HOOFDSTUK XV.

Van waar komt gij? wie zijt gij?

Milton.

Ik kon den ganschen nacht niet slapen. Het vernomen nieuws hield mij

aanhoudend bezig. Mijne eerste aandrift was, zoo spoedig mogelijk naar

Londen terug te keeren, en in persoon den laster te logenstraffen,

waarmede men mijn goeden naam beklad had. Maar ik kwam spoedig hiervan

terug. Geen ongehoorzaamheid mocht ik jegens mijn vader, integendeel,

zijn hulp inroepen. Mijn vader was in zijne beslissingen, vooral

waar het de zijnen betrof, onbuigzaam streng maar rechtvaardig. Zijne

ervaring maakte hem alleszins geschikt, om alle noodige stappen ten

behoeve mijner vrijspreking te doen. Daar hij tevens met de voornaamste

Whig-ministers bekend was, behoefde het hem weinig moeite te kosten,

wegens mijne zaak gehoor te erlangen. Ik oordeelde het dus 't veiligst,

mijne geheele geschiedenis in een aan hem gericht verhaal bloot te

leggen. Van het kasteel werden slechts zeer zelden brieven behoorlijk

op de post bezorgd. Ik besloot dus mij later naar de naburige stad

te begeven en mijn brief daar zelf te bezorgen.

Het had me reeds bevreemd dat ik, na eene afwezigheid van verscheidene

weken, te vergeefs op brieven van mijn vader of Owen gewacht had,

ofschoon Rashleigh zijn vader reeds zijne behouden aankomst in

Londen en het vriendelijk onthaal ten huize van zijn oom gemeld

had. Ofschoon ik nu ook gaarne wilde toestemmen dat ik mij mijns

vaders ontevredenheid berokkend had, meende ik toch geenszins te

verdienen, zoo geheel door hem vergeten te worden. Toen ik hem in

mijn brief het avontuur met Morris getrouw verhaald had, betuigde ik

in hartelijke bewoordingen mijne hoop en mijn wensch, om door eenige

regels schrift van hem verblijd te worden, al ware het slechts om

in eene zoo pijnlijke en moeilijke zaak, waarin mijne eigen geringe

ondervinding mij niet met voldoende zekerheid leiden kon, zijn

raad en leiding te genieten. Ik kon het niet over mij verkrijgen,

er op aan te dringen dat hij mij vergunnen zou, weer voor goed naar

Londen terug te keeren. Maar ik verborg dien tegenzin onder eene

voorgewende onderwerping aan mijns vaders wil. Toen ik mij zelven

die gehoorzaamheid als grondige reden voorstelde, om niet op mijn

vertrek uit het kasteel aan te dringen, geloofde ik dat mijn vader het

insgelijks daarvoor zou houden. Voor korten tijd zou ik wel wenschen

naar Londen terug te mogen komen, schreef ik echter mijn vader om

den schandelijken laster te wederleggen, dien men zoo onverdiend te

mijnen opzichte verspreid had.

Dezen brief, waarin ik den ernstigen wensch om mijn goeden naam te

redden zoo zonderling in overeenstemming bracht met mijn verlangen hier

te blijven, maakte ik gereed, vervolgens reed ik naar het postkantoor

van het naaste stadje. Daar vond ik een schrijven van mijn vriend Owen,

dat ik anders veel later ontvangen zou hebben. Het luidde:

Waarde mijnheer Frans!

