HOOFDSTUK XIII.

Des duivels was de vondst van hem, die in het gif

Den dolkspits doopen leerde. Maar aaklig was 't helsche plan

Van den verrader, die het doodelijk vergif

In 't glas goot, gewijd aan vriend'lijk zamenspreken,

Den dood in de ad'ren stortte, in plaats van 't frissche leven.

Anonymus.

»Ik moet erkennen, mijnheer Osbaldistone," zeide freule Diana op een

toon, die verried dat zij zich gerechtigd achtte, mij met spottende

verwijten te bestraffen, »ik moet erkennen, gij zijt op weg om ons

te verassen. Nooit had ik kunnen denken, dat gij zulk een aanleg

bezat. Gisteren moest gij nog bewijzen dat gij het recht hebt om u

onder het lieve volkje op het kasteel Osbaldistone t'huis te gevoelen,

en--ziedaar! gij hebt het meesterstuk dadelijk volbracht..."

»Spot niet, lieve freule, ik gevoel diep, dat ik mij hoogst

ongepast gedragen heb. Helaas! ik kan volstrekt niets tot mijne

verontschuldiging aanvoeren, dan dat ik mededeelingen had ontvangen,

waardoor ik in de hoogste mate ontroerd was. Maar hoe het zij, mijn

gedrag was onbetamelijk en belachelijk."

»Doe u zelf geen onrecht!" zeide mijne onbarmhartige spotster. »Na

alles, wat ik zelf gezien en later gehoord heb, is het u op één enkelen

avond gelukt, al de heerlijke eigenschappen te ontwikkelen, waardoor

uwe neven zich onderscheiden: de minzaamheid en grootmoedigheid

van den welwillenden Rashleigh--Percivals matigheid--Thorncliffs

moed--Johns meesterlijke bekwaamheid in het africhten van

honden--Richards handigheid in het wedden--dit alles toonde neef Frans

in zich vereenigd, en wel met eene keuze van oogenblik, plaats en

omstandigheden, die den smaak en de schranderheid van den hoogwijzen

Wilfred tot eer zouden verstrekt hebben."

»Maar, heb toch een weinig medelijden met mij, freule

Vernon!" antwoordde ik. De tuchtiging, op die wijze en van deze

hand, scheen mij wat gestrenger dan ik ze verdiende.--»Laat mij,

tot verontschuldiging van dwaasheden, waaraan ik mij slechts één keer

schuldig maakte, de gebruiken van dit huis en land aanvoeren. Geenszins

wil ik ze billijken, maar Shakespeare zegt toch zelf: goede wijn

is een goed, gezellig ding, en ieder mensch mag zich wel eens een

enkelen keer laten verleiden."

»Welzeker, maar hij legt dezen lof en deze verontschuldiging den

ellendigsten mensch in den mond, dien zijn penseel ooit geschilderd

heeft. Ik wil ook van het voordeel, dat uw gedrag mij geeft, geene

partij trekken, en u niet de wederlegging toeroepen, welke Cassio

tegen den verleider Jago bezigde. Maar bedenk, dat zeker iemand met

leedwezen ziet, dat een jong mensch van gelukkigen aanleg en gunstige

vooruitzichten in den poel verzinkt, waarin de bewoners van dit huis

zich elken avond, als zwijnen, wentelen."

»Ik verzeker u, waarde freule, ik heb slechts mijn schoen nat gemaakt,

maar de morsigheid van den poel walgt mij te zeer, dan dat ik er mij

verder in zou begeven."

»Dat is een verstandig besluit!" hernam zij. »Wat ik heb moeten hooren,

is mij zoo pijnlijk geweest, dat ik eerder aan uwe belangen dan aan

de mijne gedacht heb. Gij gedroegt u gisteren aan tafel jegens mij,

alsof men u iets gezegd had, waardoor ik in uwe goede meening gedaald

was. Mag ik u vragen, wat dat was?"

Ik zweeg onthutst. De onbewimpelde vrijmoedigheid dezer vraag

geleek ongeveer op de manier, waarop de eene man van eer den

anderen vriendschappelijk maar vastberaden, eene verklaring afvraagt

over de eene of andere zonderlinge, naar zijn oordeel beleedigende

behandeling. Ze had volstrekt niets van dien omhaal en vergoelijking

of verzachting, waarmede tusschen mannen en vrouwen uit hoogeren

stand zoodanige zaken behandeld worden.

