HOOFDSTUK XI.

Wat scheelt er aan, o mannen,

Wat drukt uw ziele weder?

Wat buigt in 't Balwieries veste

Uw hoofden diep ter neder.

Oud-Schotsche Ballade.

De volgende dag was een Zondag. Op zulke dagen kostte het op

het kasteel Osbaldistone doorgaans vrij wat moeite, om de trage

uren voort te drijven en tot den avond te komen. Na de plechtige

morgen-godsdienstoefening, welke het gansche gezin bijwoonde,

kwam de kwelduivel der verveling over allen. Rashleigh en Diana

uitgezonderd. Mijn oom vermaakte zich een korte poos met het verhaal

van mijn avontuur. Hij wenschte mij geluk, dat ik aan de gevangenis

ontsnapt was; ongeveer zoo, als hij zich verheugd zou hebben, wanneer

ik bij eene mislukte proef, om met mijn paard over een slagboom te

springen, er zonder halsbreken afgekomen ware.

»Gij kunt van geluk spreken, jonge heer!" zeide hij; »maar waag

niet weder te veel. Weet gij dan niet, dat de straatweg vrij is voor

iedereen, tot welke partij hij ook behoort?--"

»Ik moet zeggen oom," viel ik hem in de rede, »dat het mij geweldig

hindert, dat iedereen het als eene uitgemaakte zaak beschouwt, dat

ik deel aan eene misdaad heb, die ik diep veracht en verfoei. Ik zou

de straf verdienen, indien ik zoo iets schandelijks had begaan."

»Ja, ja, dat is maar zoo en niet anders. Nu, ik vraag immers naar

niets. Niemand behoeft zich zelven te verraden, dat is duidelijk

en klaar."

Thans kwam Rashleigh mij te hulp. Maar het scheen, alsof hij niet zoo

zeer mijne onschuld wilde verdedigen, als wel zijn vader een wenk

geven, dat deze zich moest houden, alsof hij mijne verzekeringen

vertrouwde.

»Waarde vader, u moest nu liever niet voortgaan met uw neef in uw eigen

huis te grieven, door zijne verzekering te wantrouwen, waaraan hem

zooveel gelegen ligt. Gij meent het natuurlijk goed met hem. Ik houd

mij overtuigd, dat, als gij hem in deze zeer vreemde zaak een dienst

hadt kunnen bewijzen, hij zijne toevlucht tot uwe goedheid zou genomen

hebben. Maar neef Frans is geheel onschuldig ontslagen geworden,

en nu heeft niemand het recht, hem voor schuldig te houden. Ik voor

mij twijfel volstrekt niet aan zijne onschuld. Naar mijn oordeel,

eischt de eer van ons geslacht, dat wij met woord en zwaard tegen

iedereen die onschuld handhaven."

»Rashleigh", zeide mijn oom met een scherpen blik: »gij zijt een

sluwe knaap; altijd zijt gij mij veel te loos geweest, en ook veel

te loos voor de meeste menschen. Maar zie toe, dat gij voor u zelven

niet te loos wordt. Twee gezichten onder ééne kap strijdt tegen de

regels der wapenkunde. Maar komaan, van wapens gesproken, ik ga eens

een poos in ons wapenboek lezen, tot aangename afleiding."

Geeuwende deelde hij ons dit voornemen mede. Waarschijnlijk had hij

evenveel lust daarin als de Goden in de Dunciade. Zijne heeren zonen

gaven vrij eenstemmig hun wensch te kennen, want ieder koos het een

of ander tot zijn tijdverdrijf. Percival wilde naar de kelderkamer

eene kruik Maartsbier met den rentmeester gaan opdrinken; Thorncliff

zou een paar knuppels snijden; John kunstvliegen maken om er mede

te hengelen; Richard, met zich zelven kruis of munt spelen, de

rechterhand tegen de linker; Wilfred, op zijne nagels kauwen en zich

in slaap brommen. Het heerlijkste zou het zijn als dit slaapje tot

het middagmaal kon voortduren. Diana had zich naar de voorzaal begeven.

Wij, Rashleigh en ik, bleven alleen in de eetzaal terug, terwijl

de bedienden, onder het gewone gedruisch, het overschot van ons

ontbijt wegruimden. Ik gaf hem mijn misnoegen te kennen over de

wijze, waarop hij met zijn vader over mijne zaak had gesproken. Ik

zeide hem onbewimpeld, dat hij mijn oom meer aanleiding had gegeven,

zijn argwaan te versterken, dan te verzwakken.

»Wat kon ik anders doen, waarde vriend?" antwoordde hij. »Als een

verdenking bij mijn vader eenmaal wortel vat--iets, dat, om u de

waarheid te zeggen, niet licht gebeurt--dan is hij zoo hardnekkig,

dat ik het steeds 't best heb gevonden, hem alleen te verzoeken over

zulke dingen te zwijgen, in plaats van mij daarover in verklaringen

uit te laten. Ik bedwing het. Als ik het onkruid niet uit kan roeien,

ben ik tevreden als ik het afsnijd, zoodra het zich vertoont, tot het

eindelijk van zelf wegsterft. Het is noch verstandig, noch nuttig,

met zulk een mensch als mijn vader is, te willen twisten. Voor

overtuiging is hij niet vatbaar. Hij gelooft even stellig aan zijne

eigen opvattingen, als wij, Katholieken, aan de ingevingen van den

heiligen Vader."

»Voor mij blijft het echter pijnlijk, gast te zijn in de woning van een

man, ja van een bloedverwant, die wel niet stellig, maar toch duidelijk

genoeg te kennen geeft, dat hij mij aan straatrooverij schuldig houdt."

»Beste neef, eene dwaze opvatting--als ik mijns vaders opvatting zoo

zou mogen noemen--kan uwe onschuld niet deren. Maar vergeet niet, dat

hij, ge kunt me gelooven, de daad volstrekt niet onteerend acht, maar

uit een staatkundig en zedelijk opzicht, voor iets verdienstelijks

houdt, voor eene verzwakking van den vijand, eene berooving der

Amalekieten. Ge kunt er zeker van zijn, juist als deelnemer aan dien,

in zijn oog gewettigden roof, zult gij des te hooger in zijne achting

rijzen."

»Maar dat wensch ik niet," antwoordde ik; »ik begeer niemand's achting,

onder zulke voorwaarden, dat mij die in de achting van mij zelven

moeten vernederen. Deze beleedigende argwaan zal mij eene zeer goede

reden verschaffen, om dit huis spoedig weder te verlaten, Zoodra ik

daarover mijn vader raadplegen kan, zal dit geschieden."

Rashleigh's gelaat was zoo zelden gewoon zijne gewaarwordingen te

verraden, toch vloog er nu een onbedwongen glimlachje over heen. Maar

terstond daarop deed hij het door een diepen zucht volgen.--»Hoe

gelukkig zijt gij, neef Frans!" zoo begon hij; »gij gaat en komt,

als de wind waait, naar welke richting gij wilt. Bij uwe bekwaamheid,

bij uw smaak en uwe geestvermogens, zult gij spoedig een kring vinden,

waar zulke eigenschappen hooger geschat worden, dan onder de domme

bewoners van dit kasteel. Ik daarentegen...."

Robbert Roodhaar · 第 21 / 57 题