HOOFDSTUK X.

Ik vond in 't groote huis een somber, kil vertrek,

Waar niemand kwam--voor haar een heilig-stille plek.

Want langs de breede wanden, stond plank bij plank, bevracht

Met dat wat geesteshonger en zielepijn verzacht.

Anonymus.

Het was een groot, somber vertrek, de bibliotheek in kasteel

Osbaldistone. Langs de wanden bogen oude eiken planken onder den

last van zware boeken. Het waren meest dikke, aan de zeventiende

eeuw zoo dierbare folianten. Daaruit hebben wij het grootste deel der

wijsheid voor onze kwartijnen en octavo's getrokken, en wanneer onze

zonen in nog hoogere mate tot het pygmeëngeslacht mochten behooren

dan wij, dan zal die wijsheid, opnieuw gedistilleerd, zich ook nog

verder tot duodecimo's en octodecimo's laten inkorten. De verzameling

bestond grootendeels uit Grieksche en Romeinsche schrijvers, algemeene

geschiedenis, en verder uit werken over de godgeleerdheid. Alles bevond

zich echter in zeer groote wanorde. De priesters, die achtereenvolgens

als kapelaans hadden dienst gedaan, waren verscheidene jaren lang

de eenige menschen geweest, die dit eenzame verblijf betraden,

tot eindelijk Rashleigh, door zijne zucht naar kennis gedreven,

de eerbiedwaardige spinnewebben verwoestte, welke de boekenkasten

bedekten. Dat deze jongman zich aan den geestelijken stand wilde

wijden, was in zijns vaders oogen niet zoo erg dwaas, als wanneer

een der andere afstammelingen zulk eene zonderlinge neiging had doen

blijken. De oude sir Hildebrand gaf dan ook gaarne zijne toestemming,

om de ouderwetsche kamer eenigszins meer bewoonbaar te maken. Evenwel

zag ze er nog steeds zeer vervallen uit en verried in alle opzichten

eene onvergeeflijke verwaarloozing, waartegen de diepe geleerdheid,

welke hare wanden bekleedde, haar niet had kunnen beschermen. De

behangsels gescheurd, wormstekige boekenplanken; de tafels en

stoelen waren ontzaglijk groot, maar lomp bewerkt en waggelende,

de vuurhaard door roest bijna geheel verteerd, terwijl zelden of

nooit een steenkolen- of takkenbossenvuurtje er op flikkerde; al

die dingen waren zoo vele overtuigende bewijzen van de minachting,

met welke de eigenaars en bewoners van het kasteel Osbaldistone de

schatten van geleerdheid beschouwden.

»Waarschijnlijk zal u deze kamer niet erg bevallen?" zeide Diana,

toen ik in het eenzame vertrek min of meer verwonderd rondzag. »Maar

ik voor mij gevoel mij hier als in een klein paradijs; want ik noem

het mijn eigendom en behoef niet te vreezen in deze stille afzondering

gestoord te worden. Rashleigh deelde vroeger met mij dat bezit. Zoolang

wij nog vrienden waren."

»Zijt gij thans geene vrienden meer?" was natuurlijk mijne vraag.

Met een schelmsch verbiedenden blik legde zij haren wijsvinger

aan het kuiltje in hare kin.--»Wij zijn nog steeds bondgenooten,"

zeide zij na eenig zwijgen, »even als andere verbonden mogendheden,

door wederzijdsche belangen vereenigd. Maar ik vrees, dat het ook

hier gaan zal als in andere dergelijke gevallen; het verbond heeft de

vriendschappelijke gezindheden overleefd, waaraan het zijn oorsprong

te danken had. Zoo veel is zeker, dat wij thans veel minder omgang

met elkander hebben, en komt hij soms door die deur binnen, dan ga ik

door deze er uit. Kortom, wij hebben bemerkt, dat wij in deze kamer,

hoe ruim ze ook zijn moge, niet tegelijk plaats kunnen vinden, en

Rashleigh, wien zijne zaken dikwerf elders roepen, heeft mij eindelijk

grootmoedig zijne rechten afgestaan, zoo dat ik nu geheel alleen het

werk voortzet, waarbij hij te voren mijn leidsman was."

»En welk werk is dat, indien ik het vragen mag?"

