HOOFDSTUK IX.

Daar komt er een terug, zoo'n roover. Hier blijf 'k staan.

Blijf ik zoo dicht bij 't huis, dan zal hij wel weer gaan,

En kalm gezwegen dan, want schreeuwen kan niet helpen.

De Weduwe.

»Wat voor vreemdeling!" had de vrederechter geroepen. »Ik hoop toch

niet, dat het ambtsbezigheden betreft anders--"

In den binnentredenden vreemdeling herkende ik dadelijk den

Schot Robbert Campbell, dien ik onderweg in de dorpsherberg had

gesproken.--»De oorzaak van mijne komst is zeker eene zaak van

belang, mijnheer de rechter," zeide hij luid. »Ik moest u dus dringend

verzoeken, mijne zaak in ernstige overweging te nemen. Gij, mijnheer

Morris," voegde hij er bij, terwijl hij een bijna woesten blik op den

man wierp, »weet zeer goed, wie ik ben. Gij hebt toch niet vergeten

wat er voorgevallen is, toen wij elkander onlangs op weg ontmoetten."

Morris werd doodsbleek en begon te beven. Alles verried zijne hevige

ontroering.

»Kom! wees toch een man, vriend!" vervolgde Campbell, »beef niet

als een misdadiger. Ik hoop dat gij er geen bezwaar in zult zien,

mijnheer den vrederechter te verklaren dat gij mij kent, dat gij mij

gezien hebt, en dat gij mij zelfs als een rijk man en als man van eer

kent. Gij weet zeer goed, dat gij een tijdlang in mijne nabuurschap

zult wonen, waar ik dan in staat, en tevens gaarne geneigd zal zijn,

u goede diensten te bewijzen."

»Mijn--heer--Mijn--heer--," stamelde Morris, »ik geloof, dat gij

een man van eer zijt, en ook, zoo als gij zegt, een rijk man. Ja,

mijnheer Inglewood," voegde hij er met luide stem bij, »ik geloof

waarlijk, dat die heer het is."

»Maar wat wil die heer dan toch van mij?" vroeg de vrederechter

eenigszins boos. »De een brengt hier den ander binnen. Ik krijg

een gezelschap dat mij geen rust laat, en niet eens aan het woord

laat komen."

»Gij zult beiden verkrijgen," hernam Campbell, »en wel zeer spoedig. Ik

kom alleen, om u van een lastigen plicht te ontheffen; niet om u

lastig te vallen."

»Waarachtig? dan zijt gij van harte welkom, zoo welkom, als ooit een

Schot in Engeland geweest is. Maar maak het kort, vriend! Zeg mij

zonder omwegen, zoo beknopt mogelijk, wat gij mij te zeggen hebt."

»Denkelijk heeft deze man," vervolgde Campbell, »u reeds verhaald,

dat zekere Robbert Campbell bij hem was, toen hij het ongeluk had,

zijn valies kwijt te raken?"

»Dien naam heeft hij in zijn gansche verhaal niet genoemd," antwoordde

de vrederechter.

»Zoo! zoo! Ja, ik raad het al!" hernam Campbell; »dit was eene kiesche

onthouding; gij wildet een vreemdeling niet in uwe zaak betrekken. Maar

ik heb vernomen dat mijne getuigenis hier noodig is, om dezen braven

man, den heer Frans Osbaldistone, van een geheel ongegronde aanklacht

te zuiveren. Ik geef u dus volkomen vrijheid mijn naam hier in deze

zaak te mengen. Wees dus zoo goed den heer vrederechter te zeggen,

dat ik u verscheidene mijlen ver op uwe reis vergezeld heb, en wel op

uw dringend en herhaald verzoek, hetwelk ik eerst stellig weigerde,

maar waaraan ik eindelijk, toen ik u weder inhaalde, voldeed; dat ik,

door u daartoe overgehaald, van mijn voornemen om naar Rothburg te

gaan, afgezien heb, en, tot mijn ongeluk, met u gegaan ben."

»Helaas, helaas! alles waarheid!" antwoordde Morris op die lange vraag,

met neergebogen hoofd en op klagenden toon.

»Evenzoo wilt gij toch wel den achtbaren heer rechter duidelijk maken,

dat niemand beter in staat is dan ik, om in deze zaak getuigenis te

geven, daar ik, gedurende het gansche voorval bij u en naast u was?"

»Dat niemand daartoe beter in staat is--o ja, dat is ook al

waar!" zeide Morris met een diepen gesmoorden zucht.

»Maar voor den duivel, waarom hebt gij hem dan niet geholpen?" vroeg

de vrederechter. »Zoo als de heer Morris zegt, waren er slechts twee

roovers; gij zoudt dus de kans met hen hebben kunnen wagen; want gij

zijt beide sterke en flinke kerels."