»Ik heb uwe minzame regels door de goedheid van den heer

R. Osbaldistone in orde ontvangen en den inhoud vernomen. Wij

zullen gaarne den heer R. Osbaldistone alle beleefdheden bewijzen,

die in ons vermogen zijn, en hebben Zijn Ed. reeds de Bank en het

Tolkantoor laten zien. Zijn Ed. schijnt een verstandig, werkzaam

jongmensch te zijn. Met veel ijver wijdt hij zich aan de zaken

en zal dus de firma van veel dienst zijn. Wij hadden trouwens wel

gewenscht dat zeker iemand dezen weg had willen bewandelen. Maar

Gods wil geschiede! Uit hoofde a costi cassa misschien zeldzaam

mocht zijn, gelieve UEd. wel te verontschuldigen, dat ik u

inliggende wissel zend, betaalbaar zes dagen na zicht, op de

Heeren Hooper en Girder te Newcastle, waarde 100 pd., die,

twijfel ik niet, behoorlijk zal gehonoreerd worden.

»Verblijve waarde mijnheer Frans, met verschuldigde hoogachting

UEds. dw. dienaar,

Joseph Owen.

P.S. »Ik hoop, dat UEd. de richtige ontvangst dezes mij zult

gelieven te melden. Wij betreuren, dat wij van UEd. zoo weinig te

hooren krijgen. Mijnheer uw vader beweert steeds heel wel te zijn,

maar ziet er niet best uit."

Het bevreemdde mij, dat Owen volstrekt geen melding maakte van

den vertrouwelijken brief, dien ik hem geschreven had, om hem met

Rashleigh's karakter voorloopig bekend te maken. Hij moest dien

toch wel ontvangen hebben. Weliswaar had ik den brief met de gewone

gelegenheid dadelijk van het kasteel afgezonden; maar er was voor

mij geen reden, te vermoeden, dat hij onder weg zou kunnen verloren

raken. In het postkantoor schreef ik dadelijk eenige regels aan Owen,

waarin ik den voor mijn vader en mij zoo gewichtigen inhoud van mijn

vroegeren brief herhaalde, en mijn braven vriend dringend verzocht,

mij ten spoedigste te berichten, of hij dien ontvangen had. Terwijl

ik er een paar woorden over de ontvangst van den wissel bijvoegde,

dacht ik bij mij zelven hoe zonderling het was, dat mijn vader zijn

boekhouder in mijne behoeften liet voorzien; maar, dacht ik tevens,

misschien hebben zij dit met elkander afgesproken. In elk geval was

Owen ongehuwd, voor zijn stand bemiddeld en mij zoo hartelijk genegen,

dat ik geene zwarigheid maakte, hem eene kleine som schuldig te

zijn. Ik besloot, ze hem zoo spoedig mogelijk in dank terug te geven,

zoo dit niet reeds door mijn vader mocht geschied zijn. In dezen

zin schreef ik aan Owen over de zaak. Een koopman in het stadje,

dien de postmeester mij aanwees, betaalde mij gaarne het bedrag

van den wissel in goud. Veel rijker dan ik vertrokken was, kwam ik

op het kasteel terug. Dit was mij lang niet onverschillig, want de

inhoud van mijne beurs, door de reiskosten reeds sterk verminderd,

was bijna geheel uitgeput.

Bij mijne terugkomst was mijn oom met al zijne zonen naar het

dorpje Trinlay-Knowes vertrokken, ten einde, zooals de tuinman zich

uitdrukte, het vermaak te genieten, een paar hanen op dood en leven

te zien vechten.

»Een wreed vermaak!" zeide ik. »In Schotland kent gij het, meen ik,

niet!"

»Neen, neen!" hernam Andries, maar hij trok zijne ontkenning terstond

weder in, toen hij er bijvoegde: »behalve op de Paaschdagen. Wel

beschouwd, is er ook niet veel aan gelegen, wat de lui met hunne hanen

doen. Want dat vee giert en krabt in de tuinen, dat men bijna niets

in den grond kan houden. Hm! ik zou wel eens willen weten, waarom dat

torenpoortje daar ginds open staat. Rashleigh is immers vertrokken;

die kan er dus niet zijn."

