap een oog toe te drukken, als een ander."
»Nu ja, daarin hebt gij gelijk, Robbert," antwoordde Jarvie. »Mijn
vader was een verstandig, inschikkelijk man. Hij wist dat wij allen
arme zondaren, zwakke vaten zijn, en hield steeds zeer veel van
zijne vrienden. Gij herinnert u hem toch nog wel, Robbert?"--Deze
vraag deed hij op een zachten toon, die misschien iets belachelijks,
maar zeker iets aandoenlijks had.
»En waarom zou ik mij hem niet herinneren?" vroeg Robbert. »Waarom
niet? Hij was een fiksche wever, en heeft mij mijne eerste kousen
geweven. Maar laat mij gaan, neef!"
Een glas nog maar,
Dan zijn we klaar.
En dan naar huis, de tijd is daar.
»Stil, stil, vriendje!" zeide Jarvie ernstig. »Nauwelijks is de
dag des Heeren voorbij, en nu reeds liedjes te zingen! Het zou wel
kunnen gebeuren, dat men u hier naar eene geheel andere wijs leerde
zingen. Maar genoeg! Wij struikelen allen, en een mensch is juist
geen engel; dus--Stanchells, doe de deur open!"
De gevangenbewaarder gehoorzaamde, en wij gingen allen heen. Met
eenige verwondering keek nog de eerstgenoemde beide vreemdelingen
na. Hij scheen maar niet te kunnen begrijpen, hoe zij buiten zijn
weten in de gevangenis gekomen waren. Jarvie's verzekering: »Een
paar goede vrienden van mij, Stanchells! een paar goede vrienden
van mij!" voorkwam de nieuwsgierige vraag, die reeds op zijne lippen
zweefde. Wij stegen den trap af en riepen, in het voorportaal gekomen,
herhaalde malen Dugald's naam, zonder eenig antwoord te ontvangen. Met
een spotachtig glimlachje merkte Campbell op, dat Dugald, zoo hij zich
in dien knaap niet bedrogen had, hoogst waarschijnlijk zou blijken
verkozen te hebben naar de belooning, voor den door hem dezen nacht
bewezen dienst, te wachten, dat hij zeker reeds in vollen ren naar
de grenzen van het Hoogland was.
»En nu heeft hij ons, en zelfs mij, mij zelven in de gevangenis
opgesloten gelaten!" riep Jarvie toornig en ontsteld uit. »Schielijk,
hamers en beitels, mokers en dommekrachten! Roep den smid. Zeg hem,
dat het lid van den raad Jarvie in de gevangenis is opgesloten door
een Hooglandschen schurk, dien hij zal doen ophangen, zoo hoog als
Haman eens gehangen heeft!"
»Wel te verstaan, als gij hem eerst gevangen hebt!" zeide
Campbell. »Maar wacht eens! De deur is zeker niet gesloten."
En zoo bevonden wij het ook. De deur was niet alleen open, maar
Dugald had tevens bij zijne vlucht de sleutels medegenomen, opdat
niet deze of gene hem te spoedig in zijn ambt van sleutelbewaarder
zou kunnen opvolgen.
»Die Dugald is zoo gek niet!" zeide Campbell. »Hij wist zeer goed, dat
eene opene deur mij, als ik in de klem zat, van nut zou kunnen zijn."
»Hoor eens Robbert," zeide Jarvie, toen wij op straat waren; »wilt
gij op dezen voet voortleven, dan moest gij, naar mijne bescheiden
meening, in elke gevangenis van Schotland een van uwe vertrouwelingen
tot portier hebben, voor het geval dat de nood aan den man kwam."
»Och neef Nicolaas, een van mijne bloedverwanten, als regeeringslid
in iedere plaats, zal ook wel goed zijn! En nu: goeden nacht of goeden
morgen! Vergeet de herberg te Aberfoil niet."
Met die woorden sprong Campbell, zonder het antwoord af te wachten,
naar de overzijde der straat en verdween in de duisternis. Terstond
daarna hoorden wij hem zachtjes, maar op eene geheel bijzondere wijze
fluiten, waarop ook dadelijk geantwoord werd.
»Kijk me nu eens die Hooglandsche duivels aan!" zeide Jarvie. »Zij
denken dat zij reeds aan den voet van den Ben-Lomond zijn, waar zij
vrij fluiten kunnen, zonder zich aan den Zondag of Zaterdag te storen."
