HOOFDSTUK XIV.

Uit 't slaapvertrek van hartelief

Schijnt licht. Wat straalt het fel!

Waarom toch brandt mijns liefjes lamp

In 't nachtelijk uur zoo hel?

Uit eene oude Ballade.

Wij leidden in het kasteel Osbaldistone een leven, zoo eenvoudig,

ja zoo eentonig, dat er weinig aan te beschrijven valt. Diana

en ik brachten verscheidene uren van den dag met lezen door. De

overige bewoners doodden den tijd met uitspanningen en vermaken,

al naar gelang van het seizoen. Nu en dan namen wij beiden er ook

deel aan. Mijn oom was de slaaf van zijne gewoonten. Uit gewoonte

werd hij met mijne tegenwoordigheid en mijne levenswijze zoo zeer

vertrouwd, dat hij mij over het geheel vrij goed mocht lijden. Als ik

gewild had, zou ik nog hooger in zijne gunst gestegen zijn. Daartoe

zou ik dezelfde middelen kunnen aanwenden, waarvan Rashleigh zich

bediende. Van zijns vaders afkeer van werkzaamheden partij trekkende,

had hij zich van lieverlede het oppertoezicht over diens vermogen

toegeëigend. Ik verleende mijn oom trouwens gaarne mijn hulp, met pen

en rekenkunde, zoo dikwijls, hij aan een buurman brieven te schrijven

of met een pachter eene rekening te vereffenen had. In zooverre was ik

hem inderdaad van meer dienst, dan één van zijne zonen. Ik gevoelde

evenwel geen lust, om hem den last zijner zaken geheel en al af te

nemen. Wel placht dan de goede oude heer te zeggen: »neef Frans is

een knappe, vlijtige jongen!" Maar zelden vergat hij, er in één adem

bij te voegen: »Ik had niet gedacht, dat ik Rashleigh zoo zou missen."

Het is bepaald een onaangenaam gevoel in den kring van een

huisgezin te leven, waar men niet met al de leden ervan op een

goeden en vertrouwelijken voet staat. Ik wendde daarom pogingen aan,

den tegenzin te overwinnen, dien mijne neven jegens mij vaak vrij

duidelijk lieten blijken. In plaats van mijn opgetoomden hoed, ging

ik een jagersmuts dragen. En wezenlijk begonnen zij gunstiger over

mij te denken. Toen ik kort daarna een jong paard gedresseerd had,

steeg ik nog hooger in hunne gunst. Een paar weddingschappen, welke

ik bij zekere gelegenheden aan Richard verloor, en een volle beker,

dien ik boven het gewone getal met mijn neef Percival ledigde, bracht

mij in de beste verstandhouding met allen,--behalve met Thorncliff.

Ik heb vroeger reeds aangestipt, dat deze jonge man mij niet lijden

mocht. Hij had wat meer verstand dan zijne broeders, maar tevens een

veel slechteren aard. Twistziek, norsch en lichtgeraakt, beschouwde hij

mij als een overtollig en lastig wezen op het kasteel. Met nijdige,

jaloersche oogen zag hij mijne vriendschapsbetrekking tot Diana,

die, volgens de familieovereenkomst, tot zijne bruid was bestemd. Dat

hij haar beminde, kan ik trouwens niet zeggen, ten minste als ik dat

woord niet in een soort van minder juisten zin wil misbruiken. Maar

hij beschouwde haar als iets, dat hem toebehoorde. Het ergerde

hem, dat men hem in den weg trad, terwijl hij geen middel wist,

dit te voorkomen of te verhinderen. Bij verscheidene gelegenheden

beproefde ik een verzoenenden toon jegens hem. Maar hij beantwoordde

mijne minzame vriendelijkheid ongeveer als een knorrige hofhond,

wanneer een vreemdeling hem liefkozen wil. Sedert dien tijd liet ik

hem geheel aan zijne kwade luim over. Aan zijn zuur gezicht en zijne

norsche manieren stoorde ik mij eenvoudig niet.

