Op zekeren dag, tegen den middag toen
ik naar mijn boot ging, ontdekte ik
met groote verassing het spoor van
een naakten menschenvoet, zeer duidelijk
in het zand van den oever afgedrukt.
Robinson Crusoe.
Diana's zonderlinge toestand had een sterk gevoel van deelneming
en jaloezie in mij verwekt. Het maakte mij tot zulk een scherpen
opmerker en bespieder, dat dit haar spoedig in het oog viel, hoewel
ik mij beijverde, het voor haar te verbergen. De bewustheid dat ik
haar steeds gadesloeg en als het ware bewaakte, scheen haar deels
in verlegenheid te brengen, deels verdrietig, ja zelfs pijnlijk te
zijn. Nu en dan kwam het mij voor, alsof zij eene gelegenheid zocht
om hare gevoeligheid te kennen te geven over eene handelwijze, die
haar beleedigen moest. Zij had immers met zooveel openhartigheid den
moeilijken toestand, waarin zij zich bevond, geopenbaard. In andere
oogenblikken scheen zij gereed, om klachten te uiten. Maar terstond
daarop ontzonk haar dan weer de moed. Haar misnoegen verdween onder
een geestig antwoord en hare klachten bestierven op hare lippen. Wij
stonden eigenlijk in eene zeer zonderlinge betrekking tot elkander. Een
groot gedeelte van onzen tijd brachten wij met elkander door, doch
verheelden elkander onze wederzijdsche gewaarwordingen, terwijl
ieder door des anderen daden tot jaloezie of gevoeligheid geprikkeld
werd. Er heerschte vertrouwelijkheid tusschen ons zonder vertrouwen;
aan den eenen kant liefde zonder hoop of doel, nieuwsgierigheid
zonder eene verstandige, aannemelijke beweegreden; aan den anderen
kant verlegenheid en twijfel, waarbij ook soms misnoegen kwam. Toch
ben ik overtuigd, dat deze woeling van hartstochten, die voortdurend
door duizend prikkelende en aantrekkelijke, hoezeer ook op zich zelf
onbeduidende omstandigheden ons beiden steeds aan elkander deed denken,
niet weinig bijgedragen heeft om de neiging te voeden die ons tot
elkander trok. Mijne ijdelheid verbeeldde zich trouwens reeds vroeg
ontdekt te hebben, dat sedert mijn verblijf op het kasteel, Diana's
tegenzin in het klooster vermeerderd was. Toch begreep ik geenszins op
eene genegenheid te kunnen rekenen, die in elk geval aan de geheimen
van haar zonderlingen toestand ondergeschikt scheen te zijn. Diana
dacht te zedelijk streng, dan dat hare genegenheid voor mij haar
plichtbesef of hare rede zou hebben kunnen overmeesteren. Een gesprek
dat wij toen eens met elkander hadden, deed mij het helder inzien.
Wij zaten bij elkander in de boekenkamer. Diana bladerde in eene
uitgave van den Razenden Roeland, die mij toebehoorde, en daaruit
viel een blad beschreven papier op den grond. Ik wilde het dadelijk
oprapen, maar zij voorkwam mij.
»Verzen?" zeide zij, vluchtig op het papier ziende, en toen zij het
ontvouwen had, hield zij het dralend in de hand, alsof zij mijn
antwoord afwachtte.--»Mag ik zoo vrij zijn?--o, als gij bloost
en stamelt, dan moet ik uwe bescheidenheid wel geweld aandoen, en
veronderstellen, dat het mij vergund is."
»Het is het lezen niet waard!" viel ik haar in de rede; »slechts een
losse proeve van vertaling. Lieve freule, er zou waarlijk een al te
gestreng vonnis moeten volgen, als gij, die het oorspronkelijke zoo
goed kent, als de rechter over deze proeve wildet optreden."
