Een stemme spreekt, gij hoort haar niet.
Mij roept zij toe: o, vlied toch, vlied!
Een hand zie ik.--Gij ziet haar niet.
Mij wenkt zij toe: "O, blijf hier niet."
Tickell.
Beste vriend Tresham! Gij zult u wel herinneren, dat mijne
avondbezoeken in de boekenkamer zelden anders dan na afspraak,
en dan nog slechts in de tegenwoordigheid der oude Martha, plaats
hadden. Dit was eene stilzwijgende overeenkomst, door mij zelf
ingesteld. Sedert het vertrouwelijke verkeer tusschen Diana en mij
door al meer bezwaren gestoord werd, waren wij des avonds nooit in die
boekenkamer bijeen geweest. Diana kon dus ook niet veronderstellen,
dat ik eene hernieuwing van die bijeenkomsten zou zoeken, nog minder,
dat ik verzuimen zou, het te voren af te spreken, opdat de oude Martha,
naar gewoonte haar post zou kunnen waarnemen: Die maatregel was echter
alleen op eene soort van wederzijdsche schikking, volstrekt niet
op een uitdrukkelijk bevel gegrond. De boekenkamer stond voor mij,
even als voor ieder ander huisgenoot, elk uur van den dag open. Het
kon dus geenszins als een ongeoorloofd, vermetel indringen beschouwd
worden, zoo ik van dien toegang gebruik maakte, hoe onverwacht soms
mijne verschijning dáár mocht zijn. Stellig geloofde ik, dat Diana
in die kamer den priester, of iemand anders, door wiens oordeel zij
gewoon was haar gedrag te laten besturen, nu en dan zag, en wel op
een tijd, dat zij de minste stoornis behoefde te vreezen. Het licht,
hetwelk de vensters der kamer op ongewone uren verlichtte; de voorbij
zwevende schaduwen, welke ik zelf had opgemerkt; de voetstappen in
den morgendauw, die men van het torenpoortje tot aan de achterdeur van
den tuin ontdekte; de geluiden en gedaanten, welke eenige dienstboden,
vooral de tuinman, gehoord en gezien en naar hunne meening verklaard
hadden,--dit alles bewees voldoende, dat die plaats door iemand bezocht
werd, die niet tot de gewone huisgenooten behoorde. Deze onbekende
bezoeker moest, naar ik geloofde, tot Diana's lot in nauwe betrekking
staan. Ik vatte het plan op, om te ontdekken wie of wat hij was,
en in hoe verre zijn invloed goede of kwade gevolgen voor haar zou
kunnen hebben. Mijn hoofddoel echter, ofschoon ik mij zelven trachtte
te overreden, dat het slechts eene zeer ondergeschikte beweegreden was,
om uit te vorschen, door welke middelen deze onbekende zijn invloed op
Diana verkregen had, hoe hij dien voortdurend handhaafde, of haar door
vrees, of door wezenlijke genegenheid en welwillendheid leidde. Deze
jaloersche nieuwsgierigheid was natuurlijk thans mijn hartstocht. Mijne
verbeelding wilde Diana's gedrag steeds uit den invloed van één enkelen
persoon verklaren, ofschoon ook, naar hetgeen ik van de zaak wist,
hare raadgevers meerderen konden zijn. Dit hield ik mij zelven dikwijls
voor. Doch telkens kwam ik tot het eerste vermoeden terug, dat één
enkel wezen, en wel een man, en waarschijnlijk een jong, schoon man,
op den achtergrond de rol van Diana's bestuurder speelde. Brandend van
verlangen om zulk een mededinger te ontdekken, of liever te betrappen,
begaf ik mij naar den tuin, ten einde op het oogeblik te loeren,
waarop de vensters der boekenkamer zouden verlicht worden.
