»Die volleerde huichelaar!" zeide Diana tegen mij, toen hij de deur
achter zich toetrok. »Hoe sterk kan hetgeen wij het meest haten en
verachten, uitwendig gelijken op dat, wat wij het hoogst vereeren
en eerbiedigen."
Ik had Rashleigh een brief aan mijn vader en eenige regels aan Owen
medegegeven, behalve den reeds vermelden vertrouwelijken brief, dien
ik langs een anderen weg had verzonden. Niets zou natuurlijker geweest
zijn, dan dat ik in deze brieven mijn vader en mijn vriend bericht had,
dat ik mij in een toestand bevond, waarin ik mij in geen opzicht, dan
alleen in de geheimen van de valkenjacht kon vormen; ja, dat ik, in
het gezelschap van ruwe stalknechts en roskammers, waarschijnlijk alle
nuttige kundigheden die ik verworven had, spoedig zou vergeten. Het zou
even natuurlijk zijn geweest, mijn tegenzin uit te drukken, om onder
menschen te leven, die slechts in jagen en in onteerende tijdkortingen
hun genoegen vonden. Ik zou eindelijk hebben moeten klagen over de
dagelijksche onmatigheid der mannen, wier gast ik was, over den last,
ja, over de onaangename aanmerkingen, die ik van mijn oom te wachten
was, wanneer ik mij onder hoffelijke verontschuldigingen aan den dienst
van den wijngod wilde onttrekken. Deze laatste omstandigheid was van
dien aard, dat mijn vader, een streng, matig man, waarschijnlijk
zich ongerust over mij gemaakt zou hebben. Had ik deze snaar wat
sterk aangeroerd, dan zou de deur van mijn kerker zich zeer spoedig
hebben geopend, òf de tijd van mijne verbanning zou verkort, òf een
ander verblijf mij tot ballingschap aangewezen zijn geworden.
Voor een jongeling van mijne jaren en neigingen moest een langer
verblijf op het kasteel Osbaldistone zoo weinig mogelijk aangenaam
wezen. Men zou redelijker wijze moeten gelooven, dat het mijn eerste
werk had moeten zijn, mijn vader al die bezwaren te schetsen, ten
einde met zijne toestemming mijns ooms huis te kunnen verlaten. En
toch moet ik naar waarheid verzekeren, dat ik in mijne brieven niet
een enkel woord van dit alles repte. Ware het kasteel Osbaldistone
een Athene in den ouden luister van zijne beschaving; ware het door
wijzen, helden en dichters bewoond, mijn verlangen, om er te blijven,
had ik niet sterker kunnen toonen.
Mijn stilzwijgen over een voor mij zoo belangrijk punt zult gij, waarde
Tresham, licht kunnen verklaren, zoo gij slechts nog een enkel vonkje
van het vuur der jeugd in u hebt. Diana's buitengewone schoonheid,
waarvan zij zelve zoo weinig scheen te weten; haar romantische en
geheimzinnige toestand; het lijden, waaraan zij was blootgesteld;
de moed, waarmede zij het scheen te gemoet te zien; haar gedrag,
veel vrijer dan het haar betaamde, maar, zoo als het mij toescheen,
slechts een gevolg van het bewustzijn harer onschuld, en eindelijk en
vooral de zichtbare en vleiende onderscheiding, welke zij mij boven
ieder ander betoonde--dit alles nam mij geheel voor haar in. Mijne
nieuwsgierigheid was levendig gewekt, mijne verbeelding geprikkeld,
mijne ijdelheid gestreeld. Ik waagde het niet, mij zelven te bekennen,
welke innige deelneming Diana mij inboezemde, en hoezeer zij mijne
gedachten vervulde. Wij lazen met elkander, wandelden met elkander,
reden samen uit, en zaten bij elkander. De beoefening der letteren,
welke zij, naar hare twist met Rashleigh, had afgebroken, zette zij
thans onder mijne leiding voort. Ik was een leermeester, die wel
geringer kennis, maar veel rechtschapener bedoelingen had.
