»Gij kent de kunst van 't vechten,"
Zoo sprak de man, die het pleit hier moest beslechten.
»Hoor," sprak de pleiter, »op mijn eer,
Gij zijt een vechtersbaas, mijnheer!
Ja, bij mijn ziel, gij kunt het wagen
Den stoutsten kamphaan hier te dagen."
Butler.
Toen wij het voorplein betraden, kwam ons een bediende in mijns ooms
liverei te gemoet, en nam ons de paarden af. Wij traden het huis
binnen. Doch toen wij in de voorkamer kwamen, stonden mijne schoone
reisgenoote en ik verrast, neef Rashleigh daar aan te treffen;
terwijl hij, ons ziende, even verwonderd was.
»Rashleigh,"--dus begon Diana, zonder hem tijd te laten om ons eene
vraag te doen--»gij hebt van uws neefs zaak gehoord; gij hebt reeds
met den rechter daarover gesproken?"
»Ja!" hernam Rashleigh met zeer veel bedaardheid. »Die zaak was de
reden van mijne komst. Ik heb mij beijverd,"--met eene buiging tegen
mij--»mijn neef van dienst te zijn, zoo veel ik kon. Het spijt mij
inderdaad, hem hier te ontmoeten voor zulk een zaak."
»Als vriend en bloedverwant," antwoordde ik, »moest het u integendeel
spijten, wanneer gij mij ergens anders ontmoettet, daar ik dan niet
spoedig genoeg hier kon zijn, om mijne aangetaste eer te zuiveren."
»Volkomen waar," hernam Rashleigh; »maar naar mijns vaders
uitdrukkingen te oordeelen, meende ik niettemin, dat een kort verblijf
in Schotland--slechts zoolang, tot de zaak in stilte afgedaan ware..."
Ik antwoordde hem met drift, dat ik hier in geenen deele vreesachtige
voorzichtigheidsmaatregelen behoefde te nemen, dat er niets in stilte
afgemaakt behoefde te worden, maar dat mijn doel wel degelijk was,
een laaghartigen laster op het spoor te komen, en den lasteraar
beschamend te wederleggen.
»Mijnheer Frans Osbaldistone is onschuldig, Rashleigh," zeide Diana
hierop. »Hij verlangt, dat men de tegen hem ingebrachte beschuldiging
onderzoeke, en ik zal hem daarin behulpzaam zijn."
»Gij, lieve nicht?" vroeg Rashleigh. »Mijns inziens zou mijn neef
even goed, en misschien wat voegzamer, door mij dan door u ondersteund
worden."
»Dat kan wel zijn, maar gij weet toch ook wel, dat vier oogen meer
zien dan twee."
»Welzeker, en vooral oogen als de uwe, schoone Diana!" hernam
Rashleigh. Daarbij vatte hij hare hand, met zulk eene vertrouwelijke
teederheid, dat hij er in mijne oogen nog vijftigmaal leelijker uitzag,
dan de natuur hem geschapen had.
Diana nam hem ter zijde. Zij spraken zeer zacht met elkander, en
het meisje scheen iets te begeeren, wat hij niet toestaan kon of
wilde. Nooit zag ik zulk een sterk contrast in de uitdrukking van
twee gezichten. Hare oogen vonkelden; hare wangen werden vuurrood;
zij balde de kleine handen tot vuisten; zij stampvoette heftig, en
scheen met verachting en ergernis verontschuldigingen aan te hooren,
welke hij--zoo als ik uit zijn hoffelijk schouder-ophalen, uit zijn
bedaard, eerbiedig lachje en uit andere teekens besluiten moest--met
alle onderdanigheid aanvoerde. Eindelijk keerde zij zich plotseling
van hem af, terwijl zij op zeer stelligen toon zeide: »kort en goed,
ik wil het zoo hebben!"
»Maar dat is geheel buiten mijne macht. Het is mij volstrekt
onmogelijk," hernam Rashleigh, terwijl hij zich tot mij keerende er
bij voegde: »denk eens neef..."
»Zijt gij razend?" viel Diana hem in de rede.