Mijn ongeduld was zóó groot, dat ik lang voor het donker was, wel
een uur vóór schemeravond, in den tuin reeds de wacht hield. Het was
op een Zondag; al de paden waren stil en verlaten. Ik wandelde een
poos op en neder, en terwijl de zachte avondkoelte mij goed deed,
dacht ik wat kalmer na over de waarschijnlijke gevolgen van mijne
onderneming. De frissche, met de geuren van allerlei planten gekruide
lucht, deed de koortsachtige hitte bedaren, die mijn binnenste scheen
te verteren. Toen mijne ziel nu van lieverlede tot eene rustiger
stemming was teruggekeerd, vroeg ik mij zelven af, wat mij eigenlijk
het recht gaf, in de geheimen van Diana, of in die van mijn oom,
mij nieuwsgierig in te dringen? Wat ging het mij aan, wien mijn oom
in zijn huis wilde verbergen, waar ik immers zelf slechts als gast
geduld werd? Welk recht had ik, om Diana's gangen na te sporen. Zij
had mij zelve immers bekend, dat zij in een geheim gewikkeld was,
dat zij volstrekt niet wilde uitgevorscht hebben.
Maar mijn hartstocht en eigenzinnigheid hadden het antwoord op deze
vraag gereed. Ontdekte ik den geheimen, onbekenden bezoeker, dan bewees
ik mijn oom misschien een niet onbelangrijken dienst. Vermoedelijk
wist hij niet, welke tooneelen er in zijn huis plaats hadden. En
een nog veel belangrijker dienst kon ik Diana bewijzen, die, wegens
hare openhartige en argelooze eenvoudigheid in het vertrouwelijke
verkeer met een man, die wellicht van een dubbelzinnig of wel zelfs
gevaarlijk karakter was, zich aan zoovele gevaren blootstelde. Ik
trachtte weliswaar in haar geheimen door te dringen, maar ik had
immers het grootmoedige, ja, zeide ik, het onbaatzuchtige oogmerk, om
haar te leiden en te verdedigen, haar te beschermen tegen list, tegen
boosheid, en bovenal tegen den geheimen raadgever, dien zij tot haren
vertrouweling had gekozen. Dit waren de gronden. Mijne eigenzinnigheid
nam die redeneeringen als echte munt aan. Mijn geweten deed als een
koopman, die, hetzij dan gaarne of ongaarne, maar met elke betaling
tevreden moest zijn, om niet in onmin met een goeden klant te geraken,
ofschoon er sterke twijfel bestond, dat het valsch geld was.
Ik wandelde de groene paden op en neer, over dit alles
nadenkend. Plotseling zag ik den tuinman, voor een rij bijenkorven,
als een standbeeld, in diepe beschouwing verzonken. Met het ééne oog
sloeg hij het nijvere volkje gade, dat in zijne strooien woningen
gedurende den naderenden nacht eene schuilplaats zocht, maar met het
andere oog keek hij in een gebedenboek, dat door langdurig gebruik
zijne hoeken verloren had, welke rond of afgesleten waren, zoodat
het er als een antiquiteit uitzag.
»Ik las daar juist een paar heilzame spreuken," dus begon hij. »Het
boek is van den eerwaarden heer Quackleven, en heet: »Welriekende
bloemen op den mesthoop van het leven gezaaid.""--Hij sloeg het boek
dicht, na alvorens zijn bril tusschen de bladzijden gelegd te hebben,
dáár waar hij in zijne aandacht door mij gestoord was.
»Maar de bijen hebben u van uwe stichtelijke bezigheid toch min of
meer afgetrokken, niet waar, vriend Andries?"
»Ja, dat is een erg volkje!" antwoordde hij. »Zes dagen in de
week kunnen zij arbeiden, en toch zwerven zij ook des Zondags,
op den heiligen Sabbatdag, rond, en beletten niet zelden vrome
Christenmenschen Gods woord te hooren. Maar heden werd er in onze
kapel juist geene predikatie gehouden."
»Ja, wanneer gij, als ik, in de dorpskerk geweest waart, dan zoudt
gij eene voortreffelijke predikatie gehoord hebben," hernam ik.
