HOOFDSTUK XX.

...... Mijn ziel ontroert,

Van schrik verbijsterd.

Want graven zie 'k en lijkgesteenten,

Koud en doodsch. Mij huivert het gemoed.

De treurende Bruid.

Ik liet den braven, vromen Andries nog maar even ongeduldig wachten. Ik

bleef nog een paar oogenblikken toeven, om het uitwendige van het

gebouw te beschouwen. Nu scheen het mij in de eenzaamheid, die het

omgaf, nog veel eerwaardiger. De deuren waren namelijk gesloten, zoodra

de talrijke gemeente, die thans in plechtige aandacht vereenigd was,

zooals de stemmen van een zwaar koorgezang ons verkondigden, zich in

het binnenste van het heiligdom bevond. De toon van zoo vele stemmen,

die, op een afstand, in eene enkele harmonie samenvloeiden, vrij van de

ruwe wanklanken, die het oor in de nabijheid kwetsen, samensmeltende

met het murmelen der beek en met den zachten wind, die door de oude

pijnboomen ruischte, scheen mij iets verhevens te hebben. De gansche

natuur, zoo als de Psalmist, wiens liederen zij zongen, haar aanriep,

scheen den plechtigen lofzang te zingen, waarin diepe eerbied en reine

vreugde samensmelten, terwijl zij zich tot haren Schepper verheffen. In

Frankrijk had ik het hoogambt zien bedienen met al den luister, dien

toonkunst, kleederpracht en den sterksten indruk makende plechtigheden

konden te weeg brengen. Maar de uitwerking daarvan op mij was veel

flauwer dan die van de eenvoudige Schotsche godsdienstoefening. Hier

werd ze, in den eigenlijken zin, door al de aanwezigen verricht. Daar

bestond zij slechts in eene van buiten geleerde les, die kunstmatig

opgezegd werd. Hier was het reine edele natuur....

»Kom, mijnheer, kom toch!" riep de ongeduldige Andries mij toe en trok

mij aan den roksmouw. »Geloof mij, als wij zoo laat binnentreden,

veroorzaken wij storing in den godsdienst. Blijven wij hier staan,

dan loopen wij gevaar om, als godsdienstlooze lediggangers onder

kerktijd, naar de wacht gebracht te worden."

Op deze vermaning volgde ik mijn geleider, maar niet, zoo als ik

gemeend had, naar de hoofddeur.--»Hierheen! hierheen!" riep hij,

mij naar zich toetrekkende. »Daar zoudt gij slechts ijdele praat,

alledaagsche zedenprekerij hooren: hier wordt de zuivere leer

verkondigd."

En nu trad hij met mij door een laag poortje, dat een deftig man juist

wilde sluiten, en wij stegen verscheidene trappen af, als naar een

grafgewelf onder de kerk. Zoo was het ook. In deze onderaardsche

kerk--om welke reden is mij onbekend,--werd eene zonderlinge

godsdienstoefening gehouden.

Wij kwamen in een ruim, laag gewelf, zooals doorgaans tot begraafplaats

gebruikt wordt, en ook lang daartoe gediend had. Thans was het echter

gedeeltelijk in eene kerk herschapen en tot dat einde van zitbanken

voorzien. Dit gedeelte kon verscheidene honderden menschen bevatten,

maar was toch nog kleiner dan de donkere gangen en gewelven, die ons

rondom aangaapten. Sombere banieren en vermolmde wapenborden wezen

in dit eenzame rijk der vergetelheid de graven van lang geleden

ontslapene edelen aan. Opschriften, slechts voor den onvermoeid

vlijtigen oudheidkenner leesbaar, in eene taal die even verouderd was

als de vrome milddadigheid, welke zij inriepen, noodigden de levenden

uit, om voor de zielen dergenen, die hier rustten, te bidden. Omringd

door deze oude graven, was eene talrijke vergadering juist in haar

gebed. De Schotten doen dit niet knielende, maar staande, misschien

meer met het oogmerk om zoo veel mogelijk van de Roomsche kerkgebruiken

af te wijken, dan om eenige andere reden.