»Neem mij niet kwalijk, Mijnheer," hernam Campbell, »als ik u zeg,

dat ik mijn geheele leven een zeer vreedzaam man was, die twist en

vechtpartijen als de pest haat. Mijnheer Morris, die, zoo als ik

hoor, militair is, zou, als het hem goeddacht, tegenstand hebben

kunnen bieden. Naar ik hoor, had hij eene zeer aanzienlijke som

gelds bij zich. Ik had slechts mijn nietige eigendom te verdedigen,

en als man van vreedzame gezindheid had ik geen lust mij daarvoor

aan levensgevaar bloot te stellen."

Ik keek Campbell goed aan, terwijl hij sprak. Maar ik moet betuigen,

nooit een sterker kontrast opgemerkt te hebben dan er gelegen was

tusschen de koene, trotseerende hardheid van zijne ruwe gelaatstrekken,

en de vriendelijke, bedaarde, kunstelooze eenvoud van den toon zijner

woorden. Een flauw, spotachtig glimlachje loerde in de hoeken van zijn

mond, en scheen te verraden, hoe verachtelijk en grappig hemzelven

de bedaarde en vreedzame houding scheen, die hij noodig oordeelde

aan te nemen. Ja, ik kon het vermoeden niet van mij weren, dat hij

bij de aan Morris gepleegde gewelddadigheid iets gansch anders was

dan lotgenoot of toeschouwer van het ongeluk.

Het scheen alsof er in de ziel van den vrederechter op dat oogenblik

een soortgelijk vermoeden opsteeg; althans hij riep plotseling uit:

»dat is een zeer zonderling geval! eene vreemde zaak! Waarachtig."

De Schot scheen te gissen, hoe wij over hem begonnen te denken. Hij

veranderde dus van toon en houding, liet uit zijne gelaatstrekken

iets van die spottende huichelachtige uitdrukking van nederigheid

verdwijnen, welke juist de verdenking tegen hem bij mij had doen

ontstaan. Wat vrijmoediger en ruwronder zeide hij luide: »Hoort eens,

het is waar, ik ben een bedaarde kerel, die zich met geen vechten of

plukharen bemoeit. Maar als het noodig is, ja, dan kan ik vechten en

kloppen, meer dan genoeg. Dat was echter volstrekt het geval niet,

toen ik dien mijnheer ontmoette. Ik had zoo goed als niets bij me. En

nu wensch ik alleen nog u te verzoeken, opdat u geheel verzekerd moogt

zijn, mijnheer, dat ik een man van eer en van goede gezindheden ben,

dit papier in te zien."

De vrederechter nam het papier en las half overluid: »Hiermede wordt

verklaard, dat toonder dezes, Robbert Campbell van--(den naam kan ik

niet lezen) een man van goede afkomst en van een vredelievend gedrag

is; dat hij voor zijne eigen zaken reist--enz. Gegeven in ons kasteel

te Inver--Invera--rara. Argyle."

»Een klein getuigenis dat ik mij verschafte van den hertog,"--zeide

Campbell, terwijl hij de hand aan zijn hoofd bracht, als wilde hij

den hoed afnemen--»van Mac-Callum More zelven."

»Mac-Callum--wie is dat?" vroeg de vrederechter.

»In Engeland noemt men hem hertog van Argyle."

»Ik ken den hertog van Argyle zeer goed als een voortreffelijk man en

een waar vriend van zijn vaderland. Ik was bij hem in het jaar 1714,

toen hij den hertog van Marlbourough uit den zadel lichtte. Ja, ik

wenschte wel, dat wij meer zulke edellieden hadden. Hij was steeds

een eerlijke Tory en met Ormond nauw verbonden. Dat hij zich aan de

nieuwe regeering onderworpen heeft, deed hij even als ik, om de rust

en den vrede van ons land te bevorderen. Ik kan mij niet verbeelden,

dat het vrees zou geweest zijn, die dezen grooten man bewogen

heeft, vrees om zijne eereposten en zijn regiment, gelijk sommige

lieden willen beweren. Zijne getuigenis, is volkomen voldoende,

mijnheer Campbell. Laat mij nu eens hooren, wat gij zoo al van die

rooverhistorie weet!"

»Met twee woorden, mijnheer," hernam Campbell, »zal ik u alles

verhalen. Even goed kan de heer Morris een pas geboren kind, of ook mij

zelven beschuldigen, als hij den heer Frans Osbaldistone beschuldigd

heeft. Ik kan verklaren, dat degeen, dien hij voor genoemden heer

heeft aangezien, kleiner en dikker was; ja ik durf zelfs stellig

zeggen, dat die man geheel andere gelaatstrekken had, dan de heer

Osbaldistone, want ik heb iets van zijn gezicht gezien, toen zijn

masker een weinig verschoof. Ook twijfel ik niet," voegde hij er bij,

terwijl hij zich met een eenigszins streng gelaat naar Morris keerde,

»dat deze heer Morris gaarne zal willen toestemmen, dat ik betere

gelegenheid had dan hij, om op te merken en te onderscheiden, wie er

eigenlijk bij waren. Want ik was, den Hemel zij dank! volkomen kalm,

maar mijn reisgenoot volstrekt niet."

