HOOFDSTUK VIII.

»Gij kent de kunst van 't vechten,"

Zoo sprak de man, die het pleit hier moest beslechten.

»Hoor," sprak de pleiter, »op mijn eer,

Gij zijt een vechtersbaas, mijnheer!

Ja, bij mijn ziel, gij kunt het wagen

Den stoutsten kamphaan hier te dagen."

Butler.

Toen wij het voorplein betraden, kwam ons een bediende in mijns ooms

liverei te gemoet, en nam ons de paarden af. Wij traden het huis

binnen. Doch toen wij in de voorkamer kwamen, stonden mijne schoone

reisgenoote en ik verrast, neef Rashleigh daar aan te treffen;

terwijl hij, ons ziende, even verwonderd was.

»Rashleigh,"--dus begon Diana, zonder hem tijd te laten om ons eene

vraag te doen--»gij hebt van uws neefs zaak gehoord; gij hebt reeds

met den rechter daarover gesproken?"

»Ja!" hernam Rashleigh met zeer veel bedaardheid. »Die zaak was de

reden van mijne komst. Ik heb mij beijverd,"--met eene buiging tegen

mij--»mijn neef van dienst te zijn, zoo veel ik kon. Het spijt mij

inderdaad, hem hier te ontmoeten voor zulk een zaak."

»Als vriend en bloedverwant," antwoordde ik, »moest het u integendeel

spijten, wanneer gij mij ergens anders ontmoettet, daar ik dan niet

spoedig genoeg hier kon zijn, om mijne aangetaste eer te zuiveren."

»Volkomen waar," hernam Rashleigh; »maar naar mijns vaders

uitdrukkingen te oordeelen, meende ik niettemin, dat een kort verblijf

in Schotland--slechts zoolang, tot de zaak in stilte afgedaan ware..."

Ik antwoordde hem met drift, dat ik hier in geenen deele vreesachtige

voorzichtigheidsmaatregelen behoefde te nemen, dat er niets in stilte

afgemaakt behoefde te worden, maar dat mijn doel wel degelijk was,

een laaghartigen laster op het spoor te komen, en den lasteraar

beschamend te wederleggen.

»Mijnheer Frans Osbaldistone is onschuldig, Rashleigh," zeide Diana

hierop. »Hij verlangt, dat men de tegen hem ingebrachte beschuldiging

onderzoeke, en ik zal hem daarin behulpzaam zijn."

»Gij, lieve nicht?" vroeg Rashleigh. »Mijns inziens zou mijn neef

even goed, en misschien wat voegzamer, door mij dan door u ondersteund

worden."

»Dat kan wel zijn, maar gij weet toch ook wel, dat vier oogen meer

zien dan twee."

»Welzeker, en vooral oogen als de uwe, schoone Diana!" hernam

Rashleigh. Daarbij vatte hij hare hand, met zulk eene vertrouwelijke

teederheid, dat hij er in mijne oogen nog vijftigmaal leelijker uitzag,

dan de natuur hem geschapen had.

Diana nam hem ter zijde. Zij spraken zeer zacht met elkander, en

het meisje scheen iets te begeeren, wat hij niet toestaan kon of

wilde. Nooit zag ik zulk een sterk contrast in de uitdrukking van

twee gezichten. Hare oogen vonkelden; hare wangen werden vuurrood;

zij balde de kleine handen tot vuisten; zij stampvoette heftig, en

scheen met verachting en ergernis verontschuldigingen aan te hooren,

welke hij--zoo als ik uit zijn hoffelijk schouder-ophalen, uit zijn

bedaard, eerbiedig lachje en uit andere teekens besluiten moest--met

alle onderdanigheid aanvoerde. Eindelijk keerde zij zich plotseling

van hem af, terwijl zij op zeer stelligen toon zeide: »kort en goed,

ik wil het zoo hebben!"

»Maar dat is geheel buiten mijne macht. Het is mij volstrekt

onmogelijk," hernam Rashleigh, terwijl hij zich tot mij keerende er

bij voegde: »denk eens neef..."

»Zijt gij razend?" viel Diana hem in de rede.