»Dank u, niets dan ijskoude soep--ijskoude soep!" riep Andries
op minachtenden toon; »goed voor honden die ze willen opslorpen;
neem het mij niet kwalijk! Jawel, een predikant in zijn witten kiel
zijne preek hooren opdreunen en de muzikanten op den koop toe! Neen,
dat is geen preken, dat is een boerenbruiloft houden. Dan kan ik even
goed vader Docharty zijne mis hooren prevelen."
»Docharty?" herhaalde ik--het was de naam van een ouden Ierschen
priester, die soms in het kasteel de mis las.--»Ik meende dat pater
Vaughan nog in het kasteel was. Gisteren was hij er ten minste."
»Ja, maar hij is ook reeds gisteren weder vertrokken, om naar
Greystock, of ergens die kanten uit, te gaan. Er is wat een
beweging onder die lieden. Alles is ijverig bezig, even als
mijne bijen. God vergeve het mij, dat ik die brave diertjes met de
Papisten vergelijke. Zie eens, daar komt de tweede zwerm! Nu zullen
zij denkelijk allen wel in rust zijn, en dus wensch ik u insgelijks
goeden nacht, waarde heer. Gods genade zij met u!"
Na dit gezegd te hebben, verwijderde de tuinman zich en wierp nog
een afscheidsblik op zijne bijen. Ik had hem een voor mij belangrijk
bericht te danken. Pater Vaughan was niet meer op het kasteel. Brandde
er dus dien avond licht in de boekenzaal, dan kon het zeker het
zijne niet wezen, of zijn gedrag was zeer geheimzinnig en ten hoogste
verdacht. Met klimmend ongeduld verbeidde ik de schemering. Nauwelijks
stond ik tegenover de vensters, toen er een flauw schijnsel in
de boekenzaal zichtbaar werd. Wel was het wegens den nog niet
geheel onder de kim gezonken gloed van het avondrood nauwelijks
te onderscheiden, maar ik ontdekte het schijnsel zoo snel als een
schipper het nog verre licht van een vuurtoren, waarheen hij zijn
koers richt. Alle twijfel, elk opkomend gevoel van welvoegelijkheid,
die tot dusver mijne nieuwsgierigheid en jaloezie bestreden hadden,
verdwenen, toen zich de gelegenheid opdeed, om de beide genoemde
driften te bevredigen. Ik keerde naar het kasteel terug. Ik kwam,
de meer bezochte gangen en kamers vermijdende, aan de deur van de
boekenzaal. Met den sleutel, om de deur te openen, reeds in de hand,
toefde ik nog een oogenblik. Ik hoorde zachte voetstappen. Eindelijk
opende ik de deur en vond--Diana alleen.
Zij was verrast over mijne plotselinge verschijning; misschien ook
over iets anders, ik kon het niet bepalen. Maar in haar geheele
voorkomen heerschte eene zoo zichtbare onrust, als ik nog nooit bij
haar opgemerkt had. Naar mijn oordeel, kon die slechts het gevolg van
eene ongewone gemoedsbeweging zijn. In een oogwenk bedaarde zij echter,
terwijl ik, zoo sterk is het geweten, ik, die haar wilde verrassen,
ten uiterste verrast en het meest verlegen voor haar stond.
»Wat nieuws brengt gij?" vroeg zij. »Is er iemand op het kasteel
gekomen?"
»Voor zoo ver ik weet, niemand," antwoordde ik een weinig verward;
»ik zocht slechts mijn Ariosto."
»Daar ligt hij," zei Diana, op tafel wijzende.
Terwijl ik eenige boeken ter zijde schoof, om te vinden wat ik
voorwendde te zoeken, overlegde ik, op welke wijze ik mij met goed
fatsoen uit dezen neteligen toestand zou kunnen redden. Ik moest
van eene kampplaats, waarop mijne krachten te kort schoten, mij maar
terugtrekken. Daar zag ik plotseling een manshandschoen op de tafel
liggen. Mijn oog ontmoette Diana's oog, en haar gelaat werd vuurrood.
