Des duivels was de vondst van hem, die in het gif
Den dolkspits doopen leerde. Maar aaklig was 't helsche plan
Van den verrader, die het doodelijk vergif
In 't glas goot, gewijd aan vriend'lijk zamenspreken,
Den dood in de ad'ren stortte, in plaats van 't frissche leven.
Anonymus.
»Ik moet erkennen, mijnheer Osbaldistone," zeide freule Diana op een
toon, die verried dat zij zich gerechtigd achtte, mij met spottende
verwijten te bestraffen, »ik moet erkennen, gij zijt op weg om ons
te verassen. Nooit had ik kunnen denken, dat gij zulk een aanleg
bezat. Gisteren moest gij nog bewijzen dat gij het recht hebt om u
onder het lieve volkje op het kasteel Osbaldistone t'huis te gevoelen,
en--ziedaar! gij hebt het meesterstuk dadelijk volbracht..."
»Spot niet, lieve freule, ik gevoel diep, dat ik mij hoogst
ongepast gedragen heb. Helaas! ik kan volstrekt niets tot mijne
verontschuldiging aanvoeren, dan dat ik mededeelingen had ontvangen,
waardoor ik in de hoogste mate ontroerd was. Maar hoe het zij, mijn
gedrag was onbetamelijk en belachelijk."
»Doe u zelf geen onrecht!" zeide mijne onbarmhartige spotster. »Na
alles, wat ik zelf gezien en later gehoord heb, is het u op één enkelen
avond gelukt, al de heerlijke eigenschappen te ontwikkelen, waardoor
uwe neven zich onderscheiden: de minzaamheid en grootmoedigheid
van den welwillenden Rashleigh--Percivals matigheid--Thorncliffs
moed--Johns meesterlijke bekwaamheid in het africhten van
honden--Richards handigheid in het wedden--dit alles toonde neef Frans
in zich vereenigd, en wel met eene keuze van oogenblik, plaats en
omstandigheden, die den smaak en de schranderheid van den hoogwijzen
Wilfred tot eer zouden verstrekt hebben."
»Maar, heb toch een weinig medelijden met mij, freule
Vernon!" antwoordde ik. De tuchtiging, op die wijze en van deze
hand, scheen mij wat gestrenger dan ik ze verdiende.--»Laat mij,
tot verontschuldiging van dwaasheden, waaraan ik mij slechts één keer
schuldig maakte, de gebruiken van dit huis en land aanvoeren. Geenszins
wil ik ze billijken, maar Shakespeare zegt toch zelf: goede wijn
is een goed, gezellig ding, en ieder mensch mag zich wel eens een
enkelen keer laten verleiden."
»Welzeker, maar hij legt dezen lof en deze verontschuldiging den
ellendigsten mensch in den mond, dien zijn penseel ooit geschilderd
heeft. Ik wil ook van het voordeel, dat uw gedrag mij geeft, geene
partij trekken, en u niet de wederlegging toeroepen, welke Cassio
tegen den verleider Jago bezigde. Maar bedenk, dat zeker iemand met
leedwezen ziet, dat een jong mensch van gelukkigen aanleg en gunstige
vooruitzichten in den poel verzinkt, waarin de bewoners van dit huis
zich elken avond, als zwijnen, wentelen."
»Ik verzeker u, waarde freule, ik heb slechts mijn schoen nat gemaakt,
maar de morsigheid van den poel walgt mij te zeer, dan dat ik er mij
verder in zou begeven."
»Dat is een verstandig besluit!" hernam zij. »Wat ik heb moeten hooren,
is mij zoo pijnlijk geweest, dat ik eerder aan uwe belangen dan aan
de mijne gedacht heb. Gij gedroegt u gisteren aan tafel jegens mij,
alsof men u iets gezegd had, waardoor ik in uwe goede meening gedaald
was. Mag ik u vragen, wat dat was?"
Ik zweeg onthutst. De onbewimpelde vrijmoedigheid dezer vraag
geleek ongeveer op de manier, waarop de eene man van eer den
anderen vriendschappelijk maar vastberaden, eene verklaring afvraagt
over de eene of andere zonderlinge, naar zijn oordeel beleedigende
behandeling. Ze had volstrekt niets van dien omhaal en vergoelijking
of verzachting, waarmede tusschen mannen en vrouwen uit hoogeren
stand zoodanige zaken behandeld worden.
