HOOFDSTUK XVI.

Op zekeren dag, tegen den middag toen

ik naar mijn boot ging, ontdekte ik

met groote verassing het spoor van

een naakten menschenvoet, zeer duidelijk

in het zand van den oever afgedrukt.

Robinson Crusoe.

Diana's zonderlinge toestand had een sterk gevoel van deelneming

en jaloezie in mij verwekt. Het maakte mij tot zulk een scherpen

opmerker en bespieder, dat dit haar spoedig in het oog viel, hoewel

ik mij beijverde, het voor haar te verbergen. De bewustheid dat ik

haar steeds gadesloeg en als het ware bewaakte, scheen haar deels

in verlegenheid te brengen, deels verdrietig, ja zelfs pijnlijk te

zijn. Nu en dan kwam het mij voor, alsof zij eene gelegenheid zocht

om hare gevoeligheid te kennen te geven over eene handelwijze, die

haar beleedigen moest. Zij had immers met zooveel openhartigheid den

moeilijken toestand, waarin zij zich bevond, geopenbaard. In andere

oogenblikken scheen zij gereed, om klachten te uiten. Maar terstond

daarop ontzonk haar dan weer de moed. Haar misnoegen verdween onder

een geestig antwoord en hare klachten bestierven op hare lippen. Wij

stonden eigenlijk in eene zeer zonderlinge betrekking tot elkander. Een

groot gedeelte van onzen tijd brachten wij met elkander door, doch

verheelden elkander onze wederzijdsche gewaarwordingen, terwijl

ieder door des anderen daden tot jaloezie of gevoeligheid geprikkeld

werd. Er heerschte vertrouwelijkheid tusschen ons zonder vertrouwen;

aan den eenen kant liefde zonder hoop of doel, nieuwsgierigheid

zonder eene verstandige, aannemelijke beweegreden; aan den anderen

kant verlegenheid en twijfel, waarbij ook soms misnoegen kwam. Toch

ben ik overtuigd, dat deze woeling van hartstochten, die voortdurend

door duizend prikkelende en aantrekkelijke, hoezeer ook op zich zelf

onbeduidende omstandigheden ons beiden steeds aan elkander deed denken,

niet weinig bijgedragen heeft om de neiging te voeden die ons tot

elkander trok. Mijne ijdelheid verbeeldde zich trouwens reeds vroeg

ontdekt te hebben, dat sedert mijn verblijf op het kasteel, Diana's

tegenzin in het klooster vermeerderd was. Toch begreep ik geenszins op

eene genegenheid te kunnen rekenen, die in elk geval aan de geheimen

van haar zonderlingen toestand ondergeschikt scheen te zijn. Diana

dacht te zedelijk streng, dan dat hare genegenheid voor mij haar

plichtbesef of hare rede zou hebben kunnen overmeesteren. Een gesprek

dat wij toen eens met elkander hadden, deed mij het helder inzien.

Wij zaten bij elkander in de boekenkamer. Diana bladerde in eene

uitgave van den Razenden Roeland, die mij toebehoorde, en daaruit

viel een blad beschreven papier op den grond. Ik wilde het dadelijk

oprapen, maar zij voorkwam mij.

»Verzen?" zeide zij, vluchtig op het papier ziende, en toen zij het

ontvouwen had, hield zij het dralend in de hand, alsof zij mijn

antwoord afwachtte.--»Mag ik zoo vrij zijn?--o, als gij bloost

en stamelt, dan moet ik uwe bescheidenheid wel geweld aandoen, en

veronderstellen, dat het mij vergund is."

»Het is het lezen niet waard!" viel ik haar in de rede; »slechts een

losse proeve van vertaling. Lieve freule, er zou waarlijk een al te

gestreng vonnis moeten volgen, als gij, die het oorspronkelijke zoo

goed kent, als de rechter over deze proeve wildet optreden."

