...... Mijn ziel ontroert,
Van schrik verbijsterd.
Want graven zie 'k en lijkgesteenten,
Koud en doodsch. Mij huivert het gemoed.
De treurende Bruid.
Ik liet den braven, vromen Andries nog maar even ongeduldig wachten. Ik
bleef nog een paar oogenblikken toeven, om het uitwendige van het
gebouw te beschouwen. Nu scheen het mij in de eenzaamheid, die het
omgaf, nog veel eerwaardiger. De deuren waren namelijk gesloten, zoodra
de talrijke gemeente, die thans in plechtige aandacht vereenigd was,
zooals de stemmen van een zwaar koorgezang ons verkondigden, zich in
het binnenste van het heiligdom bevond. De toon van zoo vele stemmen,
die, op een afstand, in eene enkele harmonie samenvloeiden, vrij van de
ruwe wanklanken, die het oor in de nabijheid kwetsen, samensmeltende
met het murmelen der beek en met den zachten wind, die door de oude
pijnboomen ruischte, scheen mij iets verhevens te hebben. De gansche
natuur, zoo als de Psalmist, wiens liederen zij zongen, haar aanriep,
scheen den plechtigen lofzang te zingen, waarin diepe eerbied en reine
vreugde samensmelten, terwijl zij zich tot haren Schepper verheffen. In
Frankrijk had ik het hoogambt zien bedienen met al den luister, dien
toonkunst, kleederpracht en den sterksten indruk makende plechtigheden
konden te weeg brengen. Maar de uitwerking daarvan op mij was veel
flauwer dan die van de eenvoudige Schotsche godsdienstoefening. Hier
werd ze, in den eigenlijken zin, door al de aanwezigen verricht. Daar
bestond zij slechts in eene van buiten geleerde les, die kunstmatig
opgezegd werd. Hier was het reine edele natuur....
»Kom, mijnheer, kom toch!" riep de ongeduldige Andries mij toe en trok
mij aan den roksmouw. »Geloof mij, als wij zoo laat binnentreden,
veroorzaken wij storing in den godsdienst. Blijven wij hier staan,
dan loopen wij gevaar om, als godsdienstlooze lediggangers onder
kerktijd, naar de wacht gebracht te worden."
Op deze vermaning volgde ik mijn geleider, maar niet, zoo als ik
gemeend had, naar de hoofddeur.--»Hierheen! hierheen!" riep hij,
mij naar zich toetrekkende. »Daar zoudt gij slechts ijdele praat,
alledaagsche zedenprekerij hooren: hier wordt de zuivere leer
verkondigd."
En nu trad hij met mij door een laag poortje, dat een deftig man juist
wilde sluiten, en wij stegen verscheidene trappen af, als naar een
grafgewelf onder de kerk. Zoo was het ook. In deze onderaardsche
kerk--om welke reden is mij onbekend,--werd eene zonderlinge
godsdienstoefening gehouden.
Wij kwamen in een ruim, laag gewelf, zooals doorgaans tot begraafplaats
gebruikt wordt, en ook lang daartoe gediend had. Thans was het echter
gedeeltelijk in eene kerk herschapen en tot dat einde van zitbanken
voorzien. Dit gedeelte kon verscheidene honderden menschen bevatten,
maar was toch nog kleiner dan de donkere gangen en gewelven, die ons
rondom aangaapten. Sombere banieren en vermolmde wapenborden wezen
in dit eenzame rijk der vergetelheid de graven van lang geleden
ontslapene edelen aan. Opschriften, slechts voor den onvermoeid
vlijtigen oudheidkenner leesbaar, in eene taal die even verouderd was
als de vrome milddadigheid, welke zij inriepen, noodigden de levenden
uit, om voor de zielen dergenen, die hier rustten, te bidden. Omringd
door deze oude graven, was eene talrijke vergadering juist in haar
gebed. De Schotten doen dit niet knielende, maar staande, misschien
meer met het oogmerk om zoo veel mogelijk van de Roomsche kerkgebruiken
af te wijken, dan om eenige andere reden.