»Ik stem het toe, mijnheer Campbell, ik stem het volkomen

toe!" antwoordde Morris, en deinsde bevend terug, toen Campbell

met zijn stoel nader bij hem schoof. »Ik ben bereid, ja, ik heb

vast besloten om mijne verklaring tegen den heer Osbaldistone te

herroepen,"--vervolgde hij tegen den vrederechter. »En ik verzoek u,

hem te vergunnen weder aan zijne eigen zaken te gaan, wat gij mij

insgelijks wel zult willen veroorloven. Zeer waarschijnlijk hebt gij

met den heer Campbell nog het een en ander af te handelen, en ik heb

groote haast."

»Welaan dan! Weg met uwe aanklacht!" zei de vrederechter en wierp het

papier op het vuur. »Mijnheer Osbaldistone, gij zijt vrij. En gij,

mijnheer Morris, kunt gerust gaan, waarheen gij verkiest."

»Ja," zeide Campbell, terwijl hij een blik op Morris wierp, die met

een nederig gegrijns in alles toestemde wat de vrederechter zeide;

»ja, zoo gerust als een pad, die onder eene egge ligt. Wees onbezorgd,

Morris, wij gaan samen! Ik wil weten dat gij veilig zijt. Gij twijfelt,

hoop ik, niet aan mijn woord van eer, wanneer ik u dat zeg;--veilig,

meen ik, tot aan den eersten kruisweg. Daar zullen wij van elkander

afscheid nemen, en, zoo wij elkander in Schotland niet als vrienden

wederzien, dan zal het uw eigen schuld zijn."

Morris stond op aarzelend en met angstigen blik als een veroordeeld

misdadiger, die zich naar de gerechtsplaats moet begeven. Hij scheen

geheel besluiteloos.

»Wees toch niet bang, zeg ik u!" herhaalde Campbell. »Ik zal woord

houden. En wie weet, mijn heldhaftige vriend, of wij niet het een of

ander spoor van uw valies machtig kunnen worden, zoo gij slechts naar

goeden raad wilt luisteren. Kom, onze paarden zijn gezadeld. Zeg den

heer vrederechter vaarwel, en toon dat gij Engelsche wellevendheid

bezit."

Door deze woorden eenigszins bemoedigd, nam Morris afscheid en vertrok

onder Campbell's geleide. Maar zeer waarschijnlijk werd hij op nieuw

door zorg en vrees overvallen, eer zij het huis verlieten. Want

ik hoorde, dat Campbell hem de verzekering van zijne bescherming

herhaalde, terwijl zij door de voorkamer gingen. »Bij mijne ziel,

vriendlief, gij zijt zoo veilig, als in uws vaders tuin. Sakkerloot,

dat een kerel met zulk een zwarten baard niet meer moed heeft dan een

eendvogel! Kom, volg mij als een man, niet als een bang kind."--Meer

hoorde ik niet, en kort daarop kondigde de hoefslag der paarden aan,

dat beiden vertrokken waren.

Innig verheugd was de vrederechter over den afloop eener zaak, die hem

met eenigen last gedreigd had. Eén zaak echter veroorzaakte hem eenige

ongerustheid, de gedachte namelijk wat toch zijn griffier van de wijze,

waarop hij zich van een en ander afgemaakt had, wel zeggen zou.

»Zeer waarschijnlijk zal ik nu met dien satanschen Jobson vrij wat

last krijgen wegens de papieren!" zeide hij. »Eigenlijk had ik ze

niet moeten verbranden. Maar, wat is er ook aan gelegen! Op de keper

beschouwd is het hem toch maar alleen om zijne emolumenten te doen;

heeft hij zijne duiten binnen, dan zal hij wel tot bedaren komen. Maar

nu, mijne schoone Diana! na allen in vrijheid gesteld te hebben,

wensch ik tegen u wel een bevel van gevangenhouding uit te vaardigen

en u gedurende dezen avond aan de bewaking van mijne oude huishoudster

over te geven. Ik laat dan onze buurvrouwen noodigen en uwe neven

halen; de oude vioolspeler is heden ook niet bezet, en dan hebben

wij een recht vroolijken avond. De heer Osbaldistone ledigt een paar

flesschen met mij, en dan zullen wij beiden de vreugde niet bederven."

»Hartelijk dank voor uw vriendelijk aanbod," antwoordde Diana; »maar

zoo als de zaken thans staan, moeten wij terstond naar het kasteel

terugkeeren, waar men volstrekt niet weet, wat er van ons geworden

is. Mijn oom zal over zijn neef niet weinig ongerust zijn, want hij

houdt van hem als van een zijner eigen zonen."