»Beste vriend," hernam Diana; »wilt gij een goeden raad van mij
aannemen? Hengel dan toch niet met zoo veel nederigheid: tien tegen
een, dat gij er geen enkele vleierij mede vangt! Gij weet immers dat
ik tot het geslacht der waarheidsprekers behoor. Apollo zelfs zou
van mij geene vleierij over zijne lier ontvangen."
Dit zeggende, las zij de eerste stanze van Ariosto's lied:
»Van vrouwen, ridders, waapnen, van liefdegloed, ook zing ik
Van 't hoofsch bedrijf, van 't koen en heldenmoedig hand'len
Van koning Agramant, die, met zijn Moorsche drommen,
Uit Afrika, 't Barbarenland, kwam wand'len.
Hem drijft de woeste wrake, de lust naar roof en moord,
Dwars door het golfgeloei der zee naar Frankrijk voort.
Het gold Trojano's moord. Hij kwam van verre stranden,
Dien eedlen held te wreken, zoo dapper en zoo fier
Den grooten Karel wil als Keizer hij onttroonen ....
Maar ook van Roland zingt mijn zachte dichterslier.
Hoe hij, die dappre held, die geest, zoo wijs en groot
Tot razernij verviel, om bittren liefde nood ....
»O, o! Er staat nog veel meer!" zeide zij, het papier overziende. Ik
had de zoetste tonen gehoord, die ooit sterfelijke ooren konden
streelen; den klank der verzen van een jongen dichter, door geliefde
lippen uitgesproken. Zij hield op eenmaal op.
»Ja, er staat veel meer dan uwe aandacht waardig is, freule,"
zeide ik een weinig gevoelig en nam het papier uit hare hand,
die niet tegenstreefde. »Och, in mijne eenzaamheid," vervolgde ik
na eenig stilzwijgen, »dacht ik mij niet beter te kunnen bezig
houden, dan wanneer ik--het spreekt van zelf, slechts tot mijne
eigen uitspanning--de vertaling van den heerlijken dichter weder
opvatte, voor eenige maanden, aan de oevers der Garonne, ben ik er
mede begonnen."
»Maar het zou de vraag zijn," zeide Diana ernstig, »of gij uw tijd
niet tot iets beters kondt besteden?"
»Gij meent misschien tot eigen werk?" antwoordde ik en gevoelde mij
ten hoogste gestreeld. »Om u de waarheid te zeggen, mijn geest is
vaardiger in het vinden van woorden en rijmklanken dan van dichterlijke
gedachten. Daarom is het mij een genot, dat ik gebruiken kan wat
Ariosto mij voorlegt. Maar de aanmoediging, die gij mij geeft ...."
»Vergeef mij waarde neef, ik geef geene aanmoediging; gij neemt
ze. Ik bedoelde noch eigen werk, noch vertalingen, toen ik meende
dat gij uw tijd tot iets beters besteden kondt. Gij moest noch het
een, noch het ander doen. Maar gij zijt min of meer gevoelig, zie ik,
over mijne aanmerking. Het doet mij leed, dat ik u daartoe aanleiding
heb gegeven."
»O neen, niet gevoelig, waarlijk niet gevoelig!" hernam ik, en
trachtte een opgeruimde houding aan te nemen, wat mij echter niet
wilde gelukken. »Ik ben u zeer verplicht voor de deelneming, die gij
mij bewijst."
»Neen, neen!" vervolgde Diana onverbiddelijk; »uit den gedwongen toon
uwer stem spreekt gevoeligheid en een weinigje misnoegen. Maar word
niet boos, als ik u nog wat dieper in het hart moet grijpen. Wezenlijk,
wat ik u verder te zeggen heb, zal u misschien nòg sterker treffen."
Ik zag nu hoe kinderachtig mijn gedrag was, en hoe Diana hare
meerderheid boven mij handhaafde. Ik zeide, dat zij niet behoefde te
vreezen, dat ik om eene berisping, waarvan het goede doel mij bekend
was, boos zoude worden.