Zoo stond ik met de bewoners van het kasteel. Ik moet echter nog een

anderen huisgenoot noemen, met wien ik mij nu en dan onderhield.

Het was de tuinman Andries, die, sedert hij wist dat ik Protestant was,

mij zelden liet voorbijgaan, zonder mij een snuifje aan te bieden. Deze

wellevendheid had voor hem intusschen menig voordeel. Vooreerst was

ze goedkoop, daar ik nooit snuif gebruikte, en ten tweede verschafte

zij den goeden Andries, die juist geen vriend van aanhoudend arbeiden

was, eene schoone gelegenheid, om eenige minuten op zijne spade te

rusten. Maar bovenal trok Andries van deze korte samenkomsten partij,

om eene menigte nieuwigheden uit te kramen, of met echt-Schotschen

humor zijne spotachtige praatjes en opmerkingen te luchten.

»Ja, ja, mijn beste mijnheer," zeide hij op zekeren avond met

bijzonderen nadruk, »van daag ben ik in het dorp geweest."

»Zoo! wat nieuws was er in de dorpskroeg?" vroeg ik.

»Neen, neen, mijnheer, in de kroeg kom ik nooit, of de een of andere

goede vriend moest mij vrij houden. Maar voor zijn eigen geld de

kroeg te bezoeken, zie, dat noem ik den tijd en zijne zuur verdiende

penningskens liederlijk verkwisten. Neen, mijnheer, ik had eigenlijk

iets met de oude Grietje Simpson te vereffenen. Die had een paar

manden peren noodig. Op het kasteel komt het op een paar zakken vol

niet aan. Toen wij nu met elkander over den prijs handelden, denk eens,

wie er toen bij ons binnen trad? Macready, de reizende koopman..."

»Den marskramer, meent gij?" viel ik hem in de rede.

»Nu ja, als gij hem zoo noemen wilt, mij is het wel! Maar zijne zaakjes

gaan zoo slecht niet. Hij is eigenlijk mijn neef, en wij waren recht

blijde, elkaar eindelijk weder eens te ontmoeten."

»En toen zijt ge met elkander in de kroeg gegaan, om een glas bier

te drinken. Maar om 's Hemels wil, vertel me nu uwe geschiedenis,

en zoo kort mogelijk, als ik u verzoeken mag."

»Maar mijn goede heer! heb toch geduld, geduld! Gij heeren uit Engeland

zijt altijd zoo haastig gebakerd. En deze geschiedenis betreft nog wel

u zelf. Bier, zegt u, zou ik gedronken hebben? Gelooft u dat? Nou,

vergif moge elke droppel worden, dien mijn neef mij gaf. Neen,

Grietje gaf ons beiden een slokje afgeroomde melk en een van hare

dikke haverkoeken, die evenwel zoo taai als zoolleder was. Neen,

dan heilig onze lekkere koeken in Schotland!--Maar hoe het zij,

wij gingen dan zitten en praatten een beetje over koetjes en kalfjes."

»Maar kom dan toch eindelijk met het nieuws dat ge hebt, zoo het

ten minste de moeite waard is!" riep ik ongeduldig, »want ik kan den

ganschen dag niet hier blijven."

»Nu, als gij het dan volstrekt weten moet en weten wilt; in Londen

maken zij vrij wat alarm over dat laatste stukje."

»Welk stukje? Wat bedoelt gij?"

»Hm! dat gevalletje met dat weergaasche valies!" hernam Andries met

een sluwen blik.

»Welk valies? Wat wilt gij toch zeggen?"

»Die Morris, of hoe hij heeten mag, moet het immers verloren

hebben. Maar u gaat het zeker evenmin aan, als mij. Ik zal er den

kostbaren tijd niet om verspillen."

Na dit gezegd te hebben, begon hij met alle kracht te werken, alsof

hij een vlaag van hevigen werklust gekregen had.