Ik kon mijne verlegenheid niet onderdrukken noch verbergen. Rashleigh's

mededeelingen, als zij juist waren, maakten freule Vernon eerder tot

een voorwerp van mijn medelijden dan van mijne gevoeligheid. Maar

als ik daarin voor mij verontschuldiging voor mijn gedrag vond,

moest het mij toch zeer moeilijk vallen datgene mede te deelen,

wat voor Diana's gevoel noodzakelijk beleedigend moest zijn.

Zij begreep zeker mijne bezwaren. Eenigszins stelliger, maar nog

steeds gematigd en hoffelijk, zeide zij: »gij zult mij, hoop ik,

toch het recht niet betwisten, om deze verklaring te eischen. Ik

heb geen bloedverwant, die mij beschermen kan, en daarom moet ik mij

zelve beschermen."

Stamelende poogde ik de schuld van mijn onheusch gedrag op

ongesteldheid en onaangename brieven uit Londen te schuiven. Zij

liet mij mijn ganschen voorraad van verontschuldigingen uitputten,

tot ik niets meer wist te zeggen, en hoorde mij met een ongeloovig

glimlachje aan.

»Ik dank u voor de verontschuldigende inleiding, die ge voorgedragen

hebt, ook met de verlegenheid, doorgaans aan alle inleidingen

eigen. Maar wees nu ook zoo goed, het scherm op te halen en mij

te toonen, wat ik eigenlijk wenschte te zien," zeide zij. »Kortom,

laat mij hooren, wat Rashleigh van mij gezegd heeft; want hij is het,

die hier alle machines in beweging brengt."

»Maar gesteld, waarde freule, dat ik iets te vertellen had,--ware het

dan niet slecht, de geheimen van den éénen bondgenoot aan den anderen

te verraden? Gij hebt mij immers zelve gezegd, dat Rashleigh wel niet

uw vriend, maar toch nog steeds uw bondgenoot was."

»Ik heb geen geduld, om op mijne vragen ontwijkende antwoorden te

hooren, en geen lust om over dit onderwerp te schertsen. Rashleigh

kan niets, moet niets, mag niets van mij, Diana Vernon, zeggen, wat

ik niet zou kunnen eischen te vernemen. Er bestaan weliswaar geheimen

tusschen ons beiden, maar daarop hebben die mededeelingen zeker geen

betrekking gehad, en daarmede hebben mijne persoonlijke belangen ook

niets gemeen."

Ik had mijne bedaardheid herwonnen, en nam het besluit om van

al wat Rashleigh mij in vertrouwen gezegd had, volstrekt niets te

ontdekken. Ik hield het voor onbetamelijk voor verklikker te spelen. De

mededeeling van hetgeen Rashleigh gezegd had, kon niets goeds bewerken

en moest voor Diana zeer pijnlijk zijn. Ik antwoordde dus ernstig,

dat er tusschen Rashleigh en mij slechts een niets beteekenend gesprek

over zijne familie had plaats gevonden, en ik betuigde tevens, dat

geen van zijne mededeelingen een voor Diana nadeeligen indruk bij mij

had achtergelaten. Doch als man van eer, voegde ik er bij, mocht ik

van den inhoud van een vertrouwelijk gesprek niets meer zeggen.

Toen sprong Diana op.--»Dat helpt niets!" riep zij. »Ik moet een

ander antwoord van u hebben!" Haar voorhoofd gloeide en haar oog

vonkelde. »Ik vorder eene duidelijke verklaring," ging zij luid

en heftig voort, »zoo als een belasterd meisje die van elken man

mag vorderen, die zich man van eer noemt; zooals een ouderloos wezen

zonder vrienden, die zich geheel alleen in de wijde wereld bevindt, die

zich zelf leiden en beschermen moet, die met alle recht van iedereen

vorderen kan, wien een gelukkiger lot is te beurt gevallen.--Ik vorder

het in den naam van God, die de gelukkigen in de wereld zond om te

genieten, en ons, om te dulden. Gij moogt het mij niet weigeren,"

voegde zij er bij, terwijl zij plechtig omhoog zag; »of uwe weigering

zal u berouwen, indien er op aarde of in den hemel gerechtigheid voor

gepleegd onrecht te vinden is."