»Zoo mag ik het hooren. Dat is oprecht gedacht en
gesproken!" antwoordde zij. »Ik wist wel, dat de booze geest der
dichterlijke gevoeligheid snel zou vervliegen. Maar laat mij ernstig
zijn. Hebt gij sinds kort iets van uw vader gehoord!"
»Van mijn vader? Volstrekt niets!" hernam ik. »Sedert eene scheiding
van vele maanden heeft hij mij nog niet met één enkelen regel vereerd."
»Zonderling! Gij zijt toch een wonderlijk soort van menschen, gij
heeren, die den naam van Osbaldistone voert! Gij weet dus niet, dat
hij naar Holland is vertrokken om dringende zaken, die daar zijne
tegenwoordigheid eischten?"
»Tot op dit oogenblik heb ik er geen woord van vernomen."
»Dan zal het zeker voor u eene verrassing en zeer zeker geen aangename
verrassing zijn, te vernemen, dat uw vader, tot na zijne terugkomst,
bijna het gansche bestuur van zijne zaken te Londen, zonder eenige
beperking, aan Rashleigh opgedragen heeft?"
Hevig ontzet, kon ik mijne verbazing en mijne bezorgdheid niet
verbergen.
»Gij hebt gegronde reden om ongerust te zijn!" zeide Diana zeer
ernstig. »Ware ik in uwe plaats, dan zou ik de gevaren, die uit zulk
een geheel verkeerden maatregel kunnen, ja, hoogst waarschijnlijk
zullen ontstaan, zoo spoedig mogelijk trachten te verijdelen."
»Maar hoe zou mij dat mogelijk zijn?"
»Voor iemand, die moed en ijver bezit, is alles mogelijk!" zeide zij
met een blik, met een fonkelend oog, dat mij aan de heldinnen uit de
riddertijden herinnerde, wier bemoediging de kampvechters met een
hoogere, schier bovenmenschelijke dapperheid bezielde. »Maar den
vreesachtige is alles onmogelijk, juist omdat het hem onmogelijk
schijnt," voegde zij er bij.
»Maar wat raadt gij mij dan?" vroeg ik, haar antwoord wenschende
en vreezende.
Zij zweeg een oogenblik en zeide toen op vasten toon: »dat gij
onverwijld het kasteel verlaat en naar Londen terugkeert. Misschien
zijt gij reeds veel te lang hier geweest," voegde zij er eenigszins
zachter bij; »doch dat was uwe schuld niet. Elk uur dat gij van
nu af hier verspilt, is eene misdaad; ja, eene misdaad. Want ik
moet ronduit verklaren, dat, als uw vader zijne zaken nog lang in
Rashleigh's handen laat, gij van zijn onherstelbaren ondergang vast
en zeker overtuigd kunt zijn."
»Ondergang, hoe is dat mogelijk?"
»Geen vragen!" vervolgde zij. »Geloof mij: Rashleigh's oogmerken
reiken verder dan het bezit van geld. Het beheer en het vrije bestuur
van uws vaders inkomsten en goederen moet hem tot de uitvoering van
zijne eerzuchtige en geheime plannen dienen. Zoo lang uw vader in
Engeland bleef, was dat onmogelijk. Maar gedurende zijne afwezigheid
zal Rashleigh velerlei gelegenheden hebben, en hij zal niet in gebreke
blijven er partij van te trekken."
»Maar hoe zou ik, in twist met mijn vader en uitgesloten van alle
toezicht op zijne zaken, alleen door mijne tegenwoordigheid het gevaar
kunnen afwenden?"