»Wees maar niet bang dat ik mijne kin zal aanraken. Zeer zeker

moogt gij dat vragen. Wetenschappen en geschiedenis zijn mijne meest

geliefkoosde studiën, ofschoon ook de dichtkunst en de oude schrijvers

geenszins door mij veronachtzaamd worden."

»De oude schrijvers? En gij leest die in het oorspronkelijke?"

»O ja. Rashleigh, die vele kennis bezit, onderwees mij in het Grieksch

en Latijn, en in de meeste talen van het beschaafde Europa. Gij moogt

vrij gelooven, dat men zich ten opzichte van mijne opvoeding nog al

eenige moeite heeft gegeven. Maar daarentegen versta ik niets van

kantwerken, noch van borduren, noch zelfs van een pudding te maken. Ik

kan, zoo als de dikke vrouw van onzen predikant onlangs zeer juist

en beleefd opmerkte, niets nuttigs verrichten."

»En wie heeft dan deze studiën voor u gekozen--Rashleigh, of gij

zelve?"

»Och! hm!" zeide zij, alsof zij weifelde mijne vraag te beantwoorden;

»maar eigenlijk is het de moeite niet waard, mijn vinger op te

heffen--gedeeltelijk hij, gedeeltelijk ik. Buiten 's huis leerde ik

rijden, des noods een paard optoomen en zadelen, een geweer, zonder

te knipoogen, afschieten, en alle dergelijke manhaftige oefeningen,

die mijne ongepolijste heeren neven als het eenige doel van hunne

bestemming beschouwen. Maar nu moest ik ook in huis, even als mijn

eenige verstandige neef, Grieksch en Latijn leeren verstaan. Van den

boom der kennis wilde ik plukken, welken gij, mannelijke geleerden,

zeer gaarne voor u alleen zoudt willen behouden, ik denk uit wraak

tegen onze gemeenschappelijke moeder, wegens haar aandeel aan de

erfzonde."

»Moedigde Rashleigh gaarne uwe neiging tot geleerdheid aan?"

»Nu, hij wenschte mij tot zijne leerling te hebben, en kon mij

trouwens, slechts die kundigheden mededeelen, welke hij zelf bezat. Het

geheim om kanten lubben te wasschen of een zakdoek te zoomen, kon ik

natuurlijk van hem niet leeren."

»Nu, dan vermoed ik wel, dat de wensch, om zulk eene leerling te

hebben, bij den leermeester zich vrij sterk gelden liet!"

»Hoor eens, zoo gij naar Rashleigh's beweegredenen wilt beginnen

te vorschen, dan zal ik mijne vinger weder aan de kin moeten

leggen. Ik kan slechts dan openhartig zijn, wanneer er naar mijne

eigen beweeggronden gevraagd wordt. Rashleigh heeft mij de boekenkamer

afgestaan, en komt er nooit in, zonder mij vooraf verlof te vragen. Ik

heb derhalve de vrijheid genomen, om die kamer tot eene bewaarplaats

voor mijne eigen goederen te maken, zoo als gij zien kunt, als gij

uwe blikken slechts eens in het rond wilt slaan."

»Vergeef het mij, freule; ik vind inderdaad binnen deze vier muren

volstrekt niets, wat ik, op het eerste gezicht, voor uw eigendom

zou houden."

»Waarschijnlijk, omdat gij geen herder of geen herderin op een

borduurraam ziet, of een opgezetten papegaai, of een kooi met

kanarievogels, of een werktafeltje, of een toiletdoos, of een gitaar,

of een schoothondje met nog blinde jongen. Ja, van al die schatten

bezit ik volstrekt niets," vervolgde zij na eenig zwijgen, toen zij,

na deze lange optelling, weder adem had gehaald. »Maar daar staat

het zwaard van mijn voorvader Richard Vernon, die bij Shrewsbury

sneuvelde, doch naderhand erg belasterd werd door een moedwilligen

knaap, met name William Shakespeare, die, bij zijne partijdigheid voor

het heerschende huis van Lancaster en bij een zekere hebbelijkheid om

alles levendig voor te stellen, in de geschiedenis alles het onderste

boven, of liever het binnenste buiten gekeerd heeft. Naast het geduchte

zwaard hangt het pantser van een nog ouderen Vernon: hij was page van

den Zwarten Prins. Zijn lot was juist het tegenovergestelde van dat

van zijn nakomeling, want hij mocht den zanger, die de moeite nam,

hem in een gedicht te vereeren, meer voor den goeden wil, dan voor

wezenlijke talenten, danken--

»Aanschouw daar in den drom dien ridder, woest en wild,

Die Vernon heet en 'n doedelzak voert in zijn schild.