De sluwe kerel wist wel, dat hij mijne opmerkzaamheid en

nieuwsgierigheid ten sterkste gespannen had. Door eene directe

vraag wilde ik echter niet te veel belangstelling in de zaak

verraden. Ik wachtte zwijgend, of de geest van mededeelzaamheid hem

nog eens aansporen zou, den draad van zijne geschiedenis weder op

te vatten. Maar Andries bleef ijverig aan 't spitten en sprak nu en

dan een woord, maar over geheel andere onderwerpen. Innerlijk boos,

hoorde ik hem toch aan. Ik wilde toch eens zien, hoe lang zijne

halsstarrigheid zijn verlangen zou bedwingen om over eene zaak te

spreken, waarmede hij blijkbaar geheel vervuld was.

»Zie zoo!" begon hij; »dat aspergie-bed is omgespit; nu nog een paar

staken bij de snijboonen gezet. Die moeten zij bij het varkensvleesch

hebben;--wel bekome het hun!... Wat is dat toch slechte mest, zoo hard

als een steen! Ja, ja, de jager speelt den baas in de stallen, heeft

zeker al de goede mest verkocht... daar sta ik u borg voor... Ja,

ik moet maar doorwerken op zoo'n schoonen Zaterdag-avond, want met

het weer wil het ook niet te best. Van de zeven dagen der week, hebt

ge op zijn hoogst een paar, die men goed kan noemen, en daaronder

is één steeds een Zondag. Maar het kan toch weêr goed worden tegen

Maandag.--Ik weet niet waarom ik me lam zou werken. Ik ga maar naar

het kasteel, want daar hoor ik de avondklok, zooals zij dat oude

ding noemen."

En met die woorden stiet hij zijne spade in den grond en zag mij

terzij heel leuk aan, als wilde hij mij te kennen geven, dat hij mij

wel iets gewichtigs kon ontdekken, maar ook wel verzwijgen. Eindelijk

stroopte hij zijne hemdsmouwen neer en ging langzaam naar de tuinbank,

waar zijn rok zorgvuldig opgevouwen lag. Ik zag nu wel, dat ik den

stijfkop moest toegeven, en geduld hebben, tot het hem zou behagen,

mij alles op zijne wijze te verhalen. Op zeer minzamen toon vroeg

ik: »Maar Andries, wat zijn het dan voor nieuwigheden die uw neef,

de reizende koopman van Londen, voor u heeft medegebracht?"

»O, u bedoelt den marskramer. Och! noem u hem maar zoo als u verkiest;

zoo'n man is een onmisbaar wezen in een land, waar zoo weinig steden

zijn als hier in Northumberland. In Schotland is het veel beter. Daar

hebt ge het koninkrijk [8] Fife, van het eene einde tot het andere

bijna één enkele groote stad: en dan nog zoo vele heerlijke vlekken

met fraaie straten, schoone winkels, steenen huizen met breede

stoepen. Kircaldy is grooter dan eenige stad in Engeland."

»Zeer zeker, Andries, daar is het zeer fraai, schoon en heerlijk! Maar

om weder op het nieuws van Londen terug te komen..."

»Ach ja, dat is ook zoo, ziet u, ik dacht dat er u juist niet veel

aan gelegen was," hernam de tuinman meesmuilende. »Mijn neef heeft

mij gezegd dat zij in het Parlement vinnig boos zijn geweest over

dat historietje met dien Morris, of zoo als die knaap heeten mag."

»In het Parlement?" vroeg ik; »maar hoe kwam die zaak dan daar ter

sprake?"

»Ja, dat zeide ik ook al tegen mijn neef. Ik zal u woord voor woord

zeggen, wat ik tegen hem zeide; want het is de moeite niet waard,

er om te liegen. Neef, zeide ik tegen hem, wat hebben toch de Lords

en Heeren in Londen met dien kerel en zijn valies te maken? Toen

wij in Schotland nog een Parlement hadden, neefje--de duivel hale

hen, die het ons ontnomen hebben! zaten de leden van dat Parlement

bedaard wetten voor het land en het rijk te maken en bemoeiden zich

met geen zaken, die door den gewonen rechter behoorden afgedaan te

worden. Maar ik geloof, zeide ik, dat wanneer een oud wijf ergens

in Engeland hare buurvrouw de muts van het hoofd scheurt, dat ze dan

beiden voor het Parlement van Londen moeten komen. Het is daar bijna

net zoo erg als hier, met den ouden heer en zijne zonen en jagers:

die jagen geheele dagen na elkander een ongelukkig dier na en als zij

dan dat dier gevangen hebben, blijkt het, dat het, waarachtig! geen

zes pond zwaar is!"

