Zie ginds! die grijze kerkhofsmuur,
Verweerd, gebrokkeld en gebogen,
Daarachter slaapt des dichters geest,
Des krijgsmans moed en menig minnend harte.
Langhorne.
Nauwelijks waren wij in de eerste Schotsche grensplaats aangekomen,
of mijn gids ging heen tot een vriend en raadsman, om met hem te
overleggen, op welke wijze hij langs rechtmatigen weg het paard zijn
wettig eigendom zou kunnen noemen. Dat het dier thans nog niet zoo
geheel wettig in zijn bezit was, gevoelde hij zelf zeer goed. Bij
zijne terugkomst zag ik, tot mijn genoegen, uit zijne neerslachtige
blikken, dat hij zich in zijne hoop teleurgesteld vond. Zijn vriend,
jegens wien Andries zich misschien al te openhartig uitgelaten had,
was sedert eenigen tijd griffier van den vrederechter geworden. Deze
had hem verklaard, dat het paard in beslag genomen en tegen een
voedergeld van twaalf shillings Schotsch daags bewaard moest worden,
tot de vraag aangaande het recht van eigendom behoorlijk beslist zou
zijn. Zelfs werd de persoonlijke vrijheid van den tuinman bedreigd,
doch op zijn ootmoedig smeeken zag de griffier van dezen maatregel af
en schonk hem zelfs een klein, droezig, kreupel paardje, om hem tot
het voortzetten van zijne reis in staat te stellen. Doch daarvoor
moest mijn reisgenoot hem zijne aanspraak op Thorncliff's paard
geheel afstaan, terwijl de rechtsgeleerde schertsend opmerkte, dat
deze afstand geen offer was, daar hem toch ten laatste niet eens de
halster van het paard zou overblijven. Daarbij verried Andries, toen
ik het verhaal van al deze omstandigheden uitlokte, duidelijk zijne
bekommering en verlegenheid. Hij moest bekennen, dat rechtsgeleerden
overal rechtsgeleerden waren, en de Schotsche griffier geen haar
beter was dan de griffier Jobson.
»Had men hem," zeide hij, »van rechtswege het paard ontnomen, dat
hij zich met zooveel gevaar had weten te verschaffen, en zoo die
afzetterij slechts door Engelschen gepleegd ware, zou hij niets te
zeggen hebben. Maar hij vond het ongehoord, dat de eene kraai de
andere de oogen uitpikte, en dat de eene eerlijke Schot den anderen
bedroog. Maar wat zal ik er van zeggen!" voegde hij er op droevigen
toon bij; »alles is in ons vaderland jammerlijk verbasterd sedert die
ongelukkige Unie!"--Aan deze gebeurtenis schreef Andries namelijk
elke verkeerdheid, elke verbastering toe, welke hij onder zijne
landslieden bespeurde, inzonderheid de veel grootere rekeningen
in de herbergen, de kleinere drankmaat en andere onaangenaamheden,
waarop hij mij onderweg opmerkzaam maakte. Onder deze omstandigheden
geloofde ik het mijne gedaan te hebben, toen ik mijn oom schreef,
hoe het paard naar Schotland en aldaar in handen der gerechtigheid,
of ten minste van de plaatsvervangers daarvan, gekomen was. Of de
vossenjagers in Northumberland het terugkregen, of de Schotsche
griffier het behouden heeft, behoort niet tot onze geschiedenis. Ik
heb het ook niet onderzocht.
Langzamer dan in den aanvang, gingen wij nu verder, in eene
noord-westelijke richting voort. Toen eenige kale, woeste heuvels
achter ons lagen, opende zich voor ons het vruchtbare dal van de
Clyde. En weldra bereikten wij Glasgow, dat, naar ik hoor, in de
laatste tijden den naam van groote stad, die mijn gids, als door een
profetischen geest bezield, haar gaf, volkomen waardig is geworden. Een
uitgebreide, steeds toenemende koophandel met de West-Indische
en Amerikaansche koloniën heeft den grond tot rijkdom en welvaart
gelegd. Als men nu dien grond goed bevestigt en verstandig daarop
voortbouwt, dan kan zich hier eenmaal een hecht en schoon gebouw van
handelswelvaart verheffen. In de tijden, van welke ik spreek, was het
morgenrood van dien luister nog niet aangebroken. De Unie heeft den
Schotten trouwens den handel met de Engelsche koloniën geopend; doch
deels was aan gebrek aan geld, deels aan de ijverzucht der Engelschen
te wijten, dat de Schotsche kooplieden voor het grootste gedeelte nog
van het genot dier voorrechten verstoken waren, door dat gedenkwaardig
verdrag hun verleend. Glasgow's ligging begunstigde geenszins de
deelneming aan den handel op het vasteland. Toch heeft de Unie den
weinig beduidenden handel, welke toenmaals in Schotland gedreven werd,
dadelijk verlevendigd. Hoe weinig hoop intusschen Glasgow destijds
gaf, om die hoogte in den handel te bereiken, waartoe het zich
thans schijnt te kunnen verheffen,--het was toch als hoofdplaats
in het midden van het westelijke Schotland, reeds aanzienlijk en
gewichtig. De breede Clyde, wier golven de muren der stad bespoelen,
bevorderde een vrij levendige binnenlandsche scheepvaart. Men zag dat
hier de hoofdstad was, zoowel van de omliggende vruchtbare vlakte,
als van de districten van Ayr en Dumfries. De bewoners der omstreken
brachten hunne voortbrengselen en kochten hier hunne benoodigdheden
en allerlei voorwerpen.