Ik kon mijne verlegenheid niet onderdrukken noch verbergen. Rashleigh's
mededeelingen, als zij juist waren, maakten freule Vernon eerder tot
een voorwerp van mijn medelijden dan van mijne gevoeligheid. Maar
als ik daarin voor mij verontschuldiging voor mijn gedrag vond,
moest het mij toch zeer moeilijk vallen datgene mede te deelen,
wat voor Diana's gevoel noodzakelijk beleedigend moest zijn.
Zij begreep zeker mijne bezwaren. Eenigszins stelliger, maar nog
steeds gematigd en hoffelijk, zeide zij: »gij zult mij, hoop ik,
toch het recht niet betwisten, om deze verklaring te eischen. Ik
heb geen bloedverwant, die mij beschermen kan, en daarom moet ik mij
zelve beschermen."
Stamelende poogde ik de schuld van mijn onheusch gedrag op
ongesteldheid en onaangename brieven uit Londen te schuiven. Zij
liet mij mijn ganschen voorraad van verontschuldigingen uitputten,
tot ik niets meer wist te zeggen, en hoorde mij met een ongeloovig
glimlachje aan.
»Ik dank u voor de verontschuldigende inleiding, die ge voorgedragen
hebt, ook met de verlegenheid, doorgaans aan alle inleidingen
eigen. Maar wees nu ook zoo goed, het scherm op te halen en mij
te toonen, wat ik eigenlijk wenschte te zien," zeide zij. »Kortom,
laat mij hooren, wat Rashleigh van mij gezegd heeft; want hij is het,
die hier alle machines in beweging brengt."
»Maar gesteld, waarde freule, dat ik iets te vertellen had,--ware het
dan niet slecht, de geheimen van den éénen bondgenoot aan den anderen
te verraden? Gij hebt mij immers zelve gezegd, dat Rashleigh wel niet
uw vriend, maar toch nog steeds uw bondgenoot was."
»Ik heb geen geduld, om op mijne vragen ontwijkende antwoorden te
hooren, en geen lust om over dit onderwerp te schertsen. Rashleigh
kan niets, moet niets, mag niets van mij, Diana Vernon, zeggen, wat
ik niet zou kunnen eischen te vernemen. Er bestaan weliswaar geheimen
tusschen ons beiden, maar daarop hebben die mededeelingen zeker geen
betrekking gehad, en daarmede hebben mijne persoonlijke belangen ook
niets gemeen."
Ik had mijne bedaardheid herwonnen, en nam het besluit om van
al wat Rashleigh mij in vertrouwen gezegd had, volstrekt niets te
ontdekken. Ik hield het voor onbetamelijk voor verklikker te spelen. De
mededeeling van hetgeen Rashleigh gezegd had, kon niets goeds bewerken
en moest voor Diana zeer pijnlijk zijn. Ik antwoordde dus ernstig,
dat er tusschen Rashleigh en mij slechts een niets beteekenend gesprek
over zijne familie had plaats gevonden, en ik betuigde tevens, dat
geen van zijne mededeelingen een voor Diana nadeeligen indruk bij mij
had achtergelaten. Doch als man van eer, voegde ik er bij, mocht ik
van den inhoud van een vertrouwelijk gesprek niets meer zeggen.
Toen sprong Diana op.--»Dat helpt niets!" riep zij. »Ik moet een
ander antwoord van u hebben!" Haar voorhoofd gloeide en haar oog
vonkelde. »Ik vorder eene duidelijke verklaring," ging zij luid
en heftig voort, »zoo als een belasterd meisje die van elken man
mag vorderen, die zich man van eer noemt; zooals een ouderloos wezen
zonder vrienden, die zich geheel alleen in de wijde wereld bevindt, die
zich zelf leiden en beschermen moet, die met alle recht van iedereen
vorderen kan, wien een gelukkiger lot is te beurt gevallen.--Ik vorder
het in den naam van God, die de gelukkigen in de wereld zond om te
genieten, en ons, om te dulden. Gij moogt het mij niet weigeren,"
voegde zij er bij, terwijl zij plechtig omhoog zag; »of uwe weigering
zal u berouwen, indien er op aarde of in den hemel gerechtigheid voor
gepleegd onrecht te vinden is."
