De deur ging open, en Diana Vernon trad binnen.--

»Maar mijnheer Inglewood, is dat een wanorde in uw huis!" zeide

zij. »Nergens ziet of hoort men een bediende!"

»Ei! Freule Diana!" riep de vrederechter, en zijn vroolijk opspringen

verried, dat hij om Themis of Bacchus nog niet vergeten had, de

schoonheid der vrouw te huldigen. »Freule Diana, het schoonste

bloempje op Schotland's grenzen! Komt gij eens zien hoe de oude

vrijer het maakt? Welkom, welkom, meisjelief, en nog eens welkom,

als de bloemen in Mei! zoo lieflijk zijt gij."

»Uw huis, mijnheer de vrederechter, verdient in vollen ernst een open

huis genoemd te worden," vervolgde Diana. »Nergens een levend schepsel,

om uwe gasten te ontvangen!"

»O die schurken! Zij wisten dat zij een paar uur vrij hadden, en hebben

het waargenomen. Maar waarom komt gij zoo laat? Uw neef Rashleigh heeft

hier gegeten; maar zoodra de eerste flesch ledig was, deserteerde

hij als een lafhartig soldaat. Gij hebt zeker nog niet gegeten? Nu,

dan moet er nog iets lekkers, zoets, liefs klaar gemaakt worden, zoo

zoet en lieflijk als gij zelve zijt. Het zal dadelijk bereid worden."

»Maar ik kan volstrekt niet blijven, mijnheer Inglewood!" antwoordde

Diana. »Ik zal maar een stukje brood vragen eer wij vertrekken. Ik

ben met mijn neef, Frans Osbaldistone, hierheen gekomen, en moet hem

ook op den terugweg vergezellen en tot gids strekken; want anders

verdwaalt hij op de wijde vlakten."

»Zoo! zoo! waait de wind uit dien hoek?" hernam de vrederechter,

en neuriede:

En zij wees hem den weg, en zij wees hem den weg

En zij wees hem den weg door het veld!

»Nu ben ik bang, dat hier voor een ouden vrijer geen fortuin te maken

is, mijn rozenknopje!"

»In het geheel niet, mijnheer Inglewood! Maar gij zijt een braaf,

menschlievend rechter, en doet gij de zaak van mijn neef thans nu

maar dadelijk af, zoodat wij spoedig weder naar huis kunnen komen,

dan breng ik u aanstaande week mijn oom als gast mede, en wij zullen

eens recht vroolijk zijn."

»Ja, dat zullen wij, mijn tortelduifje! Zie, ik benijd den jongen

lieden het rijden en loopen niet, als zij mij daardoor slechts van

uw bijzijn niet berooven. Nu, nu, heden zal ik u niet ophouden. Met

de reeds afgelegde verklaring van den heer Frans Osbaldistone ben

ik volkomen tevreden: er heerscht hier een misverstand, dat wij

gemakkelijk kunnen ophelderen, zoodra wij slechts wat meer tijd

hebben."

»Met uw verlof, mijnheer Inglewood," zeide ik thans. »Ik weet immers

nog niet eens stellig, welke beschuldiging men tegen mij ingebracht

heeft."

De griffier, die bij Diana's verschijning de zaak reeds had opgegeven,

kreeg weer moed, toen hij van een kant, van welken hij zulks wel het

allerminst verwachtte, ondersteuning erlangde.--»Gij weet," zeide hij

tot den vrederechter, »dat hij, die als misdadiger is aangeklaagd,

niet maar zoo willekeurig in vrijheid kan gesteld worden. Hij moet

zich naar de gevangenis begeven of een borgtocht stellen, en den

griffier van het vredegerecht de gewone onkosten betalen."

De vrederechter zag zich in het nauw gebracht. Hij begon met de door

mij verlangde uiteenzetting. Het bleek, dat de grappen, welke ik mij

onderweg met den goeden Morris veroorloofd had, een diepen indruk

op diens verbeelding gemaakt hadden. Ik hoorde nu, dat hij al die

plagerijen, met al de overdrijving van een doodelijk beangst gemoed,

als zoo vele bewijzen tegen mij had aangevoerd. Op den dag, toen wij

van elkander afscheid genomen hadden, was hij, gelijk hij beweerde, op

een eenzamen weg door twee zwaar gewapende, gemaskerde lieden te paard

aangevallen en van zijn valies beroofd geworden. Een dier roovers was,

naar zijne meening, ongeveer van mijne gestalte, en Morris wilde zelfs

in het fluisteren van de beide kerels den naam Osbaldistone gehoord

hebben. Na het geleden verlies had hij een Protestantschen geestelijke,

bij wien hij zijn intrek nam, naar de familie Osbaldistone gevraagd en

gehoord, dat de leden van dit geslacht allen Papisten en Jakobieten

waren. Op al deze zoo gewichtige gronden, beschuldigde Morris mij

van medeplichtig te zijn aan de gewelddadigheid, waardoor men hem

van zekere hoogst belangrijke papieren en eene aanzienlijke som gelds

beroofd had, welke hij van wege de regeering aan een voornaam ambtenaar

in Schotland had moeten afgeven.