»Denk eens," vervolgde Rashleigh, zonder zich door haar te laten
storen, »Freule Vernon wil volstrekt, dat ik niet alleen uwe
onschuld erken--waarvan trouwens niemand inniger overtuigd kan zijn
dan ik,--maar dat ik ook hen, die eigenlijk schuldig zijn aan de
gepleegde misdaad, bekend zal maken, indien er werkelijk zulk eene
misdaad gepleegd is. Spreek, is dat verstandig?"
»Ik wil hier geen beroep op den heer Osbaldistone laten gelden,
Rashleigh," hernam Diana. »Hij toch weet niet, wat ik weet, dat
namelijk uwe correspondentie over alles, wat er gebeurt, zeer
uitgebreid is."
»Gij kent mij een macht toe, waarop ik geene aanspraak kan
maken!" antwoordde Rashleigh.
»Slechts rechtvaardig ben ik jegens u, Rashleigh, slechts rechtvaardig,
en ik verwacht van u ook niets meer dan gerechtigheid."
»Gij zijt eene dwingelandes, Diana," hernam hij met eene soort van
zucht; »eene grillige dwingelandes, en gij heerscht over uwe vrienden
met een ijzeren schepter. Maar aan uwe begeerte zal voldaan worden. Gij
moest echter niet hier zijn; gij weet het immers--gij moest niet! Keer
dus met mij terug."
En zich omkeerende, terwijl Diana besluiteloos bleef staan, trad hij
naar mij toe en zeide: »Twijfel niet, neef, dat ik oprecht deelneem
in hetgeen u overkomen is, en het is alleen om voor uwe belangen te
waken, dat ik u op dit oogenblik verlaat. Maar gij moet uw invloed
op onze nicht aanwenden, om haar te bewegen naar huis te gaan. Hare
tegenwoordigheid hier kan u niet van nut zijn, en haar tot nadeel
strekken."
»Gij moogt u verzekerd houden," was mijn antwoord, »dat ik daarvan
evenzeer overtuigd ben, als gij. Ik heb Freule Vernon reeds herhaalde
malen dringend verzocht, zich naar huis te begeven."
»Ik heb er over nagedacht," zeide Diana, na eene lange poos
zwijgen. »Ik ga niet heen, voor dat ik zie, dat gij uit de handen
der Filistijnen gered zijt. Neef Rashleigh moge het wel met u meenen,
maar hij en ik, wij kennen elkander! Rashleigh, ik ga niet!--Ik weet,"
voegde zij er met nadruk, doch eenigszins zachter bij, »dat gij,
als ik hier blijf, des te vlugger en werkzamer zult zijn."
»Blijf dan, onbezonnen meisje!" riep Rashleigh; »gij weet maar al te
wel, wien gij vertrouwt."
En snel keerde hij zich om, verliet het vertrek, en eenige oogenblikken
daarna hoorden wij den hoefslag van zijn paard.
»God dank, hij is weg!" zeide Diana; »nu dadelijk naar den
vrederechter!"
»Willen wij niet liever een bediende roepen?" vroeg ik.
»Neen! o neen! Ik ken den weg naar zijn hol. Wij moeten hem plotseling
overvallen. Kom!"
Ik volgde haar. Zij ijlde de donkere trap op, liep haastig door een
lange half duistere gang en kwam in eene groote voorkamer, waarin
zeer vele oude landkaarten, bouwkundige schetsen en stamboomen aan
den wand hingen. Een vleugeldeur bracht ons in het woonvertrek van den
jonker, en eene stem, die in vroegere tijden bij de flesch vrij goed
moet geklonken hebben, zong juist het refrein van een oud drinklied.
»De goede man moet reeds gegeten hebben," zeide Diana; »ik dacht
waarlijk niet, dat het reeds zoo laat was."
Diana had goed geraden. De rechter, wiens eetlust door ambtsbezigheden
nog al geprikkeld was geworden, had zich in plaats van te één uur,
den gewonen tijd voor het middagmaal, reeds te twaalf uren aan tafel
begeven. »Wacht hier," vervolgde Diana; »ik ben in dit huis bekend. Nu
moet ik een bediende roepen. Uwe plotselinge verschijning zou wellicht
den ouden heer al te zeer verrassen."