De sombere gebergten van het westelijke Hoogland zonden dikwerf
hunne woeste stammen naar de markten dier stad. Kudden van wilde,
ruigharige, kleine runderen en paarden, door Hooglanders geleid,
die even wild en afzichtelijk waren als hunne dieren, zag men in
talrijke menigte op straat. Met verrassing zagen vreemdelingen de
ouderwetsche, zonderlinge dracht der bergbewoners, luisterden naar
de ruwe, onbekende tonen dier taal, terwijl de Hooglanders--zelfs
onder hunne vreedzame handelsbetrekkingen, met geweer, pistool,
dolk en schild gewapend--met verbazing de voorwerpen van weelde
aanstaarden, welker gebruik hun onbekend was, en met een schier
verontrustende hebzucht naar die dingen keken, die zij nauwelijks
kenden, noch wisten te waardeeren. De Hooglander verlaat ongaarne
zijne woeste geboorteplaats, en in die vroegere tijden zou men eerder
een pijnboom uit zijne rots kunnen rukken, dan hem overplanten. Doch
reeds toen waren de dalen van het Hoogland, die later nu en dan door
hongersnood en oorlog bezocht werden, zoo dicht bevolkt, dat zij zeer
vele van hunne bewoners aan Glasgow konden afleveren, die zich daar
met der woon nederzetten en door hunne nijverheid niet weinig tot
vermeerdering van de welvaart der stad bijdroegen.
Het uitwendige voorkomen der stad beantwoordde vrij wel aan deze
veel belovende omstandigheden. De breede, aanzienlijke hoofdstraat
had verscheidene openbare gebouwen. Maar de bouwtrant was eerder
zonderling, dan gekenmerkt door goeden smaak. Men zag twee rijen hooge,
steenen huizen, welker voorzijde somwijlen prachtig met metselwerk
was versierd. Dit gaf aan de straat een edel en grootsch aanzien, dat
men in de meeste Engelsche steden, wegens de broosheid der baksteenen
waarvan zij gebouwd zijn, niet licht zal vinden.
Het was op een Zondagmorgen, dat ik met mijn gids de stad
binnenreed. Al de klokken der kerktorens luidden. De menigte menschen,
die ter kerk gingen, getuigde van de plechtigheid van den dag. Wij
stegen voor eene herberg af, waar men ons zeer minzaam en wellevend
ontving. Mijne eerste gedachte was, Owen op te zoeken; maar op mijne
navraag vernam ik, dat vóór het einde van de godsdienstoefening elke
poging daartoe vruchteloos zou zijn. De kasteleines en mijn gids
verzekerden mij eenparig, dat er ten huize van de heeren Mac-Vittie,
Mac-Fin en Co, aan wien ik geadresseerd was, geen levende ziel zou
te vinden wezen. De heeren waren daar, waar het goede Christenen op
Zondag betaamt te zijn.
Andries, wiens afkeer van de rechtspleging in zijn vaderland zich
gelukkig niet tot de andere instellingen van zijn geboortegrond
uitstrekte, hield nu een lofrede op den predikant, die thans in
de hoofdkerk den dienst waarnam, welke lofrede de kasteleines met
de luidste verzekeringen bekrachtigde. Het gevolg daarvan was,
dat ik besloot de beroemde kerk te bezoeken, meer in de hoop om
iets omtrent Owen te vernemen dan omdat ik bijzonder veel stichting
verwachtte. Mijne hoop werd verhoogd door de mededeeling, dat de heer
Ephraim Mac-Vittie, een zeer vroom man, niet alleen zelf in de kerk
zou zijn, maar dat hij ook zekeren vreemdeling, die zijn gast was,
daarheen moest medegenomen hebben.
Onder het geleide van den tuinman begaf ik me dus weldra op weg. Ik
zou zijn geleide ditmaal wel hebben kunnen ontberen, daar de dichte
drommen menschen, die de steile, oneffene straat optrokken, om den
beminden predikant te hooren, mij den weg reeds aanwezen. Toen wij
den top van den heuvel bereikt hadden, kwamen wij met de overige
kerkgangers door eene poort op het ruime kerkhof, dat de hoofdkerk
van Glasgow omgeeft. De kerk zelve is een somber en juist niet zeer
fraai gebouw van Gothische bouworde. Maar haar eigenaardig karakter is
over het geheel zoo goed bewaard gebleven en past ook zoo volkomen bij
hare omgeving, dat de indruk, dien ze bij het eerste gezicht maakt,
in den hoogsten graad ernstig en plechtig is. Ja, ik was zoo sterk
getroffen, dat ik de pogingen van mijn gids Andries, die mij in de
kerk wilde trekken, eenige minuten weerstond, ten einde ze van den
buitenkant met aandacht te beschouwen.