Het torenpoortje, door den tuinman bedoeld, kwam in den tuin uit

aan den voet van een wenteltrap, die naar Rashleigh's kamers leidde,

terwijl deze weder met de overige gedeelten van het kasteel door een

donkere gewelfde gang, even als de boekenkamer door eene zijdeur,

vereenigd waren. Een lang, smal graspad leidde tusschen twee hooge

steekpalm-heggen, van dat torenpoortje naar een achterdeurtje in den

tuinmuur. Langs dezen weg kon Rashleigh, van wiens doen en laten zijne

nabestaanden niets wisten, naar welgevallen het kasteel verlaten of

terugkeeren, zonder dat het opgemerkt werd. Sedert zijn vertrek werd

van die trap en dat poortje volstrekt geen gebruik meer gemaakt, en

deze omstandigheid zette niet weinig belangrijkheid aan des tuinmans

aanmerking bij.

»Hebt gij dat poortje dikwijls open gevonden?" vroeg ik.

»Niet dikwijls," antwoordde Andries, »maar toch reeds een paar

maal. Ik geloof dat de priester het geopend heeft, die pater Vaughan,

zoo als zij hem noemen. Van de dienstboden betreedt niemand die trap:

die arme sukkels zijn bang voor spoken en hansworsten uit de andere

wereld. Maar vader Vaughan meent, dat de spoken hem geen kwaad zullen

doen. Maar weet u wat ik zeg, de armzaligste predikant bij ons in

Schotland verbant een spook tweemaal zoo gauw als de priester met

zijn wijwater en zijne afgodische kluchten. Ik geloof ook niet,

dat hij ver in het Latijn is. Want hij verstaat mij nauwelijks,

als ik hem de geleerde namen der planten noem."

Van pater Vaughan, die in het kasteel Osbaldistone en in de woningen

van eenige Katholieke edellieden in den omtrek voor het heil der

zielen zorgde, heb ik nog niets gezegd, daar ik hem nog slechts

zelden gezien had. Hij was ongeveer zestig jaren oud, en naar ik meen,

uit een voornaam geslacht in Schotland afkomstig. Van een alleszins

onbesproken gedrag, werd hij door de Katholieken van Northumberland als

een braaf en waardig man geëerd. Ook bezat hij al het eigenaardige,

waardoor zijn stand zich onderscheidt. Er lag op zijn gelaat iets

geheimzinnigs, wat in de oogen van een Protestant naar priesterbedrog

geleek. De bewoners van het kasteel Osbaldistone koesterden veel meer

vrees, of ten minste eerbied, dan genegenheid voor hem.

Het was bekend, dat hij hunne drinkpartijen ten sterkste afkeurde:

want zoolang als hij zich op het kasteel bevond, leefde men daar

veel matiger. Ja bij zulke gelegenheden deed zelfs mijn oom zich ten

opzichte van zijn gedrag bepaald dwang aan; daarom was dan ook het

bezoek van den priester hem eer lastig dan aangenaam. Pater Vaughan

toonde in zijn gedrag dat fijne innemende en vleiende, hetwelk

den leeraars van zijn geloof, bijzonder in Engeland, zoo eigen

is. Immers de Katholieke leek, door strafwetten, door de beperking

van zijn geloof, door de vermaningen van zijn geestelijke belemmerd,

is in het verkeer met Protestanten dikwerf achterhoudend, ja bijna

vreesachtig. De priester daarentegen, wien zijn stand vergunt, met

lieden van alle geloofsbelijdenis te verkeeren, is gul, vroolijk en

vrij in den omgang. Hij tracht zich aangenaam te maken, wat hem door

zijne slimheid ook meestal gelukt.