En zij ijlde schielijk weg. Terwijl ik, besluiteloos of ik naderen
of terugkeeren zou, bleef staan, kon ik duidelijk genoeg hooren,
wat er in de eetzaal gesproken werd. Eene krassende stem, maar die
mij bekend voorkwam, zeide verontschuldigend, niet te kunnen zingen.
»Gij wilt niet zingen, vriendje!" riep de vrederechter, »gij
moet! Wat satan! gij hebt daar eene van mijne grootste bokalen met
echten portwijn leeg gedronken, en nu zoudt gij nog niet kunnen
zingen? Vriendje, die wijn zou eene kat aan het zingen, ja zelfs
aan het spreken brengen. Een vroolijk liedje dus! gij kunt er niet
af. Eerst verbeuzelt gij den kostbaren tijd met uwe vervelende
verklaringen, en dan zegt gij mij, dat gij niet zingen kunt!"
»Mijn edele heer vrederechter heeft volkomen gelijk!" hernam eene
andere stem, die deftig klonk en den klerk scheen toe te behooren;
»mijnheer hier zal zich ook gaarne naar uw wensch voegen, daaraan
twijfel ik niet. Ik zie het reeds op zijn voorhoofd geschreven: canet,
dat is: dat hij zinge!"
»Welaan, er uit met je lied!" viel de rechter in. »Of, bij
St. Christoffel! gij zult mijn bokaal vol zout water moeten leeg
drinken, dat is volgens de overlevering, in dergelijke gevallen de
vaste boete."
Mijn voormalige reisgenoot, dien ik thans zeer goed herkende, werd door
deze bedreiging naar het scheen, geheel bedwongen. In erbarmelijke
jammertonen, als een misdadiger, die zijn laatste boetpsalm bij het
schavot zingt, hief hij aan:
Verneemt, o menschen! thans mijn lied,
Een droevig, allerdroevigst lied,
Van den beruchten straatbandiet,
Der reiz'gers schrik en zwaar verdriet.
Tralali, Tralala, enz.
Er gingen zes mannen zoo al te gaar
Naar Kensington, van Brentfort maar.
En plotseling stond de roover daar,
Van dolken en pistolen zwaar.
Tralali, Tralala, enz.
De mannen, die zes, ze waren zat,
Want ze hadden te Brentfort wijn gehad.
De roover brult: Je geld hier! Wat?...
En ze beefden als een espenblad.
Tralali, Tralala, enz.
Ik geloof niet dat de arme reizigers uit het mooie lied bij de
verschijning van den roover zóó ontsteld zijn geweest, als de
zanger toen hij mij aanschouwde. Ik was het wachten moede, de kamer
binnengetreden, en stond tegenover mijn voormaligen reisgenoot
Morris. De hooge tonen van zijn zang stierven in een angstig beven
weg, toen hij den man in zijne nabijheid zag, in zijne oogen even
gevaarlijk als de held van zijn lied. Plotseling zweeg hij en staarde
mij met open mond onbeweeglijk aan, als of ik het hoofd van Medusa
op mijn schouders had.
De vrederechter, die aan de slaapwekkende kracht van het gezang
reeds half had toegegeven, richtte zich in zijn leunstoel op, toen
hij de tonen niet meer hoorde. Zijne weder ontwaakte oogen vestigden
zich met verwondering op den ongenooden gast. Zelfs de griffier,
die tegenover den bedremmelden Morris zat, begon te deelen in de
ontsteltenis van den armen man, zonder dat hij zelf wist waarom.
Op de algemeene verbazing, door mijn plotseling binnentreden
veroorzaakt, volgde een korte stilte. Maar ik brak spoedig die stilte
af. »Mijnheer Inglewood," zeide ik overluid, »mijn naam is Frans
Osbaldistone. Ik heb vernomen, dat de een of andere ellendeling
eene aanklacht tegen mij bij u gedaan heeft, en wel als zou ik aan
een diefstal of berooving, welke hij voorgeeft ondergaan te hebben,
deelgenomen hebben."