»Beste vriend," hernam Diana; »wilt gij een goeden raad van mij

aannemen? Hengel dan toch niet met zoo veel nederigheid: tien tegen

een, dat gij er geen enkele vleierij mede vangt! Gij weet immers dat

ik tot het geslacht der waarheidsprekers behoor. Apollo zelfs zou

van mij geene vleierij over zijne lier ontvangen."

Dit zeggende, las zij de eerste stanze van Ariosto's lied:

»Van vrouwen, ridders, waapnen, van liefdegloed, ook zing ik

Van 't hoofsch bedrijf, van 't koen en heldenmoedig hand'len

Van koning Agramant, die, met zijn Moorsche drommen,

Uit Afrika, 't Barbarenland, kwam wand'len.

Hem drijft de woeste wrake, de lust naar roof en moord,

Dwars door het golfgeloei der zee naar Frankrijk voort.

Het gold Trojano's moord. Hij kwam van verre stranden,

Dien eedlen held te wreken, zoo dapper en zoo fier

Den grooten Karel wil als Keizer hij onttroonen ....

Maar ook van Roland zingt mijn zachte dichterslier.

Hoe hij, die dappre held, die geest, zoo wijs en groot

Tot razernij verviel, om bittren liefde nood ....

»O, o! Er staat nog veel meer!" zeide zij, het papier overziende. Ik

had de zoetste tonen gehoord, die ooit sterfelijke ooren konden

streelen; den klank der verzen van een jongen dichter, door geliefde

lippen uitgesproken. Zij hield op eenmaal op.

»Ja, er staat veel meer dan uwe aandacht waardig is, freule,"

zeide ik een weinig gevoelig en nam het papier uit hare hand,

die niet tegenstreefde. »Och, in mijne eenzaamheid," vervolgde ik

na eenig stilzwijgen, »dacht ik mij niet beter te kunnen bezig

houden, dan wanneer ik--het spreekt van zelf, slechts tot mijne

eigen uitspanning--de vertaling van den heerlijken dichter weder

opvatte, voor eenige maanden, aan de oevers der Garonne, ben ik er

mede begonnen."

»Maar het zou de vraag zijn," zeide Diana ernstig, »of gij uw tijd

niet tot iets beters kondt besteden?"

»Gij meent misschien tot eigen werk?" antwoordde ik en gevoelde mij

ten hoogste gestreeld. »Om u de waarheid te zeggen, mijn geest is

vaardiger in het vinden van woorden en rijmklanken dan van dichterlijke

gedachten. Daarom is het mij een genot, dat ik gebruiken kan wat

Ariosto mij voorlegt. Maar de aanmoediging, die gij mij geeft ...."

»Vergeef mij waarde neef, ik geef geene aanmoediging; gij neemt

ze. Ik bedoelde noch eigen werk, noch vertalingen, toen ik meende

dat gij uw tijd tot iets beters besteden kondt. Gij moest noch het

een, noch het ander doen. Maar gij zijt min of meer gevoelig, zie ik,

over mijne aanmerking. Het doet mij leed, dat ik u daartoe aanleiding

heb gegeven."

»O neen, niet gevoelig, waarlijk niet gevoelig!" hernam ik, en

trachtte een opgeruimde houding aan te nemen, wat mij echter niet

wilde gelukken. »Ik ben u zeer verplicht voor de deelneming, die gij

mij bewijst."

»Neen, neen!" vervolgde Diana onverbiddelijk; »uit den gedwongen toon

uwer stem spreekt gevoeligheid en een weinigje misnoegen. Maar word

niet boos, als ik u nog wat dieper in het hart moet grijpen. Wezenlijk,

wat ik u verder te zeggen heb, zal u misschien nòg sterker treffen."

Ik zag nu hoe kinderachtig mijn gedrag was, en hoe Diana hare

meerderheid boven mij handhaafde. Ik zeide, dat zij niet behoefde te

vreezen, dat ik om eene berisping, waarvan het goede doel mij bekend

was, boos zoude worden.