Want ik heb opgemerkt, dat zij bij hunne huiselijke
godsdienstoefeningen, en waarschijnlijk ook bij hunne stille gebeden,
de knielende houding van andere Christenen wel aannemen. Zoo stonden
dan daar honderden menschen van beide geslachten, jong en oud, de
mannen met ongedekt hoofd. Zij hoorden eerbiedig en aandachtig naar
het gebed, dat een hoogbejaard, zeer bemind geestelijke voor de vuist
uitsprak, althans niet voorlas. In hetzelfde geloof opgevoed, nam ik
in hoog ernstige stemming terstond deel aan deze godsdienstoefening,
en niet voor dat de gansche vergadering weder was gaan zitten,
vestigde ik mijne opmerkzaamheid op al wat mij omringde.
Na het gebed zetten de meeste mannen den hoed of de muts op. Andries
en ik stonden tusschen vele anderen, die even als wij te laat waren
gekomen en geene zitplaatsen hadden kunnen vinden, en een kring rondom
de zittenden vormden. Achter ons waren de donkere gewelven, voor ons de
vergadering der vromen. Het flauwe licht viel door een klein Gothisch
venster, zooals men wel in knekelhuizen vindt, en bescheen hunne
gezichten. Allen hadden, zooals de Schotten bij het verrichten van
hun godsdienst gewoon zijn, op den prediker de oogen gevestigd. Bijna
allen waren zeer aandachtig. Soms was hier of daar een vader of eene
moeder, die de afdwalende blikken van een te levendig kind berispte,
of werd een onder de predikatie zachtkens ingesluimerde toehoorder
door een elleboogstoot onzacht gewekt. De grove gelaatstrekken der
Schotten met de uitdrukking van verstand en sluwheid, die niet zelden
daarop te lezen is, onderscheiden zich veel gunstiger bij hunne
godsdienstoefeningen of wanneer zij als militairen in rij en gelid
staan, dan in de gezellige bijeenkomsten van het dagelijksch leven.
De voordracht van den prediker was zeer geschikt om de verschillende
gevoelens en gewaarwordingen van zijne toehoorders op te wekken. Wel is
waar hadden ouderdom en ziekelijkheid zijne oorspronkelijke sterkte
en volle stem merkelijk verzwakt. Hij las zijn tekst niet zeer
duidelijk af. Maar zoodra hij den Bijbel gesloten en zijne leerrede
begonnen had, werd de toon zijner stem van lieverlede krachtiger,
vooral dan wanneer hij met veel levendigheid bewijzen toelichtte,
die meest op de hoogere, voor het menschelijke begrip niet vatbare,
zeer diepzinnige beschouwingen en stellingen van den Christelijken
godsdienst betrekking hadden, maar door hem zeer gepast door talrijke
bijbelplaatsen opgehelderd werden. Wel was ik niet genoeg voorbereid,
om hem in al zijne redeneeringen te volgen; ook wist ik soms niet of
ik zijne stellingen wel goed begrepen had, maar niets kon treffender
zijn, dan het, als door een hooger licht bestraald gelaat van den
braven grijsaard; niets schranderder en meer overtuigend, dan de
uiteenzetting zijner gronden. Bekend is het dat de Schotten zich meer
door de oefening van hunne geestvermogens dan door de levendigheid
van hun gevoel onderscheiden. Zij verkiezen logische gevolgtrekkingen
boven fijne redeneerkunst, scherpzinnig betoog van leerstelsels boven
die bloemrijke, tot het hart en de zinnen sprekende taal, waardoor
elders godsdienstleeraars zoo veel op hunne toehoorders vermogen.