Ik was verbaasd over hare heftigheid, maar ik gevoelde bij die

plechtige uitdaging, dat het mijn plicht was, nu elke verdere bedenking

ter zijde te stellen. Ik verhaalde haar nu met korte woorden, maar

duidelijk, wat ik van Rashleigh had gehoord.

Diana ging weder zitten. Zij scheen dadelijk te bedaren, toen ik mijn

verhaal aangevangen had. Als ik soms draalde, om eene verzachtende

uitdrukking te zoeken, viel zij mij telkens in de rede met te zeggen:

»Ga voort! bid ik u, ga voort! Het eerste woord dat u invalt, is

zeker het eenvoudigste, en moet het beste zijn. Denk niet aan mijne

gevoeligheid, maar spreek tot mij, zoo als gij tot een onverschilligen

derden persoon, zoudt spreken."

Aldus gedrongen, verhaalde ik wat Rashleigh van de haar vroeg

opgelegde verplichting, om een van mijns ooms zonen te huwen, en van

de onzekerheid en moeielijkheid der keuze verhaald had. Gaarne zou

ik het overige verzwegen hebben; maar zij merkte al ras, dat er nog

iets was achtergebleven, en zij vermoedde tevens wat het betrof.

»Het was zeer slecht van Rashleigh, iets dergelijks van mij te

vertellen!" zeide zij. »Ik gelijk op de arme wees in het sprookje,

die van de geboorte af, met den zwarten beer uit Noorwegen verloofd

was, maar alleen er over klaagde, dat zij door hare medescholieren

steeds de »beerenbruid" genoemd werd.--Maar Rashleigh zeide toch ook

iets van zich zelven met betrekking tot mij, niet waar?"

»Ja, hij gaf te kennen, dat, zoo hij niet schroomde zijn broeder te

verdringen, hij thans, bij zijne beroepsverandering, zeer gaarne in

de pauselijke vergunning zijn naam, in plaats van die van Thorncliff,

zou ingevuld zien."

»Zoo? Inderdaad?" antwoordde Diana. »Zou hij zich zoo diep willen

vernederen? Te veel eer voor zijn onderdanige dienaresse, Diana

Vernon! En zij zou, buiten twijfel, het toppunt van geluk bereikt

hebben, indien er eens zulk eene verandering mocht plaats grijpen!"

»Ik kan het niet ontkennen--hij liet zoo iets merken, en gaf verder

te kennen...."

»Wat? laat mij alles hooren!" viel zij mij driftig in de rede.

»Dat hij den vertrouwelijken omgang had afgebroken, om het ontkiemen

eener neiging te voorkomen, aan welke hij, bij zijne bestemming tot

den geestelijken stand, niet zou hebben mogen beantwoorden."

»Ik ben hem voor zijne oplettendheid ten deze ten hoogste

verplicht!" antwoordde Diana, en uit elken trek van haar schoon

gelaat sprak diepe verachting. Zij zweeg een oogenblik en vervolgde

toen met hare gewone bedaardheid: »Bijna alles, wat ik van u hoor,

verwachtte ik te hooren. Want, eene enkele omstandigheid uitgezonderd,

is alles volkomen waar. Maar even als er vergiften zijn, waarvan

een enkele droppel eene geheele bron kan vergiftigen, zoo is er

in Rashleighs verhaal een logen, die alles verontreinigt. Dit is

de afschuwlijke logen, dat ik, die Rashleigh maar al te goed ken,

door eenige omstandigheid ter wereld mij zou kunnen laten bewegen,

om mijn lot met hem te deelen. Neen," vervolgde zij met een soort van

rilling, die een onwillekeurige ontroering scheen te verraden;--»neen,

liever elk ander lot dan dat! De gek, de speler, de twistzoeker, de

roskammer--allen duizendmaal liever dan Rashleigh.--Maar het klooster,

de kerker, het graf, alles is mij nog oneindig meer welkom, dan een

van hen allen!"