Ik was verbaasd over hare heftigheid, maar ik gevoelde bij die
plechtige uitdaging, dat het mijn plicht was, nu elke verdere bedenking
ter zijde te stellen. Ik verhaalde haar nu met korte woorden, maar
duidelijk, wat ik van Rashleigh had gehoord.
Diana ging weder zitten. Zij scheen dadelijk te bedaren, toen ik mijn
verhaal aangevangen had. Als ik soms draalde, om eene verzachtende
uitdrukking te zoeken, viel zij mij telkens in de rede met te zeggen:
»Ga voort! bid ik u, ga voort! Het eerste woord dat u invalt, is
zeker het eenvoudigste, en moet het beste zijn. Denk niet aan mijne
gevoeligheid, maar spreek tot mij, zoo als gij tot een onverschilligen
derden persoon, zoudt spreken."
Aldus gedrongen, verhaalde ik wat Rashleigh van de haar vroeg
opgelegde verplichting, om een van mijns ooms zonen te huwen, en van
de onzekerheid en moeielijkheid der keuze verhaald had. Gaarne zou
ik het overige verzwegen hebben; maar zij merkte al ras, dat er nog
iets was achtergebleven, en zij vermoedde tevens wat het betrof.
»Het was zeer slecht van Rashleigh, iets dergelijks van mij te
vertellen!" zeide zij. »Ik gelijk op de arme wees in het sprookje,
die van de geboorte af, met den zwarten beer uit Noorwegen verloofd
was, maar alleen er over klaagde, dat zij door hare medescholieren
steeds de »beerenbruid" genoemd werd.--Maar Rashleigh zeide toch ook
iets van zich zelven met betrekking tot mij, niet waar?"
»Ja, hij gaf te kennen, dat, zoo hij niet schroomde zijn broeder te
verdringen, hij thans, bij zijne beroepsverandering, zeer gaarne in
de pauselijke vergunning zijn naam, in plaats van die van Thorncliff,
zou ingevuld zien."
»Zoo? Inderdaad?" antwoordde Diana. »Zou hij zich zoo diep willen
vernederen? Te veel eer voor zijn onderdanige dienaresse, Diana
Vernon! En zij zou, buiten twijfel, het toppunt van geluk bereikt
hebben, indien er eens zulk eene verandering mocht plaats grijpen!"
»Ik kan het niet ontkennen--hij liet zoo iets merken, en gaf verder
te kennen...."
»Wat? laat mij alles hooren!" viel zij mij driftig in de rede.
»Dat hij den vertrouwelijken omgang had afgebroken, om het ontkiemen
eener neiging te voorkomen, aan welke hij, bij zijne bestemming tot
den geestelijken stand, niet zou hebben mogen beantwoorden."
»Ik ben hem voor zijne oplettendheid ten deze ten hoogste
verplicht!" antwoordde Diana, en uit elken trek van haar schoon
gelaat sprak diepe verachting. Zij zweeg een oogenblik en vervolgde
toen met hare gewone bedaardheid: »Bijna alles, wat ik van u hoor,
verwachtte ik te hooren. Want, eene enkele omstandigheid uitgezonderd,
is alles volkomen waar. Maar even als er vergiften zijn, waarvan
een enkele droppel eene geheele bron kan vergiftigen, zoo is er
in Rashleighs verhaal een logen, die alles verontreinigt. Dit is
de afschuwlijke logen, dat ik, die Rashleigh maar al te goed ken,
door eenige omstandigheid ter wereld mij zou kunnen laten bewegen,
om mijn lot met hem te deelen. Neen," vervolgde zij met een soort van
rilling, die een onwillekeurige ontroering scheen te verraden;--»neen,
liever elk ander lot dan dat! De gek, de speler, de twistzoeker, de
roskammer--allen duizendmaal liever dan Rashleigh.--Maar het klooster,
de kerker, het graf, alles is mij nog oneindig meer welkom, dan een
van hen allen!"
