HOOFDSTUK XII.

Zuipen--zwetsen--kijven--vloeken!

Met d' eigen schaduw ruzie zoeken!

Othello.

Mijn waarde Tresham, het was zeker niets nieuws voor u, toen ik u

eens zeide, dat mijn voornaamste gebrek van ouds eene ontembare

hooghartigheid was, die mij tallooze onaangenaamheden heeft

berokkend. Zelfs niet half luid, zelfs niet in mijne gedachten had

ik tot dusver durven wagen te bekennen, dat ik Diana beminde. Maar

nauwelijks had Rashleigh van haar gesproken, als van een prooi,

die hij nog wel eens kon medenemen of die hij, als hij er lust in

had, ook naar welgevallen, kon laten liggen, zie! toen blies mijn

trots mij in, dat elke stap door het lieve meisje in alle onschuld en

openhartigheid gedaan, om een vriendschappelijken band met mij aan te

knoopen, niets dan beleedigende coquetterie was. »Ha! zij zou zich

dan maar met mij behelpen, als het den heer Rashleigh niet behaagt

zich over haar te ontfermen? Maar ik zal haar toonen, dat ik de man

niet ben, die zich zoo in den val laat lokken. Zij moet begrijpen,

dat ik haar spel doorzie en veracht!"

Ik dacht er aan, dat die ergernis die ik zonder het minste recht

voedde, juist duidelijk bewees, dat Diana mij minder dan ooit

onverschillig was....Innig vergramd op haar en alle dochters van

moeder Eva, zette ik mij naast haar neder.

Diana was verrast, toen ik op eenige plagerijen en spottende uitvallen,

welke zij met hare gewone vrijmoedigheid waagde, onvriendelijke

antwoorden gaf. Maar zonder in het minst vermoeden, dat het van

mijne zijde kwaad gemeend was, beantwoordde zij mijne vrij ruwe

woorden met scherts, die door hare vroolijke luim wel getemperd, maar

tevens gescherpt werd. Eindelijk merkte zij, dat ik wezenlijk niet

goed gemutst was. »Men is gewoon te zeggen, mijnheer Osbaldistone,"

zeide zij op eenigszins spijtigen toon, »dat men zelfs van gekken

iets verstandigs leeren kan. Onlangs wilde neef Wilfred niet langer

»handjeklap" met neef Thorncliff spelen, omdat neef Thorncliff

veel harder toesloeg, dan de wetten van een vriendschappelijk spel

veroorloofden. Wilde ik ook zoo toeslaan, zei de goede Wilfred, dan

zou het mij weinig moeite kosten uwe hand in weinige oogenblikken

verschrikkelijk te doen opzwellen. Maar dat wil ik niet; en nu vraag

ik, of het niet heel onbillijk van u is, mij zulke harde slagen toe

te brengen, terwijl ik slechts in den wind sla? Kunt gij de toepassing

hiervan vinden, mijnheer Frans?"

»Dank u, freule. Ik zie de noodzakelijkheid niet om mij in het weinigje

vernuft, waarmede men hier het gezellige onderhoud tracht te kruiden,

nader te verdiepen."

»Noodzakelijkheid? Gij verbaast mij, mijnheer Osbaldistone!"

»Dat spijt mij zeer!" gaf ik ten antwoord.

»Moet ik dezen stijven toon als ernst beschouwen? Of neemt gij dien

slechts aan, om uwe goede luim des te meer waarde bij te zetten?"

»Gij hebt op de opmerkzaamheid van zoo vele heeren in dit huis eene

rechtmatige aanspraak, freule Vernon, dat het voor u wezenlijk niet

de moeite waard kan zijn, u om mijne onbevattelijkheid of sombere

gemoedsstemming verder te bekommeren."

»Hoe? ik moet dus gelooven, dat gij mijne partij verlaten hebt en

tot den vijand zijt overgeloopen?"