Hij werd gestoord door iets, dat ratelend voor onze voeten
nederviel. »Wat is dat?" riep Jarvie. »Mathilde, licht
eens! Waarachtig, het zijn de sleutels! Nu, dat is wel, dat is
goed! Zij hebben onze stad toch geld gekost, en waren ze verloren
geraakt, dan zou er heel veel praats over geweest zijn. En zoo men in
onze raadsvergadering iets van het gebeurde van heden nacht vernam,
zou ik al vrij wat gehaspel hebben."
Voordat wij verder gingen, brachten wij de sleutels naar de gevangenis
terug, waarvan we slechts eenige schreden verwijderd waren. Wij
stelden ze den gevangenbewaarder ter hand, die nog in het voorportaal
op en neer wandelde, en op iemand wachtte die den ontvluchten Dugald
vervangen moest.
Daar ik denzelfden weg als Jarvie ging, kon ik mij ook van
zijn lantaren bedienen. Ik gaf hem mijn arm, om hem alzoo des te
gemakkelijker door de donkere en slecht bestrate stad te geleiden. Oude
lieden zijn meestal erkentelijk voor de oplettendheden van jonge
lieden. Jarvie betuigde mij zijne deelneming in mijne onaangename
omstandigheden, en voegde er bij, daar ik toch niet tot het
comediantenvolk behoorde, waarvan hij een verklaarden afschuw had,
het hem aangenaam zou zijn als ik, in gezelschap van mijn vriend Owen,
die den volgenden ochtend vroeg in vrijheid zou wezen, ten zijnent
ontbijten wilde.
Deze uitnoodiging nam ik dankbaar aan, maar vroeg hem tevens hoe hij
aan het denkbeeld was gekomen, dat ik tot het tooneel behoorde?
»Dat zal ik u zeggen," hernam Jarvie. »Gisteren avond kwam er een
praatzieke kerel bij mij--Andries Fairservice, heette hij, naar ik mij
herinner--die mij verzocht, den openbaren omroeper bevel te geven,
om morgen vroeg naar u te zoeken. Hij zeide mij wie gij waart,
en hoe men u uit uws vaders huis had weggezonden, omdat gij geen
koopman wildet worden, en nu moest men trachten te voorkomen, dat
gij uwe familie de schande aandeed, van comediant te worden. Onze
voorzanger Hammorgan bracht dien knaap bij mij, en zeide mij dat
hij, namelijk die Andries, een oud bekende van hem was. Maar ik
wilde hun volstrekt niet te woord staan en las hun nog daarenboven
geducht de les, dat zij mij op Zondagavond met zulke dingen lastig
vielen. Maar nu zie ik wel, dat die Andries een groote gek en ten
uwen opzichte het spoor geheel bijster is. Gij bevalt mij, vriend,"
vervolgde Jarvie. »Wie zijn vrienden in nood bijstaat, is mijn man. Ik
doe dat ook, en mijn overleden vader deed insgelijks. God schenke
hem daarvoor de eeuwige rust en zijn besten zegen! Maar gij moet u
vooral niet met die woeste Hooglanders inlaten. Wie met pek omgaat,
wordt er door besmet. Denk daaraan. Ja, de braafste, de verstandigste
menschen kunnen dwalen. Een-, twee-, driemaal ben ik zelf gestruikeld,
waarde vriend. Heden nacht bijvoorbeeld heb ik drie erge dingen
gedaan--waarachtig! Had mijn vader hiervan getuige kunnen wezen,
hij zou zijne eigen oogen niet vertrouwd hebben."
Juist waren wij aan Jarvie's woning gekomen. Hij bleef op den
drempel en zei op berouwvollen toon: »Ten eerste heb ik mij op
den dag des Heeren met wereldsche zaken bemoeid. Ten tweede ben ik
voor een Engelschman borg gebleven, en ten derde heb ik, helaas! een
misdadiger uit de gevangenis laten ontsnappen. Maar voor alles bestaat
balsem! Mathilde, ik kan den weg wel vinden, licht gij dus mijnheer
naar de herberg, daar op den hoek.--Mijnheer Osbaldistone," fluisterde
hij mij in: »laat het meisje ongemoeid. Het is een zedig kind van
brave ouders en een eigen nichtje van den heer van Limmerfield."