Bij deze woorden klonk haar stem bedroefd en weemoedig. Die toon paste

bij het zonderlinge en ingewikkelde van haren toestand. Mij trof het

diep. Zoo jong, zoo schoon, zoo onervaren, zoo geheel aan zich zelve

overgelaten, beroofd van den bijstand, dien vrouwen in de bescherming

van vriendinnen vinden; ja, zelfs van die verdediging beroofd, die

de kieschheid eischt, de eerbied, waarmede men in beschaafde landen

eene vrouw bejegent--dat alles deed mij smartelijk aan. Maar er lag

zulk eene treffende uitdrukking van waardigheid in hare verachting

van de gewone zeden der groote wereld, er was zooveel innig gevoel

in hare verfoeiing der valschheid; zooveel vastberadenheid in hare

beschouwing der gevaren, waardoor zij omringd was, dat eene onbegrensde

bewondering zich aan mijn medelijden paarde. Zij geleek eene vorstin,

verlaten van hare onderdanen, beroofd van hare macht, maar nog steeds

de maatschappelijke inrichtingen versmadend, die voor menschen van

geringen stand gemaakt zijn, te midden van hare wederwaardigheden

fier en vol vertrouwen steunend op de gerechtigheid des Hemels en

op de onwrikbare standvastigheid van haar gemoed. Ik wilde haar

die gewaarwordingen vertolken, die haar ongelukkige toestand in mij

opwekte. Maar zij liet mij niet uitspreken.

»Stil," zeide zij, »ik bid u, zwijg. In scherts heb ik u gezegd, dat

ik geene vleierijen kan dulden, en nu zeg ik u in ernst, dat ik geen

medelijden begeer en troost veracht. Wat ik geleden heb, is voorbij;

wat ik nog lijden mocht, zal ik dragen,--zoo goed ik kan. Geen meewarig

woord is in staat, om den last, dien de slaaf torschen moet, eene

veer lichter te maken. Er bestaat slechts een menschelijk wezen, dat

mij hulp zou hebben kunnen verleenen, dat wezen is Rashleigh. Maar hij

heeft integendeel mijn leed vermeerderd. Ja, er was een tijd, waarin ik

zou hebben kunnen leeren dezen man te beminnen.--Maar, rechtvaardige

Hemel! het doel, waarom hij zich van het vertrouwen van een meisje,

dat reeds zoo ongelukkig was, listig meester maakte; de volhardende

ijver, waarmede hij dat oogmerk jaren lang vervolgde, zonder één enkel

oogenblik gewetenswroegingen of medelijden te gevoelen; de beginselen,

waarmede hij het voedsel, dat hij mijn geest gaf, in vergift wilde

veranderen--goede Voorzienigheid! wat zou er van mij geworden zijn

in deze en in gene wereld, naar lichaam en naar ziel, als ik in de

strikken van dien ellendeling gevallen ware!"

Toen ik die wanhoop zag en hoorde, werd ik verontwaardigd over

den trouweloozen verrader, zoodat ik opstond, mij zelven niet meer

machtig. Ik sloeg de hand aan mijn degen en wilde naar buiten snellen,

om den eerloozen schelm mijn rechtmatigen toorn te doen gevoelen. Bijna

ademloos en met een oog, waarin verachting en toorn door den hevigsten

angst verdrongen werden, sneed Diana mij den weg naar de deur af.

»Blijf!" zeide zij, »blijf! Uwe verontwaardiging billijk ik ten

volle, maar gij kent nog niet half de geheimen van deze ijselijke

gevangenis,"--zij zag angstig in het rond en voegde zacht fluisterend

er bij: »zijn leven moet heilig zijn. Dat van anderen is met het zijne

gemoeid!" en, zij ging voort: »gij kunt hem niet aanvallen zonder meer

dan één leven in gevaar te brengen. Gij zoudt de verwoesting verder

uitbreiden dan wij wenschen mogen. Ware dit het geval niet, dan zou

hij in een oogenblik van rechtvaardige wraakneming, zelfs voor deze

zwakke hand nauwelijks veilig zijn geweest. Ik zeide u"--vervolgde zij,

terwijl zij mij weder naar mijn stoel leidde,--»dat ik geen trooster

behoef, en nu zeg ik u, dat ik geen wreker noodig heb."