»Ik wil het wel gelooven," zei Inglewood, »want toen zijn oudste

jongen, Archie, ongelukkig om het leven kwam, bij die treurige zaak

met Sir John Fenwick, placht de oude Sir Hildebrand hem even dikwerf

als een der andere zes jongens te roepen, en dan te klagen, dat hij

zich niet herinneren kon welken van zijne zes zonen men opgeknoopt

had. Dus ga maar naar huis en stel het vaderlijk hart gerust. Maar

luister eens, heidebloempje," vervolgde hij en trok het meisje bij de

hand vriendelijk tot zich, »neem dan ten minste tot afscheid een goeden

raad mede. Laat een andermaal het recht zijn gewonen loop, en bemors

uwe poezelige vingertjes niet met die oude beschimmelde prullen van

rechtsgeleerd Latijn, Fransch en verdraaid Engelsch. Maar vooral,

laat de jongeheeren hun eigen weg gaan; wees hun niet tot gids,

mijn schatje, want licht zoudt gij, hun den rechten weg wijzende,

zelve op een dwaalweg kunnen geraken, mijn lief dwaallichtje."

Na deze woorden keerde hij zich minzaam tot mij: »En gij, mijn goede

Frans, schijnt mij een wakkere jongen te zijn. Ja, ja, ik kan mij

uw vader nog uit mijn schooltijd zeer goed herinneren. Luister eens

jongen, reis voortaan niet meer zoo laat in den avond, en steek den

draak niet meer met onbekende reizigers op den publieken weg. Niet

iedereen behoeft zich uwe aardigheden te laten welgevallen, en met

crimineele misdaden is het, in elk geval, gevaarlijk, den draak te

steken. En deze goede Diana Vernon--zij is, om zoo te zeggen, op

Gods wijde wereld geheel alleen, van ieder verlaten. Ze mag rijden,

loopen en springen naar hartelust. Daarom, pas op, knaap, en bewaak

deze Diana zorgvuldig, of, waarachtig, ik zou in staat zijn om zelf

weder jong te worden en met u op dood en leven te vechten, hoeveel

moeite mij dit ook kosten zou. En hiermede vaartwel, kinderen! Gaat in

'sHemels naam, en laat mij aan mijne tabakspijp en mijn stil gepeins

over. Ge kent immers 't versje wel:

»In korten tijd verteert tabak,

Zoo ook de mensch wordt oud en zwak

Als 't vuur--der jeugd verdooft.

En zoo ge 't niet gelooft,

Dan zie die witte, droge asch

Der grijsheid--op zijn hoofd."

Aangenaam troffen mij de teekenen van verstand en gevoel, welke de

vrederechter door den nevel van vadsigheid en achteloosheid liet

doorschemeren. Ik bedankte hem voor zijne welgemeende vermaningen,

en nam hartelijk afscheid van den braven man en zijne gastvrije woning.

Wij vonden een maaltijd gereed in de voorkamer, en gebruikten ook

iets. Op het voorplein wachtte ons een bediende van mijn oom,

die ons bij onze aankomst de paarden afgenomen en, naar zijn

zeggen, van Rashleigh bevel ontvangen had, om ons naar huis te

vergezellen. Zwijgend stegen wij te paard en reden zoo eenigen tijd

voort. Ik was te zeer vervuld van de gebeurtenissen van dezen dag,

om het zwijgen dadelijk te willen afbreken. Eindelijk zeide Diana,

hetgeen zij dacht onwillekeurig in woorden brengend: »Ja, men moet

Rashleigh vreezen en hem met verbazing beschouwen;--beminnen kan men

hem echter niet. Hij doet wat hij wil, en maakt alle andere menschen

tot zijne speelpoppen: voor elke rol die hem invalt, heeft hij een

acteur gereed, en voor elk geval weet hij een hulpmiddel te vinden,

dat gereed schijnt te liggen en doelmatig is."

»Gij gelooft dus," zeide ik, mij meer aan den zin van hetgeen zij

zeide dan aan hare woorden houdende, »dat deze heer Campbell, die zoo

juist ter rechter tijd verscheen en mijn aanklager meenam, zooals de

valk de patrijs meevaart--dat die Campbell ook al een werktuig was

van onzen neef Rashleigh?"

»Ja, dat geloof ik inderdaad," hernam Diana. »Ik vermoed zelfs,

misschien eenigszins kwaaddenkend, dat hij op dat rechte oogenblik

volstrekt niet zou verschenen zijn, indien ik Rashleigh niet in het

huis van den vrederechter ontmoet had."

»Ik ben dus voornamelijk aan u mijn dank verschuldigd, schoone

redster?"

»Juist," antwoordde Diana. »Maar houdt het er nu maar voor, dat die

dank reeds betuigd en met een vriendelijk lachje ontvangen is. Maar val

mij daarmee niet meer lastig. Ik zou er misschien eerder bij geeuwen,

dan mij betamelijk gedragen. Zie! Ik wenschte u een dienst te bewijzen;

gelukkig ben ik daartoe in staat geweest. Maar ik begeer nu volstrekt

niet, dat gij er verder over spreekt.--Maar wie komt ons daar te gemoet

rennen? O! de griffier Jobson. Wat gloeit hij! Zeker van dienstijver!"