»Zoo mag ik het hooren. Dat is oprecht gedacht en

gesproken!" antwoordde zij. »Ik wist wel, dat de booze geest der

dichterlijke gevoeligheid snel zou vervliegen. Maar laat mij ernstig

zijn. Hebt gij sinds kort iets van uw vader gehoord!"

»Van mijn vader? Volstrekt niets!" hernam ik. »Sedert eene scheiding

van vele maanden heeft hij mij nog niet met één enkelen regel vereerd."

»Zonderling! Gij zijt toch een wonderlijk soort van menschen, gij

heeren, die den naam van Osbaldistone voert! Gij weet dus niet, dat

hij naar Holland is vertrokken om dringende zaken, die daar zijne

tegenwoordigheid eischten?"

»Tot op dit oogenblik heb ik er geen woord van vernomen."

»Dan zal het zeker voor u eene verrassing en zeer zeker geen aangename

verrassing zijn, te vernemen, dat uw vader, tot na zijne terugkomst,

bijna het gansche bestuur van zijne zaken te Londen, zonder eenige

beperking, aan Rashleigh opgedragen heeft?"

Hevig ontzet, kon ik mijne verbazing en mijne bezorgdheid niet

verbergen.

»Gij hebt gegronde reden om ongerust te zijn!" zeide Diana zeer

ernstig. »Ware ik in uwe plaats, dan zou ik de gevaren, die uit zulk

een geheel verkeerden maatregel kunnen, ja, hoogst waarschijnlijk

zullen ontstaan, zoo spoedig mogelijk trachten te verijdelen."

»Maar hoe zou mij dat mogelijk zijn?"

»Voor iemand, die moed en ijver bezit, is alles mogelijk!" zeide zij

met een blik, met een fonkelend oog, dat mij aan de heldinnen uit de

riddertijden herinnerde, wier bemoediging de kampvechters met een

hoogere, schier bovenmenschelijke dapperheid bezielde. »Maar den

vreesachtige is alles onmogelijk, juist omdat het hem onmogelijk

schijnt," voegde zij er bij.

»Maar wat raadt gij mij dan?" vroeg ik, haar antwoord wenschende

en vreezende.

Zij zweeg een oogenblik en zeide toen op vasten toon: »dat gij

onverwijld het kasteel verlaat en naar Londen terugkeert. Misschien

zijt gij reeds veel te lang hier geweest," voegde zij er eenigszins

zachter bij; »doch dat was uwe schuld niet. Elk uur dat gij van

nu af hier verspilt, is eene misdaad; ja, eene misdaad. Want ik

moet ronduit verklaren, dat, als uw vader zijne zaken nog lang in

Rashleigh's handen laat, gij van zijn onherstelbaren ondergang vast

en zeker overtuigd kunt zijn."

»Ondergang, hoe is dat mogelijk?"

»Geen vragen!" vervolgde zij. »Geloof mij: Rashleigh's oogmerken

reiken verder dan het bezit van geld. Het beheer en het vrije bestuur

van uws vaders inkomsten en goederen moet hem tot de uitvoering van

zijne eerzuchtige en geheime plannen dienen. Zoo lang uw vader in

Engeland bleef, was dat onmogelijk. Maar gedurende zijne afwezigheid

zal Rashleigh velerlei gelegenheden hebben, en hij zal niet in gebreke

blijven er partij van te trekken."

»Maar hoe zou ik, in twist met mijn vader en uitgesloten van alle

toezicht op zijne zaken, alleen door mijne tegenwoordigheid het gevaar

kunnen afwenden?"

