Van waar komt gij? wie zijt gij?
Milton.
Ik kon den ganschen nacht niet slapen. Het vernomen nieuws hield mij
aanhoudend bezig. Mijne eerste aandrift was, zoo spoedig mogelijk naar
Londen terug te keeren, en in persoon den laster te logenstraffen,
waarmede men mijn goeden naam beklad had. Maar ik kwam spoedig hiervan
terug. Geen ongehoorzaamheid mocht ik jegens mijn vader, integendeel,
zijn hulp inroepen. Mijn vader was in zijne beslissingen, vooral
waar het de zijnen betrof, onbuigzaam streng maar rechtvaardig. Zijne
ervaring maakte hem alleszins geschikt, om alle noodige stappen ten
behoeve mijner vrijspreking te doen. Daar hij tevens met de voornaamste
Whig-ministers bekend was, behoefde het hem weinig moeite te kosten,
wegens mijne zaak gehoor te erlangen. Ik oordeelde het dus 't veiligst,
mijne geheele geschiedenis in een aan hem gericht verhaal bloot te
leggen. Van het kasteel werden slechts zeer zelden brieven behoorlijk
op de post bezorgd. Ik besloot dus mij later naar de naburige stad
te begeven en mijn brief daar zelf te bezorgen.
Het had me reeds bevreemd dat ik, na eene afwezigheid van verscheidene
weken, te vergeefs op brieven van mijn vader of Owen gewacht had,
ofschoon Rashleigh zijn vader reeds zijne behouden aankomst in
Londen en het vriendelijk onthaal ten huize van zijn oom gemeld
had. Ofschoon ik nu ook gaarne wilde toestemmen dat ik mij mijns
vaders ontevredenheid berokkend had, meende ik toch geenszins te
verdienen, zoo geheel door hem vergeten te worden. Toen ik hem in
mijn brief het avontuur met Morris getrouw verhaald had, betuigde ik
in hartelijke bewoordingen mijne hoop en mijn wensch, om door eenige
regels schrift van hem verblijd te worden, al ware het slechts om
in eene zoo pijnlijke en moeilijke zaak, waarin mijne eigen geringe
ondervinding mij niet met voldoende zekerheid leiden kon, zijn
raad en leiding te genieten. Ik kon het niet over mij verkrijgen,
er op aan te dringen dat hij mij vergunnen zou, weer voor goed naar
Londen terug te keeren. Maar ik verborg dien tegenzin onder eene
voorgewende onderwerping aan mijns vaders wil. Toen ik mij zelven
die gehoorzaamheid als grondige reden voorstelde, om niet op mijn
vertrek uit het kasteel aan te dringen, geloofde ik dat mijn vader het
insgelijks daarvoor zou houden. Voor korten tijd zou ik wel wenschen
naar Londen terug te mogen komen, schreef ik echter mijn vader om
den schandelijken laster te wederleggen, dien men zoo onverdiend te
mijnen opzichte verspreid had.
Dezen brief, waarin ik den ernstigen wensch om mijn goeden naam te
redden zoo zonderling in overeenstemming bracht met mijn verlangen hier
te blijven, maakte ik gereed, vervolgens reed ik naar het postkantoor
van het naaste stadje. Daar vond ik een schrijven van mijn vriend Owen,
dat ik anders veel later ontvangen zou hebben. Het luidde:
Waarde mijnheer Frans!
»Ik heb uwe minzame regels door de goedheid van den heer
R. Osbaldistone in orde ontvangen en den inhoud vernomen. Wij
zullen gaarne den heer R. Osbaldistone alle beleefdheden bewijzen,
die in ons vermogen zijn, en hebben Zijn Ed. reeds de Bank en het
Tolkantoor laten zien. Zijn Ed. schijnt een verstandig, werkzaam
jongmensch te zijn. Met veel ijver wijdt hij zich aan de zaken
en zal dus de firma van veel dienst zijn. Wij hadden trouwens wel
gewenscht dat zeker iemand dezen weg had willen bewandelen. Maar
Gods wil geschiede! Uit hoofde a costi cassa misschien zeldzaam
mocht zijn, gelieve UEd. wel te verontschuldigen, dat ik u
inliggende wissel zend, betaalbaar zes dagen na zicht, op de
Heeren Hooper en Girder te Newcastle, waarde 100 pd., die,
twijfel ik niet, behoorlijk zal gehonoreerd worden.