»Het is een van mijne reliquiën," zeide zij met een vaste stem,
terwijl zij niet mijne woorden, maar alleen den op haar geworpen
blik beantwoordde; »het is een der handschoenen van mijn grootvader,
het origineel dier fraaie schilderij van Van Dijck, die gij zoo
zeer bewondert."
Zij scheen zelve te gelooven, dat meer dan eene bloote verzekering
noodig was om mij te overtuigen, en eene schuiflade openende, nam zij
daaruit een anderen handschoen, dien zij mij toewierp. Wanneer een van
natuur geheel openhartig gemoed zich tot dubbelzinnigheid en veinzerij
laat verleiden, gebeurt het niet zelden dat de angstvallige onrust,
waarmede de ongewone arbeid verricht wordt, den toehoorder aan het
twijfelen brengt. Ik wierp een snellen blik op de beide handschoenen
en antwoordde ernstig: »De handschoenen gelijken elkander in vorm
en bewerking vrij goed, maar zij zijn geen paar; het zijn beide
rechtsche."
Diana beet zich op de lippen en kleurde nogmaals sterk.
»Gij hebt gelijk dat gij mij volstrekt niet verschoont," zeide zij met
bitterheid. »Andere vrienden zouden uit hetgeen ik gezegd heb slechts
geoordeeld hebben, dat ik geen lust had, om verklaringen wegens eene
omstandigheid te geven, die geene verklaring behoeft, ten minste niet
voor een vreemde. Gij hebt intusschen beter geoordeeld, en mij doen
gevoelen, dat dubbelhartigheid laag, en veinzerij voor mij eene zeer
moeielijke zaak is. Thans zeg ik u stellig, dat deze handschoen niet
tot dien anderen behoort, zoo als gij scherpzinnig op- en aangemerkt
hebt. Hij behoort een vriend, die mij nog dierbaarder is dan het
oorspronkelijke van dit portret--een vriend, wiens raadgevingen mij
geleid hebben en nog verder zullen leiden--een vriend, dien ik eer,
dien ik....."
Zij zweeg. Ik was door deze gedeeltelijke bekentenis niet weinig
verstoord en vulde terstond hare afgebroken woorden op mijne manier
aan; »dien zij bemint, wilde freule Vernon zeggen?"
»En al wilde ik dit zeggen," antwoordde zij op fieren toon, »wie zou
dan het recht hebben om mij wegens mijne genegenheid ter verantwoording
te roepen?"
»Ik niet freule, ik niet! zooveel vermetelheid bid ik u mij vooral
niet toe te schrijven. Maar," vervolgde ik met nadruk, want ik was
nu insgelijks min of meer boos geworden, »ik hoop, dat freule Vernon
een vriend vergiffenis zal willen schenken, al schijnt zij hem dezen
naam te willen ontnemen, wanneer hij opmerkt dat...."
»Hij merkt niets op, mijnheer Osbaldistone!" viel zij mij in de
rede. »Want ik wil noch verdacht noch ondervraagd worden. In de gansche
wereld leeft niemand, door wien ik mij wil laten beoordeelen. Hebt gij
dezen ongewonen tijd uitgekozen, om mijne geheimen op het spoor te
komen, dan is de vriendschap of deelneming, welke gij voor mij zegt
te gevoelen, slechts de verachtelijke dekmantel van uwe onbeleefde
nieuwsgierigheid."
»Ik dank u en ik zal u ontslaan van mijne tegenwoordigheid!" hernam
ik, even trotsch als zij, »ik ontwaak uit een aangenamen, maar
bedriegelijken droom, en--maar wij verstaan elkander thans!"
Met deze woorden stond ik aan de deur der zaal, toen Diana, wat niet
zelden gebeurde, door eene plotselinge aandoening overweldigd, naar
mij toe snelde, mijn arm vatte en mij tegenhield, terwijl zij daarbij
die gebiedende houding aannam, van welke zij zich soms zoo goed wist te
bedienen, en die dan, in tegenoverstelling met de gulle eenvoudigheid
van haar gewone houding, zulk een krachtigen invloed kon oefenen.