Dit zeggende, keek zij over de tafel heen. Op eens bemerkte zij,

dat Rashleigh, die tegenover ons zat, met eene geheel eigenaardige

uitdrukking van belangstelling op zijne leelijke trekken ons

aankeek. Half schertsend, alsof zij een versje reciteerde, ging

zij voort:

O, aaklige gedachte! Ik zie het, het is waar!

Rashleigh de leelijke, hij knikt mij lachend toe,

En wijst op u, als waart gij....

»Maar neen! Goddank! Mijn weerlooze toestand heeft mijn geduld

geoefend. Ik word niet zoo licht boos. Maar tot twisten wil ik ook

niet gedwongen worden. Ik heb dus de eer u, vroeger dan gewoonlijk,

goeden avond en een spoedig herstel van uw kwade luim toe te wenschen."

Zij verliet de kamer. Toen zij vertrokken was, deed ik mij al spoedig

verwijten over mijn gedrag. Ik had de welwillendheid, die mij te

gemoet kwam, en welker gulle oprechtheid ik eerst kort geleden

had leeren kennen, moedwillig teruggestooten. Ik was zelfs op het

punt geweest, het lieve meisje te beleedigen. Niet zonder eenigen

nadruk had zij mij aan haar weerloozen toestand herinnerd. Om de

grievende gewaarwordingen, welke het berouw over mijn ruw gedrag mij

veroorzaakte, te bestrijden, of wel om ze te vergeten, sprak ik vaker

dan gewoonlijk de flesch aan, die rondging.