»Uwe tegenwoordigheid alleen zal reeds zeer veel uitwerken. Uw

aanspraak op medetoezicht is gegrond op uw geboorterecht, en niemand

kan u dat betwisten. De hulp van uws vaders eersten boekhouder en

van diens vertrouwde vrienden zal u steunen. En wat de hoofdzaak is,

Rashleigh's plannen zijn van dien aard, dat ..." Plotseling bedwong

zij zich, alsof zij vreesde te veel te zullen zeggen. »Kortom,"

hernam zij weder, »zij zijn even als alle baatzuchtige en gewetenlooze

plannen. Men laat die spoedig varen, zoodra zij, die ze ontwierpen,

bemerken, dat zij ontdekt zijn en nagegaan worden. En nu, ge weet

immers wat uw geliefkoosde dichter uitroept:

»Te paard, te paard! Wie laf is, kan hier dralen!"

Toen echter, door een onweerstaanbare opwelling, riep ik haar toe:

»O, Diana, kunt gij mij aanraden het kasteel te verlaten? Ja,

dan ben ik er zeker al te lang gebleven!" Zij bloosde, maar ging

standvastig voort: »Ja, ik geef u dien raad, en ge moet niet alleen

het kasteel verlaten,--maar nooit hier terugkeeren. Gij laat hier

slechts één wezen terug dat u genegen is;" ging zij voort, zich tot

een glimlachje dwingende. Maar dat wezen is reeds lang gewoon, om

hare vriendschap, en al wat haar troost schenkt, aan het welzijn van

anderen op te offeren. In de wijde wereld zult gij honderden vinden,

wier vriendschap even onbaatzuchtig zal zijn, maar veel voordeeliger,

veel minder beperkt en belemmerd door ongunstige omstandigheden, veel

minder onder den invloed van kwaadsprekende tongen en booze tijden."

»Nooit!" riep ik uit, »nooit! De geheele wereld kan mij niet vergoeden,

wat ik hier moet achterlaten!"--Ik vatte hare hand en drukte die aan

mijne lippen.

»Dat is dwaasheid!" riep zij; »dat is krankzinnigheid!" En zij

deed pogingen om hare hand uit de mijne los te maken, maar niet met

zooveel ernst als noodig was om te slagen. Ik hield haar hand wel

eene minuut lang in de mijne. »Hoor mij, mijnheer Osbaldistone,"

begon zij eindelijk weder, »en matig deze onwaardige uitbarsting

van hartstocht. Ik ben door eene plechtige overeenkomst de bruid

des Hemels, tenzij ik liever met de laaghartigheid van Rashleigh

Osbaldistone, of met de dierlijke ruwheid van zijn broeder, huwen

wil. Ik ben dus de bruid des Hemels, en reeds van mijne wieg af aan

het klooster verloofd. Aan mij zijn dus dergelijke uitroepingen en

betuigingen verspild: ze bewijzen slechts te meer, hoe noodzakelijk

het is, dat gij van hier vertrekt en wel ten spoedigste."

Plotseling hield zij op, zweeg een oogenblik als door aandoening

overweldigd en zei toen met een gesmoorde stem: »verlaat mij

terstond! Wij zullen elkander hier nog eenmaal zien, maar dan voor

de allerlaatste maal."

Plotseling zag zij even om. Mijne oogen volgden de richting der

hare. En het kwam mij voor, alsof het behangsel, dat de deur

van den geheimen gang naar Rashleigh's kamer bedekte, bewogen

werd. Ik vermoedde, dat wij bespied werden. Ik wierp een vragenden,

uitvorschenden blik op Diana.

»Het is niets," zeide zij met eene flauwe stem, »er is een gat achter

het behangsel."

Het denkbeeld van bij deze gelegenheid bespied en beluisterd te worden,

verontwaardigde mij. In eene hevige opwelling van drift zou ik bijna

op den luisteraar losgegaan zijn. Maar, tot mijn geluk misschien,

keerde ik dadelijk tot kalme, verstandige voorzichtigheid terug. Ik

besefte de noodzakelijkheid om mijne drift te bedwingen en Diana's

herhaald gebod: »verlaat mij! verlaat mij!" te gehoorzamen. Zeker

werd ik daardoor voor eene zeer onbezonnene daad behoed. Ik spoedde

mij weg, maar met storm in het hart. Vruchteloos trachtte ik, toen ik

mij alleen op mijne kamer bevond, mijne opgewondenheid te doen bedaren.

