»Hoe? Wat bedoelt ge?" vroeg ik, »kunt gij mij benijden, mij, die uit
mijns vaders huis en gunst, om zoo te zeggen, geheel verdreven ben?"
»Wel voor een tijdelijke opoffering,--want meer zal het toch niet
zijn--" hernam Rashleigh, »hebt gij de genoegens van een onafhankelijk
leven verkregen. Neem daarbij in aanmerking, dat gij aan geen vaste
bestemming gebonden zijt, dat ge uwe vermogens kunt ontwikkelen, zoo
als uw smaak u aanwijst; een weg verwerft ge gemakkelijk, waarop ge u,
zonder twijfel, roemrijk zult onderscheiden. Roem en vrijheid door
een kort verblijf in onze noordelijke streken; ook dan zelfs wanneer
het kasteel Osbaldistone nog een poos de plaats van uwe ballingschap
moet blijven. Als een tweede Ovidius in Thracië, hebt gij nochtans
geen reden, om, als de eerste, klaagliederen aan te heffen."
Ik kreeg een kleur, zoo als het een jongen schrijver betaamt. »Ik
weet niet," zeide ik, »hoe het komt dat gij de bezigheden mijner
ledige uren zoo goed kent."
»Voor eenigen tijd was hier een gevolmachtigde van uw vader, een
jonge kwast, die mij verteld heeft, dat gij heimelijk aan de Muzen
offert. Hij voegde er bij, dat bevoegde kenners eenige van uwe verzen
zeer geroemd en bewonderd hebben."
Alle leerlingen uit de Muzen-School, ja misschien ook wel menig meester
in Apollo's tempel, zij lijden allen aan ijdelheid, van den dichter die
in het lommer van Twickenham wandelde, tot den ellendigen rijmelaar,
die hij in zijne Dunciade gegeeseld heeft. Ook ik ontving daarvan mijn
bescheiden deel. Ik bedacht niet, hoe weinig dit jonge mensch door
smaak en levenswijs er toe gerechtigd was, een paar kleine gedichten
te beoordeelen, die ik eens in een koffiehuis voorgelezen had. Hij kon
niet eens het gevoelen kennen der geleerden, die daar plachten samen
te komen. Ik beet in het mij voorgehouden aas. Rashleigh bemerkte
het spoedig, en op handige wijze bevestigde hij zijn invloed op mij,
door een schroomvallig, schijnbaar zeer kiesch geuit verzoek, om hem
eenige mijner handschriften ter lezing te willen geven.
»Gij maakt mij waarlijk gelukkig, als gij eens iets van uw arbeid
mededeelt, op een avond op mijne kamer," voegde hij er bij;
»zie! ik moet nu spoedig de genoegens van een geletterden omgang
met de plagerijen van koopmanszaken, met het werktuigelijke van
handelsbezigheden verwisselen. Ik zeg het u nog eens: Als ik mijns
vaders wenschen ten voordeele van mijne bloedverwanten vervul, breng
ik bepaald een offer. En als ik bedenk, tot welk stil en vreedzaam
beroep mijne opvoeding mij bestemd heeft, dan gevoel ik, dat het
offer groot is."
Zooveel huichelarij was zelfs mij te erg. Ik was wel ijdel, maar toch
geen dwaas. »Ik kan mij niet voorstellen," antwoordde ik, »dat het u
wezenlijk spijt, veroordeeld te zijn, om den staat van een onbekenden
Katholieken priester, met al zijne ontberingen, tegen den rijkdom,
de gezellige genoegens en de genietingen der wereld te verwisselen."
Rashleigh bemerkte, dat hij zijne gemaakte nederigheid met wat al
te sterke kleuren had geschilderd. Hij zweeg eenige oogenblikken en
scheen te overleggen, in hoe verre het noodig zou zijn, eens oprecht
jegens mij te zijn, oprechtheid scheen hem moeielijk te vallen.