Hij schettert over 't stuivend slagveld heen.

Hij schreeuwt met fluit en keel, terwijl zijn makkers rennen."

»Zie hier eens het model van een nieuwen springriem, dien ik zelve

heb uitgevonden. Daar hebt ge de kap en de schellen van mijn valk

Cheviot, die zich zelf aan den snavel van een reiger spietste. Arme

Cheviot! bij u vergeleken zijn alle overige valken slechts gieren

en gemeene roofvogels. Ginds staat mijn jachtgeweer met een nieuw

uitgevonden slot, en daar verder vindt gij nog meer dergelijke fraaie

dingen. Maar waarom zou ik een en ander aanprijzen? Alles prijst hier

zichzelf aan; vooral dit hier!"

Bij die woorden wees zij op eene ouderwetsch gebeeldhouwde eikenhouten

lijst, die een levensgroot portret omsloot, door van Dijck geschilderd,

waarop met groote Gothische letters te lezen stond »Ver Non Semper

Viret." [7] Ik keek haar aan. Zij las op mijn gelaat dat ik er niets

van begreep.

»Hoe," vroeg zij een weinig verrast, »is u de dubbelzinnige spreuk

van ons geslacht niet bekend, en ons wapen, waarin de doedelzak

prijkt?" vervolgde zij, terwijl zij het in de lijst gebeeldhouwde

wapen wees, rondom hetwelk die woorden stonden.

»Een doedelzak!" zeide ik; »daarvoor zou ik de figuur waarlijk

niet aangezien hebben! Maar wordt niet boos over mijne onkunde,"

vervolgde ik, toen ik zag, dat hare wangen min of meer begonnen te

gloeien. »Het kan toch waarlijk mijn oogmerk niet zijn, uw wapen te

bespotten; want ik ken niet eens mijn eigen wapen."

»Wat? Gij zijt een Osbaldistone, en durft iets dergelijks

bekennen!" riep zij uit. »Percival, Thorncliff, John, Richard, zelfs

Wilfred zou hier uw leermeester kunnen zijn! Ja, de domste domheid

zou u in dit opzicht beschaamd maken."

»Met leedwezen beken ik, dat de geheimen, welke de grillige

hieroglyphen der wapenkunde bedekken, voor mij even onverstaanbaar

en onoplosbaar zijn, als het beeldschrift op de Egyptische pyramiden."

»Hoe is het mogelijk!" riep Diana uit. »Zelfs mijn oom leest in de

winteravonden een enkelen keer in Gwillyns Wapenboek. De heraldieke

figuren niet te kennen! Waaraan heeft uw vader dan toch gedacht?"

»Aan cijfers," antwoordde ik. »De minstbeduidende handelsrekening vindt

hij belangrijker dan den ganschen wapentooi der ridderschap. Maar hoe

diep onkundig ik ook in die edele kunst ben, bezit ik kennis en smaak

genoeg, om deze heerlijke schilderij te bewonderen. Ik vind daarin uwe

trekken weder. Welk eene vrije, edele houding! welk een rijke gloed

van kleuren, welke onovertreffelijke vermenging van licht en schaduw!"

»Is het wezenlijk eene fraaie schilderij?" vroeg Diana.

»Ik heb," antwoordde ik, »van den beroemden meester zeer vele

portretten gezien, maar niet één, dat mij zóó beviel."

»Nu, ik versta even weinig van de schilderkunst, als gij van de

heraldiek. Ik geloof echter hooger te staan dan gij, nu ik deze

schilderij, zonder de eigenlijke waarde er van te kennen, toch heb

kunnen bewonderen en lief krijgen."

»Ja, ik erken dat ik mij nooit om doedelzakken en dergelijke

wonderlijke afbeeldingen op ridderlijke wapens bekommerde, al weet

ik, dat ze eens op het veld van eer en roem schitterden. Maar hun

afbeelding, dit zult gij mij toch wel willen toestemmen, is voor

den onkundige op verre na zoo aantrekkelijk niet, als eene fraaie

schilderij. Wien stelt dit portret voor?"

