Wat scheelt er aan, o mannen,
Wat drukt uw ziele weder?
Wat buigt in 't Balwieries veste
Uw hoofden diep ter neder.
Oud-Schotsche Ballade.
De volgende dag was een Zondag. Op zulke dagen kostte het op
het kasteel Osbaldistone doorgaans vrij wat moeite, om de trage
uren voort te drijven en tot den avond te komen. Na de plechtige
morgen-godsdienstoefening, welke het gansche gezin bijwoonde,
kwam de kwelduivel der verveling over allen. Rashleigh en Diana
uitgezonderd. Mijn oom vermaakte zich een korte poos met het verhaal
van mijn avontuur. Hij wenschte mij geluk, dat ik aan de gevangenis
ontsnapt was; ongeveer zoo, als hij zich verheugd zou hebben, wanneer
ik bij eene mislukte proef, om met mijn paard over een slagboom te
springen, er zonder halsbreken afgekomen ware.
»Gij kunt van geluk spreken, jonge heer!" zeide hij; »maar waag
niet weder te veel. Weet gij dan niet, dat de straatweg vrij is voor
iedereen, tot welke partij hij ook behoort?--"
»Ik moet zeggen oom," viel ik hem in de rede, »dat het mij geweldig
hindert, dat iedereen het als eene uitgemaakte zaak beschouwt, dat
ik deel aan eene misdaad heb, die ik diep veracht en verfoei. Ik zou
de straf verdienen, indien ik zoo iets schandelijks had begaan."
»Ja, ja, dat is maar zoo en niet anders. Nu, ik vraag immers naar
niets. Niemand behoeft zich zelven te verraden, dat is duidelijk
en klaar."
Thans kwam Rashleigh mij te hulp. Maar het scheen, alsof hij niet zoo
zeer mijne onschuld wilde verdedigen, als wel zijn vader een wenk
geven, dat deze zich moest houden, alsof hij mijne verzekeringen
vertrouwde.
»Waarde vader, u moest nu liever niet voortgaan met uw neef in uw eigen
huis te grieven, door zijne verzekering te wantrouwen, waaraan hem
zooveel gelegen ligt. Gij meent het natuurlijk goed met hem. Ik houd
mij overtuigd, dat, als gij hem in deze zeer vreemde zaak een dienst
hadt kunnen bewijzen, hij zijne toevlucht tot uwe goedheid zou genomen
hebben. Maar neef Frans is geheel onschuldig ontslagen geworden,
en nu heeft niemand het recht, hem voor schuldig te houden. Ik voor
mij twijfel volstrekt niet aan zijne onschuld. Naar mijn oordeel,
eischt de eer van ons geslacht, dat wij met woord en zwaard tegen
iedereen die onschuld handhaven."
»Rashleigh", zeide mijn oom met een scherpen blik: »gij zijt een
sluwe knaap; altijd zijt gij mij veel te loos geweest, en ook veel
te loos voor de meeste menschen. Maar zie toe, dat gij voor u zelven
niet te loos wordt. Twee gezichten onder ééne kap strijdt tegen de
regels der wapenkunde. Maar komaan, van wapens gesproken, ik ga eens
een poos in ons wapenboek lezen, tot aangename afleiding."
Geeuwende deelde hij ons dit voornemen mede. Waarschijnlijk had hij
evenveel lust daarin als de Goden in de Dunciade. Zijne heeren zonen
gaven vrij eenstemmig hun wensch te kennen, want ieder koos het een
of ander tot zijn tijdverdrijf. Percival wilde naar de kelderkamer
eene kruik Maartsbier met den rentmeester gaan opdrinken; Thorncliff
zou een paar knuppels snijden; John kunstvliegen maken om er mede
te hengelen; Richard, met zich zelven kruis of munt spelen, de
rechterhand tegen de linker; Wilfred, op zijne nagels kauwen en zich
in slaap brommen. Het heerlijkste zou het zijn als dit slaapje tot
het middagmaal kon voortduren. Diana had zich naar de voorzaal begeven.
Wij, Rashleigh en ik, bleven alleen in de eetzaal terug, terwijl
de bedienden, onder het gewone gedruisch, het overschot van ons
ontbijt wegruimden. Ik gaf hem mijn misnoegen te kennen over de
wijze, waarop hij met zijn vader over mijne zaak had gesproken. Ik
zeide hem onbewimpeld, dat hij mijn oom meer aanleiding had gegeven,
zijn argwaan te versterken, dan te verzwakken.
»Wat kon ik anders doen, waarde vriend?" antwoordde hij. »Als een
verdenking bij mijn vader eenmaal wortel vat--iets, dat, om u de
waarheid te zeggen, niet licht gebeurt--dan is hij zoo hardnekkig,
dat ik het steeds 't best heb gevonden, hem alleen te verzoeken over
zulke dingen te zwijgen, in plaats van mij daarover in verklaringen
uit te laten. Ik bedwing het. Als ik het onkruid niet uit kan roeien,
ben ik tevreden als ik het afsnijd, zoodra het zich vertoont, tot het
eindelijk van zelf wegsterft. Het is noch verstandig, noch nuttig,
met zulk een mensch als mijn vader is, te willen twisten. Voor
overtuiging is hij niet vatbaar. Hij gelooft even stellig aan zijne
eigen opvattingen, als wij, Katholieken, aan de ingevingen van den
heiligen Vader."
»Voor mij blijft het echter pijnlijk, gast te zijn in de woning van een
man, ja van een bloedverwant, die wel niet stellig, maar toch duidelijk
genoeg te kennen geeft, dat hij mij aan straatrooverij schuldig houdt."
»Beste neef, eene dwaze opvatting--als ik mijns vaders opvatting zoo
zou mogen noemen--kan uwe onschuld niet deren. Maar vergeet niet, dat
hij, ge kunt me gelooven, de daad volstrekt niet onteerend acht, maar
uit een staatkundig en zedelijk opzicht, voor iets verdienstelijks
houdt, voor eene verzwakking van den vijand, eene berooving der
Amalekieten. Ge kunt er zeker van zijn, juist als deelnemer aan dien,
in zijn oog gewettigden roof, zult gij des te hooger in zijne achting
rijzen."
»Maar dat wensch ik niet," antwoordde ik; »ik begeer niemand's achting,
onder zulke voorwaarden, dat mij die in de achting van mij zelven
moeten vernederen. Deze beleedigende argwaan zal mij eene zeer goede
reden verschaffen, om dit huis spoedig weder te verlaten, Zoodra ik
daarover mijn vader raadplegen kan, zal dit geschieden."
Rashleigh's gelaat was zoo zelden gewoon zijne gewaarwordingen te
verraden, toch vloog er nu een onbedwongen glimlachje over heen. Maar
terstond daarop deed hij het door een diepen zucht volgen.--»Hoe
gelukkig zijt gij, neef Frans!" zoo begon hij; »gij gaat en komt,
als de wind waait, naar welke richting gij wilt. Bij uwe bekwaamheid,
bij uw smaak en uwe geestvermogens, zult gij spoedig een kring vinden,
waar zulke eigenschappen hooger geschat worden, dan onder de domme
bewoners van dit kasteel. Ik daarentegen...."