»Volkomen juist aangemerkt, Andries, zeer juist! Maar wat zeide toch

uw neef?"

»O, hij zeide dat men het niet anders van de Engelschen--die

poddingeters,--verwachten kon. En de geschiedenis van dien Morris--nu

ja, toen hebben zij weder eene kijfpartij gehouden, en toen is een

onder hen opgestaan en heeft gezegd, dat het in het Noorden van

Engeland wemelt van Jakobieten--nu, hij kan wel gelijk hebben--en

dat zij een oorlog wilden beginnen, dat ze een koningsbode op den

publieken weg hadden aangerand; dat de aanzienlijkste lieden van

Northumberland daarbij waren geweest; dat zij hem veel geld en vele

belangrijke papieren hadden afgenomen; dat hij geen recht had kunnen

krijgen, want dat de vrederechter de beide knapen, die den diefstal

gepleegd hadden, bij zich te gast had genoodigd; dat die daar ook

dapper gegeten en gedronken hebben, en dat hij den een voor den ander

heeft laten getuigen, en borgtocht van hen aangenomen heeft, terwijl

de eerlijke man, die zijn geld had verloren, ten slotte maar blij was,

nog heelhuids uit dat land weg te komen."

»Zou dat wezenlijk waar zijn?" vroeg ik verwonderd.

»Mijn neef zweert, dat het zoo waar is, als hij een goedgeijkte el

heeft, en aan zijn el ontbreekt toch maar een enkel zestiende. En toen

die man daar in dat Parlement uitgepraat was, begon er plotseling

zulk een vreeselijk geschreeuw te ontstaan, dat hij namen noemen

moest. Toen kwam hij in den nood. Hij noemde namen, eerst dien vent

Morris, en ook uw oom en den rechter Inglewood en nog vele andere

lieden bovendien," voegde Andries er bij, terwijl hij een sluwen blik

op mij wierp. »Maar toen stond er ook aan den anderen kant van het

Parlement iemand op, en zeide, dat men de braafste menschen van het

land niet mocht aanklagen op den eed van een ellendigen lafaard, als

deze Morris, die in den oorlog in Vlaanderen de kanonnenkoorts gekregen

en schandelijk de plaat gepoetst had. Het gansche historietje was zeker

met den minister reeds afgesproken en in orde gebracht, eer de kerel

nog een voet buiten Londen had gezet. Zoo men huiszoeking wilde doen,

zou men het geld, dat men hem ontnomen had, misschien niet ver van het

koninklijk paleis vinden. En wat gebeurde er toen? Die Morris werd voor

het Parlement gebracht, en hij moest zeggen, hoe de vork eigenlijk

in den steel stak. Maar de menschen, die tegen hem waren, somden al

zijn gauwdievenstreken, die hij in zijn vroeger leven gepleegd had,

zoo breed en duidelijk op, dat de lafaard eer op een lijk dan op

een levend wezen geleek, zei mijn neef. Geen enkel verstandig woord

konden zij uit hem krijgen, zoo bitter was hij door dat geschreeuw en

dat uitschelden in de war gemaakt. Bij mijne zondige ziel, de kerel

moet een kop hebben als een bevroren raap! Zij hadden lang kunnen

schreeuwen eer zij mij in de war zouden gebracht hebben!"

»En waarop liep dat alles dan uit? Heeft uw neef dat ook niet vernomen,

vriend Andries?"