»Het is misschien minder aangenaam dan het moest wezen," zeide hij,
»op mijne jaren tot rijkdom veroordeeld te zijn, gelijk gij u belieft
uit te drukken. Doch houd het mij ten goede; van mijne bestemming
hebt gij het echte begrip niet. Een Katholiek priester--nu ja--;
maar geen onbeduidend, onbekend wezen. Neen Rashleigh Osbaldistone
zal zelfs als de rijkste burger van Londen veel onbeduidender zijn,
dan hij onder de medeleden eener kerk zou zijn geweest, welker
dienaren, zoo als iemand zegt, hunne voetzolen op den nek der vorsten
zetten. Mijne familie staat in hooge achting bij het verdreven hof,
en nog veel grooter is de invloed, dien dit hof in Rome heeft. Mijne
natuurlijke gaven zijn de opvoeding, welke ik ontvangen heb, niet
geheel onwaardig. Onder deze omstandigheden zou ik, volgens gegronde
berekening, eene hooge kerkelijke waardigheid, ja in de droomen mijner
verbeelding misschien de allerhoogste te gemoet kunnen zien. Wie weet,"
voegde hij er glimlachende bij; want in gesprekken was hij gewoon,
afwisselend, nu eens een ernstigen, dan weer een schertsenden toon
aan te slaan--»wie weet, of niet de kardinaal Osbaldistone met zijne
goede afkomst en gunstige relatiën, het lot der staten zou bestuurd
hebben, even goed als Mazarin, den burgerjongen of Alberoni, den
Italiaanschen tuinierszoon?"
»Het is mij natuurlijk onmogelijk, het tegendeel te bewijzen," hernam
ik, »maar in uwe plaats zoude ik niet erg treuren over het gemis
aan het vooruitzicht op iets, wat zoo onzeker en van twijfelachtige
waarde is."
»Dit zou ook ik niet doen," antwoordde hij weder. »Als ik maar
overtuigd ware, dat mijne tegenwoordige vooruitzichten zekerder
zijn. Maar dat zal ook van omstandigheden afhangen, waarvan alleen
latere ondervinding mij iets zal doen kennen, zooals bijvoorbeeld de
gezindheid van uw vader, zijn geest, zijn denken."
»Beken het maar onbewimpeld, Rashleigh, gij zoudt gaarne van mij iets
omtrent hem vernemen?"
»Welnu, als gij, even als Diana, de leus van den ridder
Rond-voor-de-vuist volgen wilt, dan antwoord ik: »ja! zeg mij iets
van uw vader!"
»Met genoegen! Waarom niet? Gij zult in mijn vader een man vinden,
die handel drijft, maar meer om iets te doen, dan wel om geld bijeen
te schrapen. Zijn werkzame geest zou zich in elke betrekking, waarin
die slechts voldoende onderhoud kon bekomen, even gelukkig kunnen
voelen; ook dan, wanneer zijne eenige belooning in zijn geestesoefening
bestond. Zijn rijkdom is aanmerkelijk vermeerderd. Aan een matig leven
gewoon, hielden de steeds toenemende inkomsten geenszins gelijken tred
met zijne bescheiden uitgaven. Hij haat geveinsdheid; nooit huichelt
hij. Hij bezit eene bijzondere kunst om geheime beweeggronden onder
het verschoonende hulsel van gladde woorden te ontdekken. Uit gewoonte
is hij karig met zijne woorden. Wie veel praat, verveelt hem zeer
spoedig, te meer daar de arbeid, die voor hem het belangrijkst is,
juist niet veel aanleiding tot een gezellig gesprek geeft. Hij is
zeer streng in het nakomen van de voorschriften van zijn geloof,
maar gij behoeft geenszins bevreesd te zijn, dat hij zich om uw
geloof zal bekommeren. Volgens zijne meening is verdraagzaamheid
een onschendbaar beginsel van elke goede regeering. Maar wanneer
gij, zoo als ik met eenigen grond durf vermoeden, partij kiest voor
de verbannen koninklijke familie, dan zult gij wel doen met zulke
gezindheden voor hem te verbergen, even als elke richting, die eene
onbeperkte opperheerschappij begunstigt; want beide haat hij als de
pest. Overigens is zijn woord hem heilig; en allen, die onder hem
staan, moeten mannen van hun woord zijn. Tegenover niemand zal hij
zijn plicht verzaken, maar ook niet dulden, dat iemand dien omtrent hem
verzaakt. Om zijne gunst te winnen, moet gij zijne bevelen ten uitvoer
brengen, maar volstrekt niet de echo van zijne meeningen zijn. Zijne
grootste gebreken ontstaan uit zijn vooroordeelen, ik bedoel: uit eene
zoo sterke ingenomenheid met zijn beroep, dat hij alles, wat niet
eenigszins met den handel in betrekking staat, zijne opmerkzaamheid
onwaardig acht, ja, nauwlijks goedkeurt, dat het bestaat."