Want ik heb opgemerkt, dat zij bij hunne huiselijke

godsdienstoefeningen, en waarschijnlijk ook bij hunne stille gebeden,

de knielende houding van andere Christenen wel aannemen. Zoo stonden

dan daar honderden menschen van beide geslachten, jong en oud, de

mannen met ongedekt hoofd. Zij hoorden eerbiedig en aandachtig naar

het gebed, dat een hoogbejaard, zeer bemind geestelijke voor de vuist

uitsprak, althans niet voorlas. In hetzelfde geloof opgevoed, nam ik

in hoog ernstige stemming terstond deel aan deze godsdienstoefening,

en niet voor dat de gansche vergadering weder was gaan zitten,

vestigde ik mijne opmerkzaamheid op al wat mij omringde.

Na het gebed zetten de meeste mannen den hoed of de muts op. Andries

en ik stonden tusschen vele anderen, die even als wij te laat waren

gekomen en geene zitplaatsen hadden kunnen vinden, en een kring rondom

de zittenden vormden. Achter ons waren de donkere gewelven, voor ons de

vergadering der vromen. Het flauwe licht viel door een klein Gothisch

venster, zooals men wel in knekelhuizen vindt, en bescheen hunne

gezichten. Allen hadden, zooals de Schotten bij het verrichten van

hun godsdienst gewoon zijn, op den prediker de oogen gevestigd. Bijna

allen waren zeer aandachtig. Soms was hier of daar een vader of eene

moeder, die de afdwalende blikken van een te levendig kind berispte,

of werd een onder de predikatie zachtkens ingesluimerde toehoorder

door een elleboogstoot onzacht gewekt. De grove gelaatstrekken der

Schotten met de uitdrukking van verstand en sluwheid, die niet zelden

daarop te lezen is, onderscheiden zich veel gunstiger bij hunne

godsdienstoefeningen of wanneer zij als militairen in rij en gelid

staan, dan in de gezellige bijeenkomsten van het dagelijksch leven.

De voordracht van den prediker was zeer geschikt om de verschillende

gevoelens en gewaarwordingen van zijne toehoorders op te wekken. Wel is

waar hadden ouderdom en ziekelijkheid zijne oorspronkelijke sterkte

en volle stem merkelijk verzwakt. Hij las zijn tekst niet zeer

duidelijk af. Maar zoodra hij den Bijbel gesloten en zijne leerrede

begonnen had, werd de toon zijner stem van lieverlede krachtiger,

vooral dan wanneer hij met veel levendigheid bewijzen toelichtte,

die meest op de hoogere, voor het menschelijke begrip niet vatbare,

zeer diepzinnige beschouwingen en stellingen van den Christelijken

godsdienst betrekking hadden, maar door hem zeer gepast door talrijke

bijbelplaatsen opgehelderd werden. Wel was ik niet genoeg voorbereid,

om hem in al zijne redeneeringen te volgen; ook wist ik soms niet of

ik zijne stellingen wel goed begrepen had, maar niets kon treffender

zijn, dan het, als door een hooger licht bestraald gelaat van den

braven grijsaard; niets schranderder en meer overtuigend, dan de

uiteenzetting zijner gronden. Bekend is het dat de Schotten zich meer

door de oefening van hunne geestvermogens dan door de levendigheid

van hun gevoel onderscheiden. Zij verkiezen logische gevolgtrekkingen

boven fijne redeneerkunst, scherpzinnig betoog van leerstelsels boven

die bloemrijke, tot het hart en de zinnen sprekende taal, waardoor

elders godsdienstleeraars zoo veel op hunne toehoorders vermogen.