Bij deze woorden klonk haar stem bedroefd en weemoedig. Die toon paste
bij het zonderlinge en ingewikkelde van haren toestand. Mij trof het
diep. Zoo jong, zoo schoon, zoo onervaren, zoo geheel aan zich zelve
overgelaten, beroofd van den bijstand, dien vrouwen in de bescherming
van vriendinnen vinden; ja, zelfs van die verdediging beroofd, die
de kieschheid eischt, de eerbied, waarmede men in beschaafde landen
eene vrouw bejegent--dat alles deed mij smartelijk aan. Maar er lag
zulk eene treffende uitdrukking van waardigheid in hare verachting
van de gewone zeden der groote wereld, er was zooveel innig gevoel
in hare verfoeiing der valschheid; zooveel vastberadenheid in hare
beschouwing der gevaren, waardoor zij omringd was, dat eene onbegrensde
bewondering zich aan mijn medelijden paarde. Zij geleek eene vorstin,
verlaten van hare onderdanen, beroofd van hare macht, maar nog steeds
de maatschappelijke inrichtingen versmadend, die voor menschen van
geringen stand gemaakt zijn, te midden van hare wederwaardigheden
fier en vol vertrouwen steunend op de gerechtigheid des Hemels en
op de onwrikbare standvastigheid van haar gemoed. Ik wilde haar
die gewaarwordingen vertolken, die haar ongelukkige toestand in mij
opwekte. Maar zij liet mij niet uitspreken.
»Stil," zeide zij, »ik bid u, zwijg. In scherts heb ik u gezegd, dat
ik geene vleierijen kan dulden, en nu zeg ik u in ernst, dat ik geen
medelijden begeer en troost veracht. Wat ik geleden heb, is voorbij;
wat ik nog lijden mocht, zal ik dragen,--zoo goed ik kan. Geen meewarig
woord is in staat, om den last, dien de slaaf torschen moet, eene
veer lichter te maken. Er bestaat slechts een menschelijk wezen, dat
mij hulp zou hebben kunnen verleenen, dat wezen is Rashleigh. Maar hij
heeft integendeel mijn leed vermeerderd. Ja, er was een tijd, waarin ik
zou hebben kunnen leeren dezen man te beminnen.--Maar, rechtvaardige
Hemel! het doel, waarom hij zich van het vertrouwen van een meisje,
dat reeds zoo ongelukkig was, listig meester maakte; de volhardende
ijver, waarmede hij dat oogmerk jaren lang vervolgde, zonder één enkel
oogenblik gewetenswroegingen of medelijden te gevoelen; de beginselen,
waarmede hij het voedsel, dat hij mijn geest gaf, in vergift wilde
veranderen--goede Voorzienigheid! wat zou er van mij geworden zijn
in deze en in gene wereld, naar lichaam en naar ziel, als ik in de
strikken van dien ellendeling gevallen ware!"
Toen ik die wanhoop zag en hoorde, werd ik verontwaardigd over
den trouweloozen verrader, zoodat ik opstond, mij zelven niet meer
machtig. Ik sloeg de hand aan mijn degen en wilde naar buiten snellen,
om den eerloozen schelm mijn rechtmatigen toorn te doen gevoelen. Bijna
ademloos en met een oog, waarin verachting en toorn door den hevigsten
angst verdrongen werden, sneed Diana mij den weg naar de deur af.
»Blijf!" zeide zij, »blijf! Uwe verontwaardiging billijk ik ten
volle, maar gij kent nog niet half de geheimen van deze ijselijke
gevangenis,"--zij zag angstig in het rond en voegde zacht fluisterend
er bij: »zijn leven moet heilig zijn. Dat van anderen is met het zijne
gemoeid!" en, zij ging voort: »gij kunt hem niet aanvallen zonder meer
dan één leven in gevaar te brengen. Gij zoudt de verwoesting verder
uitbreiden dan wij wenschen mogen. Ware dit het geval niet, dan zou
hij in een oogenblik van rechtvaardige wraakneming, zelfs voor deze
zwakke hand nauwelijks veilig zijn geweest. Ik zeide u"--vervolgde zij,
terwijl zij mij weder naar mijn stoel leidde,--»dat ik geen trooster
behoef, en nu zeg ik u, dat ik geen wreker noodig heb."