»Een uitmuntend portret!" riep Rashleigh, toen ik zweeg. »Van Dijk was,
met u vergeleken, een knoeier! Ik zie den achtbaren heer reeds voor mij
in al zijn sterkte en zwakheid, hoe hij den koning bemint en eert als
eene soort van Lord-Mayor van het rijk, of als een president eener
kamer van koophandel. Hij acht zeker het Huis der Gemeenten hoog,
omdat het de orders tot den uitvoer geeft, en het Hoogerhuis vereert
hij, omdat de Lord-kanselier op een wolzak is gezeteld."
»Rashleigh, mijn portret was gelijkend! het uwe is karikatuur. Maar
voor de kaart, die ik voor u heb geteekend, geef gij mij nu ook eens
een beschrijving van de streken hier, waar...."
»Waar gij schipbreuk hebt geleden?" viel Rashleigh mij in de
rede. »Zou dat de moeite waard zijn? Het is geen eiland van Calypso,
vol lommerrijke boomen en boschachtige doolhoven; niets dan eene
nare, dorre, eenzame heide, waar volstrekt niets de nieuwsgierigheid
aantrekt of het oog boeit. Ge behoeft ze maar even te overzien en dan
zult gij ze in hare naaktheid even goed kunnen beschrijven, als of ik,
volgens alle regels der kunst, u een teekening ervan gegeven had."
»Maar er is daar toch iets, dat een nauwkeurig onderzoek alleszins
verdient!" hernam ik. »Wat zegt gij van Diana Vernon? Is zij niet een
bekoorlijk voorwerp in het landschap, al ware dan ook alles rondom
haar zoo akelig en onbehagelijk, als de kust van IJsland?"
Rashleigh had niet veel lust in het gesprek, dat ik trachtte aan
te knoopen, dat zag ik wel. Maar ik had door mijne openhartige
mededeeling het recht verkregen, om nu ook van mijn kant vragen tot
hem te richten. Hij gevoelde dit, en zag zich genoodzaakt aan mijne
uitnoodiging te voldoen, hoe moeielijk het hem ook viel, zijne rol
hier goed te spelen.
»Sinds eenigen tijd ben ik met freule Diana minder van nabij bekend
dan voorheen het geval was," begon hij. »In hare jeugd was ik haar
leermeester; toen zij echter tot zekere jaren kwam, werd door mijne
vele bezigheden, door de eischen van het ambt, waartoe ik bestemd was,
door hare geheel bijzondere betrekkingen--kortom, onze wederzijdsche
omstandigheden maakten eene innige vertrouwelijkheid gevaarlijk en
onvoegzaam. Ik geloof wel, dat Diana mijne koelheid voor gebrek
aan toegenegenheid houdt. Maar het was mijn plicht mij terug te
trekken. Het griefde mij evenzeer als het haar schijnt te grieven,
dat ik mij genoodzaakt zag, voorzichtig voor mij zelf te zijn. Maar
zoo ik eene vertrouwelijke verkeering wilde voortzetten met een schoon
en gevoelvol meisje, wier hart zich òf aan het klooster, òf aan een
bruidegom moet wijden, liep ik immers gevaar."