»Blijf, neef Frans, blijf!" zeide zij. »Op deze wijze moet gij niet
van mij scheiden. Ik ben volstrekt niet zoo rijk aan vrienden, dat ik
zelfs de ondankbaren en baatzuchtigen zou kunnen verstooten. Hoor
naar hetgeen ik u zeg, mijnheer Frans Osbaldistone! Van dezen
geheimzinnigen handschoen zult gij niets vernemen,--dit zeggende
hield zij den handschoen in de hoogte--»volstrekt niets: neen,
geen woord meer dan gij reeds weet, en nochtans zal hij tusschen
ons geen veetehandschoen worden. Mijn verblijf hier," vervolgde zij,
tot een zachteren toon overgaande, »kan niet lang meer duren; het uwe
moet nog korter zijn. Wij zullen spoedig scheiden en elkander nooit
wederzien. Laat ons niet twisten. Laat mijn geheimzinnig ongeluk
het voorwendsel niet worden, om de weinige uren te verbitteren,
welke wij aan deze zijde van het graf nog bij elkander zullen zijn."
Ik weet niet door welke macht dit betooverend wezen eene zoo volkomene
heerschappij over een gemoed erlangde, dat ik zelf niet altijd in
staat ben te beheerschen. Bij het binnentreden der boekenzaal had ik
besloten, Diana te dwingen tot eene verklaring die mij bevredigde. Zij
had mij die met bitse fierheid geweigerd, mij onbewimpeld bekend,
dat een medeminnaar bij haar boven mij de voorkeur had.--Hoe toch
kon ik de voorrechten, welke de geheimzinnige vertrouweling genoot,
anders verklaren? En ondanks dit alles, toen ik de kamer verlaten en
met haar voor altijd breken wilde, behoefde zij slechts van toon te
veranderen, een eenigszins vriendelijker oog op mij te werpen, en, in
plaats van eene trotsche gevoeligheid, een minzame en, als ware het,
schertsende macht te toonen, waarbij ernst en weemoed samensmolten. Ik
liet mij gewillig en onderdanig weder naar mijn stoel leiden.
»Wat baat het?" zeide ik, toen ik ging zitten. »Wat kan het
baten? Waarom zou ik getuige van moeielijkheden zijn, waarvan ik u
niet kan ontheffen, van geheimen, welke ik niet eens mag trachten te
onthullen, zonder u te beleedigen! Hoe weinig ondervinding gij ook
hebben moogt, het kan u toch niet onbekend zijn, dat eene schoone jonge
vrouw slechts één vriend kan hebben. Zelfs bij mijn vriend zoude ik
jaloersch zijn op een onbekenden, geheimzinnigen vertrouweling maar
bij u...."
»Gij lijdt dus aan jaloezie--aan al de kwellingen van dezen
beminnelijken hartstocht? Zeg eens, gedurende den ganschen tijd hebt
gij vaak niets anders uitgebracht dan die praatjes, die domkoppen
in tooneelspelen en romans vinden, en dan zoolang napraten, tot die
wartaal hen heelemaal in haar macht heeft? Knapen en meisjes babbelen
op die wijze voort, tot zij echt verliefd worden. En als hunne liefde
slaperig wordt, babbelen zij op dezelfde wijs al weder tot zij heusch
jaloersch worden en aan het twisten geraken. Gij en ik moeten toch
verstandig genoeg zijn om ons niet aan deze kinderachtigheden schuldig
te maken. Wij mogen voor elkander niets anders dan vriendschap, gulle,
vertrouwelijke, onbaatzuchtige, ware vriendschap koesteren. Elke andere
betrekking tusschen ons is onmogelijk. Laat mij openhartig spreken--"
voegde zij er na eenig stilzwijgen bij-- --»hoewel ik daarbij iets te
kort moet doen aan hetgeen de vrouw betaamt en over mijne oprechtheid
een weinig moet blozen. Wij kunnen nooit met elkander huwen, al zouden
wij het ook willen. En wij zouden het niet mogen, al konden wij het."