Onder de aandachtige toehoorders die ik opmerkte, zag ik verscheidene
gezichten vol uitdrukking, die mij aan Raphaëls beeld: "de prediking
van den apostel Paulus te Athene" herinnerden. Hier zat een ijverig,
verstandig calvinist, wiens saamgetrokken wenkbrauwen diepe aandacht
verrieden. Zijne lippen waren half gesloten, zijne oogen op den leeraar
gevestigd met eene uitdrukking van fierheid, alsof hij zich over de
zegepralende kracht der ontwikkelde bewijsgronden verheugde, terwijl
de wijsvinger van zijne rechterhand nu en dan de vingers der linkerhand
aanraakte, naarmate de leeraar van bewijsgrond tot bewijsgrond, en zoo
tot de daaruit afgeleide gevolgtrekking overging. Een ander, wiens oog
fierder en somberder was, verried zijne minachting jegens allen, die
aan 's predikers betoog schenen te twijfelen, en tevens zijne vreugde
over de strafbedreigingen, die tegen de twijfelaars uitgesproken
werden. Een derde, die misschien tot eene andere gemeente behoorde,
en zich toevallig of uit nieuwsgierigheid hier bevond, scheen het een
en ander gedeelte der rede te bestrijden; vrij duidelijk verried zijn
hoofdschudden, dat hij de bewijzen van den leeraar geenszins voor
geldend hield. Maar de meesten luisterden met een bedaard, tevreden
gelaat, waarvan de uitdrukking te kennen gaf, hoeveel zij er zich op
lieten voorstaan zulk eene krachtige leerrede te hooren, ofschoon zij
ze ook misschien niet volkomen begrepen. Tot deze laatsten behoorden
meestal de vrouwen. De meer bejaarde vooral schenen op de verklaring
der leerstellingen nauwkeuriger acht te geven. De jongere keken nu en
dan bescheiden in de vergadering rond. Ja, bedroog mij mijne ijdelheid
niet, dan vielen ook op mij hier en daar eenige blikken. Wat de rest
betreft--sommigen geeuwden of sliepen; dit waren de onverschilligen,
de luiaards en ook zij, wier bevattingsvermogen veel te beperkt was
om uit de leerrede eenig nut te trekken. Vaak werden ze door hen, die
naast hen zaten, op den voet getrapt, of door een elleboogstoot tot
aandacht opgewekt. Slechts zeer weinigen lieten hunne verveling door
hinderlijke teekenen blijken. Naast de gewone dracht der Laaglanders,
uit een rok en een mantel bestaande, zag ik hier en daar menig
Hooglander in zijn nationaal kostuum, steunend op het gevest van zijn
zwaard, met vrijmoedige nieuwsgierigheid in de vergadering rondziende,
terwijl hij op den leeraar, wiens taal hij niet verstond, volstrekt
geen acht gaf. Het woeste, krijgshaftige voorkomen van deze lieden
zette aan de gansche vergadering iets eigenaardigs bij, wat zij anders
niet zou gehad hebben. De Hooglanders waren heden vrij talrijk, omdat
er, zoo als Andries mij zeide, in de buurt beestenmarkt werd gehouden.
Het was een schilderachtige aanblik, wanneer door de nauwe vensters
heldere zonnestralen vielen, die de aandachtige vergadering beschenen,
zich dan in de achterste gewelven verloren, terwijl vooraan eene
flauwe schemering heerschte, maar de diepe achtergrond in het duister
lag en zich eindeloos scheen uit te strekken.
Ik stond in den buitensten kring, waar ik, met mijn gelaat naar den
leeraar gewend, den rug naar de donkere gewelven keerde. Daardoor
echter was ik aan herhaalde stoornissen blootgesteld; elk zacht
geruisch in die gewelven werd door den weerklank duizendvoudig
herhaald. Dikwijls keerde ik mij om, als regendroppels, door de
scheuren van het bouwvallige dak op den bodem vielen. En hadden
dan mijne oogen eenmaal die richting genomen, dan kon ik ze zoo
terstond niet weder afwenden. Zij werden meer en meer aan den donkeren
achtergrond gewoon. Ja allengs bekroop mij de nieuwsgierigheid, om in
die geheimzinnige doolgangen ontdekkingen te doen, zoodat ik schier
geheel vergat, mijne aandacht op de zinrijke preek van den leeraar
te vestigen.