»Het klooster of een bruidegom?" herhaalde ik. »Moet Diana tusschen
deze beide uitersten kiezen?"
»Ja!" antwoordde Rashleigh zuchtend. »Ik behoef u dus niet te
zeggen, hoe gevaarlijk het is, als men de vriendschap voor Diana tot
vertrouwelijkheid liet overgaan. Gij zijt met de wereld bekend. Gij
zult wel weten, hoe ver gij in den omgang met haar gaan kunt, zonder
uwe veiligheid in gevaar te stellen of onbillijk jegens haar te
worden. Laat u echter waarschuwen en vergeet niet, dat gij met uw
onstuimig karakter alle redenen hebt, om uwe ervaring zoowel over
haar, als over u zelven een wakend oog te laten houden. Want het
voorval van gisteren heeft u getoond, hoe groot hare onbezonnenheid
is, en hoe zij soms over alle gepaste grenzen heenspringt."
Ik gevoelde dat er iets waars en verstandigs in deze aanmerking
lag, die mij vriendelijk scheen te waarschuwen. Ik had dus geen
recht, ze hem kwalijk te nemen. Maar ik gevoelde tevens, dat ik
Rashleigh, terwijl hij sprak, met zeer veel genoegen zou hebben kunnen
doorsteken. »Welk eene onbeschaamdheid!" dacht ik bij mij zelven. »Mij
wijs te maken, dat Diana op zijn leelijke tronie verliefd geworden is,
ja, zoo diep, dat koelheid van zijne zijde jegens haar noodig was, om
haar van een onbedachtzamen hartstocht te genezen?" Ik nam mij voor,
zijne onbewimpelde meening daarover te hooren, al zou ik ze hem ook
met geweld afpersen.
Daarom trachtte ik mijne drift zoo veel mogelijk te bedwingen. Ik
zeide kalm dat het mij innig speet, dat een meisje met zooveel gezond
verstand en zulke uitstekende talenten in hare houding eenigszins
onbezonnen en ruw was.
»Zij is, op zijn zachtst genomen, zeer vrij en zonder de geringste
voorzichtigheid," antwoordde Rashleigh. »Maar geloof mij, zij heeft
een voortreffelijk hart. Om u de waarheid te zeggen, mocht zij in
haar tegenzin in het klooster en in den voor haar bestemden bruidegom
volharden, en als dan mijne werkzaamheden in de goudmijnen van Plutus
mij eene goede onafhankelijkheid verschaffen, dan zal ik er zeer
ernstig aan denken, de afgebroken verbintenis weder aan te knoopen
en wat ik bezit, met Diana te deelen."
»O, Rashleigh! akelige kerel!" dacht ik bij mij zelven. »Ondanks uwe
lieve, zachte woordjes en uwe fraai gesponnen rede, zijt ge toch de
hatelijkste en ingebeeldste gek, dien ik in mijn leven heb ontmoet."
»Maar aan de andere zijde," vervolgde Rashleigh, als sprak hij tot
zich zelven; »ongaarne zou ik Thorncliff verdringen."
»Thorncliff verdringen?" herhaalde ik ten uiterste verrast. »Is uw
broeder Thorncliff de voor Diana bestemde bruidegom?"
»Wel zeker! zoo is het; tenminste volgens de voorloopige
bepaling. Haars vaders uiterste wil en eene familie-overeenkomst
hebben haar voor een van mijns vaders zonen bestemd. In de vergunning
welke men met dat oogmerk te Rome verkregen heeft, staat slechts
de geslachtsnaam Osbaldistone, zoon van Hildebrand Osbaldistone,
enz.; maar voor den doopnaam is de plaats opengelaten, en nu is de
vraag wie de gelukkige zijn moet, wiens naam die opengelaten plaats
moet aanvullen. Daar nu mijn broeder Percival zelden nuchteren is,
zoo heeft mijn vader zijn oog op den tweeden telg geworpen, die het
best geschikt is, om den stam voort te planten."