»Denk eens," vervolgde Rashleigh, zonder zich door haar te laten

storen, »Freule Vernon wil volstrekt, dat ik niet alleen uwe

onschuld erken--waarvan trouwens niemand inniger overtuigd kan zijn

dan ik,--maar dat ik ook hen, die eigenlijk schuldig zijn aan de

gepleegde misdaad, bekend zal maken, indien er werkelijk zulk eene

misdaad gepleegd is. Spreek, is dat verstandig?"

»Ik wil hier geen beroep op den heer Osbaldistone laten gelden,

Rashleigh," hernam Diana. »Hij toch weet niet, wat ik weet, dat

namelijk uwe correspondentie over alles, wat er gebeurt, zeer

uitgebreid is."

»Gij kent mij een macht toe, waarop ik geene aanspraak kan

maken!" antwoordde Rashleigh.

»Slechts rechtvaardig ben ik jegens u, Rashleigh, slechts rechtvaardig,

en ik verwacht van u ook niets meer dan gerechtigheid."

»Gij zijt eene dwingelandes, Diana," hernam hij met eene soort van

zucht; »eene grillige dwingelandes, en gij heerscht over uwe vrienden

met een ijzeren schepter. Maar aan uwe begeerte zal voldaan worden. Gij

moest echter niet hier zijn; gij weet het immers--gij moest niet! Keer

dus met mij terug."

En zich omkeerende, terwijl Diana besluiteloos bleef staan, trad hij

naar mij toe en zeide: »Twijfel niet, neef, dat ik oprecht deelneem

in hetgeen u overkomen is, en het is alleen om voor uwe belangen te

waken, dat ik u op dit oogenblik verlaat. Maar gij moet uw invloed

op onze nicht aanwenden, om haar te bewegen naar huis te gaan. Hare

tegenwoordigheid hier kan u niet van nut zijn, en haar tot nadeel

strekken."

»Gij moogt u verzekerd houden," was mijn antwoord, »dat ik daarvan

evenzeer overtuigd ben, als gij. Ik heb Freule Vernon reeds herhaalde

malen dringend verzocht, zich naar huis te begeven."

»Ik heb er over nagedacht," zeide Diana, na eene lange poos

zwijgen. »Ik ga niet heen, voor dat ik zie, dat gij uit de handen

der Filistijnen gered zijt. Neef Rashleigh moge het wel met u meenen,

maar hij en ik, wij kennen elkander! Rashleigh, ik ga niet!--Ik weet,"

voegde zij er met nadruk, doch eenigszins zachter bij, »dat gij,

als ik hier blijf, des te vlugger en werkzamer zult zijn."

»Blijf dan, onbezonnen meisje!" riep Rashleigh; »gij weet maar al te

wel, wien gij vertrouwt."

En snel keerde hij zich om, verliet het vertrek, en eenige oogenblikken

daarna hoorden wij den hoefslag van zijn paard.

»God dank, hij is weg!" zeide Diana; »nu dadelijk naar den

vrederechter!"

»Willen wij niet liever een bediende roepen?" vroeg ik.

»Neen! o neen! Ik ken den weg naar zijn hol. Wij moeten hem plotseling

overvallen. Kom!"

Ik volgde haar. Zij ijlde de donkere trap op, liep haastig door een

lange half duistere gang en kwam in eene groote voorkamer, waarin

zeer vele oude landkaarten, bouwkundige schetsen en stamboomen aan

den wand hingen. Een vleugeldeur bracht ons in het woonvertrek van den

jonker, en eene stem, die in vroegere tijden bij de flesch vrij goed

moet geklonken hebben, zong juist het refrein van een oud drinklied.

»De goede man moet reeds gegeten hebben," zeide Diana; »ik dacht

waarlijk niet, dat het reeds zoo laat was."

Diana had goed geraden. De rechter, wiens eetlust door ambtsbezigheden

nog al geprikkeld was geworden, had zich in plaats van te één uur,

den gewonen tijd voor het middagmaal, reeds te twaalf uren aan tafel

begeven. »Wacht hier," vervolgde Diana; »ik ben in dit huis bekend. Nu

moet ik een bediende roepen. Uwe plotselinge verschijning zou wellicht

den ouden heer al te zeer verrassen."