Dit verstrooid afdwalen was eene hebbelijkheid, waarover ik van mijn
vader vaak verwijtingen had moeten hooren. Ze ontstond misschien uit
eene al te groote prikkelbaarheid der verbeelding, die hij zelf niet
kende. Op dat oogenblik, herinnerde ik mij op eenmaal den tijd, toen ik
aan zijne hand ter kerk ging en zijne ernstige vermaningen hoorde. Deze
herinnering benam mij mijne aandacht geheel en al. Want zij riep mij
zijn gevaarvollen toestand in het geheugen. Zacht fluisterend verzocht
ik Andries, te onderzoeken, of zich ook iemand van het kantoor van
Mac-Vittie in deze vergadering bevond. Al zijn aandacht wijdend
aan den leeraar, beantwoordde Andries mijn verzoek slechts met een
elleboogstoot, om mij te kennen te geven dat ik zwijgen moest. Met even
weinig gevolg overzag ik de vele, naar den kansel gewende gezichten. Ik
zocht of ook onder hen Owens mij zoo goed bekende trekken met hun
uitdrukking van godvruchtige kalmte en slimmen koopmansgeest te
vinden was. Maar noch onder de breede vilten hoeden der stedelingen,
noch onder de mutsen met breede randen der landlieden kon ik iets
ontdekken, wat naar de deftige pruik, den lichtbruinen rok en de
stijve das van onzen eersten boekhouder geleek. Intusschen pijnigde
mijn ongeduld mij zoo zeer, dat de nieuwheid der mij omringende dingen
alle bekoring voor mij verloor. Ik trok mijn leidsman vrij onzacht
bij den mouw en gaf hem mijn wensch te kennen om de kerk te verlaten
en mijne nasporingen voort te zetten. Andries, even halsstarrig als
op onzen tocht over het Cheviot-gebergte, verwaardigde zich in het
eerst niet eens mij te antwoorden. Maar eindelijk, toen hij zag dat
ik mij zoo niet liet afschepen, zeide hij dat wij vóór het eindigen
der godsdienstoefening niet konden wegkomen, omdat de deuren sedert
het begin van het gebed gesloten waren. Toen hij mij dit met korte
woorden vrij knorrig toegefluisterd had, keerde hij zich weder
naar den leeraar en nam opnieuw de houding van een diepdenkenden,
scherpbeoordeelenden toehoorder aan.
Ik moest van den nood eene deugd maken, en ook mijne opmerkzaamheid
weder op de leerrede trachten te vestigen. Maar eene nieuwe zonderlinge
gebeurtenis kwam mij op eenmaal daarin storen. Eene stem achter mij
fluisterde mij zeer verstaanbaar in het oor: »gij zijt in deze stad
in gevaar!"
Onwillekeurig keerde ik mij om. Twee eenvoudige handwerkslieden
stonden naast en achter mij. Even als wij, waren zij te laat in de
kerk gekomen. Een enkele blik, dien ik op hunne gezichten wierp,
overtuigde mij, zonder dat ik mij daarover eigenlijk eene bepaalde
reden kon geven, dat geen van beiden tot mij gesproken had, en zeer
opmerkzaam naar den leeraar luisterende, beantwoordde geen van beiden
mijn vorschenden blik. Een dikke ronde pilaar dicht achter ons kon
den geheimen waarschuwer, zoodra hij gesproken had, licht aan mijne
oogen onttrokken hebben; maar waarom hij die waarschuwing op deze
plaats gedaan had, en welk gevaar hij bedoelde en wie hij wezen
mocht,--dit waren vragen, waaromtrent ik mij in gissingen verdiepte
en mijne verbeeldingskracht te vergeefs inspande. Ik verwachtte dat
men de waarschuwing herhalen zou en vestigde mijne oogen onafgewend
op den leeraar, ten einde den onbekenden vriend er toe te brengen,
zijne mededeeling te herhalen, in de meening dat ik hem de eerste
maal niet goed gehoord of begrepen had.