»Verblijve waarde mijnheer Frans, met verschuldigde hoogachting
UEds. dw. dienaar,
Joseph Owen.
P.S. »Ik hoop, dat UEd. de richtige ontvangst dezes mij zult
gelieven te melden. Wij betreuren, dat wij van UEd. zoo weinig te
hooren krijgen. Mijnheer uw vader beweert steeds heel wel te zijn,
maar ziet er niet best uit."
Het bevreemdde mij, dat Owen volstrekt geen melding maakte van
den vertrouwelijken brief, dien ik hem geschreven had, om hem met
Rashleigh's karakter voorloopig bekend te maken. Hij moest dien
toch wel ontvangen hebben. Weliswaar had ik den brief met de gewone
gelegenheid dadelijk van het kasteel afgezonden; maar er was voor
mij geen reden, te vermoeden, dat hij onder weg zou kunnen verloren
raken. In het postkantoor schreef ik dadelijk eenige regels aan Owen,
waarin ik den voor mijn vader en mij zoo gewichtigen inhoud van mijn
vroegeren brief herhaalde, en mijn braven vriend dringend verzocht,
mij ten spoedigste te berichten, of hij dien ontvangen had. Terwijl
ik er een paar woorden over de ontvangst van den wissel bijvoegde,
dacht ik bij mij zelven hoe zonderling het was, dat mijn vader zijn
boekhouder in mijne behoeften liet voorzien; maar, dacht ik tevens,
misschien hebben zij dit met elkander afgesproken. In elk geval was
Owen ongehuwd, voor zijn stand bemiddeld en mij zoo hartelijk genegen,
dat ik geene zwarigheid maakte, hem eene kleine som schuldig te
zijn. Ik besloot, ze hem zoo spoedig mogelijk in dank terug te geven,
zoo dit niet reeds door mijn vader mocht geschied zijn. In dezen
zin schreef ik aan Owen over de zaak. Een koopman in het stadje,
dien de postmeester mij aanwees, betaalde mij gaarne het bedrag
van den wissel in goud. Veel rijker dan ik vertrokken was, kwam ik
op het kasteel terug. Dit was mij lang niet onverschillig, want de
inhoud van mijne beurs, door de reiskosten reeds sterk verminderd,
was bijna geheel uitgeput.
Bij mijne terugkomst was mijn oom met al zijne zonen naar het
dorpje Trinlay-Knowes vertrokken, ten einde, zooals de tuinman zich
uitdrukte, het vermaak te genieten, een paar hanen op dood en leven
te zien vechten.
»Een wreed vermaak!" zeide ik. »In Schotland kent gij het, meen ik,
niet!"
»Neen, neen!" hernam Andries, maar hij trok zijne ontkenning terstond
weder in, toen hij er bijvoegde: »behalve op de Paaschdagen. Wel
beschouwd, is er ook niet veel aan gelegen, wat de lui met hunne hanen
doen. Want dat vee giert en krabt in de tuinen, dat men bijna niets
in den grond kan houden. Hm! ik zou wel eens willen weten, waarom dat
torenpoortje daar ginds open staat. Rashleigh is immers vertrokken;
die kan er dus niet zijn."