Hij was het, en had inderdaad groote haast, hoewel hij, zooals wij

spoedig bemerkten, innig boos scheen te zijn. Hij reed op ons toe en

hield stil, toen wij, hem koeltjes groetende, voorbij wilden rijden.

»Ei, ei, mijnheer Osbaldistone!--ei, ei, Freule Vernon! Ja, ik zie

al hoe het met de zaken staat! Buiten twijfel is er borg gesteld

gedurende mijne afwezigheid? Ik zou intusschen wel eens willen weten,

wie zich met de zorg voor de noodige schrifturen belast heeft. Maar als

mijnheer de vrederechter in het vervolg meer dergelijke maatregelen

neemt, dan moge hij naar een anderen griffier omzien, want ik bedank

voor de klucht en neem mijn ontslag."

»Of als hij zich zijn tegenwoordigen griffier aan zijn roksmouw liet

vasthechten, zou dat niet even goed zijn?" zeide Diana. »Maar hoe

hebt gij den boer Rutledge gevonden? Was hij in staat zijn testament

te maken en te onderteekenen?"

Deze vraag verhoogde de woede van den rechtsgeleerde. Hij zag Diana

zoo kwaadaardig aan, dat ik grooten lust gevoelde, om hem met mijne

karwats om de ooren te slaan. Ik onthield mij echter, alleen omdat

ik hem te nietig achtte.

»Wat? Rutledge?"--riep hij, voor zoover zijne drift hem het spreken

vergunde. »Die man is zoo gezond als gij. Louter bedrog, vervloekte

streken! Dat historietje van zijne ziekte is een logen. Misschien

hebt gij het te voren wel geweten, anders hoort gij het nu."

»Was het een logen, mijnheer Jobson!" vroeg Diana met gemaakte

onnoozelheid. »Het is onmogelijk!"

»En ik zeg het u, en herhaal het!" hernam de vertoornde griffier,

»en bovendien voeg ik er nog bij, dat de oude vrek mij een' beunhaas

noemde, ja, een' beunhaas, freule! en dat het mij slechts om geld

te doen was; dat ik steeds schraapte en naar mij toe haalde, waar

ik van rechtswege maar schrapen en naar mij toe halen kon. Zoo iets

behoef ik mij toch evenmin te laten zeggen, als wien ook van mijn

beroep--te minder, daar ik griffier van den vrederechter ben en mijne

bezoldiging geniet krachtens de verordening uit het drie en dertigste

regeeringsjaar van Hendrik VIII en het eerste regeeringsjaar van koning

Willem, glorierijker en onsterfelijker memorie--onzen onsterfelijken

redder, die ons van de Papisten en Pretendenten, van de houten klompen

en beddepannen, freule Vernon! en van dat alles heeft verlost!"

»Zeker zijn dat heel erge dingen, die klompen en beddepannen!" hernam

Diana, die er vermaak in scheen te vinden zijne boosheid nog meer te

prikkelen. »Het verheugt mij, dat gij thans geen beddepan noodig hebt,

mijnheer Jobson! Bijna vrees ik, dat de boer zijne onbeschoftheid

niet enkel bij woorden heeft gelaten, maar u misschien...."

»Geslagen heeft, meent gij? Neen, waarachtig niet! Geen levend schepsel

moet mij zelfs durven dreigen--dat verzeker ik u, freule!"

»Het komt er slechts op aan, in hoe verre gij het verdient," viel

ik hem in de rede. »Uwe manier van met freule Vernon te spreken is

zoo onbeschoft, dat ik, zoo gij geen anderen toon aanneemt, het wel

eens de moeite waard zou kunnen achten, u, zonder veel komplimenten

met mijn karwats een lesje in de wellevendheid te geven."

»Hoe, mij--mij--mijnheer--mij? Weet gij wel, met wien gij spreekt?"

»O ja, mijnheer!" hernam ik. »Gij zelf noemt u griffier van den

vrederechter en de boer Rutledge noemde u een beunhaas, maar in

geene van deze beide hoedanigheden zijt gij gerechtigd, u jegens eene

fatsoenlijke dame onbeschoft te gedragen."

Diana legde hare hand op mijn arm. »Kom, kom!" zeide zij; »de heer

Jobson moet geen klappen hebben. Ik ben waarlijk jegens hem zoo mild

niet, dat ik hem zelfs een enkelen slag met uwe karwats gun. Want dit

zou hem misschien weder zoo veel opleveren, dat hij er eenigen tijd

van leven kon. Ook hebt gij hem, dunkt mij, genoeg gezegd, door hem

een onbeschoft mensch te noemen."

»Zijne woorden raken mij niet," zeide Jobson eenigszins

bedaarder. »Onbeschoft is ook geene injurie, geen in rechten geldend

scheldwoord--maar beunhaas is formeele laster, laster van de ergste

soort: daarvoor zal de boer boeten;--boeten zal hij, even als iedereen,

die zich verstout, dat woord op eene boosaardige wijs te herhalen, ten

einde de openbare rust te storen en mij mijn goeden naam te ontrooven."