Ik verkeerde in eene opgewonden stemming. Bovendien, ik was

geen wijndrinker. Des te spoediger ondervond ik de uitwerking

van den drank. Geoefende drinkers mogen in staat zijn een zee

van bedwelmende dranken naar binnen te gieten, zonder daarvan

eenige bedwelming te gevoelen. Wie nuchteren reeds opgewonden is,

wachte zich voor dergelijke gevaarvolle proef, en vooral iemand,

die de dronkenschap slechts bij naam kent. Toen die geesten eenmaal

opgewekt waren, liet ik mij spoedig door de bedwelming meesleepen. Ik

praatte onophoudelijk door, twistte over dingen waarvan ik volstrekt

niets wist, verhaalde historietjes, welker einde ik er vergat bij

te voegen, lachte om mijne eigen vergeetachtigheid, wedde, zonder

de minste kennis van het voorwerp der weddingschap te hebben, en

waagde het zelfs, den reusachtigen John tot eene vechtpartij uit te

dagen. Mijn oom was zoo verstandig, om deze dolheid te voorkomen,

die anders hoogst waarschijnlijk vrij erg voor mij zou afgeloopen

zijn. Lastertongen beweerden zelfs, dat ik in dien toestand een

liedje had gezongen. Maar omdat ik mij in het geheel niets daarvan

herinner, en noch voor, noch na dien tijd ooit een enkele zangnoot

uit mijne keel gehaald heb, zal deze laster, vertrouw en hoop ik,

wel van allen grond ontbloot zijn: Trouwens vrees ik, dat mijn gedrag,

ook zonder deze overdrijving, onbehoorlijk genoeg zal zijn geweest. Ik

verloor mijne bewustheid niet, maar wel alle zelfbeheersching; mijne

onstuimige driften sleurden mij heen en weder. Onvergenoegd, gemelijk,

boos en met het vaste voornemen om een diep stilzwijgen te bewaren,

was ik gaan zitten; maar in de praatzieke, twistachtige stemming,

waarin mijn roes mij gebracht had, sprak ik ieder tegen, die zich

liet hooren, en, zonder eenig ontzag voor den persoon, verschoonde

ik zelfs mijns ooms beginselen en geloofsmeeningen niet. Ik werd

woedend door Rashleigh's gemaakte ingetogenheid. Zijne bedaarde

tergende spot prikkelde en ergerde mij veel meer dan de woeste en

bulderende taal van zijne broeders. Mijn oom wendde--dit bemerkte

ik, en moet het hier tot zijn eer getuigen--zijn beste pogingen aan,

om ons tot bedaren te brengen, maar zijn gezag vermocht niets tegen

de bedwelming van den roes en de hitte der driften. Woedend over

eene wezenlijke of ingebeelde beleedigende uitdrukking, lichtte

ik eindelijk mijne hand tegen Rashleigh op. Geen stoïcijn, boven

eigen en vreemde hartstochten verheven, zou zulk eene beleediging

met een hoogeren graad van verachting hebben kunnen beantwoorden,

dan hij deed. Het scheen alsof hij het niet de moeite waard achtte

zich eenigszins gevoelig te toonen, maar zijn broeder Thorncliff nam

terstond den handschoen voor hem op. De degens werden getrokken en

wij hadden reeds een paar stooten gewisseld, toen de andere broeders

ons met geweld scheidden. Nooit vergeet ik den duivelschen grijns,

die Rashleigh's hatelijk gelaat vertrok, toen ik door de vereenigde

kracht van twee jonge reuzen uit de zaal werd gesleept. Zij brachten

mij op mijne kamer, welker deur zij dicht sloten, en ik werd razend om

het luide gelach, waarmede zij de trap afgingen. In mijne machtelooze

woede trachtte ik hen na te snellen, de traliën van de vensters

uit te rukken, de vast gegrendelde deur open te breken; maar te

vergeefs. Eindelijk wierp ik mij op het bed en sliep in onder het

stellige voornemen, om mij den volgenden dag vreeselijk te wreken.

Maar met den volgenden morgen kwam een innig berouw over mij en keerde

mijne bezinning terug. Met smart gevoelde ik het onwelvoegelijke en

belachelijke van mijn gedrag. Ik moest aan mij zelven de bekentenis

afleggen, dat de roes en mijne driften mij vernederd hadden, diep

beneden Wilfred Osbaldistone, dien ik zoo zeer verachtte. Bij mijne

troostelooze overdenkingen kwam een nederdrukkend gevoel, toen

ik de noodzakelijkheid overwoog, mijn gedrag te verontschuldigen,

toen ik bedacht, dat Diana de getuige van mijne vernedering moest

zijn. De door mij tegenover haar aangenomen houding en gebezigde

uitdrukkingen droegen niet weinig bij, om de kwellingen van mijn

toestand te vermeerderen. En daarvoor kon ik niet eens de armzalige

verontschuldiging van een roes aanvoeren!

Zoo gepijnigd door schaamte en vernedering, ging ik naar beneden

ontbijten, als een misdadiger naar zijne rechters om zijn vonnis

te hooren uitspreken. Eene harde vorst maakte het juist ondoenlijk

de honden buiten te laten. Ik ondervond ook nu nog de vernedering,

de gansche familie, Rashleigh en Diana uitgezonderd, vergaderd te

vinden rondom eene koude wildpastei en een stuk rundvleesch. Toen ik

binnentrad waren allen aan het lachen, en ik kon licht bemerken dat

zij zich ten mijnen koste vroolijk maakten. Maar boos gemeend was het

niet. Wat mij een zelfvernedering scheen, beschouwden mijn oom en de

meeste mijner neven als een heel aardig grapje. Hij schertste over het

gebeurde van den vorigen avond, en beweerde, dat het veel beter was

dat een jongeling zich driemaal daags een roes dronk, dan dat hij, als

een Presbyteriaan, nuchter naar bed sloop en een gezelschap vroolijke

gasten bij de volle flesch verliet. Tot bevestiging dezer troostvolle

woorden, vulde hij een grooten beker met brandewijn, en ried mij aan

»een haar in te slikken, van den hond die mij gebeten had."

»Laat de jongens maar lachen, neefje!" vervolgde hij; »zij zouden

juist zulke melkbaarden zijn als gij, zoo ik hen niet met de flesch

in de hand tot stevige drinkers gevormd had."