Ik ging weder zitten, als in een droom over hare woorden nadenkende,

en ik gevoelde, dat ik hier weder zeer onbedachtzaam gehandeld had,

daar ik volstrekt onbevoegd was, om ongeroepen als Diana's kampvechter

op te treden.

Zij zweeg om ons beider ontroering te laten bedaren, en begon toen

op meer kalmen toon: »ik heb u reeds gezegd, dat Rashleigh in een

allergevaarlijkst noodlottig geheim gewikkeld is. Hoe laaghartig

hij ook zijn moge, en hoe goed hij wete dat hij, van laaghartigheid

overtuigd, voor mij staat, ik kan, ik mag nochtans niet openlijk met

hem breken. Ik kan hem niet openlijk ter verantwoording roepen. Ook

gij moet geduld oefenen; al zijne lagen met schranderheid trachten

te verijdelen, maar niet met geweld. Vooral moet ge zulke tooneelen

vermijden als gisterenavond plaats hebben gehad, die hem zeer

gevaarlijke voordeelen op u kunnen verschaffen. Deze waarschuwing

wilde ik u geven. Dit alleen was het oogmerk van deze bijeenkomst,

welke ik wenschte. Maar ik heb mijn vertrouwen verder uitgestrekt

dan eigenlijk mijn voornemen was."

Ik verzekerde haar dat zij het aan geen onwaardige had geschonken.

»Dat geloof ik gaarne," hernam zij; »gij hebt iets in uwe

gelaatstrekken en in uw geheel voorkomen, dat vertrouwen

inboezemt. Laat ons vrienden blijven. Gij behoeft niet te

vreezen"--vervolgde zij glimlachend, terwijl zij een weinig bloosde,

doch op innig hartelijken toon--»dat vriendschap bij ons slechts

een verschoonende naam voor een ander gevoel zal worden. Naar mijn

denken en handelen behoor ik eigenlijk meer tot uw kunne, waarmede

ik steeds opgevoed werd, dan tot de mijne. Reeds in de wieg werd de

noodlottige sluier mij over het hoofd geworpen. Ik zou dien sluier

kunnen verscheuren, maar eene verschrikkelijke voorwaarde is daaraan

verbonden. De tijd, om mijn stellig besluit te kennen te geven, is

nog niet gekomen," voegde zij er langzaam bij. »O! gaarne zou ik met

andere kinderen der natuur op de woeste heide en in de vrije lucht

zoo lang vroolijk ronddartelen. O! ware het mij vergund, de vreugde

dezes levens te genieten. En nu--de plaats in Dante is genoegzaam

toegelicht! Ga thans heen en zie eens wat er van de dappere dasjagers

geworden is. Ik kan u niet vergezellen. Ik gevoel mij niet recht wel."

Ik ging heen, maar niet om naar de jagers te zoeken. Ik gevoelde dat

ik eenige oogenblikken alleen moest zijn, om volkomen tot bedaren

te komen, eer ik mij in Rashleigh's gezelschap durfde wagen, wiens

koel berekenende laaghartigheid mij met zulke scherpe trekken was

afgeschilderd. Ik had bij Dubourg, die een Calvinist was, zoo menige

geschiedenis van Katholieke priesters hooren verhalen, hoe er onder

hen waren, die vriendschap, gastvrijheid en de heiligste banden van

het gezellige leven misbruikten, om die driften te bevredigen, wier

regelmatige voldoening hun door de wetten van hun geloof verboden

is. Maar het koelbloedig overleg, om de opvoeding van eene verlaten

wees van goede afkomst, eener bloedverwante op zich te nemen,

met het trouwelooze oogmerk om haar eindelijk te verleiden, zoo

als zij mij zelf met edele verontwaardiging verhaald had, dat was

voor mij verschrikkelijker dan de ergste van al de geschiedenissen,

die in Bordeaux bekend waren. Ik gevoelde hoe moeielijk het mij zijn

zou, Rashleigh te zien en den afschuw te onderdrukken, dien hij mij

inboezemde. Dit was echter volstrekt noodzakelijk, niet alleen wegens

den geheimzinnigen wenk, welken Diana mij gegeven had, maar ook omdat

ik geen verklaarbaren grond tot twist met hem zou mogen opgeven.