»Mijn grootvader," antwoordde Diana. »Hij werd in het ongelukkige

lot van Karel I gewikkeld. Hij nam ook, helaas! deel aan Karels

buitensporigheden. Het vermogen van onze familie onderging door zijne

verkwisting eene aanmerkelijke vermindering en geraakte, onder het

beheer van zijn zoon, mijn ongelukkigen vader, geheel verloren. Doch

vrede zij met hen, die het verkregen hebben--het werd voor een edele

zaak opgeofferd!"

»Uw vader leed vermoedelijk door de burgeroorlogen van dien tijd?"

»Juist, en hij verloor alles. Daarom is zijn kind eene afhankelijke

wees. Zij moet bij vrienden haar brood zoeken, zich naar hunne

luimen voegen en hunne neigingen in acht nemen. Evenwel ben ik er

veel trotscher op, zulk een vader gehad te hebben, dan wanneer hij

door een voorzichtiger, maar minder eerlijk gedrag, mij in het bezit

van al de schoone heerlijkheden gelaten had, die eens het eigendom

van zijn geslacht waren."

Terwijl zij deze woorden zeide, kwamen de dienstboden met het eten,

en ons gesprek ging tot onbeduidende onderwerpen over. Nadat wij vrij

spoedig den maaltijd geëindigd hadden, berichtte ons de knecht, die

den wijn op tafel zette, dat de heer Rashleigh wenschte te vernemen,

wanneer wij hem konden ontvangen.

»Zeg hem," antwoordde Diana den bediende, »dat het ons aangenaam zal

zijn, hem terstond hier te zien. Geef nog een glas, zet een stoel en ga

dan heen.--Gij moet met hem gaan, als hij weder vertrekt," vervolgde

zij tegen mij. »In weerwil van al mijne mildheid, kan ik van de vier

en twintig uren van elken dag niet meer dan acht aan één man vergunnen,

en naar ik geloof, zijn wij reeds zoo lang bij elkander geweest."

»O freule," zeide ik, »de tijd, die oude man met zijn zeis, is zoo

snel voortgegaan, dat ik zijne schreden niet heb kunnen tellen."

»Stil! Rashleigh komt!" zeide Diana, en schoof haar stoel van mij af,

want ik had den mijnen langzamerhand nader bij haar geschoven.

Een bescheiden kloppen aan de deur, een zacht openen op Diana's:

binnen! en eene gemaakte zachtheid en nederigheid in gang en houding

verrieden mij, dat de opvoeding, welke Rashleigh in het kollegie te

St. Omer ontvangen had, volkomen overeenstemde met de manieren van

een echten Jezuïet, zoo als ik mij die voorstelde. Ik behoef er niet

bij te voegen, dat ik, als protestant, dit slag van lieden juist niet

in de aangenaamste kleuren voor mij zag.

»Waartoe aankloppen?" vroeg Diana. »Gij wist immers, dat ik niet

alleen was."

Dit zeide zij op eenigszins wreveligen toon, alsof zij gevoeld had,

dat Rashleigh's voorzichtigheid en bescheidenheid een beleedigenden

argwaan verried.--

»Lieve nicht," antwoordde Rashleigh, zonder zijne stem of houding

eenigszins te veranderen, »gij hebt mij zoo volkomen onderricht,

hoe ik aan deze deur moet kloppen, dat de gewoonte bij mij tot een

tweede natuur is geworden."

»Oprechtheid acht ik hooger dan hoffelijkheid, dit weet gij!" was

Diana's antwoord.

»Hoffelijkheid is kiesch en aangenaam: zij ontleent haren naam van

den hoveling en past daarom 't best voor een vrouwenvertrek."

»Maar oprechtheid is eene ridderdeugd, en daarom mij veel aangenamer,"

hernam Diana. »Maar laat ons een woordentwist afbreken, die voor

uw neef hier volstrekt niets behagelijks kan hebben. Neem plaats,

Rashleigh, en drink eens. Aan tafel heb ik de eer des huizes

opgehouden; doe gij het nu."