Op deze zonderlinge beschuldiging deed ik slechts uitkomen, dat de

omstandigheden, waarop men ze gegrond had, aan geene overheid het

recht konden geven mij van mijne persoonlijke vrijheid te berooven. Ik

erkende, dat ik mijn angstigen reisgenoot een weinig voor den gek

had gehouden, en dat ik hem door onschuldige scherts misschien min of

meer vrees aangejaagd had. Maar, zeide ik, men moest wel door angst

van zijn verstand beroofd zijn, om dergelijke gekheden voor waarheid

op te nemen, en zich daardoor te laten verschalken. »Sedert wij van

elkander afscheid hebben genomen," voegde ik er bij, »heb ik mijn

reisgenoot niet weder gezien. En is hem werkelijk overkomen, wat hij

toenmaals steeds scheen te vreezen, dan betuig ik hier openlijk,

dat ik aan zulk een daad, die met mijne gezindheid en mijn stand

geheel strijdig is, niet alleen niet medeplichtig ben, maar ook,

dat mij daarvan volstrekt niets bekend is. De omstandigheid, dat men

een der roovers den naam Osbaldistone heeft gegeven, of dat deze naam

slechts in hun gesprek voorgekomen is, beteekent niets. Wat aangaat de

ten laste gelegde staatkundige gevoelens, bied ik aan, tot genoegen

van den vrederechter, den griffier en den aanklager te bewijzen,

dat ook ik tot de Presbyteriaansche kerk behoor, dat ik als een

getrouw onderdaan in de grondbeginselen der revolutie opgevoed ben,

en derhalve de bescherming der wetten, door die groote gebeurtenis

bekrachtigd, thans voor mij zelf inroep."

De vrederechter draaide zich op zijn stoel heen en weder, nam het eene

snuifje na het andere en scheen zich in jammerlijke verlegenheid te

bevinden. De griffier las hem eene wet van Eduard III voor, krachtens

welke de vrederechters iederen aangeklaagde of verdachte persoon in

hechtenis mochten nemen. De boosaardige schelm maakte een wapen tegen

mij uit dat, wat ik zelf toegestemd had. Hij beweerde, dat ik volgens

mijn eigene bekentenis den schijn van een roover had aangenomen, dat

ik mij daardoor zelf aan de verdenking had blootgesteld, waarover ik

nu klaagde.

Al deze gronden bestreed ik met vrij wat bitterheid, en liet

daarbij tevens niet onduidelijk blijken, dat ik den heer griffier

diep verachtte. Ten slotte beloofde ik, des noods, den borgtocht van

mijne familie te zullen leveren. Dat kon men in geen geval weigeren.

Maar de kwaadaardige griffier maakte allerhande bedenkingen tegen

het aannemen van een borgtocht in zulk eene gewichtige zaak. Hij

gaf den vrederechter een wenk, om toch wel te overwegen wat de wet

hieromtrent duidelijk en stellig voorschreef.

Op dat oogenblik werd een brief aan den griffier gebracht. Toen hij

dien snel gelezen had, scheen hij zich over deze stoornis zeer te

ergeren. »Lieve Hemel!" riep hij uit, »nu kan ik waarlijk noch aan

ambtsbezigheden, noch aan mijne eigen zaken denken. Geen rust, geen

uitstel! Ware er maar iemand anders hier, die mij helpen kon!"

»Dankje!" mompelde de vrederechter half luid; »ik heb aan één meer

dan genoeg!"

»Maar het is een zaak van leven en dood!" riep de griffier.

»In 's Hemels naam, als het dan niet anders kan!--Evenwel hoop ik,

dat het buiten mij kan beredderd worden, en dat ik ambtshalve er

niets mede te maken heb?" vroeg de heer Inglewood min of meer beangst.

En nu verhaalde de griffier, dat de rijke pachter Rutledge, in de

nabuurschap, eene dagvaarding naar de eeuwigheid ontvangen en hem

ontboden had, om zijne wereldsche aangelegenheden in orde te brengen.

»Ga dan, ga dan!" riep de vrederechter; »dan moogt gij geen minuut

langer hier blijven."

»Indien misschien mijne tegenwoordigheid hier noodzakelijk mocht

zijn," zeide Jobson, terwijl hij zich schoorvoetend naar de deur

begaf;--»ik kan het bevel tot arrest oogenblikkelijk opstellen, en

de gerechtsdienaar staat beneden. Ook hebt gij gehoord, wat de heer

Rashleigh aanmerkte,"--vervolgde hij veel zachter, maar het overige,

wat hij zeide, werd een voor mij volstrekt onverstaanbaar fluisteren.