Ik ging weder zitten, als in een droom over hare woorden nadenkende,
en ik gevoelde, dat ik hier weder zeer onbedachtzaam gehandeld had,
daar ik volstrekt onbevoegd was, om ongeroepen als Diana's kampvechter
op te treden.
Zij zweeg om ons beider ontroering te laten bedaren, en begon toen
op meer kalmen toon: »ik heb u reeds gezegd, dat Rashleigh in een
allergevaarlijkst noodlottig geheim gewikkeld is. Hoe laaghartig
hij ook zijn moge, en hoe goed hij wete dat hij, van laaghartigheid
overtuigd, voor mij staat, ik kan, ik mag nochtans niet openlijk met
hem breken. Ik kan hem niet openlijk ter verantwoording roepen. Ook
gij moet geduld oefenen; al zijne lagen met schranderheid trachten
te verijdelen, maar niet met geweld. Vooral moet ge zulke tooneelen
vermijden als gisterenavond plaats hebben gehad, die hem zeer
gevaarlijke voordeelen op u kunnen verschaffen. Deze waarschuwing
wilde ik u geven. Dit alleen was het oogmerk van deze bijeenkomst,
welke ik wenschte. Maar ik heb mijn vertrouwen verder uitgestrekt
dan eigenlijk mijn voornemen was."
Ik verzekerde haar dat zij het aan geen onwaardige had geschonken.
»Dat geloof ik gaarne," hernam zij; »gij hebt iets in uwe
gelaatstrekken en in uw geheel voorkomen, dat vertrouwen
inboezemt. Laat ons vrienden blijven. Gij behoeft niet te
vreezen"--vervolgde zij glimlachend, terwijl zij een weinig bloosde,
doch op innig hartelijken toon--»dat vriendschap bij ons slechts
een verschoonende naam voor een ander gevoel zal worden. Naar mijn
denken en handelen behoor ik eigenlijk meer tot uw kunne, waarmede
ik steeds opgevoed werd, dan tot de mijne. Reeds in de wieg werd de
noodlottige sluier mij over het hoofd geworpen. Ik zou dien sluier
kunnen verscheuren, maar eene verschrikkelijke voorwaarde is daaraan
verbonden. De tijd, om mijn stellig besluit te kennen te geven, is
nog niet gekomen," voegde zij er langzaam bij. »O! gaarne zou ik met
andere kinderen der natuur op de woeste heide en in de vrije lucht
zoo lang vroolijk ronddartelen. O! ware het mij vergund, de vreugde
dezes levens te genieten. En nu--de plaats in Dante is genoegzaam
toegelicht! Ga thans heen en zie eens wat er van de dappere dasjagers
geworden is. Ik kan u niet vergezellen. Ik gevoel mij niet recht wel."
Ik ging heen, maar niet om naar de jagers te zoeken. Ik gevoelde dat
ik eenige oogenblikken alleen moest zijn, om volkomen tot bedaren
te komen, eer ik mij in Rashleigh's gezelschap durfde wagen, wiens
koel berekenende laaghartigheid mij met zulke scherpe trekken was
afgeschilderd. Ik had bij Dubourg, die een Calvinist was, zoo menige
geschiedenis van Katholieke priesters hooren verhalen, hoe er onder
hen waren, die vriendschap, gastvrijheid en de heiligste banden van
het gezellige leven misbruikten, om die driften te bevredigen, wier
regelmatige voldoening hun door de wetten van hun geloof verboden
is. Maar het koelbloedig overleg, om de opvoeding van eene verlaten
wees van goede afkomst, eener bloedverwante op zich te nemen,
met het trouwelooze oogmerk om haar eindelijk te verleiden, zoo
als zij mij zelf met edele verontwaardiging verhaald had, dat was
voor mij verschrikkelijker dan de ergste van al de geschiedenissen,
die in Bordeaux bekend waren. Ik gevoelde hoe moeielijk het mij zijn
zou, Rashleigh te zien en den afschuw te onderdrukken, dien hij mij
inboezemde. Dit was echter volstrekt noodzakelijk, niet alleen wegens
den geheimzinnigen wenk, welken Diana mij gegeven had, maar ook omdat
ik geen verklaarbaren grond tot twist met hem zou mogen opgeven.