Toen Rashleigh ging zitten en zijn glas vulde, wendde hij zijne oogen

van Diana af op mij. Hij kon, welke pogingen hij daartoe ook aanwendde,

zijne verlegenheid niet geheel verbergen. Het scheen mij toe alsof

hij onzeker, ongerust was, in hoe verre Diana mij haar vertrouwen

had geschonken. Ik haastte mij dan ook, aan het gesprek zulk eene

wending te geven, dat hij zijn argwaan, dat Diana mij soms iets van de

geheimen mocht ontdekt hebben, welke tusschen haar en hem bestonden,

spoedig zou laten varen.

»Freule Vernon," begon ik, »heeft mij bevolen u, neef, mijn dank

te betuigen, voor mijne spoedige bevrijding van die bespottelijke

beschuldiging. Ten onrechte vreesde zij, dat mijne dankbaarheid

niet warm genoeg zou zijn. Zij maakte ook mijne nieuwsgierigheid

gaande, toen zij mij naar u verwees voor ophelderingen aangaande de

gebeurtenissen van dezen dag."

»Inderdaad?" antwoordde Rashleigh, en vervolgde, terwijl hij een

zijdelingschen blik op Diana wierp; »ik had gedacht, dat freule Diana

hier zelve de noodige verklaringen wel zou hebben gegeven."

Nu vestigde hij zijne oogen wederom op mij, alsof hij op mijne

gelaatstrekken had willen lezen of Diana's mededeelingen zoo beperkt

waren geweest, als mijne woorden te kennen gaven. Uit Diana's

oogen sprak onverholen verachting, toen zij zijn uitvorschenden

blik ontmoette. Ik wist niet, of ik wel goed deed, zijn argwaan te

wederleggen of te berispen. Ik zeide: »Als freule Diana goedvindt mij

onkundig te laten, dan moet ik mij dit laten welgevallen. Maar gij,

waarde neef, zult mij toch uwe inlichtingen niet willen onthouden, in

de onjuiste veronderstelling, dat ik reeds iets van de zaak weet. Ik

verzeker u op mijn woord van eer, dat ik evenmin als dit beeld,

iets van het voorgevallene van dezen dag begrijp, behalve datgene,

wat freule Vernon mij van uwe vriendelijke bemoeiingen gezegd heeft."

»Die bemoeiingen heeft mijne lieve nicht zeer zeker veel te hoog

gewaardeerd," hernam Rashleigh; »maar van mijn ijver om u behulpzaam

te zijn, kunt gij trouwens geen te hoog denkbeeld koesteren. Ik zal u

de eenvoudige waarheid zeggen. Ik reed spoorslags terug, om iemand van

mijne bloedverwanten te ontmoeten, die met mij den borgtocht voor u kon

op zich nemen. Dit was het natuurlijkste, of liever het eenige middel

om u te helpen, dat mij op dat oogenblik voor den geest kwam. Toen

ontmoette ik Cawmil--Colville--Campbell, of hoe hij anders heeten

moge. Hij was, zoo als ik van Morris gehoord had, bij de aanranding

tegenwoordig geweest. Ik bewoog hem, hoewel niet zonder veel moeite,

zijn getuigenis tot uwe bevrijding af te leggen en daardoor zijt gij

vermoedelijk uit uw onaangenamen toestand gered geworden."

»Zoo? Dan ben ik u wel zeer verplicht, dat gij mij dien getuige zoo

juist ter rechter tijd bezorgd hebt. Maar daar hij, zoo als hij zeide,

een ongeluksmakker van Morris is geweest, begrijp ik waarlijk niet,

waarom het u zoo veel moeite gekost heeft, om hem tot het afleggen

van zijn getuigenis te bewegen. Het was toch zijn plicht zoowel om

den waren dader aan den dag te brengen, als om een onschuldige van

verdenking te bevrijden."