»Ha, ha!" lachte ik. Ik dwong mij, een schertsenden toon aan te
nemen, maar het ging mij slecht af.--»Diana zou misschien liever
wat lager langs den stamboom een tak zoeken, waaraan zij zich zou
kunnen verbinden."
»Dat kan ik juist niet zeggen!" antwoordde hij. »In onze familie
is de keuze vrij beperkt. Richard is een speler, John een boer en
Wilfred een ezel; en ik geloof dus wezenlijk, dat mijn vader voor de
arme Diana zeer doelmatig gekozen heeft."
»Neef Rashleigh altijd uitgezonderd, dat spreekt van zelf!" viel ik
hem in de rede.
»Ik kon toch waarlijk, als voor den geestelijken stand bestemd, niet
in aanmerking komen. Overigens wil ik niet tegenspreken, dat men
anders in mij een betere keus zou gedaan hebben dan in een van mijn
oudere broeders, daar mijne opvoeding mij in staat zou gesteld hebben,
om Diana te onderwijzen en te leiden."
»En ik mag zeker wel vermoeden, dat Diana er zelve ook zoo over
denkt....?"
»Dat moogt gij nog zoo gaaf niet onderstellen," hernam Rashleigh,
maar met een dubbelzinnigen glimlach, die, in plaats van hetgeen
ik gezegd had te wederleggen, de sterkste bevestiging daarvan
scheen. »Vriendschap, alleen, niets dan vriendschap knoopte den
band tusschen ons. Ja, er was toegenegenheid van het jeugdig, zich
gul ontsluitend hart jegens den eenigen leermeester. Maar de liefde
heeft ons nooit hare macht doen gevoelen. Ik heb u immers gezegd,
dat ik bijtijds verstandig was."
Ik had geen lust, om het gesprek verder voort te zetten. Ik maakte
mij met een paar woorden van Rashleigh af en spoedde mij naar mijne
kamer. Ik liep driftig op en neer, en herhaalde luid de uitdrukkingen,
die mij het meest beleedigd hadden. »Toegenegenheid! Liefde! Diana
Vernon, het schoonste meisje dat ik ooit gezien had, verliefd op
zulk een leelijken, in alle opzichten hatelijken kerel! Volkomen
Richard de derde, behalve dat hij niet gebocheld is! Maar hoe veel
gelegenheid moet hij gehad hebben haar te bepraten, terwijl hij
haar les gaf! En dan met zijne gave, om zijne gedachten schoon en
vloeiend uit te drukken! En daarbij was zij afgesloten van andere
verstandig sprekende menschen! Ja, haar openlijke afkeer van hem,
gepaard aan hare bewondering van zijne geestvermogens, gelijkt zeer
sterk op de gevolgen van eene verwaarloosde toegenegenheid. Maar wat
gaat mij dit aan? Moet ik daarover verdrietig zijn? Is Diana Vernon
het eerste aardige meisje, dat een leelijken kerel bemind of gehuwd
heeft? Of het wel een Osbaldistone is, die aanspraak op haar heeft
of niet? En wie van het geslacht dat zijn zal? Waarover zou ik mij
daarover bekommeren? Ze is Katholiek--ze is eene Jacobietin....--Ja! ze
is een woest schepsel daarenboven--ik zou wel dol moeten zijn om er
aan te denken!"
Door deze beschouwingen wilde ik de vlam van mijn wrevel smoren. Maar
ze bleef smeulen in mijn hart. Het was niet in eene erg opgeruimde
stemming, dat ik aan tafel verscheen.