»Neen, zeg ik u, vriendje!" antwoordde de vrederechter luid. »Er zal en

moet niets gebeuren, voor dat gij terugkomt: het is immers slechts een

rit van anderhalve mijl. Nu, tot weerziens!--Welaan!" vervolgde hij,

zich weder tot ons keerende, »het glas gevuld, mijnheer Morris! Wees

niet moedeloos, mijnheer Osbaldistone. En gij mijn heidebloempje,

voor u een glaasje rooden wijn, om de rozen op uwe wangen wat te

verfrisschen."

Diana keek op, als ontwaakte zij uit een diep gepeins, waarin

zij sedert eenige oogenblikken verzonken scheen.--»Neen, mijnheer

Inglewood," antwoordde zij: »op zulke wijze zou ik voor mijne rozen

liefst geene verfrissching wenschen. Maar met een koeleren dronk wil

ik u gaarne bescheid doen," voegde zij er bij, terwijl zij een glas

met water vulde. Zij dronk met een onrustige drift, die met hare

schijnbare opgeruimdheid zichtbaar in strijd was.

Ik was echter niet in de rechte stemming, om haar nauwkeurig gade

te slaan. De nieuwe stoornis, die het oogenblikkelijk onderzoek der

hatelijke aanklacht weder vertraagde, verdroot mij zeer. Het was

niet te verwachten, dat de vrederechter gedurende de afwezigheid van

den griffier zich ook maar in het geringste met mijne zaak zou bezig

houden. Integendeel, de man scheen zoo verheugd over die afwezigheid,

als een schooljongen over een vakantiedag. En vruchteloos poogde hij

vroolijkheid bij zijne gasten op te wekken, daar geen van allen tot

zoo iets gestemd waren.--

»Maar voor den drommel, vriend Morris!" riep hij, »laat het hoofd

niet hangen. Gij zijt immers de eerste niet, en zult ook de laatste

niet wezen, die door roovers aangevallen werd. Met treuren komen wij

niet verder, en krijgen wij ook het verlorene niet terug. En gij,

mijnheer Osbaldistone, ook gij zijt de eerste jonge wildzang niet,

die een eerlijk man zijn: »sta!" heeft toegeroepen. Ik herinner

mij uit mijne jeugd een recht aardige jongen, Winterfield heette

hij--een jongen, in alle fatsoenlijke gezelschappen gezocht en

gezien, bij alle hanengevechten en harddraverijen tegenwoordig--wij

waren boezemvrienden, Orestes en Pylades. Maar, kom aan, drink eens,

mijnheer Morris! Met eene droge tong is het slecht praten. Ja, wat

ik ook zeggen wilde--menige flesch heb ik met dien goeden jongen

geleegd. Hij was van fatsoenlijke familie, zag er niet kwaad uit, een

gul gelaat, maar, weet ge! hij had een sluw oog en donkere wenkbrauwen;

overigens een knappe, door en door eerlijke jongen, uitgezonderd in

dat satansche gevalletje, dat hem het leven heeft gekost. Schenkt in,

Heeren! Op zijne nagedachtenis! En daar wij nu eenmaal op dit kapittel

zijn gekomen, en mijn verwenschten griffier met zijne verwenschte

geleerdheid uit de voeten is, kunnen wij eens recht vertrouwelijk

spreken. Mijnheer Osbaldistone, zoo gij mijn raad wilt volgen--de

wet is gestreng--zeer gestreng--de ongelukkige Winterfield kwam aan

de galg, in weerwil van alle voorspraak, van alle tusschenkomst van

vrienden, van alle familiebetrekkingen--hij moest hangen, omdat hij

een vetten beestenkooper eenige guinjes lichter had gemaakt. Nu ja,

gij hebt den goeden Morris slechts een weinig willen verschrikken en

zoo voorts. Wat drommel, vriendje, geef den man zijn valies weder,

en de grap is afgeloopen, en er wordt nooit weder over gesproken."

Toen Morris deze woorden hoorde, helderde zijn gelaat eensklaps weder

op, en hij verzekerde stamelende, dat hij de man niet was, die naar

menschenbloed dorstte. Ik viel hem echter in de rede. Ik uitte mijne

verontwaardiging over de beleedigende onderstelling des rechters,

die mij voor schuldig hield aan eene misdaad, die ik nooit begaan had,

en waarvan ik wilde vrijgesproken worden.

Op dit hachelijk oogenblik kwam er een bediende binnen en meldde een

vreemden heer aan. Terstond daarop trad die vreemde heer, zonder veel

komplimenten, de kamer binnen.

Robbert Roodhaar · 第 18 / 57 题