»Uwe tegenwoordigheid alleen zal reeds zeer veel uitwerken. Uw
aanspraak op medetoezicht is gegrond op uw geboorterecht, en niemand
kan u dat betwisten. De hulp van uws vaders eersten boekhouder en
van diens vertrouwde vrienden zal u steunen. En wat de hoofdzaak is,
Rashleigh's plannen zijn van dien aard, dat ..." Plotseling bedwong
zij zich, alsof zij vreesde te veel te zullen zeggen. »Kortom,"
hernam zij weder, »zij zijn even als alle baatzuchtige en gewetenlooze
plannen. Men laat die spoedig varen, zoodra zij, die ze ontwierpen,
bemerken, dat zij ontdekt zijn en nagegaan worden. En nu, ge weet
immers wat uw geliefkoosde dichter uitroept:
»Te paard, te paard! Wie laf is, kan hier dralen!"
Toen echter, door een onweerstaanbare opwelling, riep ik haar toe:
»O, Diana, kunt gij mij aanraden het kasteel te verlaten? Ja,
dan ben ik er zeker al te lang gebleven!" Zij bloosde, maar ging
standvastig voort: »Ja, ik geef u dien raad, en ge moet niet alleen
het kasteel verlaten,--maar nooit hier terugkeeren. Gij laat hier
slechts één wezen terug dat u genegen is;" ging zij voort, zich tot
een glimlachje dwingende. Maar dat wezen is reeds lang gewoon, om
hare vriendschap, en al wat haar troost schenkt, aan het welzijn van
anderen op te offeren. In de wijde wereld zult gij honderden vinden,
wier vriendschap even onbaatzuchtig zal zijn, maar veel voordeeliger,
veel minder beperkt en belemmerd door ongunstige omstandigheden, veel
minder onder den invloed van kwaadsprekende tongen en booze tijden."
»Nooit!" riep ik uit, »nooit! De geheele wereld kan mij niet vergoeden,
wat ik hier moet achterlaten!"--Ik vatte hare hand en drukte die aan
mijne lippen.
»Dat is dwaasheid!" riep zij; »dat is krankzinnigheid!" En zij
deed pogingen om hare hand uit de mijne los te maken, maar niet met
zooveel ernst als noodig was om te slagen. Ik hield haar hand wel
eene minuut lang in de mijne. »Hoor mij, mijnheer Osbaldistone,"
begon zij eindelijk weder, »en matig deze onwaardige uitbarsting
van hartstocht. Ik ben door eene plechtige overeenkomst de bruid
des Hemels, tenzij ik liever met de laaghartigheid van Rashleigh
Osbaldistone, of met de dierlijke ruwheid van zijn broeder, huwen
wil. Ik ben dus de bruid des Hemels, en reeds van mijne wieg af aan
het klooster verloofd. Aan mij zijn dus dergelijke uitroepingen en
betuigingen verspild: ze bewijzen slechts te meer, hoe noodzakelijk
het is, dat gij van hier vertrekt en wel ten spoedigste."
Plotseling hield zij op, zweeg een oogenblik als door aandoening
overweldigd en zei toen met een gesmoorde stem: »verlaat mij
terstond! Wij zullen elkander hier nog eenmaal zien, maar dan voor
de allerlaatste maal."
Plotseling zag zij even om. Mijne oogen volgden de richting der
hare. En het kwam mij voor, alsof het behangsel, dat de deur
van den geheimen gang naar Rashleigh's kamer bedekte, bewogen
werd. Ik vermoedde, dat wij bespied werden. Ik wierp een vragenden,
uitvorschenden blik op Diana.
»Het is niets," zeide zij met eene flauwe stem, »er is een gat achter
het behangsel."
Het denkbeeld van bij deze gelegenheid bespied en beluisterd te worden,
verontwaardigde mij. In eene hevige opwelling van drift zou ik bijna
op den luisteraar losgegaan zijn. Maar, tot mijn geluk misschien,
keerde ik dadelijk tot kalme, verstandige voorzichtigheid terug. Ik
besefte de noodzakelijkheid om mijne drift te bedwingen en Diana's
herhaald gebod: »verlaat mij! verlaat mij!" te gehoorzamen. Zeker
werd ik daardoor voor eene zeer onbezonnene daad behoed. Ik spoedde
mij weg, maar met storm in het hart. Vruchteloos trachtte ik, toen ik
mij alleen op mijne kamer bevond, mijne opgewondenheid te doen bedaren.