»Gij kent den volksgeest niet van het land, waar die man geboren is,"

hernam Rashleigh. »Geheimhouding, schranderheid en voorzichtigheid zijn

daar de hoofdeigenschappen. Zij staan slechts onder den invloed van

eene bekrompen denkende, maar vurige vaderlandsliefde. Dit gevoel is

een soort van bolwerk, waarmede een Schot zich tegen alle aanvallen

van een edel, menschlievend beginsel weet te beveiligen. Hebt gij

dat bolwerk beklommen, dan vindt gij van binnen nog een andere, hem

veel dierbaarder sterkte: de liefde voor zijn stadje, zijn dorp, of

zijn geslacht. Bestorm dezen wal, en gij komt aan een derden: zijne

genegenheid voor zijne bloedverwanten, vader, moeder, zonen, dochters,

ooms, moeien, neven en nichten, tot in den negenden graad. Binnen deze

grenzen beperken zich de maatschappelijke neigingen van een Schot. Zij

gaan nooit tot andere voorwerpen over, totdat alle middelen, om in de

binnenste kringen bevrediging te vinden, geheel uitgeput zijn. In deze

kringen klopt zijn hart, en al zwakker en zwakker wordt elke polsslag,

tot hij eindelijk op de uiterste grenzen bijna onmerkbaar wordt. Maar

het ergste is, dat gij, na al deze geconcentreerde buitenwerken

beklommen te hebben, aan eene veel hoogere en sterkere vesting in

het binnenste komt, en dat is de eigenliefde van den Schot."

»Gij hebt u zeer welsprekend en beeldrijk uitgedrukt!" zeide Diana,

die hem blijkbaar met ongeduld had aangehoord; »maar tegen uwe

redeneering zijn, meen ik, twee tegenwerpingen te maken. Vooreerst

is ze niet waar, en ten tweede dient ze, zoo ze al waar mocht zijn,

hier volstrekt niets ter zake."

»Ik zeg u, schoone Diana," hernam Rashleigh, »dat mijne verklaring waar

en bovendien hier geheel van toepassing is. Zij is waar: want gij zult

mij toch wel willen toestemmen, dat ik land en volk nauwkeurig ken,

en dat mijne schildering de vrucht van eene scherpe en aandachtige

opmerkzaamheid is. Zij dient ter zake: want zij beantwoordt de vraag

van mijn neef, en toont aan, waarom deze voorzichtige Schot aarzelde,

daar onze bloedverwant noch zijn landsman, noch zijn stamgenoot is,

noch tot een van de tallooze zijtakken behoort, waaruit de stamboomen

aldaar bestaan. En omdat hij er bovendien geen persoonlijk voordeel

van te wachten heeft, maar integendeel veel tijdverlies in zijne

beroepsbezigheden moet vreezen--"

»En andere onaangenaamheden, die misschien nog meer te duchten

zijn!" viel Diana hem in de rede.

»Welzeker, er kunnen allerlei lastige zaken uit ontstaan," hernam

Rashleigh op denzelfden bedaarden toon. »Kortom, mijne ophelderingen

toonen aan, waarom deze man, daar hij volstrekt geen voordeel te

verwachten, maar wel degelijk eenige onaangenaamheden te duchten had,

zich alleen na veel moeite van mijne zijde overhalen liet, om zijn

getuigenis ten gunste van onzen neef af te leggen."

»Ik heb de verklaring van den goeden Morris vluchtig ingezien," begon

ik weder. »Het heeft mij zeer verwonderd, dat met geene enkele letter

gewag er van gemaakt is, dat Campbell bij hem is geweest, toen hij

door de roovers aangevallen werd."

»Campbell had, zoo als ik van hem gehoord heb, zich door Morris

plechtig doen beloven, van deze omstandigheid niet te zullen reppen,"

antwoordde Rashleigh. »Waarom hij hem deze belofte afgedwongen heeft,

kunt gij uit mijne gegeven wenken licht gissen. Hij wenschte op zijne

terugreis naar huis door geen gerechtelijk onderzoek opgehouden

te worden. Als het bekend geworden was, dat hij bij de aanranding

tegenwoordig was geweest, zou hij in dat onderzoek gemengd zijn

geworden, zoo lang hij zich nog in Engeland bevond. Maar laat hem

maar eerst over de grenzen zijn, dan zal Morris zeker terug komen en

alles zeggen, wat hij van hem weet, en misschien nog veel meer. Er

komt nog eene andere omstandigheid bij. Campbell, die een vrij

aanzienlijken handel in vee drijft, zendt dikwerf groote kudden

naar Northumberland. Bij zulke belangrijke verzendingen zou hij

zeer onvoorzichtig handelen, met de dieven hier te lande, die de

wraakzuchtigste wezens ter wereld zijn, een oorlog te beginnen."