Over het algemeen ontbrak het mijn neven niet aan goedhartigheid. Toen

zij zagen, dat de herinnering aan den vorigen avond mij lastig,

ja pijnlijk was, poogden zij met eene lompe vriendelijkheid den

onaangenamen indruk uit te wisschen. Thorncliff alleen zag er knorrig

en onverzoenlijk uit. Reeds dadelijk na mijne komst op het kasteel

kon hij mij niet verdragen. Aan de bewijzen van welwillendheid,

welke ik nu en dan van zijne broeders ontving, hoe ruw en ongemanierd

die dan ook waren, had hij nooit deel genomen. Werd hij wezenlijk,

waaraan ik echter begon te twijfelen, door de overigen als Diana's

bruidegom beschouwd? Of hield hij zich zelven daarvoor? In ieder

geval kon er licht eene opwelling van jaloezie in hem ontstaan zijn,

toen hij hare bijzondere vriendelijkheid jegens mij bemerkte. Een

gevaarlijken medeminnaar vreesde hij zeker in mij.

Eindelijk trad Rashleigh binnen. Zijn gelaat was somber als een

rouwkleed. Ik kon er niet aan twijfelen, dat hij over de onvergeeflijke

en smadelijke beleedigingen, welke ik hem had aangedaan, wrok

koesterde. Ik was het reeds met mij zelven eens, hoe ik mij bij deze

gelegenheid moest gedragen. Ik was vast overtuigd, dat de ware eer

daarin bestaat, om zich wegens eene beleediging, welke met deze of

gene vermeende uittarting in geene verhouding staat, bescheiden te

verontschuldigen, maar om ze niet te verdedigen.

Ik ijlde hem te gemoet, en betuigde mijn innig leedwezen over de

onbetamelijke drift, waaraan ik mij den vorigen avond had schuldig

gemaakt.

»Niets," zeide ik, »zou mij een enkel woord van verontschuldiging

afgedwongen hebben, maar ik heb de overtuiging, dat mijn gedrag

onvoegzaam is geweest. Ik hoop dat mijn neef met mijn oprecht berouw

genoegen zal nemen en tevens bedenken, dat het tusschen hem en mij

voorgevallene aan de overvloedige gastvrijheid van zijn vaderlijk

huis te wijten is."

»Gij moet weder vrienden met elkander worden, jongens! ja, dat

moet gij!" riep de wakkere ridder in de opwelling zijns harten;

»en gebeurt dat niet, dan noem ik Rashleigh, zoo waar ik leef, niet

meer mijn zoon! Waarom staat gij dan daar, Rashleigh, zoo stijf en

onbewegelijk als eene marmeren beeld? Het doet mij leed! ziedaar alles,

wat een man van eer in zulke gevallen zeggen kan, voornamelijk, als

de door hem aangedane beleediging bij de flesch is geschied. Ik ben

ook soldaat geweest, en weet zoo tamelijk, hoe men zich in zaken van

eer moet gedragen. Laat mij er dus geen woord meer van hooren. Alles

is vergeten en nog heden gaan wij met elkander op de dassenjacht in

het berkenbosch."

Zooals ik reeds gezegd heb, was Rashleigh een zeldzaam wezen. Niemand

heb ik ooit gekend, die op hem geleek.

Het zonderlinge van zijn gelaat lag niet alleen in de trekken, maar ook

in de afwisselende uitdrukking. Wanneer op andere gezichten droefheid

in vreugde, of misnoegen in tevredenheid verandert, dan heeft er een

zekere overgang plaats, voor dat de uitdrukking van de heerschende

stemming de vroegere geheel verdringt. Tusschen het wegtrekken van

de duisternis en het opgaan der zon heerscht schemering. Bij ieder

ander mensch ziet men de verandering--terwijl de opgezwollen aderen

verdwijnen, het donkere oog opheldert, het voorhoofd zich ontrimpelt,

en al de overige trekken hunne sombere schaduwen verliezen allengs

kalm en opgeruimd worden. Niets van dien aard was er op Rashleigh's

gelaat te bespeuren. Bijna plotseling veranderde de eene uitdrukking

van hartstocht in de tegenovergestelde. Ik kan inderdaad geene meer

passende vergelijking vinden, dan de snelle tooneelverwisselingen,

wanneer op het geluid van het fluitje achter het tooneel, een akelig

hol verdwijnt en een heerlijk bosch uit den grond oprijst.