Onder de aandachtige toehoorders die ik opmerkte, zag ik verscheidene

gezichten vol uitdrukking, die mij aan Raphaëls beeld: "de prediking

van den apostel Paulus te Athene" herinnerden. Hier zat een ijverig,

verstandig calvinist, wiens saamgetrokken wenkbrauwen diepe aandacht

verrieden. Zijne lippen waren half gesloten, zijne oogen op den leeraar

gevestigd met eene uitdrukking van fierheid, alsof hij zich over de

zegepralende kracht der ontwikkelde bewijsgronden verheugde, terwijl

de wijsvinger van zijne rechterhand nu en dan de vingers der linkerhand

aanraakte, naarmate de leeraar van bewijsgrond tot bewijsgrond, en zoo

tot de daaruit afgeleide gevolgtrekking overging. Een ander, wiens oog

fierder en somberder was, verried zijne minachting jegens allen, die

aan 's predikers betoog schenen te twijfelen, en tevens zijne vreugde

over de strafbedreigingen, die tegen de twijfelaars uitgesproken

werden. Een derde, die misschien tot eene andere gemeente behoorde,

en zich toevallig of uit nieuwsgierigheid hier bevond, scheen het een

en ander gedeelte der rede te bestrijden; vrij duidelijk verried zijn

hoofdschudden, dat hij de bewijzen van den leeraar geenszins voor

geldend hield. Maar de meesten luisterden met een bedaard, tevreden

gelaat, waarvan de uitdrukking te kennen gaf, hoeveel zij er zich op

lieten voorstaan zulk eene krachtige leerrede te hooren, ofschoon zij

ze ook misschien niet volkomen begrepen. Tot deze laatsten behoorden

meestal de vrouwen. De meer bejaarde vooral schenen op de verklaring

der leerstellingen nauwkeuriger acht te geven. De jongere keken nu en

dan bescheiden in de vergadering rond. Ja, bedroog mij mijne ijdelheid

niet, dan vielen ook op mij hier en daar eenige blikken. Wat de rest

betreft--sommigen geeuwden of sliepen; dit waren de onverschilligen,

de luiaards en ook zij, wier bevattingsvermogen veel te beperkt was

om uit de leerrede eenig nut te trekken. Vaak werden ze door hen, die

naast hen zaten, op den voet getrapt, of door een elleboogstoot tot

aandacht opgewekt. Slechts zeer weinigen lieten hunne verveling door

hinderlijke teekenen blijken. Naast de gewone dracht der Laaglanders,

uit een rok en een mantel bestaande, zag ik hier en daar menig

Hooglander in zijn nationaal kostuum, steunend op het gevest van zijn

zwaard, met vrijmoedige nieuwsgierigheid in de vergadering rondziende,

terwijl hij op den leeraar, wiens taal hij niet verstond, volstrekt

geen acht gaf. Het woeste, krijgshaftige voorkomen van deze lieden

zette aan de gansche vergadering iets eigenaardigs bij, wat zij anders

niet zou gehad hebben. De Hooglanders waren heden vrij talrijk, omdat

er, zoo als Andries mij zeide, in de buurt beestenmarkt werd gehouden.

Het was een schilderachtige aanblik, wanneer door de nauwe vensters

heldere zonnestralen vielen, die de aandachtige vergadering beschenen,

zich dan in de achterste gewelven verloren, terwijl vooraan eene

flauwe schemering heerschte, maar de diepe achtergrond in het duister

lag en zich eindeloos scheen uit te strekken.

Ik stond in den buitensten kring, waar ik, met mijn gelaat naar den

leeraar gewend, den rug naar de donkere gewelven keerde. Daardoor

echter was ik aan herhaalde stoornissen blootgesteld; elk zacht

geruisch in die gewelven werd door den weerklank duizendvoudig

herhaald. Dikwijls keerde ik mij om, als regendroppels, door de

scheuren van het bouwvallige dak op den bodem vielen. En hadden

dan mijne oogen eenmaal die richting genomen, dan kon ik ze zoo

terstond niet weder afwenden. Zij werden meer en meer aan den donkeren

achtergrond gewoon. Ja allengs bekroop mij de nieuwsgierigheid, om in

die geheimzinnige doolgangen ontdekkingen te doen, zoodat ik schier

geheel vergat, mijne aandacht op de zinrijke preek van den leeraar

te vestigen.