Het gelukte. Nauwelijks had ik mijne oogen op den leeraar gevestigd,
of dezelfde stem fluisterde mij toe: »hoor naar mij, maar zie niet
om."--Ik keek onafgewend naar den preekstoel.--»Gij zijt in deze
stad in gevaar," vervolgde dezelfde stem, »en ik zelf ook. Kom heden
nacht precies te twaalf ure op de groote brug: ik zal er zijn. Blijf
overigens te huis tot het donker is en vermijd de spionnen."
De stem zweeg en ik keerde mij terstond om. Maar nog veel sneller had
de waarschuwer zich achter den pilaar verborgen. Vast besloten om hem,
zoo het slechts mogelijk ware, te zien, drong ik mij uit den kring der
toehoorders, en spoedde mij om achter den pilaar te komen. Ik vond
niemand, maar ik zag een eind verder eene in een mantel gewikkelde
gestalte onder die sombere gewelven. Onwillekeurig wilde ik den
geheimzinnige volgen, die als een spook in den donkeren achtergrond
verdween. Weinig hoop had ik, om den onbekende, die blijkbaar niet
ontdekt wilde zijn, te vinden. En deze weinige hoop verdween geheel,
toen ik, nauwelijks drie schreden van dien pilaar, struikelde en
viel. Gelukkig belette de duisternis, die mijn val veroorzaakt had,
dat men mij zag vallen; want reeds had de leeraar--men was zeer streng
in het handhaven der orde, gedurende de godsdienstoefening--zijne rede
afgebroken en den opziener met luide stemme gelast den rustverstoorder
in hechtenis te nemen. Maar daar het gedruisch niet herhaald werd,
volgde er ook geen streng onderzoek. Ik kon onopgemerkt mijne plaats
naast den tuinman hernemen.
Zoodra de godsdienstoefening geëindigd was en de vergadering uiteen
ging, wees Andries mij den Heer Mac-Vittie en diens vrouw en dochter
benevens den Heer Thomas Mac-Fin, die met juffrouw Mac-Vittie verloofd
was. Hij deed er, zoo als Andries er met nadruk bijvoegde, eene zeer
goede partij aan. Mac-Vittie was een reeds bejaard man, met scherpe
gelaatstrekken, borstelige wenkbrauwen, licht grijze oogen, met één
woord, met een zoo afstootend voorkomen, dat ik er van schrikte. Ik
herinnerde mij de waarschuwing van den onbekende en draalde met den man
aan te spreken, ofschoon ik voor mij zelven eigenlijk niet zeggen kon,
wat mij zooveel afkeer en argwaan inboezemde. Andries, die mijn dralen
voor blooheid hield, vermaande mij onbeschroomd te zijn. »Spreek hem
aan," herhaalde hij telkens; »waarom zijt gij bevreesd? Hij is nog
geen burgemeester, maar aanstaande jaar zal hij het, naar men zegt,
zeker worden. Hij zal u wel vriendelijk antwoorden, als gij maar geen
geld van hem hebben moet. Hij is schatrijk, maar ongaarne haalt hij
zijn beurs uit--zeggen de lui."
Als de koopman wezenlijk zoo gierig is--dacht ik--als Andries beweert,
dan dien ik voorzichtig te zijn, want ik weet niet hoe de rekening
tusschen hem en mijn vader staat.... Die overweging versterkte den
indruk van den geheimzinnigen wenk, dien ik ontvangen had, en ook
den afkeer, door 's mans gelaatstrekken in mij gewekt. Ik besloot
mij niet terstond tot hem te wenden, zoo als eerst mijn voornemen
was geweest. Ik gelastte mijn gids, aan het huis van Mac-Vittie
naar Owen te vragen, maar zorgvuldig te verzwijgen, van wien hij die
boodschap had, en mij dan in onze herberg antwoord te brengen. Andries
beloofde het. Maar hij sprak tevens van mijn plicht, om ook den
avondgodsdienst bij te wonen. En hij voegde er, met de hem zoo eigen
bijtende spotternij bij: »Ja, als de menschen niet bedaard blijven
staan, maar op de grafsteenen ronddrentelen alsof zij de dooden wilden
wekten, ja, dan hooren ze beter in een kroeg dan in een kerk...."