»Laat dit nu genoeg zijn, mijnheer Jobson!" zeide Diana. »Gij weet

toch best, dat, volgens uwe wetten, daar, waar niets te halen is,

zelfs de koning zijn recht verliest. En wat nu het ontrooven van uwen

goeden naam betreft, ik beklaag den armen drommel, die hem krijgt,

en wensch u van harte geluk met het verlies."

»Bravo! hm! bravo! De edele freule is heel aardig! Goeden nacht! Ik

heb niets meer te zeggen. Maar er bestaan nog oude wetten tegen de

Papisten, welke men eigenlijk tot het welzijn van het land beter

behoorde te handhaven. Ja, er bestaan van koningin Elizabeth en Jacob

I strafwetten tegen allen, die de mis bijwonen en die misboeken,

gebedenboeken, historiën van Heiligen, en dergelijk Paapsch goed in

eigendom hebben:--de Papisten kunnen worden opgeroepen, om den eed

van getrouwheid af te leggen. En wat u vooral betreft--ik zeg het

slechts om u te waarschuwen, freule Diana Vernon: daar gij ongehuwd

zijt, en geen wettigen beschermer hebt, zijt gij, als eene overtuigde

weerspannige Papiste, verplicht, u naar uwe woning te begeven en

wel langs den naasten weg, op straffe van als ongehoorzaam jegens

den koning behandeld te worden. Gij moet aan de gewone veren zoo

spoedig mogelijk de overvaart beproeven, en moogt er niet langer dan

gedurende ééne ebbe en één vloed verblijven; en als het overvaren op

die plaatsen niet geschieden kan, dan moet gij, om den overtocht te

beproeven, tot aan de knieën door het water waden." [6].

»Wel wel! dit is zeker een echt-Protestantsche boete voor mijne

Katholieke dwalingen!" zeide Diana glimlachend. »Ik dank u voor uw

onderricht, mijnheer Jobson. Ik zal mij, zoo spoedig mogelijk, naar

huis begeven en heel huiselijk leven. Goeden nacht, waarde heer Jobson,

gij heldere spiegel der rechtsgeleerde wellevendheid!"

»Goeden nacht, en herinner u, dat de wet niet met zich laat spotten!"

Na deze woorden verliet de griffier ons, en wij vervolgden onzen weg.

»Daar gaat hij heen, die stokebrand!" zei Diana, terwijl zij hem

nakeek. »Het is toch inderdaad te erg, dat lieden van fatsoen en

hoogen stand aan de gewettigde onbeschoftheden van zulk een ellendigen

deugniet blootgesteld zijn. En dat alleen, omdat zij gelooven, wat

voor honderd jaren de gansche beschaafde wereld geloofde--want wat

men ook zeggen moog', in ouderdom heeft toch zeker het Katholieke

geloof den voorrang."

»Waarachtig, ik had grooten lust, den gemeenen schelm een rammeling

te geven, die hij voelen zou!" antwoordde ik.

»Begrijp toch dat dit een heel domme streek geweest zou zijn!" hernam

Diana. »En toch, ik erken het, als mijne hand slechts wat krachtiger

geweest ware, dan zou ik hem haar gewicht, geloof ik, zelve hebben

laten voelen. Maar, wat baat hier klagen? Er zijn eigenlijk drie

dingen, waarom ik zeer te beklagen ben, ten minste als iemand het de

moeite waard achtte, medelijden voor mij te koesteren."

»En welke drie dingen zijn dat, freule?" vroeg ik zeer nieuwsgierig.

»Wilt gij mij eene hartelijke deelneming beloven als ik het u zeg?"

»O, kunt gij daaraan nog twijfelen?" antwoordde ik, haar wat dichter

naderend, vol hartelijke deelneming, waarvan ik de uitdrukking

volstrekt niet trachtte te verbergen.

»Welaan dan; want het is, in elk geval, een zeer verleidend iets,

medelijden te vinden. Hoor nu mijne drie bezwaren. Vooreerst ben ik

een meisje en geen jongen, en men zou mij in het gekkenhuis zetten

als ik slechts de helft van datgene deed, waartoe ik eigenlijk wel

lust heb. Bezat ik uw gelukkig voorrecht, om te kunnen doen wat u

behaagt, dan werd de gansche wereld misschien gek, als ze mij allen

volgden en toejuichten."

»Wat dit betreft, kan ik u de deelneming, die ge verwacht, niet

schenken. Dit soort van ongeluk is op deze wereld zoo algemeen, dat

het wel de helft van alle Adamskinderen treft, en de andere helft..."

»Is er zoo veel te beter aan toe, dat de mannen met alle kracht hunne

voorrechten vasthouden. Maar ik vergeet, dat ook gij tot die andere

helft behoort."