Dit verstrooid afdwalen was eene hebbelijkheid, waarover ik van mijn

vader vaak verwijtingen had moeten hooren. Ze ontstond misschien uit

eene al te groote prikkelbaarheid der verbeelding, die hij zelf niet

kende. Op dat oogenblik, herinnerde ik mij op eenmaal den tijd, toen ik

aan zijne hand ter kerk ging en zijne ernstige vermaningen hoorde. Deze

herinnering benam mij mijne aandacht geheel en al. Want zij riep mij

zijn gevaarvollen toestand in het geheugen. Zacht fluisterend verzocht

ik Andries, te onderzoeken, of zich ook iemand van het kantoor van

Mac-Vittie in deze vergadering bevond. Al zijn aandacht wijdend

aan den leeraar, beantwoordde Andries mijn verzoek slechts met een

elleboogstoot, om mij te kennen te geven dat ik zwijgen moest. Met even

weinig gevolg overzag ik de vele, naar den kansel gewende gezichten. Ik

zocht of ook onder hen Owens mij zoo goed bekende trekken met hun

uitdrukking van godvruchtige kalmte en slimmen koopmansgeest te

vinden was. Maar noch onder de breede vilten hoeden der stedelingen,

noch onder de mutsen met breede randen der landlieden kon ik iets

ontdekken, wat naar de deftige pruik, den lichtbruinen rok en de

stijve das van onzen eersten boekhouder geleek. Intusschen pijnigde

mijn ongeduld mij zoo zeer, dat de nieuwheid der mij omringende dingen

alle bekoring voor mij verloor. Ik trok mijn leidsman vrij onzacht

bij den mouw en gaf hem mijn wensch te kennen om de kerk te verlaten

en mijne nasporingen voort te zetten. Andries, even halsstarrig als

op onzen tocht over het Cheviot-gebergte, verwaardigde zich in het

eerst niet eens mij te antwoorden. Maar eindelijk, toen hij zag dat

ik mij zoo niet liet afschepen, zeide hij dat wij vóór het eindigen

der godsdienstoefening niet konden wegkomen, omdat de deuren sedert

het begin van het gebed gesloten waren. Toen hij mij dit met korte

woorden vrij knorrig toegefluisterd had, keerde hij zich weder

naar den leeraar en nam opnieuw de houding van een diepdenkenden,

scherpbeoordeelenden toehoorder aan.

Ik moest van den nood eene deugd maken, en ook mijne opmerkzaamheid

weder op de leerrede trachten te vestigen. Maar eene nieuwe zonderlinge

gebeurtenis kwam mij op eenmaal daarin storen. Eene stem achter mij

fluisterde mij zeer verstaanbaar in het oor: »gij zijt in deze stad

in gevaar!"

Onwillekeurig keerde ik mij om. Twee eenvoudige handwerkslieden

stonden naast en achter mij. Even als wij, waren zij te laat in de

kerk gekomen. Een enkele blik, dien ik op hunne gezichten wierp,

overtuigde mij, zonder dat ik mij daarover eigenlijk eene bepaalde

reden kon geven, dat geen van beiden tot mij gesproken had, en zeer

opmerkzaam naar den leeraar luisterende, beantwoordde geen van beiden

mijn vorschenden blik. Een dikke ronde pilaar dicht achter ons kon

den geheimen waarschuwer, zoodra hij gesproken had, licht aan mijne

oogen onttrokken hebben; maar waarom hij die waarschuwing op deze

plaats gedaan had, en welk gevaar hij bedoelde en wie hij wezen

mocht,--dit waren vragen, waaromtrent ik mij in gissingen verdiepte

en mijne verbeeldingskracht te vergeefs inspande. Ik verwachtte dat

men de waarschuwing herhalen zou en vestigde mijne oogen onafgewend

op den leeraar, ten einde den onbekenden vriend er toe te brengen,

zijne mededeeling te herhalen, in de meening dat ik hem de eerste

maal niet goed gehoord of begrepen had.