Eigenlijk was ik geenszins geschikt, om haar bij de voortzetting
van eenige diep geleerde studiën behulpzaam te zijn, die zij met
Rashleigh had begonnen. Het waren studiën, wel voor een geestelijke,
maar niet voor een bevallig meisje geschikt. Ik kan niet begrijpen,
met welk oogmerk hij Diana in den somberen doolhof van onvruchtbare
schoolsche geleerdheid inleidde, of in de even moeielijke, ofschoon
op zekere, vaste grondslagen rustende wetenschappen als wiskunde
en sterrekunde. Misschien had hij heimelijk het voornemen, om
haar te verleiden, zoo het maatschappelijk verschil der beide
geslachten te verloochenen en te verwarren. Misschien wilde hij
haar aan spitsvondigheden gewennen, opdat hij te zijner tijd des te
gemakkelijker aan het valsche de kleur van het ware zou kunnen geven.
Nog zonderlinger was het schandelijk doel, waarmede Rashleigh, naar den
verderfelijken geest zijner leer, haar aanmoedigde, den eng begrensden
kring, door het maatschappelijke gebruik om de vrouwen getrokken, te
veronachtzamen en te verachten. Zij was trouwens van allen omgang met
vrouwen geheel verstoken. Zij kon de gewone regels der welvoegelijkheid
noch door voorbeeld noch door voorschrift leeren. Maar toch was zij
met zoo veel aangeboren zedigheid en met zulk een fijn gevoel voor
recht en onrecht begaafd, dat zij dat vrije, min of meer vrijpostige
gedrag, dat mij bij onze eerste kennismaking zoozeer bevreemdde,
nooit uit eigen neiging zou aangenomen hebben. Maar men had haar in
de meening gebracht, dat verachting van de gewoonten en gebruiken
der maatschappij zoowel van verstandig overleg, als van vertrouwen
op de bewustheid van onschuld het bewijs kon zijn.
Haar sluwe leermeester had zeker zijn geheim doel gehad, toen hij die
bolwerken sloopte, door ingetogenheid, en voorzichtigheid om de deugd
opgetrokken. Overigens daarvoor, en ook nog voor andere misdaden,
is hij reeds lang voor een hoogeren rechterstoel ter verantwoording
geroepen.
Diana, wier heldere geest zoo vatbaar voor elk middel tot beschaving
was, had niet alleen in de zoogenaamde positieve wetenschappen
belangrijke vorderingen gemaakt, maar was ook met verscheidene
talen bekend en met de schriften van oude en nieuwe tijden vrij goed
vertrouwd. Menschen van uitstekende geestvermogens komen dikwijls 't
verste, daar, waar zij den minsten bijstand hebben. Als men dit niet
in 't oog hield, zouden Diana's snelle vorderingen in verscheidene
takken van wetenschap bijna ongeloofelijk schijnen. Dit alles trof mij
des te sterker, als ik den voorraad van die kundigheden, uit boeken
verworven, met hare volstrekte onbekendheid met het werkelijke leven
vergeleek. Zij scheen ieder ding te zien en te kennen, behalve dat,
wat rondom haar gebeurde. Juist deze onkunde en deze kinderlijke
beschouwing van gewone voorwerpen, waarmede hare overige kundigheden
zulk een scherpe tegenstelling opleverden, maakten vermoedelijk
den omgang met haar onwederstaanbaar betooverend, en deed met
aandacht letten op al wat zij zeide of deed. Men kon volstrekt nooit
vooruit weten, of haar eerstvolgend woord, haar eerstvolgende daad,
de scherpzinnigste waarneming of de zonderlingste onnoozelheid zou
aanduiden. Wie zich zijne eigen aandoeningen uit den bloeitijd van zijn
leven herinnert, zal inzien, hoe gevaarlijk het voor een jongeling
van mijne jaren en van mijn gemoedsleven moest zijn, met zulk een
beminnenswaardig, zeldzaam bekoorlijk wezen steeds vertrouwelijk om
te gaan.