Allerlei verwarde gedachten vervulden mij, vlogen pijlsnel door mijne

ziel, verduisterden ieder ander denkbeeld, even als dichte nevels in

bergachtige oorden, zwarte wolken, die al wat dient om den reiziger

door de woestijn den weg te wijzen, onzichtbaar maken. De duistere,

onbestemde bezorgdheid voor een gevaar, dat door Rashleigh's kuiperijen

voor mijn vader ontstaan kon--de onmiskenbaar moeielijke toestand van

het beminnelijke meisje, dat door eene vroegere beslissing verplicht

was, den sluier te kiezen, of eene ongelukkige echtverbintenis aan te

gaan--dit alles drong zich op voor mijne ziel, en mijn verstand was

volstrekt buiten staat, om eene enkele gedachte bedaard te overwegen

en te toetsen.

Maar niets bracht mij erger in de war, dan de herinnering aan de wijze,

waarop Diana de bekentenis mijner neiging tot haar had opgenomen. Hare

houding, tusschen deelneming en een vast besluit wankelend, scheen

te verraden, dat er in haar hart eene stem ten mijnen voordeele

sprak, maar niet sterk genoeg, om de hindernissen te overwinnen,

die zich tegen de bekentenis van hare neiging verzetten. De blik,

waarmede zij de beweging van het behangsel voor die geheime deur

had opgemerkt, verried duidelijk eer vrees dan verrassing. Ik las

daaruit de bezorgdheid voor een gevaar, dat ik voor ernstig gegrond

moest houden. Want Diana was geenszins aan de gewone aanvallen van

vrouwelijke zenuwachtigheid onderhevig. Zij zou, zonder wezenlijke

reden, geen vrees gevoelen. Van welken aard konden deze geheimen zijn,

die haar als een tooverkring omringden, die steeds op hare gedachten

en handelingen een zoo machtigen invloed schenen te hebben?

Aan deze twijfeling klemde ik mij vast. Ik was al blijde, de vraag over

de betamelijkheid of juistheid van mijn gedrag te kunnen ontwijken

en in plaats daarvan Diana's houding na te vorschen. »Welaan," zeide

ik eindelijk tot mij zelven, »vóór dat ik het kasteel verlaat, wil

ik weten wat ik in het vervolg van dit zoo betooverende schepsel

te wachten heb. Openhartigheid en geheim schijnen met elkander de

heerschappij over haar leven te deelen; de ééne geeft haar woorden en

gevoelens in, en de andere hult al hare daden in een somberen nevel."

Er was nog iets in mij, behalve de deelneming, door nieuwsgierigheid en

een rustelooze hartstocht opgewekt. Het was eene opwelling van geheime

jaloezie, maar die ik mij zelven niet wilde bekennen. De invloed,

welken Diana aan de onzichtbare wezens, die hare daden bestuurden,

scheen te vergunnen, wekte die ijverzucht. Als onkruid onder de tarwe,

zoo groeit jaloezie te midden van de ontkiemende liefde. Hoe meer

ik over haar karakter nadacht, des te meer werd ik, mijns ondanks,

innerlijk overtuigd, dat zij geene leiding dulden zou, die niet

uit genegenheid ontstaan was. In mijn binnenste knaagde de bittere

argwaan, dat die invloed, welke haar zoo veel vrees aanjoeg, op eene

andere liefde was gebouwd. Deze kwellende twijfel prikkelde meer en

meer het verlangen, om het geheim van haar toestand te ontdekken. Ik

nam een besluit en overlegde een plan, het geheim te ontraadselen.

Robbert Roodhaar · 第 28 / 57 题