Het torenpoortje, door den tuinman bedoeld, kwam in den tuin uit
aan den voet van een wenteltrap, die naar Rashleigh's kamers leidde,
terwijl deze weder met de overige gedeelten van het kasteel door een
donkere gewelfde gang, even als de boekenkamer door eene zijdeur,
vereenigd waren. Een lang, smal graspad leidde tusschen twee hooge
steekpalm-heggen, van dat torenpoortje naar een achterdeurtje in den
tuinmuur. Langs dezen weg kon Rashleigh, van wiens doen en laten zijne
nabestaanden niets wisten, naar welgevallen het kasteel verlaten of
terugkeeren, zonder dat het opgemerkt werd. Sedert zijn vertrek werd
van die trap en dat poortje volstrekt geen gebruik meer gemaakt, en
deze omstandigheid zette niet weinig belangrijkheid aan des tuinmans
aanmerking bij.
»Hebt gij dat poortje dikwijls open gevonden?" vroeg ik.
»Niet dikwijls," antwoordde Andries, »maar toch reeds een paar
maal. Ik geloof dat de priester het geopend heeft, die pater Vaughan,
zoo als zij hem noemen. Van de dienstboden betreedt niemand die trap:
die arme sukkels zijn bang voor spoken en hansworsten uit de andere
wereld. Maar vader Vaughan meent, dat de spoken hem geen kwaad zullen
doen. Maar weet u wat ik zeg, de armzaligste predikant bij ons in
Schotland verbant een spook tweemaal zoo gauw als de priester met
zijn wijwater en zijne afgodische kluchten. Ik geloof ook niet,
dat hij ver in het Latijn is. Want hij verstaat mij nauwelijks,
als ik hem de geleerde namen der planten noem."
Van pater Vaughan, die in het kasteel Osbaldistone en in de woningen
van eenige Katholieke edellieden in den omtrek voor het heil der
zielen zorgde, heb ik nog niets gezegd, daar ik hem nog slechts
zelden gezien had. Hij was ongeveer zestig jaren oud, en naar ik meen,
uit een voornaam geslacht in Schotland afkomstig. Van een alleszins
onbesproken gedrag, werd hij door de Katholieken van Northumberland als
een braaf en waardig man geëerd. Ook bezat hij al het eigenaardige,
waardoor zijn stand zich onderscheidt. Er lag op zijn gelaat iets
geheimzinnigs, wat in de oogen van een Protestant naar priesterbedrog
geleek. De bewoners van het kasteel Osbaldistone koesterden veel meer
vrees, of ten minste eerbied, dan genegenheid voor hem.
Het was bekend, dat hij hunne drinkpartijen ten sterkste afkeurde:
want zoolang als hij zich op het kasteel bevond, leefde men daar
veel matiger. Ja bij zulke gelegenheden deed zelfs mijn oom zich ten
opzichte van zijn gedrag bepaald dwang aan; daarom was dan ook het
bezoek van den priester hem eer lastig dan aangenaam. Pater Vaughan
toonde in zijn gedrag dat fijne innemende en vleiende, hetwelk
den leeraars van zijn geloof, bijzonder in Engeland, zoo eigen
is. Immers de Katholieke leek, door strafwetten, door de beperking
van zijn geloof, door de vermaningen van zijn geestelijke belemmerd,
is in het verkeer met Protestanten dikwerf achterhoudend, ja bijna
vreesachtig. De priester daarentegen, wien zijn stand vergunt, met
lieden van alle geloofsbelijdenis te verkeeren, is gul, vroolijk en
vrij in den omgang. Hij tracht zich aangenaam te maken, wat hem door
zijne slimheid ook meestal gelukt.