»Natuurlijk heeft hij het vernomen, mijn neef heeft zijne reis omtrent

eene week expres opgeschoven, omdat het zijn klanten zeer aangenaam

zou zijn, dat nieuws te vernemen. Het liep met een sisser af. Laat ik

u maar zeggen dat degeen, die het historietje 't eerst op het tapijt

bracht, weder spoedig in zijne schelp kroop. De man, zeide hij, kon

ook wel wezenlijk in handen van roovers gevallen zijn; maar omtrent de

eigenlijke omstandigheden was men nog in het onzekere. Toen stond de

andere vent weer op, en zeide, dat het hem zeer onverschillig was of

men dien Morris beroofd had of niet. Maar men moest om zoo iets geen

brave lieden van hunne eer en hun goeden naam berooven, inzonderheid

in het noorden van Engeland, want hij was er zelf van daan, en daar

behoefde hij zich niet over te schamen. En dat noemt men een zaak

uitmaken! De een geeft iets toe en de andere geeft iets toe en dan

zijn ze weer goede vrienden. En toen zij nu in het Lagerhuis lang

en breed over dat geval gewauweld hadden, zoo dat zij er eindelijk

misselijk van waren, wilden de heeren in het Hoogerhuis er ook nog

iets van hebben. In het lieve oude Schotsche Parlement, ja, waarde

mijnheer, daar zaten zij allen bij elkander, en behoefden een ding

niet tweemaal te bepraten, maar daar in Londen kauwen en herkauwen

zij elk ding zoo lang, tot er volstrekt niets van overblijft. Ook

heeft men er van een zekeren Campbell gesproken; die moet bij dat

plunderen en rooven ook eene hand in het spel gehad hebben, maar

tot zijn geluk had hij een flink getuigschrift van den hertog van

Argyle. En toen dit openlijk gezegd werd, geraakte de hertog in vuur

en vlam--nu daarin had hij, mijns insziens, wel gelijk!--Hij maakte

vrij wat spektakel, terwijl hij ieder overtuigend wilde bewijzen,

ja schier instampen, dat iedere Campbell steeds een braaf, dapper en

verstandig man was geweest. Als gij echter zeker zijt, dat er geen

druppel bloed van het geslacht van Campbell door uwe aderen vloeit,

wat, voor zoo verre ik weet, bij mij insgelijks het geval is, dan

wil ik u wel zeggen wat ik van de zaak denk."

Ik verzekerde dat ik rechtstreeks noch zijdelings tot dat geslacht

behoorde.

»Nu, dan kunnen wij immers gerust onder ons zeggen wat wij weten. Van

de Campbells valt goed en kwaad te zeggen, even als van alle andere

menschen. Maar van Mac-Callumore, van dien Argyle--van hem zijn er zeer

zonderlinge praatjes in omloop onder de voorname lui van Londen. Maar

hij heeft er veel in te brengen. Men kan eigenlijk niet recht zeggen,

welke partij hij gekozen heeft. Niemand durft hem aan. En het einde van

het lied was, dat zij verklaarden, dat de gansche historie enkel laster

was. En als die Morris zich niet bij tijds uit de voeten gemaakt had,

zou hij nog leelijk te pas zijn gekomen."

Bij die woorden pakte Andries zijn tuinmansgereedschap bijeen en wierp

het dood kalm, stuk voor stuk in een kruiwagen. Hij gaf mij blijkbaar,

eer hij heenging, den tijd, nog eenige vragen te doen. Ik oordeelde

het best, alles dadelijk te zeggen, opdat de man mijn zwijgen niet

aan verkeerde redenen zou toeschrijven en een al te groot gewicht er

aan hechten zou.

»Andries," zeide ik, »ik zou uw landsman wel eens willen spreken, om

al dat nieuws uit zijn eigen mond te vernemen. Gij hebt waarschijnlijk

gehoord, dat ik door de onbeschaamde zotheid van dien Morris eenigen

last heb gehad." Andries meesmuilde. »Gaarne zou ik uw neef nu

vragen, wat hij dan eigenlijk te Londen gehoord heeft; ten minste

wanneer het hem niet al te moeilijk is, met mij eenige oogenblikken

te komen praten."