»Dat wil ik bezweren," zeide Diana op een toon, die iets meer scheen

te kennen te geven dan eene eenvoudige toestemming.

»Ik wil gaarne gelooven," begon ik weder, »dat Campbell gegronde

redenen gehad heeft, om van Morris geheimhouding te vorderen. Maar ik

kan niet begrijpen, hoe hij zoo veel invloed op den man heeft kunnen

verkrijgen, om hem tot het terughouden van zijn getuigenis in dit

voorval te bewegen. Immers, Morris liep gevaar wantrouwen omtrent

zijne eigen geschiedenis te verwekken."

Rashleigh stemde toe, dat dit zeer zonderling was. Ja, het scheen hem

nu te spijten, dat hij den Schot over deze omstandigheid, die hij

zelf geheimzinnig vond, niet nader ondervraagd had. »Maar," voegde

hij er schielijk bij, »zijt gij wel volkomen zeker, dat Morris in

zijne verklaring volstrekt niets van Campbell gezegd heeft?"

»Ik doorliep het papier wel is waar slechts vluchtig," antwoordde ik;

»maar ik herinner mij nog levendig, dat ik er niets van dien aard

in gelezen heb; of het moest zoo flauwtjes aangeroerd zijn, dat het

mijne opmerkzaamheid ontsnapt is."

»Juist, juist!" hernam Rashleigh, mij dadelijk bij het woord

vattende, »dit zal het wezen. Er zal van die omstandigheid wel

degelijk gewag gemaakt zijn, maar zoo ter loops, zoo vluchtig, dat

het uwe opmerkzaamheid moest ontgaan. Voor het overige vermoed ik, dat

Campbell van de vreesachtigheid van Morris partij heeft getrokken, om

hem op zijne zijde te krijgen. De lafhartige man moet, zooals ik hoor,

naar Schotland, om zekere kleine aangelegenheden voor de regeering

te bezorgen, en onder zulke omstandigheden zou hij zeker niet gaarne

met den geduchten Campbell op een onaangenamen voet willen komen. Op

het gezicht alleen van dezen Herkules, moet hem het weinigje moed,

dat hij bezit, geheel en al in de schoenen zinken. Gij zult toch wel

opgemerkt hebben, dat Campbell in zijn voorkomen iets krijgshaftigs

en in zijn toon en houding zelfs iets woests heeft."

»Ik moet bekennen," hernam ik, »dat zijne houding mij wezenlijk vreemd

toescheen. Zijn geheele voorkomen was in strijd met de bedaarde en

erg vredelievende uitdrukkingen die hij bezigde. Is hij vroeger in

krijgsdienst geweest?"

»Ja--neen--Juist niet in krijgsdienst, maar hij heeft toch, meen ik,

zoo als de meeste van zijne landslieden, de wapenen gevoerd. In het

gebergte gaat men, schier van kindsbeen af tot aan het graf toe, met

wapenen om. Nu gij toch uw reisgenoot kent, zult gij licht beseffen,

dat hij, voornemens zijnde in zulk een land te reizen, elken twist

met een inboorling zoo veel mogelijk tracht te vermijden. Maar ik

zie, dat de wijn u niet meer smaakt. Och, ik ben eigenlijk ook een

ontaarde telg van het geslacht Osbaldistone, voor zoover het de

wijnflesch betreft. Gaat gij met mij naar mijne kamer, dan spelen

wij een partijtje piket?"

Wij stonden op om Diana te verlaten, die met in het oog loopende moeite

zich telkens bedwongen had, om Rashleigh niet driftig in de rede te

vallen. Toen wij wilden heengaan, barstte haar wrevel toch even los.

»Uwe eigen scherpzinnigheid," riep zij mij luide toe, »zal u in staat

stellen te beoordeelen, of dat, wat Rashleigh van Campbell en Morris

gezegd heeft, waar of onwaar is. Maar in zijne honende uitdrukkingen

tegen Schotland, heeft hij een valsch getuigenis tegen een geheel

land gesproken, en ik bid u aan zijne verklaringen volstrekt geen

gewicht te hechten."

»Ik vrees, dat het mij misschien moeilijk zal vallen aan uwen raad

te gehoorzamen," hernam ik, »want ik moet bekennen, dat mij bij mijne

opvoeding juist geen te gunstig denkbeeld van onze noordelijke naburen

werd ingeprent."