Glimlachend wilde ik antwoorden. »Neen, neen!" viel zij mij in de rede;

»dit zachte glimlachje is, zonder twijfel, de inleiding tot eene

aardige vleierij over de bijzondere voorrechten van Diana Vernon,

dat zij eene der geboren slavinnen mag zijn. Spaar u de moeite, om

die lofrede te houden, beste vriend! Laat intusschen eens zien, of

gij meer op mijne zijde zult zijn bij mijn tweede punt van aanklacht,

zoo als die rechtsverdraaier van straks het noemen zou. Ik behoor tot

eene onderdrukte sekte, tot een verdrongen en vervolgd geloof. Kan

ik eenige hoop koesteren, dat men mij, even als alle andere brave,

godvreezende meisjes, om mijn godsdienst achten zal? Neen. Als het

mijn goeden vriend, den vrederechter Inglewood, invalt, kan hij mij in

een verbeterhuis opsluiten, alleen omdat ik God naar de wijze mijner

voorvaderen dien, en kan hij tot mij zeggen, wat men eens tot eene

ongelukkige abdis zeide, toen men haar uit haar klooster verjoeg:

»Ga heen, wijf, en spin voor den kost!""

»Dit kwaad is te genezen!" zeide ik ernstig. »Vraag onze geleerden,

raadpleeg uw eigen helder verstand, beste freule, en gij zult zeer

zeker inzien, dat de afwijkingen van het geloof, waarin gij opgevoed

werdt, en..."

»Stil!" zeide Diana, den vinger op den mond leggende;

»geen woord meer hierover! Het geloof mijner brave voorvaderen

verloochenen? Neen! evenmin zou ik, als man, het vaandel in het heetste

oogenblik van den slag verlaten en als een lafhartige huurling tot

den zegepralenden vijand overloopen."

»Ik eerbiedig uw moed. Hij stelt u aan allerlei onaangenaamheden

bloot. Maar voor de wonden, die men ter wille van zijn geweten

ontvangt, vindt men in zich zelf dadelijk balsem die verzacht."

»Wel mogelijk, doch zij doen toch pijn. Maar ik merk wel dat het u,

bij uwe hardvochtigheid, evenmin treffen zou, zoo ik hennep of vlas

moest hekelen, als dat ik veroordeeld ben, om, in plaats van een

vilten hoed met eene kokarde, eene muts te dragen. En daarom wil ik

mij liever de vergeefsche moeite besparen, om u ook de derde oorzaak

van mijn kommer mede te deelen."

»O, neen, waarde freule, onttrek mij uw vertrouwen niet. Ik beloof u,

al de deelneming in uw zeldzaam lot, geheel aan het derde ongeluk te

wijden. Maar vooraf moet gij mij verzekeren, dat het geen ongeluk is,

hetwelk gij met het gansche vrouwelijke geslacht deelt, of ook met al

de Katholieken in Engeland, wier aantal hier--God zij met ons!--steeds

nog veel grooter is, dan wij Protestanten, in onzen ijver voor kerk

en staat, eigenlijk wenschen."

»Welnu, luister!" hernam Diana, ernstiger dan ik haar nog ooit gezien

had. »Ja, het is een ongeluk dat waarlijk medelijden verdient. Van

nature ben ik, zooals gij bemerken kunt, vrijmoedig en openhartig, een

gul, oprecht meisje; gaarne wilde ik jegens alle menschen ongeveinsd

en eerlijk handelen. Maar mijn noodlot heeft mij in zoo vele netten

en strikken verward, dat ik het nauwelijks wagen durf een enkel

woord te spreken, uit vrees voor de kwade gevolgen, niet voor mij,

maar voor anderen."

»Dat is zeker een ongeluk waarover ik u hartelijk beklaag, doch dat

ik tevens nauwelijks zou geraden hebben."

»O, mijnheer Osbaldistone, indien gij wist--indien iemand wist, hoe

moeielijk het mij soms valt een lijdend hart onder een effen voorhoofd

te verbergen, gij zoudt mij zeer zeker innig beklagen. Misschien is het

niet goed, dat ik ook zelfs u zóóveel van mijn toestand mededeel. Maar

als verstandig en scherpzinnig man moet gij natuurlijk begeerig zijn,

zoo veel mogelijk omtrent de gebeurtenissen van dezen dag te vernemen,

omtrent Rashleigh's deel aan uwe redding uit die verlegenheid, en

omtrent zoo vele andere dingen, die buiten twijfel uwe opmerkzaamheid

opgewekt en tot zich getrokken hebben. Ik kan het intusschen niet over

mij verkrijgen, u met logens om den tuin te leiden, wat ik eigenlijk

wel moest doen. Ik zou het ook onhandig eraf brengen. Bovendien, ik

zou den goeden dunk, dien gij misschien van mij voedt, geheel en al

verbeuren. Daarom zeg ik u liever eens voor altijd: vraag mij volstrekt

niets, want ik ben niet in staat om u naar waarheid te antwoorden."