Andries antwoordde dat dit geen bezwaar zou opleveren. Als hij zijn

neef een wenk gaf, dat ik een paar kousen noodig had, dan zou die

niet in gebreke blijven, terstond bij mij te komen.

»Ja, gij kunt hem zeggen, dat hij in mij een goeden klant zal vinden,

en daar de avond heden bijzonder mooi is, zal ik zoo lang in den tuin

blijven wandelen tot hij komt. De maan zal spoedig opkomen. Breng

uw neef aan het achterpoortje. Ik zal mij intusschen met het gezicht

van de struiken en heesters bij het heldere maanlicht amuseeren."

»Best! heel goed!" hernam Andries; »dat zeg ik ook altijd: koolbladen

en bloemkool schitteren in den maneschijn even prachtig als eene

mooie vrouw in diamanten."

En Andries ging blijkbaar welgemoed weg. Hij scheen den vrij langen

weg met het grootste genoegen af te leggen, om zijn neef een klein

voordeeltje te bezorgen, ofschoon hij er niets voor over had gehad, om

hem op eene kan bier te onthalen. De wellevendheid van een Engelschman

zou zich op eene geheel andere wijze geuit hebben, dacht ik, toen ik

wandelde langs de pas geschoren heggen van hooge taxis en steekpalm,

waarmede de gansche tuin doorsneden was.

Toen ik omkeerde, keek ik onwillekeurig naar de smalle vensters van

de oude boekenkamer op de tweede verdieping. Dat dáár licht brandde,

verraste mij niet; want ik wist, dat Diana zeer dikwijls de avonden in

die kamer doorbracht. Maar ik had uit een zeker gevoel van kieschheid,

het mij tot vaste wet gemaakt, haar daar niet op te zoeken op een tijd,

waarop ik wist, dat de overige leden der familie in het huisvertrek

bijeen waren, en onze bijeenkomst dus noodzakelijk onder vier oogen

zou hebben moeten zijn. In de morgenuren zaten wij gewoonlijk samen

in de boekenkamer te lezen, en dan gebeurde het niet zelden, dat een

van onze neven binnen kwam om een perkamenten bandje te halen, en dat

dan ondanks het kostbaar verguldsel en de geschilderde versieringen,

tot een zakboekje van vischhengels werd gebezigd. Soms ook om

ons van eene afgesproken jachtpartij te verhalen, of ook wel uit

loutere verveling. In de avonduren echter werd de boekenkamer nooit

als gemeenschappelijk terrein beschouwd. In een land opgevoed, waar

men, ten minste in dien tijd, aan de wetten der wellevendheid zeer

hechtte, gevoelde ik den plicht, om jegens Diana dubbel te letten op

het in acht nemen van die wetten, juist omdat zij ze, uit gebrek aan

ervaring, wel eens vergat. Zoo kiesch mogelijk gaf ik haar te kennen,

dat telkens, wanneer wij des avonds lezen wilden, de tegenwoordigheid

van een derden persoon passend, ja, betamelijk was.

In het eerst lachte Diana, daarna bloosde zij, en was op het punt

boos te worden, tot zij zich plotseling bedwong en mij antwoordde:

»Ik geloof, dat gij volkomen gelijk hebt. Wanneer ik eens lust krijg,

om heel vlijtig te leeren, zal ik onze oude Martha met een kopje thee

omkoopen, om bij ons te zitten en om mij onder haar vleugels te nemen."