Ik had dit reeds meermalen waargenomen, maar nu vooral werd op deze

bijzonderheid mijne opmerkzaamheid onwederstaanbaar gevestigd. Donker,

als de nacht, zag Rashleigh er uit bij zijn binnentreden. Met een

somberen blik hoorde hij mijne verontschuldigingen en zijns vaders

vermaning aan; doch nauwelijks had deze geëindigd, of plotseling

verdween de zwarte wolk, en het minzaamste, hoffelijkste antwoord

volgde.--»Beste neef! Ik heb u niets te vergeven. Waarlijk," dus

begon hij, »als ik meer drink dan mijne gewone drie glazen, dan

wordt mij het hoofd al dadelijk zoo licht, dat ik, als de goede

Cassio, mij slechts een verward denkbeeld van den verloopen nacht

kan vormen. Ik herinner mij eene menigte dingen, doch niets bestemds;

wel deze of gene woordenwisseling en twist, maar niet de aanleiding

daartoe. Gij kunt derhalve wel denken, waarde neef," vervolgde hij,

mij vriendelijk de hand drukkende, »hoe warm het mij om het hart

wordt, nu ik hoor dat ik eene verontschuldiging van u ontvang,

in plaats van u mijne verontschuldiging te moeten maken. Kom, kom,

geen woord meer over het gansche geval! Ik zou al zeer dwaas moeten

zijn, wilde ik de rekening nog nader onderzoeken. Ik was bang dat de

balans nadeelig was. En nu is zij zoo geheel onverwacht en aangenaam

in mijn voordeel uitgevallen.--Gij ziet neef, dat ik mij reeds oefen

in de taal van mijn toekomstig beroep."

Juist wilde ik hem antwoorden en sloeg de oogen op, toen ik Diana

ontdekte, die gedurende ons gesprek ongemerkt binnengetreden was en

aandachtig geluisterd had. Beschaamd en ontsteld zag ik voor mij neer

en spoedde mij naar tafel, waar ik mij tusschen mijne neven plaatste,

die reeds druk aan den maaltijd waren.

Mijn oom wilde aan het gebeurde van den vorigen dag eene nuttige

waarschuwing ontleenen. Hij gaf zijn zoon Rashleigh en mij den raad,

om onze »melkpapgewoonte," zoo als hij het noemde, te veranderen,

en er ons van lieverlede aan te gewennen, een flink glas goeden wijn

te gebruiken, zonder daarbij in twist of vechterij te geraken. Hij

beval ons, dagelijks met een flesch rooden wijn te beginnen, met

eene behoorlijke dosis Maartsbier en brandewijn was dat voor een

leerling in de edele drinkkunst eene aardige inleiding. Tot onze

aanmoediging voegde hij er nog bij, dat hij mannen gekend had, die

op onze jaren niet eene enkele flesch konden verdragen, maar later

in goede omgeving spoedig geleerd hadden, vijf, ja zes te ledigen,

zonder den volgenden morgen ziek of maar eenigszins ongesteld te zijn.

Ik behoef wel niet te zeggen, dat al deze troost en bemoediging

aan mij totaal verkwist waren. Ik volgde zijne vermaningen weinig,

misschien ook, omdat ik telkens als ik opzag, Diana's oogen ontmoette

waarin ik ernstig medelijden, aan misnoegen en teleurstelling gepaard,

meende te lezen. Ik overlegde hoe ik mij ook jegens haar onder vier

oogen verklaren en verontschuldigen zou. Maar zij begreep mijne

verlegenheid en verloste mij van den moeilijken plicht haar om een

onderhoud te moeten vragen.

»Neef Frans," zeide zij, en gaf ook mij eenigszins oneigenaardig

den naam, waarmede zij de zonen van mijn oom placht aan te spreken,

»heden ochtend heb ik in Dante's verzen eene vrij moeielijke plaats

gevonden. Wilt gij wel zoo goed zijn een oogenblik in de boekenkamer

te komen om mij in te lichten en hulp te verleenen? Zoodra gij den zin

van den duisteren Florentijner voor mij opgehelderd hebt, zullen wij

deze heeren naar het berkenbosch volgen, en zien of zij zoo gelukkig

zijn geweest om den das op te jagen."