Vaster rijpte in mij het besluit, Rashleigh's veinzerij zoo veel
mogelijk met gelijke omzichtigheid te beantwoorden, zoolang wij met
elkander in het kasteel moesten zijn. Bij zijn vertrek naar Londen
wilde ik mijn vriend Owen een wenk geven omtrent de gezindheid van
zijn nieuwen kantoormakker; om den braven ouden man tot waakzaamheid
over mijns vaders belangen aan te sporen. Hebzucht, of eerzucht,
meende ik, moest voor een mensch van Rashleigh's karakter eene even
groote, of wel nog grootere, aantrekkingskracht hebben, als zinnelijk
genot. Zijne gave, om zich den schijn van alle goede eigenschappen
te geven, en de gewone toon van zijne gesprekken, waarmede hij al
spoedig iedereen voor zich wist in te nemen, zouden hem licht een
hoogen graad van vertrouwen kunnen verschaffen. Hij bezat zeker
geen edele dankbaarheid, die hem zou weerhouden van het verworven
vertrouwen misbruik te maken. De zaak was wel zeer netelig, vooral
in mijne omstandigheden. Men zou de waarschuwing, die ik gaf, zeer
licht aan jaloezie tegen mijn medeminnaar of tegen mijn opvolger in
mijns vaders gunst kunnen toeschrijven. Ik achtte het echter bepaald
noodzakelijk, zulk een waarschuwenden brief te schrijven en het aan
den schranderen en voorzichtigen Owen over te laten, zoo hij partij
van de kennis van Rashleigh's waren aard wilde trekken. Ik deed dit
en zond den brief zoo spoedig mogelijk over de post weg.
Toen ik met Rashleigh samenkwam, merkte ik terstond dat hij even
gereserveerd was geworden als ik, en alle aanleiding tot twist
vermijden wilde. Hij vermoedde waarschijnlijk, dat hetgeen Diana
mij verhaald had in zijn nadeel was, al kon hij niet weten, dat ik
zelfs de laaghartigheid kende, welke hij tegen haar in den zin had
gehad. Onze omgang was van dien tijd af, van beide kanten ten hoogste
omzichtig. Wij spraken slechts over niets beduidende onderwerpen. Zijn
verblijf in het kasteel duurde ook nog maar eenige weinige dagen. Maar
in dien korten tijd bevreemdden mij twee omstandigheden. De eerste was
de groote vlugheid, waarmede hij de tot zijn nieuw beroep vereischte
kundigheden zich had eigen gemaakt. Soms liet hij mij dit duidelijk
bemerken, wilde hij mij toonen, hoe gemakkelijk het hem was een
last op zich te nemen, dien ik uit vermoeidheid en onbekwaamheid
had neergeworpen. Maar ten tweede bevreemdde mij de omstandigheid,
dat Diana met Rashleigh, dien zij van zulke zware beleedigingen
beschuldigde, verscheidene vrij lange gesprekken onder vier oogen
had, ofschoon beiden zich vooral niet hartelijker dan te voren jegens
elkander gedroegen.
Toen de dag van zijn vertrek verschenen was, zeide zijn vader hem
zeer onverschillig vaarwel. Zijne broeders deden hem uitgeleide,
maar slecht verborgen zij daarbij hun vreugde. Ze waren als woeste
schooljongens, die den meester voor eenigen tijd zien vertrekken, en
niet recht wagen het genoegen dat zij gevoelen, te laten blijken. Ik
nam met koele hoffelijkheid afscheid van hem. Eindelijk trad hij
naar Diana toe. Doch toen hij haar wilde omhelzen, boog zij, met
een blik van trotsche verachting achterwaarts, en zeide, terwijl zij
hem de hand toereikte: »Vaarwel, Rashleigh! God beloone u het goede,
dat gij mij bewezen hebt, en vergeve u het kwade, dat gij voornemens
waart te doen!"
»Amen! lieve nicht!" antwoordde hij met een schijnvroom gelaat,
hetwelk hij, naar het mij scheen, nog van het Instituut te St. Omer
had behouden.--»Zalig hij, wiens goede oogmerken de vrucht van goede
daden droegen, en wiens booze gedachten in den bloeitijd vergaan!"