Martha, de oude huishoudster, was met de heerschende neiging van al

de huisgenooten besmet, en een glas brandewijn was haar meer welkom

geweest dan al de thee uit China. Maar het streelde hare ijdelheid,

dat men haar een drank aanbood, welke in dien tijd alleen door

groote lui gebruikt werd. Een ruime portie suiker, en eenige niet

minder zoete woorden, alsook een overvloed van geroosterd brood en

boter--door dit alles te zamen liet zij zich nu en dan bewegen om ons

gezelschap te houden. Anders vermeden de dienstboden, zoodra slechts de

avond begon te vallen, deze boekenkamer, daar ze zich in een vleugel

van het kasteel bevond, waar het, volgens hunne dwaze verbeelding,

spookte. Eenige der vreesachtigsten wilden daar zelfs spoken gezien,

ja, allerlei geluiden gehoord hebben, als al de overige huisgenooten

sliepen. Zelfs mijne neven hadden, nadat het donker was geworden,

niet veel lust, als zij het eenigszins vermijden konden, om zich in

dat verschrikkelijke gedeelte hunner woning te wagen.

De omstandigheid, dat de boekenkamer eens Rashleighs geliefkoosd

verblijf was geweest, en dat eene zijdeur daaruit naar dat eenzaam

gedeelte van het kasteel leidde, waar hij steeds gewoond had,

vermeerderde nog de vrees der huisgenooten voor die angstwekkende

zaal. Zijne uitgebreide kunde in alle vakken, zijne groote kennis

van de wetenschappen en eenige natuurkundige proeven, welke hij

nu en dan in hunne tegenwoordigheid genomen had, waren voor de

domme en bijgeloovige bewoners van het kasteel voldoende redenen,

om hem macht over de geestenwereld toe te schrijven. Hij verstond

immers Latijn, Grieksch en Hebreeuwsch, en behoefde alzoo, zoo als

zijn broeder Wilfred zeide, noch geesten, noch spoken, noch duivels,

noch kabouters te vreezen. Ja, de dienstboden beweerden, dat zij hem

in de boekenkamer hadden hooren spreken op een tijd, dat ieder in het

kasteel reeds te bed was, en hij had den ganschen nacht met allerlei

spoken doorwaakt en toen een gat in den dag geslapen, in plaats van,

zoo als een echten Osbaldistone betaamde, met het krieken van den

dag de honden naar buiten te volgen.

Al die ongerijmde geruchten had ik uit halve wenken en afgebroken

uitdrukkingen vernomen. Natuurlijk had ik ze slechts met een spottenden

glimlach aangehoord. Maar de eenzaamheid waarin die zoo beruchte kamer

's avonds was, was voor mij een reden te meer, om Diana niet te storen,

als zij daar den avond doorbracht.

Ik behoefde mij dus niet te verwonderen, toen ik licht in die kamer

zag. Maar sterk was ik verrast, toen ik mijne oogen op de vensters

vestigende, duidelijk de schaduw van twee gestalten zag, die zich voor

het eerste venster bewogen en het voor eenige oogenblikken geheel

verduisterden. Het moet de oude Martha zijn, dacht ik. Misschien

heeft Diana haar bij zich geroepen. Of zou ik mij vergist hebben en

Diana's gestalte voor eene tweede gestalte aangezien hebben? Neen,

bij den hemel! nu ook aan het tweede venster! Zeer duidelijk twee

gestalten! Nu verdwenen zij--nu weder aan het derde--eindelijk ook

aan het vierde! De beweging der gestalten tusschen het licht en de

vensters werd tweemaal herhaald, alsof ik mij volkomen moest overtuigen

dat ik goed gezien had: toen werd het licht uitgedoofd.

Deze onbeduidende omstandigheid hield mij vrij lang bezig. Ik waagde

niet mij zelven te bekennen, dat mijne vriendschap voor Diana met

een egoïstisch oogmerk gepaard ging. Maar ik kan niet zeggen, hoe

onaangenaam mij de gedachte was, dat zij iemand anders heimelijke

bijeenkomsten toestond op een tijd en eene plaats, waar ik het

onvoegzaam oordeelde haar te bezoeken; te meer omdat ik ook, om haar

zelfs wil, getracht had haar dat onder het oog te brengen. »Dwaas,

lichtzinnig meisje!" zeide ik tot mij zelf. »Zij stoort zich aan geen

welgemeenden raad, aan geene welvoegelijkheid. Ik heb mij door hare

ongekunstelde houding laten misleiden. Zulk een houding schijnt zij

even gemakkelijk te kunnen aannemen, als of zij een stroohoed opzet,

door eene nieuwe mode ingevoerd; ondanks al hare groote geestvermogens,

zal misschien het gezelschap van een dommen gek, met wien zij haar

kaartje kon leggen, haar meer genoegen kunnen verschaffen, dan Ariosto

zelf, wanneer hij uit het graf verrees."