Pater Vaughan was een vertrouweling van Rashleigh. Anders had hij

zich, geloof ik, bezwaarlijk in het kasteel kunnen handhaven. Deze

omstandigheid kon zeker in mij geene neiging wekken, kennis met hem

te maken. En daar hij zich evenmin voorkomend jegens mij gedroeg,

bepaalde zich onze omgang, als wij elkander nu en dan toevallig

ontmoetten, tot een wederzijdschen koelen groet. Het kwam mij zeer

waarschijnlijk voor, dat de priester, gedurende zijn verblijf op het

kasteel, Rashleigh's kamer bewoonde. Van een man van zijn stand mocht

men tevens verwachten, dat hij soms de boekenkamer bezocht. Niets

natuurlijker dus, dan dat het zijn licht was, dat den vorigen avond

mijne opmerkzaamheid had getrokken. Ook herinnerde ik mij op eenmaal,

dat Diana's omgang met den priester even geheimzinnig was als hare

betrekking tot Rashleigh. Nooit had zij mij Vaughan's naam genoemd,

zelfs niet eens ter loops, behalve bij onze eerste ontmoeting,

toen zij mij en Rashleigh noemde, als de eenige gezellige wezens in

het kasteel, behalve haar zelve. Niettegenstaande dit geheimzinnig

zwijgen, had ik toch duidelijk genoeg bemerkt, dat bij des priesters

komst op het kasteel Diana steeds angstig begon te beven; dit duurde

dan zoo lang tot beiden met elkander eenige veelbeteekenende blikken

gewisseld hadden.

Welk geheim het ook zijn mocht, dat de lotgevallen van het schoone,

aanminnige meisje omsluierde, zonder twijfel was de priester

daarin betrokken. Had hij misschien last, haar in het klooster te

brengen, wanneer zij het huwelijk met een van mijne neven van de

hand wees? Dan liet zich hare heftige ontroering bij zijne komst

zeer wel verklaren. Overigens schenen beiden weinig omgang met

elkander te hebben en elkaar nooit te zoeken. Bestond er inderdaad

een verbond tusschen hen, dan was het eene stille overeenkomst,

die hunne handelingen leidde, zonder dat zij de hulp der taal noodig

hadden. Toch had ik, naar ik mij herinnerde, soms opgemerkt, dat zij

elkander teekens gaven, welke ik toenmaals slechts voor wenken over

het in acht nemen van dezen of genen geloofsplicht had gehouden. Ik

had wel gehoord, hoe listig de Katholieke priesters ten allen tijde

en overal hun invloed op de gemoederen van hunne leeken weten te

handhaven. Maar nu was ik geneigd, aan die stomme taal eene meer

gewichtige beteekenis toe te kennen. Had hij geheime bijeenkomsten met

Diana in de boekenkamer? Dat was de vraag, die mij bezig hield. En

als dat werkelijk zoo was, met welk oogmerk? En waarom had zij den

vertrouweling van Rashleigh zulk een onbepaald vertrouwen geschonken?

Al die vragen en twijfelingen werden voor mij des te belangrijker,

naarmate het mij onmogelijk scheen, ze te beantwoorden of op te

lossen. Reeds was ik begonnen te vermoeden, dat mijne vriendschap

voor Diana niet zoo geheel onbaatzuchtig was, als ze naar de regels

der voorzichtigheid had behooren te zijn. Reeds was ik jaloersch op

den verachtelijken Thorncliff geworden en had ik aan zijne ellendige

pogingen om mij te tergen mij veel sterker gestoord dan hij eigenlijk

verdiende. Maar nu begon ik Diana's gedrag met zoo scherpe blikken

na te vorschen, dat ik mij te vergeefs van loutere nieuwsgierigheid

trachtte te overtuigen. Er waren onbetwistbare kenteekenen, dat ik

verliefd was. Wel wilde mijne, reeds niet meer onpartijdige rede

standvastig blijven ontkennen, dat ik mij aan eene zoo onbezonnene

neiging had overgegeven. Maar ik was als een onkundige wegwijzer,

die eerst de reizigers en zich zelven op een dwaalweg bracht, dan

eigenzinnig beweerde, dat het onmogelijk is, dat hij den weg niet zou

kennen en verdwaald zijn. »Neen"--zeide ik--»ik ben niet verdwaald"

... Toch was het zoo.

Robbert Roodhaar · 第 27 / 57 题