»Vergeet dan in dit opzicht uwe opvoeding, en laat de dochter van

een Schot u bewegen, het vaderland van hare moeder te eerbiedigen,

tot eigen ondervinding u zal overtuigd hebben, dat het uw goeden dunk

niet verdient. Maar bestraf huichelarij, laaghartigheid en valschheid,

waar gij ze ook mocht vinden, met haat en verachting. Zonder Engeland

te verlaten, kunt gij die schandelijke ondeugden talrijk genoeg

aantreffen. En hiermede, mijne heeren, goeden nacht!"

En ze wees naar de deur, als eene vorstin, die haar gevolg wegzendt.

We begaven ons naar Rashleigh's kamer, waar een bediende ons

koffie en kaarten bracht. Ik had besloten, met betrekking tot

het voorgevallene van dezen dag, niet verder bij Rashleigh na te

vorschen. Een geheim--en, naar ik geloofde, niet van den aangenaamsten

aard--scheen zijn gedrag te omsluieren. Maar wilde ik mij overtuigen of

mijn argwaan gegrond was, dan moest ik hem volkomen geruststellen. Wij

begonnen te spelen, en waren weldra geheel in ons spel verdiept. Ik

meende zelfs in dit onbeduidende tijdverdrijf--want de inzet, volgens

Rashleigh's voorstel bepaald, was inderdaad eene kleinigheid--het

heftige, eerzuchtige karakter van mijne tegenpartij te herkennen. Hij

scheen het spel volkomen te verstaan. En evenwel, als ware het uit

beginsel, gaf hij aan koene en gewaande slagen de voorkeur boven het

in acht nemen der gewone regels van het spel; zoodat hij geringere,

voor de hand liggende voordeelen verwaarloosde, en alles waagde om

een zestiger of negentiger te krijgen, of alle trekken te maken. Maar

nadat eenige spellen ons gesprek hadden afgebroken, scheen Rashleigh

dit tijdverdrijf moede te zijn, en legde hij de kaarten ter zijde,

om het gesprek weder aan te knoopen.

Hij was eigenlijk meer geleerd dan wezenlijk verstandig. Hij kende het

menschelijk gemoed uitmuntend, maar hij was eenigszins vreemd aan de

zedelijke beginselen, welke de menschen behooren te leiden. Hij bezat

de gave van onderhoudend te zijn, en wel zoo, als ik het zelden door

iemand geëvenaard en zeker door niemand overtroffen heb gevonden. Hij

scheen zich van dit voorrecht wel bewust; ten minste het kwam mij voor,

dat hij zich zeer veel moeite had gegeven tot ontwikkeling van zijne

natuurlijke gaven; zijn welluidende stem, zijn vloeiende, boeiende

wijze om zich uit te drukken, zijn gepaste keuze en ontwikkeling

van denkbeelden en zijn licht bewegelijke fantasie. Nooit was hij

luidruchtig, nooit opvliegend, nooit zoo zeer met zijne eigen gedachten

vervuld, om het geduld of het bevattingsvermogen van hen, met wie hij

sprak, af te matten. Zijne denkbeelden vloeiden onafgebroken kalm

voort. De spreekwijze van anderen, die in het gezellig onderhoud

zeer aangenaam meenden te zijn, was evengoed te vergelijken bij

zijne prettige manier van mededeelen, als een traag en troebel

stroomend water, dat ten slotte verzandt, bij een volle rijke bron,

waaruit steeds frisch water welt. Eerst laat in den avond kon ik van

zulk een inderdaad boeiend gezelschap scheiden. Toen ik alleen op

mijne kamer was, kostte het mij niet weinig moeite, mij het beeld,

dat ik mij te voren van Rashleigh's karakter gemaakt had, weer voor

den geest te brengen.

Waarlijk, onze gave, om vreemde karakters waar te nemen en te

beoordeelen, wordt steeds verzwakt door de bekoorlijkheid van het

genoegen en het onderhoud. Vruchten, die zoet en prikkelend zijn,

streelen ons verhemelte dikwijls zoo zeer, dat wij den waren goeden

smaak van eenvoudige spijs niet meer weten te waardeeren.

Robbert Roodhaar · 第 20 / 57 题