Deze gedachte kwam levendig in mij op, daar ik haar juist dienzelfden

dag mijne vertaling van Ariosto's eersten zang getoond, en haar

verzocht had, de oude Martha op de thee uit te noodigen, terwijl

zij onder een voorwendsel, dat ik voor volstrekt nietig hield, dit

bepaald geweigerd had.

Nog niet lang had ik mij in deze onaangename overdenkingen verdiept,

toen het achterpoortje van den tuin openging, en Andries en zijn neef,

die met een zwaar pak koopwaren beladen was, in den maneschijn de

laan opkwamen. De sluwe Macready was een Schot, dien zijne neiging

en zijn koophandel tot eene wandelende krant hadden gemaakt. Hij

kon mij omtrent het voorgevallene in het Parlement eenigszins

uitvoeriger en grondiger berichten geven, dan de tuinman. De beide

Staatspartijen hadden naar het scheen, het avontuur van Morris

als een toetssteen gebezigd, om de gezindheid van het Parlement

uit te vorschen. Waarschijnlijk echter waren de opstokers van het

vuurtje niet in staat geweest, om de waarheid van eene geschiedenis

te staven, vooral omdat zeer aanzienlijke en zeer invloedrijke

personen in die zaak gewikkeld waren, en alles zich slechts op de

getuigenis van een man van slechten naam grondde, die zich zelven

bovendien tegengesproken had en in zijne verklaringen over het

geheel zeer onduidelijk was geweest. Ook kon de koopman mij een

nieuwsblad ter hand stellen met een uittreksel der verhandelingen

van het Parlement--in dien tijd eene zeldzaamheid buiten den omtrek

der hoofdstad--en de gedrukte redevoering van den hertog van Argyle

op een groot vel papier. Verscheidene exemplaren had hij van de

uitventsters gekocht, om ze in Schotland met voordeel aan den man

te brengen. Het uittreksel der verhandelingen was slechts eene zeer

magere opgave met veel gapingen en sterretjes, waaruit ik niet veel

meer licht kon erlangen dan de Schot voor mij had ontstoken. En de

zeer fraaie en bij uitstek welsprekende redevoering des hertogs was

grootendeels eene lofrede op zijn vaderland, zijn geslacht en zijn

stam, met eenige, misschien even oprechte, hoewel niet zoo vurige

vleierijen, welke hij, bij eene zoo gunstige gelegenheid, zich zelve

wilde zeggen. Of zijn goede naam inderdaad verdacht was gemaakt,

kon ik niet te weten komen, maar zooveel zag ik duidelijk genoeg,

dat men de eer der naastbestaanden van mijn oom aangerand had; ja,

dat Morris het had voorgesteld, als zou Campbell een eerste rol bij

die straatrooverij hebben gespeeld en door zijn invloed op den al

te zachtzinnigen vrederechter een Osbaldistone de vrijheid hebben

verschaft. In zekeren zin kwam die voorstelling van het gebeurde

met het vermoeden overeen, dat ik zelf ten opzichte van Campbell

gevoed had, van het oogenblik af, dat ik hem bij den vrederechter

zag. Ten hoogste misnoegd en tevens verwonderd over deze zonderlinge

geschiedenis, verliet ik de beide Schotten, nadat ik van den koopman

iets gekocht en Andries een fooi gegeven had. Ik spoedde mij naar mijne

eenzame kamer, om te overwegen wat mij thans te doen stond. Mijn goede

naam was openlijk aangerand. Ik meende, dat het plicht voor mij was,

naar herstel van eer te streven.

Robbert Roodhaar · 第 26 / 57 题