Deze woorden sprak Diana op een toon van innig gevoel uit, en ik werd

daardoor diep getroffen. Ik verzekerde haar, dat zij niet behoefde

te vreezen, dat ik haar met onbescheidene vragen zou lastig vallen,

ja, dat ik hare weigering, om mijne bescheiden en hoogst natuurlijke

vragen te beantwoorden, ook niet ten kwade duiden zou. Zij had zich,

voegde ik er bij, door hare deelneming in mijn lot te zeer aan mij

verplicht, dan dat ik van de gelegenheid, welke zij mij gegeven had,

om hare omstandigheden nader te leeren kennen, eenig misbruik zou

willen maken. Maar ik verzocht haar dringend vrijmoedig over mijne

diensten te beschikken, zoodra en zoo dikwerf ik haar van nut kon zijn.

»Ik dank u, ik dank u!" antwoordde zij. »In uwe stem hoor ik niet den

logentaal der vleierij. Het is de stem van een man, die weet waartoe

hij zich verplicht. Als ooit--ja hoe zou dat mogelijk zijn!--doch als

ooit zich eens eene gelegenheid mocht opdoen, dan zal ik u vragen of

gij u deze belofte herinnert. Maar ik geef u mijn woord, dat ik niet

boos zal zijn, als ik bemerk, dat gij ze vergeten hebt. Het is voor mij

genoeg, dat gij het thans oprecht met mij meent. Want uwe gezindheid

kan door allerlei omstandigheden weer veranderd worden, vóórdat ik

u uitnoodig, om Diana bij te staan, alsof gij Diana's broeder waart."

»En als ik uw broeder ware," zeide ik, »ik zou niet sterker dan

nu mijn bijstand kunnen beloven! Maar nu vrees ik bijna te vragen,

of Rashleigh gaarne en goedwillig mijne redding bevorderd heeft?"

»Vraag dat niet mij, maar hem zelven. Gij moogt er u gerust op

verlaten, dat hij deze vraag toestemmend beantwoorden zal. Hij

laat geen brave daad door hem volbracht, overzien als een onjuist

bijvoegelijk naamwoord in eene slecht geregelde zinsnede. Hij ziet

liever zich zelf als het zelfstandig naamwoord overal aan het hoofd

geplaatst."

»Ik mag dan zeker ook niet vragen, of het deze Campbell zelf is

geweest, die den armen Morris van den last van zijn valies onthief? Ook

niet, of de brief, dien de griffier ontving, slechts eene list was,

om hem van het tooneel te verwijderen, ten einde hij mijne vrijstelling

niet tegenwerken zou? Ik mag misschien ook niet vragen..."

»Gij moogt mij niets, volstrekt niets vragen!" viel Diana mij in

de rede. »Daarom is het volstrekt nutteloos dit in dat geval te

veronderstellen. Gij moet u maar verbeelden, dat ik al deze vragen, en

nog twintig andere, even zoo slim beantwoord heb, als Rashleigh zulks

ooit zou hebben kunnen doen. Let op, wanneer ik mijn kin zóó aanraak,

dan is het een teeken, dat ik over iets, wat uwe opmerkzaamheid juist

bezig houdt, niets zeggen kan. Ik moet zoo iets met u afspreken,

om door teekenen door u verstaan te worden. Gij wilt immers mijn

vertrouweling en raadgever zijn. En evenwel zult gij van mijne

omstandigheden zelfs het geringste niet kunnen vernemen."

»Goed! Ik neem de billijkheid daarvoor ten volle aan!" zeide ik

glimlachend, »maar gij moogt er toch op rekenen dat, hoe grooter uw

vertrouwen, des te verstandiger mijn raad kan zijn."

Bij deze woorden waren wij juist het kasteel van mijne waarde

bloedverwanten genaderd. Wij waren over elkander recht tevreden. Dit

stemde ons aangenaam. Bij ons binnentreden vernamen wij, dat onze

geachte familieleden reeds vrij ver in hun avondgelag gevorderd waren.

»Bezorg wat eten voor den heer Osbaldistone en voor mij in de

boekenkamer," zeide Diana tegen een bediende. »Ik moet mij immers wel

over u ontfermen," voegde zij er, zich tot mij keerende, op vroolijken

toon bij; »en vooral moet ik zorg dragen, dat gij in de woning van

den woesten, ruwen overvloed geen honger lijdt. Anders zou ik u met

mijne geheime sluiphoeken misschien niet bekend gemaakt hebben. De

boekenkamer is mijn hol, het eenige gedeelte van het kasteel,

waar ik tegen mijn ourang-outangs van neven beveiligd ben. Daar

komen zij nooit. Misschien zijn zij bang, dat de zware folianten,

met de boekenkasten, op hen mochten nedervallen en hun den schedel

verpletteren. Want langs een anderen weg komen de boeken met hunne

hoofden niet in aanraking."

En ik volgde haar, trap op en trap af, door zaal en gang, tot wij

het vertrek bereikten, waar wij onzen maaltijd zouden houden.

Robbert Roodhaar · 第 19 / 57 题