Vaster rijpte in mij het besluit, Rashleigh's veinzerij zoo veel

mogelijk met gelijke omzichtigheid te beantwoorden, zoolang wij met

elkander in het kasteel moesten zijn. Bij zijn vertrek naar Londen

wilde ik mijn vriend Owen een wenk geven omtrent de gezindheid van

zijn nieuwen kantoormakker; om den braven ouden man tot waakzaamheid

over mijns vaders belangen aan te sporen. Hebzucht, of eerzucht,

meende ik, moest voor een mensch van Rashleigh's karakter eene even

groote, of wel nog grootere, aantrekkingskracht hebben, als zinnelijk

genot. Zijne gave, om zich den schijn van alle goede eigenschappen

te geven, en de gewone toon van zijne gesprekken, waarmede hij al

spoedig iedereen voor zich wist in te nemen, zouden hem licht een

hoogen graad van vertrouwen kunnen verschaffen. Hij bezat zeker

geen edele dankbaarheid, die hem zou weerhouden van het verworven

vertrouwen misbruik te maken. De zaak was wel zeer netelig, vooral

in mijne omstandigheden. Men zou de waarschuwing, die ik gaf, zeer

licht aan jaloezie tegen mijn medeminnaar of tegen mijn opvolger in

mijns vaders gunst kunnen toeschrijven. Ik achtte het echter bepaald

noodzakelijk, zulk een waarschuwenden brief te schrijven en het aan

den schranderen en voorzichtigen Owen over te laten, zoo hij partij

van de kennis van Rashleigh's waren aard wilde trekken. Ik deed dit

en zond den brief zoo spoedig mogelijk over de post weg.

Toen ik met Rashleigh samenkwam, merkte ik terstond dat hij even

gereserveerd was geworden als ik, en alle aanleiding tot twist

vermijden wilde. Hij vermoedde waarschijnlijk, dat hetgeen Diana

mij verhaald had in zijn nadeel was, al kon hij niet weten, dat ik

zelfs de laaghartigheid kende, welke hij tegen haar in den zin had

gehad. Onze omgang was van dien tijd af, van beide kanten ten hoogste

omzichtig. Wij spraken slechts over niets beduidende onderwerpen. Zijn

verblijf in het kasteel duurde ook nog maar eenige weinige dagen. Maar

in dien korten tijd bevreemdden mij twee omstandigheden. De eerste was

de groote vlugheid, waarmede hij de tot zijn nieuw beroep vereischte

kundigheden zich had eigen gemaakt. Soms liet hij mij dit duidelijk

bemerken, wilde hij mij toonen, hoe gemakkelijk het hem was een

last op zich te nemen, dien ik uit vermoeidheid en onbekwaamheid

had neergeworpen. Maar ten tweede bevreemdde mij de omstandigheid,

dat Diana met Rashleigh, dien zij van zulke zware beleedigingen

beschuldigde, verscheidene vrij lange gesprekken onder vier oogen

had, ofschoon beiden zich vooral niet hartelijker dan te voren jegens

elkander gedroegen.

Toen de dag van zijn vertrek verschenen was, zeide zijn vader hem

zeer onverschillig vaarwel. Zijne broeders deden hem uitgeleide,

maar slecht verborgen zij daarbij hun vreugde. Ze waren als woeste

schooljongens, die den meester voor eenigen tijd zien vertrekken, en

niet recht wagen het genoegen dat zij gevoelen, te laten blijken. Ik

nam met koele hoffelijkheid afscheid van hem. Eindelijk trad hij

naar Diana toe. Doch toen hij haar wilde omhelzen, boog zij, met

een blik van trotsche verachting achterwaarts, en zeide, terwijl zij

hem de hand toereikte: »Vaarwel, Rashleigh! God beloone u het goede,

dat gij mij bewezen hebt, en vergeve u het kwade, dat gij voornemens

waart te doen!"

»Amen! lieve nicht!" antwoordde hij met een schijnvroom gelaat,

hetwelk hij, naar het mij scheen, nog van het Instituut te St. Omer

had behouden.--»Zalig hij, wiens goede oogmerken de vrucht van goede

daden droegen, en wiens booze gedachten in den bloeitijd vergaan!"

Robbert Roodhaar · 第 24 / 57 题