Hoe blijde was ik en ik stond dan ook op, gereed haar te

volgen. Rashleigh bood aan ons te vergezellen. »Ik houd mij eigenlijk

liever bezig," zeide hij, »met Dante's gedachten in de beelden van

zijne woeste en sombere poëzie op te sporen, dan het wild gedierte

uit zijn hol op te jagen."

»Vergeef mij, Rashleigh," antwoordde Diana. »Maar daar gij uw neef

op het kantoor zult vervangen, moet gij hem de taak overlaten, om de

opvoeding van uwe leerling hier voort te zetten. Evenwel, als wij uwe

hulp noodig hebben, zullen wij zoo vrij zijn om u te roepen. Kijk nu

maar zoo ernstig niet! Het is buitendien schande genoeg dat gij niets

van het edele jachtvermaak verstaat! Wat zoudt gij toch zeggen, hoe

zoudt gij u uit de verlegenheid redden, als uw oom in Londen u eens

mocht vragen, hoe men op de jacht het spoor van een das kan vinden?"

»Heel waar, Diaantje! heel waar!" zei oom Hildebrand met een

zucht. »Rashleigh zou dom staan kijken als men hem zoo iets vroeg. Even

als zijne broeders, had hij ook nuttige kundigheden kunnen verzamelen;

want hij is in alle eer, deugd en wijsheid opgevoed. Maar Fransche

zotheden, dat drommelsche boekenlezen en de malle denkbeelden

die daaruit voortspruiten hebben hem, zooals geheel Oud-Engeland,

ten eenenmale verbasterd.--Kom Rashleigh, ga met ons en draag mijn

jachtspies. Uwe nicht schijnt uw gezelschap heden zeer wel te kunnen

ontberen, en men moet niemand tot last wezen; dat duld ik niet. Vooral

moet er niet kunnen gezegd worden, dat de eenige vrouw in Osbaldistone

gestorven is, omdat zij haar zin niet kreeg."

Rashleigh volgde zijn vader, maar onder het heengaan zeide hij zacht

tot Diana: »ik moet dus zeker in het gezelschap van de wellevende

mevrouw Hoffelijkheid komen en aankloppen, als ik voor de deur van

de boekenkamer sta?"

»O neen, Rashleigh!" zeide Diana. »Dat is niet noodig. Verban slechts

uit uw gezelschap den aartsbedrieger de Huichelarij. Dan zult gij u het

best den toegang tot onze geleerde bijeenkomsten weten terwerven..."

Met deze woorden nam zij den weg naar de boekenkamer. Ik volgde

haar--ja, als een misdadiger, die naar de gerechtsplaats gaat, zou

ik zeggen, zoo ik die gelijkenis niet reeds een paar malen gebezigd

had.--Dus in het kort gezegd, ik volgde haar in de overtuiging, dat ik

een vrij zot figuur zoude maken, en gaarne van een tête-à-tête bevrijd

zou zijn geweest. Het kwam mij eigenlijk vernederend voor, onder zulke

omstandigheden haar te volgen. Ik had zulk een geruimen tijd op het

vaste land doorgebracht, dat ik wel wist, dat vrijmoedigheid en een

zeker betamelijk zelfvertrouwen den man moeten onderscheiden, dien

eene schoone vrouw tot haar gezelschap kiest. Maar mijne Engelsche

gevoelens zegepraalden over mijne Fransche opvoeding, en ik zag er

zeer waarschijnlijk jammerlijk uit, toen Diana, trotsch als een

rechter, die in eene gewichtige zaak moet vonnissen, zich in een

leuningstoel nederzette, en mij een teeken gaf om tegenover haar

plaats te nemen. Als een arm zondaar, die zijn vonnis moet aanhooren,

zette ik mij neder op den zetel, die zij mij aangewezen had.

Robbert Roodhaar · 第 23 / 57 题