Allerlei verwarde gedachten vervulden mij, vlogen pijlsnel door mijne
ziel, verduisterden ieder ander denkbeeld, even als dichte nevels in
bergachtige oorden, zwarte wolken, die al wat dient om den reiziger
door de woestijn den weg te wijzen, onzichtbaar maken. De duistere,
onbestemde bezorgdheid voor een gevaar, dat door Rashleigh's kuiperijen
voor mijn vader ontstaan kon--de onmiskenbaar moeielijke toestand van
het beminnelijke meisje, dat door eene vroegere beslissing verplicht
was, den sluier te kiezen, of eene ongelukkige echtverbintenis aan te
gaan--dit alles drong zich op voor mijne ziel, en mijn verstand was
volstrekt buiten staat, om eene enkele gedachte bedaard te overwegen
en te toetsen.
Maar niets bracht mij erger in de war, dan de herinnering aan de wijze,
waarop Diana de bekentenis mijner neiging tot haar had opgenomen. Hare
houding, tusschen deelneming en een vast besluit wankelend, scheen
te verraden, dat er in haar hart eene stem ten mijnen voordeele
sprak, maar niet sterk genoeg, om de hindernissen te overwinnen,
die zich tegen de bekentenis van hare neiging verzetten. De blik,
waarmede zij de beweging van het behangsel voor die geheime deur
had opgemerkt, verried duidelijk eer vrees dan verrassing. Ik las
daaruit de bezorgdheid voor een gevaar, dat ik voor ernstig gegrond
moest houden. Want Diana was geenszins aan de gewone aanvallen van
vrouwelijke zenuwachtigheid onderhevig. Zij zou, zonder wezenlijke
reden, geen vrees gevoelen. Van welken aard konden deze geheimen zijn,
die haar als een tooverkring omringden, die steeds op hare gedachten
en handelingen een zoo machtigen invloed schenen te hebben?
Aan deze twijfeling klemde ik mij vast. Ik was al blijde, de vraag over
de betamelijkheid of juistheid van mijn gedrag te kunnen ontwijken
en in plaats daarvan Diana's houding na te vorschen. »Welaan," zeide
ik eindelijk tot mij zelven, »vóór dat ik het kasteel verlaat, wil
ik weten wat ik in het vervolg van dit zoo betooverende schepsel
te wachten heb. Openhartigheid en geheim schijnen met elkander de
heerschappij over haar leven te deelen; de ééne geeft haar woorden en
gevoelens in, en de andere hult al hare daden in een somberen nevel."
Er was nog iets in mij, behalve de deelneming, door nieuwsgierigheid en
een rustelooze hartstocht opgewekt. Het was eene opwelling van geheime
jaloezie, maar die ik mij zelven niet wilde bekennen. De invloed,
welken Diana aan de onzichtbare wezens, die hare daden bestuurden,
scheen te vergunnen, wekte die ijverzucht. Als onkruid onder de tarwe,
zoo groeit jaloezie te midden van de ontkiemende liefde. Hoe meer
ik over haar karakter nadacht, des te meer werd ik, mijns ondanks,
innerlijk overtuigd, dat zij geene leiding dulden zou, die niet
uit genegenheid ontstaan was. In mijn binnenste knaagde de bittere
argwaan, dat die invloed, welke haar zoo veel vrees aanjoeg, op eene
andere liefde was gebouwd. Deze kwellende twijfel prikkelde meer en
meer het verlangen, om het geheim van haar toestand te ontdekken. Ik
nam een besluit en overlegde een plan, het geheim te ontraadselen.