HOOFDSTUK XIX.

Zie ginds! die grijze kerkhofsmuur,

Verweerd, gebrokkeld en gebogen,

Daarachter slaapt des dichters geest,

Des krijgsmans moed en menig minnend harte.

Langhorne.

Nauwelijks waren wij in de eerste Schotsche grensplaats aangekomen,

of mijn gids ging heen tot een vriend en raadsman, om met hem te

overleggen, op welke wijze hij langs rechtmatigen weg het paard zijn

wettig eigendom zou kunnen noemen. Dat het dier thans nog niet zoo

geheel wettig in zijn bezit was, gevoelde hij zelf zeer goed. Bij

zijne terugkomst zag ik, tot mijn genoegen, uit zijne neerslachtige

blikken, dat hij zich in zijne hoop teleurgesteld vond. Zijn vriend,

jegens wien Andries zich misschien al te openhartig uitgelaten had,

was sedert eenigen tijd griffier van den vrederechter geworden. Deze

had hem verklaard, dat het paard in beslag genomen en tegen een

voedergeld van twaalf shillings Schotsch daags bewaard moest worden,

tot de vraag aangaande het recht van eigendom behoorlijk beslist zou

zijn. Zelfs werd de persoonlijke vrijheid van den tuinman bedreigd,

doch op zijn ootmoedig smeeken zag de griffier van dezen maatregel af

en schonk hem zelfs een klein, droezig, kreupel paardje, om hem tot

het voortzetten van zijne reis in staat te stellen. Doch daarvoor

moest mijn reisgenoot hem zijne aanspraak op Thorncliff's paard

geheel afstaan, terwijl de rechtsgeleerde schertsend opmerkte, dat

deze afstand geen offer was, daar hem toch ten laatste niet eens de

halster van het paard zou overblijven. Daarbij verried Andries, toen

ik het verhaal van al deze omstandigheden uitlokte, duidelijk zijne

bekommering en verlegenheid. Hij moest bekennen, dat rechtsgeleerden

overal rechtsgeleerden waren, en de Schotsche griffier geen haar

beter was dan de griffier Jobson.

»Had men hem," zeide hij, »van rechtswege het paard ontnomen, dat

hij zich met zooveel gevaar had weten te verschaffen, en zoo die

afzetterij slechts door Engelschen gepleegd ware, zou hij niets te

zeggen hebben. Maar hij vond het ongehoord, dat de eene kraai de

andere de oogen uitpikte, en dat de eene eerlijke Schot den anderen

bedroog. Maar wat zal ik er van zeggen!" voegde hij er op droevigen

toon bij; »alles is in ons vaderland jammerlijk verbasterd sedert die

ongelukkige Unie!"--Aan deze gebeurtenis schreef Andries namelijk

elke verkeerdheid, elke verbastering toe, welke hij onder zijne

landslieden bespeurde, inzonderheid de veel grootere rekeningen

in de herbergen, de kleinere drankmaat en andere onaangenaamheden,

waarop hij mij onderweg opmerkzaam maakte. Onder deze omstandigheden

geloofde ik het mijne gedaan te hebben, toen ik mijn oom schreef,

hoe het paard naar Schotland en aldaar in handen der gerechtigheid,

of ten minste van de plaatsvervangers daarvan, gekomen was. Of de

vossenjagers in Northumberland het terugkregen, of de Schotsche

griffier het behouden heeft, behoort niet tot onze geschiedenis. Ik

heb het ook niet onderzocht.

Langzamer dan in den aanvang, gingen wij nu verder, in eene

noord-westelijke richting voort. Toen eenige kale, woeste heuvels

achter ons lagen, opende zich voor ons het vruchtbare dal van de

Clyde. En weldra bereikten wij Glasgow, dat, naar ik hoor, in de

laatste tijden den naam van groote stad, die mijn gids, als door een

profetischen geest bezield, haar gaf, volkomen waardig is geworden. Een

uitgebreide, steeds toenemende koophandel met de West-Indische

en Amerikaansche koloniën heeft den grond tot rijkdom en welvaart

gelegd. Als men nu dien grond goed bevestigt en verstandig daarop

voortbouwt, dan kan zich hier eenmaal een hecht en schoon gebouw van

handelswelvaart verheffen. In de tijden, van welke ik spreek, was het

morgenrood van dien luister nog niet aangebroken. De Unie heeft den

Schotten trouwens den handel met de Engelsche koloniën geopend; doch

deels was aan gebrek aan geld, deels aan de ijverzucht der Engelschen

te wijten, dat de Schotsche kooplieden voor het grootste gedeelte nog

van het genot dier voorrechten verstoken waren, door dat gedenkwaardig

verdrag hun verleend. Glasgow's ligging begunstigde geenszins de

deelneming aan den handel op het vasteland. Toch heeft de Unie den

weinig beduidenden handel, welke toenmaals in Schotland gedreven werd,

dadelijk verlevendigd. Hoe weinig hoop intusschen Glasgow destijds

gaf, om die hoogte in den handel te bereiken, waartoe het zich

thans schijnt te kunnen verheffen,--het was toch als hoofdplaats

in het midden van het westelijke Schotland, reeds aanzienlijk en

gewichtig. De breede Clyde, wier golven de muren der stad bespoelen,

bevorderde een vrij levendige binnenlandsche scheepvaart. Men zag dat

hier de hoofdstad was, zoowel van de omliggende vruchtbare vlakte,

als van de districten van Ayr en Dumfries. De bewoners der omstreken

brachten hunne voortbrengselen en kochten hier hunne benoodigdheden

en allerlei voorwerpen.