Het gebouw ligt zeer afgezonderd. Hooge muren scheiden de kerk van
den eenen kant van de gebouwen der volkrijke stad, terwijl zij aan
den anderen kant door een hollen weg wordt begrensd, door welks bijna
onzichtbare diepte een beekje murmelt. Dit gedruisch draagt bij om
de verhevene uitwerking van het geheel nog te vermeerderen. Aan
gene zijde van den hollen weg verheft zich eene steile hoogte,
die met pijnboomen bedekt is, welker donkere schaduwen somber op
het kerkhof vallen. Het kerkhof levert weder een ander eigenaardig
gezicht op. De talrijke graven zijn met zerken bedekt. Nergens is
ruimte voor het woekerende gras, dat gewoonlijk dergelijke plaatsen
bekleedt. De zeer breede, vlakke gedenksteenen liggen dicht naast
elkander en ofschoon aan den invloed van het weer blootgesteld,
gelijken zij den met grafschriften bedekten bodem van sommige oude
Engelsche kerken. De inhoud van deze sombere gedenkteekenen der
vergankelijkheid; de vruchtelooze droefheid, welke zij verkondigen;
de ernstige les, welke zij omtrent de nietigheid van al het aardsche
geven; de wijde vlakte, welke zij dekken--alles herinnerde mij die rol
van den heiligen Profeet, die van binnen en van buiten beschreven was,
en er stond echter niets anders in dan klachten, rouw en wee!
Ik zeide reeds dat de hoofdkerk zelve in hare statige verhevenheid met
al hetgene wat haar omringt volmaakt overeenstemt; een log gebouw. Doch
men gevoelt, dat het karakter van het geheel bedorven zou zijn, indien
het lichter en sierlijker ware. Zij is, met uitzondering van de kerk
Kirkwall op de Orkadische eilanden, de eenige kerk in Schotland,
die onaangerand de tijden der hervorming overleefd heeft. Andries,
die met zichtbaren trots bemerkte welken diepen indruk het gebouw
op mij maakte, bleef niet in gebreke mij alles te verhalen, wat hem
bekend was van de omstandigheden dezer gelukkige ontsnapping aan het
lot, dat toenmaals alle andere kerken getroffen had.--»Ja," zeide
hij, »het is een fraaie kerk, dat moet men toestemmen. Geen krullen,
geen Paapsche pronkerij, maar alles hecht en sterk. Als dit gebouw
vrij blijft van verwoestende menschenhanden en van het verwoestende
buskruit, dan kan het dáár staan, zoo lang de wereld staat. Bijna
zou het haar gegaan zijn, als het de kerken van St. Andreas,
Perth en andere steden is gegaan, in de tijden der hervorming. Men
wilde ze zuiveren van den Paapschen inboedel, koorhemden en andere
lorren van de Papisterij, die op de zeven heuvels van Rome zit,
alsof één heuvel niet groot genoeg voor haar ware. Op een mooien
morgen kwamen ze uit de gemeente van Renfrew en andere plaatsen,
en wilden deze kerk insgelijks van al dat ellendige tuig schoon
vegen. Maar de burgers van Glasgow waren van meening, dat zulk eene
sterke opruiming hunne oude kerk misschien kwalijk zou bekomen. Toen
luidden zij de stormklok, roerden de trommen, riepen alles te wapen,
en trokken uit, om liever met die schoonmakende gemeenten te plukharen,
dan hunne dierbare kerk te laten verwoesten. Het was echter niet uit
liefde voor de Papisterij--neen, dat kan niemand Glasgow's burgers
nageven. Ten slotte kwamen zij overeen, dat de afgodische beelden
der zoogenaamde Heiligen--God behoede er ons voor!--er uit zouden
gehaald worden. Die steenen afgoden werden in stukken geslagen,
gelijk de Schrift uitdrukkelijk beveelt, en in het water geworpen. En
de oude eerwaardige kerk stond daar, zoo glad en zuiver als een kat,
wanneer haar de vlooien uitgekamd zijn. En elk braaf Christenmensen
was volkomen tevreden. Vele verstandige lieden heb ik hooren zeggen
dat, als men met de andere kerken in Schotland ook zoo gehandeld had,
de hervorming even onbesmet zou gebleven zijn, als ze thans is, en wij
alsdan meer kerken van een echt Christelijk aanzien zouden hebben. Ja,
ik ben lang genoeg in Engeland geweest en ik vergeet het zeker niet,
dat de hondenstal in het kasteel Osbaldistone veel beter is dan menig
Godshuis in Schotland."
En met die woorden was Andries de kerk binnengetreden.