Pater Vaughan was een vertrouweling van Rashleigh. Anders had hij
zich, geloof ik, bezwaarlijk in het kasteel kunnen handhaven. Deze
omstandigheid kon zeker in mij geene neiging wekken, kennis met hem
te maken. En daar hij zich evenmin voorkomend jegens mij gedroeg,
bepaalde zich onze omgang, als wij elkander nu en dan toevallig
ontmoetten, tot een wederzijdschen koelen groet. Het kwam mij zeer
waarschijnlijk voor, dat de priester, gedurende zijn verblijf op het
kasteel, Rashleigh's kamer bewoonde. Van een man van zijn stand mocht
men tevens verwachten, dat hij soms de boekenkamer bezocht. Niets
natuurlijker dus, dan dat het zijn licht was, dat den vorigen avond
mijne opmerkzaamheid had getrokken. Ook herinnerde ik mij op eenmaal,
dat Diana's omgang met den priester even geheimzinnig was als hare
betrekking tot Rashleigh. Nooit had zij mij Vaughan's naam genoemd,
zelfs niet eens ter loops, behalve bij onze eerste ontmoeting,
toen zij mij en Rashleigh noemde, als de eenige gezellige wezens in
het kasteel, behalve haar zelve. Niettegenstaande dit geheimzinnig
zwijgen, had ik toch duidelijk genoeg bemerkt, dat bij des priesters
komst op het kasteel Diana steeds angstig begon te beven; dit duurde
dan zoo lang tot beiden met elkander eenige veelbeteekenende blikken
gewisseld hadden.
Welk geheim het ook zijn mocht, dat de lotgevallen van het schoone,
aanminnige meisje omsluierde, zonder twijfel was de priester
daarin betrokken. Had hij misschien last, haar in het klooster te
brengen, wanneer zij het huwelijk met een van mijne neven van de
hand wees? Dan liet zich hare heftige ontroering bij zijne komst
zeer wel verklaren. Overigens schenen beiden weinig omgang met
elkander te hebben en elkaar nooit te zoeken. Bestond er inderdaad
een verbond tusschen hen, dan was het eene stille overeenkomst,
die hunne handelingen leidde, zonder dat zij de hulp der taal noodig
hadden. Toch had ik, naar ik mij herinnerde, soms opgemerkt, dat zij
elkander teekens gaven, welke ik toenmaals slechts voor wenken over
het in acht nemen van dezen of genen geloofsplicht had gehouden. Ik
had wel gehoord, hoe listig de Katholieke priesters ten allen tijde
en overal hun invloed op de gemoederen van hunne leeken weten te
handhaven. Maar nu was ik geneigd, aan die stomme taal eene meer
gewichtige beteekenis toe te kennen. Had hij geheime bijeenkomsten met
Diana in de boekenkamer? Dat was de vraag, die mij bezig hield. En
als dat werkelijk zoo was, met welk oogmerk? En waarom had zij den
vertrouweling van Rashleigh zulk een onbepaald vertrouwen geschonken?
Al die vragen en twijfelingen werden voor mij des te belangrijker,
naarmate het mij onmogelijk scheen, ze te beantwoorden of op te
lossen. Reeds was ik begonnen te vermoeden, dat mijne vriendschap
voor Diana niet zoo geheel onbaatzuchtig was, als ze naar de regels
der voorzichtigheid had behooren te zijn. Reeds was ik jaloersch op
den verachtelijken Thorncliff geworden en had ik aan zijne ellendige
pogingen om mij te tergen mij veel sterker gestoord dan hij eigenlijk
verdiende. Maar nu begon ik Diana's gedrag met zoo scherpe blikken
na te vorschen, dat ik mij te vergeefs van loutere nieuwsgierigheid
trachtte te overtuigen. Er waren onbetwistbare kenteekenen, dat ik
verliefd was. Wel wilde mijne, reeds niet meer onpartijdige rede
standvastig blijven ontkennen, dat ik mij aan eene zoo onbezonnene
neiging had overgegeven. Maar ik was als een onkundige wegwijzer,
die eerst de reizigers en zich zelven op een dwaalweg bracht, dan
eigenzinnig beweerde, dat het onmogelijk is, dat hij den weg niet zou
kennen en verdwaald zijn. »Neen"--zeide ik--»ik ben niet verdwaald"
... Toch was het zoo.