Het gelukte. Nauwelijks had ik mijne oogen op den leeraar gevestigd,

of dezelfde stem fluisterde mij toe: »hoor naar mij, maar zie niet

om."--Ik keek onafgewend naar den preekstoel.--»Gij zijt in deze

stad in gevaar," vervolgde dezelfde stem, »en ik zelf ook. Kom heden

nacht precies te twaalf ure op de groote brug: ik zal er zijn. Blijf

overigens te huis tot het donker is en vermijd de spionnen."

De stem zweeg en ik keerde mij terstond om. Maar nog veel sneller had

de waarschuwer zich achter den pilaar verborgen. Vast besloten om hem,

zoo het slechts mogelijk ware, te zien, drong ik mij uit den kring der

toehoorders, en spoedde mij om achter den pilaar te komen. Ik vond

niemand, maar ik zag een eind verder eene in een mantel gewikkelde

gestalte onder die sombere gewelven. Onwillekeurig wilde ik den

geheimzinnige volgen, die als een spook in den donkeren achtergrond

verdween. Weinig hoop had ik, om den onbekende, die blijkbaar niet

ontdekt wilde zijn, te vinden. En deze weinige hoop verdween geheel,

toen ik, nauwelijks drie schreden van dien pilaar, struikelde en

viel. Gelukkig belette de duisternis, die mijn val veroorzaakt had,

dat men mij zag vallen; want reeds had de leeraar--men was zeer streng

in het handhaven der orde, gedurende de godsdienstoefening--zijne rede

afgebroken en den opziener met luide stemme gelast den rustverstoorder

in hechtenis te nemen. Maar daar het gedruisch niet herhaald werd,

volgde er ook geen streng onderzoek. Ik kon onopgemerkt mijne plaats

naast den tuinman hernemen.

Zoodra de godsdienstoefening geëindigd was en de vergadering uiteen

ging, wees Andries mij den Heer Mac-Vittie en diens vrouw en dochter

benevens den Heer Thomas Mac-Fin, die met juffrouw Mac-Vittie verloofd

was. Hij deed er, zoo als Andries er met nadruk bijvoegde, eene zeer

goede partij aan. Mac-Vittie was een reeds bejaard man, met scherpe

gelaatstrekken, borstelige wenkbrauwen, licht grijze oogen, met één

woord, met een zoo afstootend voorkomen, dat ik er van schrikte. Ik

herinnerde mij de waarschuwing van den onbekende en draalde met den man

aan te spreken, ofschoon ik voor mij zelven eigenlijk niet zeggen kon,

wat mij zooveel afkeer en argwaan inboezemde. Andries, die mijn dralen

voor blooheid hield, vermaande mij onbeschroomd te zijn. »Spreek hem

aan," herhaalde hij telkens; »waarom zijt gij bevreesd? Hij is nog

geen burgemeester, maar aanstaande jaar zal hij het, naar men zegt,

zeker worden. Hij zal u wel vriendelijk antwoorden, als gij maar geen

geld van hem hebben moet. Hij is schatrijk, maar ongaarne haalt hij

zijn beurs uit--zeggen de lui."

Als de koopman wezenlijk zoo gierig is--dacht ik--als Andries beweert,

dan dien ik voorzichtig te zijn, want ik weet niet hoe de rekening

tusschen hem en mijn vader staat.... Die overweging versterkte den

indruk van den geheimzinnigen wenk, dien ik ontvangen had, en ook

den afkeer, door 's mans gelaatstrekken in mij gewekt. Ik besloot

mij niet terstond tot hem te wenden, zoo als eerst mijn voornemen

was geweest. Ik gelastte mijn gids, aan het huis van Mac-Vittie

naar Owen te vragen, maar zorgvuldig te verzwijgen, van wien hij die

boodschap had, en mij dan in onze herberg antwoord te brengen. Andries

beloofde het. Maar hij sprak tevens van mijn plicht, om ook den

avondgodsdienst bij te wonen. En hij voegde er, met de hem zoo eigen

bijtende spotternij bij: »Ja, als de menschen niet bedaard blijven

staan, maar op de grafsteenen ronddrentelen alsof zij de dooden wilden

wekten, ja, dan hooren ze beter in een kroeg dan in een kerk...."

Robbert Roodhaar · 第 32 / 57 题