En toen zij deze wreede verklaring deed, overtoog het liefelijkste
rood haar gelaat. Ik wilde hare beide stellingen bestrijden,
zonder aan het vermoeden te denken, hetwelk zich dien avond zoo zeer
bevestigd had. Doch zij vervolgde met ijskoude bedaardheid, die bijna
strengheid mocht heeten: »Wat ik zeg, is eene eenvoudige, onbetwistbare
waarheid, waarheid, waarover ik noch vragen noch verklaringen wil
hooren.--Wij zijn dus vrienden, mijnheer Osbaldistone, niet waar? Wij
zijn vrienden?--" Zij reikte mij de hand toe, en de mijne vattende,
voegde zij er op denzelfden toon bij: »voor heden en in de toekomst
volstrekt niets anders voor elkander dan vrienden!"
Zij liet mijne hand los, die neerzonk, terwijl mijn hoofd insgelijks de
onwillekeurige beweging mijner hand volgde. Ik was door hare goedheid
en haar ernstigen wil geheel overweldigd.
Schielijk gaf Diana aan het gesprek eene andere wending.--»Hier is een
brief," zeide zij. »Het adres luidt duidelijk aan u. Maar in weerwil
van al de voorzichtigheid waarmede de afzender hem verzonden heeft,
zou hij u misschien niet ter hand zijn gekomen, indien hij niet een
betooverden dwerg in handen ware gevallen, dien ik, even als alle
met rampen worstelende prinsessen uit de sprookjes, in mijn geheimen
dienst heb."
Ik opende den brief, liep hem schielijk door, het papier ontviel mijne
hand. »O God!" riep ik uit: »door mijne dwaasheid en ongehoorzaamheid
heb ik mijn vader ongelukkig gemaakt!"
Diana sprong op, zichtbaar bewogen en bekommerd.--»Gij wordt bleek,
gij valt in onmacht. Zal ik u water geven? Verman u, mijnheer
Osbaldistone! herstel u! Wat is er gebeurd? Uw vader--leeft hij
niet meer?"
»Hij leeft, God zij dank!" hernam ik, »maar in welken bitteren nood!"
»Is het anders niet, dan behoeft gij waarlijk nog niet te wanhopen. Mag
ik den brief lezen?" vroeg zij, het schrijven opnemende.
»O ja," zeide ik, zonder inderdaad te weten wat ik zeide. Zij las
den brief met zeer veel aandacht.--»Wie is die Tresham, die den brief
onderteekend heeft?"
»Mijns vaders compagnon, die zich echter weinig met de handelszaken
van ons huis bemoeit."
»Hij spreekt hier van verscheidene brieven, welke vroeger aan u
verzonden zijn," vervolgde Diana.
»Ik heb tot nu toe nog volstrekt geen anderen brief dan dezen
ontvangen," antwoordde ik.
»En Rashleigh, die sedert uws vaders vertrek naar Holland de zaken
bestuurde, zou sedert eenigen tijd met eene aanzienlijke som gelds
van Londen naar Schotland zijn vertrokken, om daar eenige wissels te
betalen en men heeft na dien tijd niets meer van hem vernomen?"
»Alles maar al te waar!"
»En dan heeft men,"--vervolgde Diana, den brief inziende, »een
boekhouder, of zoo iets--Owen heet hij--naar Glasgow gezonden, om
Rashleigh, zoo mogelijk, op te sporen, en men verzoekt u, insgelijks
derwaarts te vertrekken, ten einde hem in zijne nasporingen behulpzaam
te zijn."
»Zoo is het, en ik moet oogenblikkelijk afreizen."
»Maar één enkel oogenblik geduld!" viel Diana mij in de rede. »Het
schijnt, dat het ergste wat er in staat, het verlies van eene som
geld is. Kan dat u tranen doen storten, mijnheer Osbaldistone? Schaam
u! Over een som geld!"