De sombere gebergten van het westelijke Hoogland zonden dikwerf

hunne woeste stammen naar de markten dier stad. Kudden van wilde,

ruigharige, kleine runderen en paarden, door Hooglanders geleid,

die even wild en afzichtelijk waren als hunne dieren, zag men in

talrijke menigte op straat. Met verrassing zagen vreemdelingen de

ouderwetsche, zonderlinge dracht der bergbewoners, luisterden naar

de ruwe, onbekende tonen dier taal, terwijl de Hooglanders--zelfs

onder hunne vreedzame handelsbetrekkingen, met geweer, pistool,

dolk en schild gewapend--met verbazing de voorwerpen van weelde

aanstaarden, welker gebruik hun onbekend was, en met een schier

verontrustende hebzucht naar die dingen keken, die zij nauwelijks

kenden, noch wisten te waardeeren. De Hooglander verlaat ongaarne

zijne woeste geboorteplaats, en in die vroegere tijden zou men eerder

een pijnboom uit zijne rots kunnen rukken, dan hem overplanten. Doch

reeds toen waren de dalen van het Hoogland, die later nu en dan door

hongersnood en oorlog bezocht werden, zoo dicht bevolkt, dat zij zeer

vele van hunne bewoners aan Glasgow konden afleveren, die zich daar

met der woon nederzetten en door hunne nijverheid niet weinig tot

vermeerdering van de welvaart der stad bijdroegen.

Het uitwendige voorkomen der stad beantwoordde vrij wel aan deze

veel belovende omstandigheden. De breede, aanzienlijke hoofdstraat

had verscheidene openbare gebouwen. Maar de bouwtrant was eerder

zonderling, dan gekenmerkt door goeden smaak. Men zag twee rijen hooge,

steenen huizen, welker voorzijde somwijlen prachtig met metselwerk

was versierd. Dit gaf aan de straat een edel en grootsch aanzien, dat

men in de meeste Engelsche steden, wegens de broosheid der baksteenen

waarvan zij gebouwd zijn, niet licht zal vinden.

Het was op een Zondagmorgen, dat ik met mijn gids de stad

binnenreed. Al de klokken der kerktorens luidden. De menigte menschen,

die ter kerk gingen, getuigde van de plechtigheid van den dag. Wij

stegen voor eene herberg af, waar men ons zeer minzaam en wellevend

ontving. Mijne eerste gedachte was, Owen op te zoeken; maar op mijne

navraag vernam ik, dat vóór het einde van de godsdienstoefening elke

poging daartoe vruchteloos zou zijn. De kasteleines en mijn gids

verzekerden mij eenparig, dat er ten huize van de heeren Mac-Vittie,

Mac-Fin en Co, aan wien ik geadresseerd was, geen levende ziel zou

te vinden wezen. De heeren waren daar, waar het goede Christenen op

Zondag betaamt te zijn.

Andries, wiens afkeer van de rechtspleging in zijn vaderland zich

gelukkig niet tot de andere instellingen van zijn geboortegrond

uitstrekte, hield nu een lofrede op den predikant, die thans in

de hoofdkerk den dienst waarnam, welke lofrede de kasteleines met

de luidste verzekeringen bekrachtigde. Het gevolg daarvan was,

dat ik besloot de beroemde kerk te bezoeken, meer in de hoop om

iets omtrent Owen te vernemen dan omdat ik bijzonder veel stichting

verwachtte. Mijne hoop werd verhoogd door de mededeeling, dat de heer

Ephraim Mac-Vittie, een zeer vroom man, niet alleen zelf in de kerk

zou zijn, maar dat hij ook zekeren vreemdeling, die zijn gast was,

daarheen moest medegenomen hebben.

Onder het geleide van den tuinman begaf ik me dus weldra op weg. Ik

zou zijn geleide ditmaal wel hebben kunnen ontberen, daar de dichte

drommen menschen, die de steile, oneffene straat optrokken, om den

beminden predikant te hooren, mij den weg reeds aanwezen. Toen wij

den top van den heuvel bereikt hadden, kwamen wij met de overige

kerkgangers door eene poort op het ruime kerkhof, dat de hoofdkerk

van Glasgow omgeeft. De kerk zelve is een somber en juist niet zeer

fraai gebouw van Gothische bouworde. Maar haar eigenaardig karakter is

over het geheel zoo goed bewaard gebleven en past ook zoo volkomen bij

hare omgeving, dat de indruk, dien ze bij het eerste gezicht maakt,

in den hoogsten graad ernstig en plechtig is. Ja, ik was zoo sterk

getroffen, dat ik de pogingen van mijn gids Andries, die mij in de

kerk wilde trekken, eenige minuten weerstond, ten einde ze van den

buitenkant met aandacht te beschouwen.