»Mijnheer," antwoordde de vrederechter forsch, »dat zijn zaken,
waarmede ik mij aan tafel nooit bemoei. Alles heeft zijn tijd, en een
vrederechter moet even goed als andere lieden den tijd hebben om in
vrede te eten."
Inglewood's weldoorvoede buik scheen noch in den dienst van het recht,
noch in dien van den Hemel op eenige wijze door vasten gekweld te zijn.
»Vergeef mij, mijnheer," als ik eenigszins ongelegen kom. »Maar daar
het mijn goeden naam geldt, en de maaltijd geëindigd schijnt...."
»Gij vergist u zeer, mijnheer," viel Inglewood mij in de rede;
»de maaltijd is in zooverre geëindigd, als ik aan spijs en drank
voor het oogenblik genoeg heb. Maar de spijsvertering, vriend, de
spijsvertering moet ook behoorlijk bevorderd worden. En ik kan ze
niet beter bevorderen, dan door na den maaltijd een paar uren rust
te genieten, onder eene onschuldige vroolijkheid en een matig glaasje
wijn. Verzuim ik dit, dan lijd ik dadelijk aan indigestie."
»Ik verzoek u wel verschooning, mijnheer," begon de griffier Jobson
thans, die middelerwijl reeds schrijfgereedschap en papier voor den dag
had gehaald: »maar hier is sprake van eene kapitale misdaad. Mijnheer
is eenigszins ongeduldig. En aangezien de aanklacht de schending der
publieke veiligheid betreft--"
»De duivel hale de publieke veiligheid!" riep de vrederechter ten
hoogste misnoegd. »Ik hoop," voegde hij er schielijk bij, »dat niemand
mij zoo'n losse uitdrukking euvel duiden zal! Maar wezenlijk, men zou
dol en razend worden, als men zoo onophoudelijk gekweld wordt! Heb ik
mijn geheele leven wel één enkel oogenblik rust met al die accusatiën,
arresten, condemnatiën, akten, transaktiën, borgtochten, injuriën,
enz., enz. Ik zeg het u bij tijds, Jobson, binnen kort jaag ik u met
het gansche vrederechterschap naar den Satan."
»Mijnheer gelieve de hooge waardigheid van het ambt niet uit het oog te
verliezen," hernam de griffier. »In de gansche Christenwereld bestaat
er niets edelers en heerlijkers, dan het ambt van vrederechter,
wanneer het naar behooren waargenomen wordt, zooals de beroemde
rechtsgeleerde Eduard Coke zeer wijselijk heeft opgemerkt."
»Nu dan," zeide Inglewood, half verzoend door de lofrede op de
waardigheid van zijn beroep, terwijl hij het overschot van zijn
misnoegen in een flinken teug wegdronk. »Ter zake! maar zonder omwegen,
zoodat er spoedig een einde aan kome. Spreek, mijnheer Morris, gij
ridder van de droevige figuur! Is die man daar de Frans Osbaldistone,
dien gij als medeplichtige aan de tegen u begane misdaad aanklaagt?"
»Ik, Mijnheer?" hernam Morris, die van zijne ontsteltenis nauwelijks
eenigszins bekomen was; »ik klaag niemand aan--ik heb volstrekt niets
tegen dezen heer."
»Welnu, dan wordt uwe aanklacht eenvoudig ter zijde gelegd, en
daarmede uit.--Dan hebben wij er niets meer mede te maken. Kom,
de glazen gevuld, mijnheer Osbaldistone, bedien u!"
Maar de griffier was geenszins voornemens, om den klager zoo goedkoop
vrij te laten.--»Hoe kunt gij zoo spreken, mijnheer Morris?" zeide
hij. »Hier is uwe eigene verklaring--de inkt is nauwelijks droog--en
gij wilt ze zoo lafhartig, herroepen!"
»Gij hebt goed praten!" hernam Morris zacht en bevend. »Wat weet ik,
hoe vele schelmen hier in huis zijn, die hem kunnen bijstaan. Van
zulke gevallen heb ik in Johnsons Rooversgeschiedenissen gelezen. Ja,
waarachtig, de deur..."