»Gij doet mij onrecht," antwoordde ik. »Dat verlies is volstrekt
niet de reden van mijne hevige ontroering. Mij treft het besef van de
uitwerking, welke dit ongeval op mijns vaders zwakke gezondheid zal
hebben. Het vertrouwen van den handel staat bij hem op even hoogen
prijs, als de eer. Als deze gebeurtenis oorzaak is, dat de op hem
getrokken en door hem geaccepteerde wissels door dit verlies niet
op den vervaltijd betaald worden, dan weet ik zeker, dat met het
eerste protest van zulk een wissel ook zijn doodvonnis zal geteekend
zijn. En dit alles had ik kunnen voorkomen door een gering offer
van mijne dwaze trotschheid, door het bedwingen van mijn tegenzin
in nuttige werkzaamheden, die mij weerhield, om mijn vader in zijn
eervol beroep behulpzaam te zijn. O God! hoe zal ik de gevolgen mijner
dwaling herstellen!"
»Gij moet terstond naar Glasgow vertrekken, zoo als uw vriend u
verzoekt," hernam Diana.
»Maar als Rashleigh wezenlijk het schandelijke en gewetenlooze oogmerk
heeft, om zijne weldoeners te berooven, hoe zou ik dan middelen kunnen
vinden om zulk een listig ontworpen plan te verijdelen?"
»De uitslag is trouwens onzeker, maar het zou u volstrekt onmogelijk
wezen, uw vader van eenig nut te zijn, als gij hier bleeft. Bedenk
dit wel. Hadt gij u op de plaats bevonden die voor u bestemd was,
dan zou dit ongeluk niet hebben kunnen gebeuren. Maar spoed u nu
daarhenen, waar men u verwacht, en misschien kan alles nog hersteld
worden. Doch wacht een oogenblik en blijf hier, tot ik terugkom."
Zij liet mij alleen in hevige verwarring en ontroering. En te midden
daarvan bleef ik de vastberadenheid en tegenwoordigheid van geest
bewonderen, welke Diana zelfs bij de meest verrassende ongevallen
scheen te behouden.
Weldra kwam zij terug en had een papier in de hand, dat als een
brief gevouwen en gezegeld, maar zonder opschrift was. »Dit bewijs
van mijne vriendschap zal ik u toevertrouwen," zeide zij, »daar ik
mij met zekerheid op uw eergevoel verlaat. Begrijp ik het wel, hoe
het eigenlijk met die netelige zaak gelegen is, dan moeten die gelden,
welke Rashleigh medegenomen heeft, voor wissels op zekeren dag, ik meen
den 12den September, uitbetaald worden. Kan men nu vóór dien tijd eene
voldoende som daarvoor vinden, dan is uws vaders krediet behouden?"
»Juist, zoo begrijp ik den inhoud van den brief eveneens," antwoordde
ik, en voegde, toen ik het schrijven zelf nog eens had ingezien,
er bij: »het is zoo, het kan niet anders zijn."
»Welaan, in dat geval kan mijn gedienstige geest u van nut worden,"
vervolgde Diana. »Ik heb u gezegd, dat er eene tooverkracht in den
brief is. Neem hem, open hem echter niet eerder, dan wanneer andere
gewone middelen tot redding vruchteloos blijken te zijn. Wanneer gij
door uwe eigen pogingen uw doel bereikt, dan vertrouw ik op uwe eer,
dat gij den brief verbranden zult, zonder hem te openen of te laten
openen. Gebeurt dit echter niet, dan moogt gij hem ontzegelen,
maar slechts tien dagen vóór den noodlottigen tijd, en dan zult
gij aanwijzingen vinden, die u voorzeker van nut zullen kunnen
worden. Vaarwel Frans, wij zien elkander nooit weder, maar denk
somwijlen aan uwe vriendin Diana Vernon!"
Zij reikte mij de hand toe, maar ik drukte haar aan mijn hart. Zij
vergunde mij gelaten deze omarming. Zij zuchtte, toen zij zich
losmaakte. Een oogenblik later was zij verdwenen door de deur, die
naar hare eigene kamer leidde.