Het gebouw ligt zeer afgezonderd. Hooge muren scheiden de kerk van

den eenen kant van de gebouwen der volkrijke stad, terwijl zij aan

den anderen kant door een hollen weg wordt begrensd, door welks bijna

onzichtbare diepte een beekje murmelt. Dit gedruisch draagt bij om

de verhevene uitwerking van het geheel nog te vermeerderen. Aan

gene zijde van den hollen weg verheft zich eene steile hoogte,

die met pijnboomen bedekt is, welker donkere schaduwen somber op

het kerkhof vallen. Het kerkhof levert weder een ander eigenaardig

gezicht op. De talrijke graven zijn met zerken bedekt. Nergens is

ruimte voor het woekerende gras, dat gewoonlijk dergelijke plaatsen

bekleedt. De zeer breede, vlakke gedenksteenen liggen dicht naast

elkander en ofschoon aan den invloed van het weer blootgesteld,

gelijken zij den met grafschriften bedekten bodem van sommige oude

Engelsche kerken. De inhoud van deze sombere gedenkteekenen der

vergankelijkheid; de vruchtelooze droefheid, welke zij verkondigen;

de ernstige les, welke zij omtrent de nietigheid van al het aardsche

geven; de wijde vlakte, welke zij dekken--alles herinnerde mij die rol

van den heiligen Profeet, die van binnen en van buiten beschreven was,

en er stond echter niets anders in dan klachten, rouw en wee!

Ik zeide reeds dat de hoofdkerk zelve in hare statige verhevenheid met

al hetgene wat haar omringt volmaakt overeenstemt; een log gebouw. Doch

men gevoelt, dat het karakter van het geheel bedorven zou zijn, indien

het lichter en sierlijker ware. Zij is, met uitzondering van de kerk

Kirkwall op de Orkadische eilanden, de eenige kerk in Schotland,

die onaangerand de tijden der hervorming overleefd heeft. Andries,

die met zichtbaren trots bemerkte welken diepen indruk het gebouw

op mij maakte, bleef niet in gebreke mij alles te verhalen, wat hem

bekend was van de omstandigheden dezer gelukkige ontsnapping aan het

lot, dat toenmaals alle andere kerken getroffen had.--»Ja," zeide

hij, »het is een fraaie kerk, dat moet men toestemmen. Geen krullen,

geen Paapsche pronkerij, maar alles hecht en sterk. Als dit gebouw

vrij blijft van verwoestende menschenhanden en van het verwoestende

buskruit, dan kan het dáár staan, zoo lang de wereld staat. Bijna

zou het haar gegaan zijn, als het de kerken van St. Andreas,

Perth en andere steden is gegaan, in de tijden der hervorming. Men

wilde ze zuiveren van den Paapschen inboedel, koorhemden en andere

lorren van de Papisterij, die op de zeven heuvels van Rome zit,

alsof één heuvel niet groot genoeg voor haar ware. Op een mooien

morgen kwamen ze uit de gemeente van Renfrew en andere plaatsen,

en wilden deze kerk insgelijks van al dat ellendige tuig schoon

vegen. Maar de burgers van Glasgow waren van meening, dat zulk eene

sterke opruiming hunne oude kerk misschien kwalijk zou bekomen. Toen

luidden zij de stormklok, roerden de trommen, riepen alles te wapen,

en trokken uit, om liever met die schoonmakende gemeenten te plukharen,

dan hunne dierbare kerk te laten verwoesten. Het was echter niet uit

liefde voor de Papisterij--neen, dat kan niemand Glasgow's burgers

nageven. Ten slotte kwamen zij overeen, dat de afgodische beelden

der zoogenaamde Heiligen--God behoede er ons voor!--er uit zouden

gehaald worden. Die steenen afgoden werden in stukken geslagen,

gelijk de Schrift uitdrukkelijk beveelt, en in het water geworpen. En

de oude eerwaardige kerk stond daar, zoo glad en zuiver als een kat,

wanneer haar de vlooien uitgekamd zijn. En elk braaf Christenmensen

was volkomen tevreden. Vele verstandige lieden heb ik hooren zeggen

dat, als men met de andere kerken in Schotland ook zoo gehandeld had,

de hervorming even onbesmet zou gebleven zijn, als ze thans is, en wij

alsdan meer kerken van een echt Christelijk aanzien zouden hebben. Ja,

ik ben lang genoeg in Engeland geweest en ik vergeet het zeker niet,

dat de hondenstal in het kasteel Osbaldistone veel beter is dan menig

Godshuis in Schotland."

En met die woorden was Andries de kerk binnengetreden.

Robbert Roodhaar · 第 31 / 57 题