En zij ijlde schielijk weg. Terwijl ik, besluiteloos of ik naderen

of terugkeeren zou, bleef staan, kon ik duidelijk genoeg hooren,

wat er in de eetzaal gesproken werd. Eene krassende stem, maar die

mij bekend voorkwam, zeide verontschuldigend, niet te kunnen zingen.

»Gij wilt niet zingen, vriendje!" riep de vrederechter, »gij

moet! Wat satan! gij hebt daar eene van mijne grootste bokalen met

echten portwijn leeg gedronken, en nu zoudt gij nog niet kunnen

zingen? Vriendje, die wijn zou eene kat aan het zingen, ja zelfs

aan het spreken brengen. Een vroolijk liedje dus! gij kunt er niet

af. Eerst verbeuzelt gij den kostbaren tijd met uwe vervelende

verklaringen, en dan zegt gij mij, dat gij niet zingen kunt!"

»Mijn edele heer vrederechter heeft volkomen gelijk!" hernam eene

andere stem, die deftig klonk en den klerk scheen toe te behooren;

»mijnheer hier zal zich ook gaarne naar uw wensch voegen, daaraan

twijfel ik niet. Ik zie het reeds op zijn voorhoofd geschreven: canet,

dat is: dat hij zinge!"

»Welaan, er uit met je lied!" viel de rechter in. »Of, bij

St. Christoffel! gij zult mijn bokaal vol zout water moeten leeg

drinken, dat is volgens de overlevering, in dergelijke gevallen de

vaste boete."

Mijn voormalige reisgenoot, dien ik thans zeer goed herkende, werd door

deze bedreiging naar het scheen, geheel bedwongen. In erbarmelijke

jammertonen, als een misdadiger, die zijn laatste boetpsalm bij het

schavot zingt, hief hij aan:

Verneemt, o menschen! thans mijn lied,

Een droevig, allerdroevigst lied,

Van den beruchten straatbandiet,

Der reiz'gers schrik en zwaar verdriet.

Tralali, Tralala, enz.

Er gingen zes mannen zoo al te gaar

Naar Kensington, van Brentfort maar.

En plotseling stond de roover daar,

Van dolken en pistolen zwaar.

Tralali, Tralala, enz.

De mannen, die zes, ze waren zat,

Want ze hadden te Brentfort wijn gehad.

De roover brult: Je geld hier! Wat?...

En ze beefden als een espenblad.

Tralali, Tralala, enz.

Ik geloof niet dat de arme reizigers uit het mooie lied bij de

verschijning van den roover zóó ontsteld zijn geweest, als de

zanger toen hij mij aanschouwde. Ik was het wachten moede, de kamer

binnengetreden, en stond tegenover mijn voormaligen reisgenoot

Morris. De hooge tonen van zijn zang stierven in een angstig beven

weg, toen hij den man in zijne nabijheid zag, in zijne oogen even

gevaarlijk als de held van zijn lied. Plotseling zweeg hij en staarde

mij met open mond onbeweeglijk aan, als of ik het hoofd van Medusa

op mijn schouders had.

De vrederechter, die aan de slaapwekkende kracht van het gezang

reeds half had toegegeven, richtte zich in zijn leunstoel op, toen

hij de tonen niet meer hoorde. Zijne weder ontwaakte oogen vestigden

zich met verwondering op den ongenooden gast. Zelfs de griffier,

die tegenover den bedremmelden Morris zat, begon te deelen in de

ontsteltenis van den armen man, zonder dat hij zelf wist waarom.

Op de algemeene verbazing, door mijn plotseling binnentreden

veroorzaakt, volgde een korte stilte. Maar ik brak spoedig die stilte

af. »Mijnheer Inglewood," zeide ik overluid, »mijn naam is Frans

Osbaldistone. Ik heb vernomen, dat de een of andere ellendeling

eene aanklacht tegen mij bij u gedaan heeft, en wel als zou ik aan

een diefstal of berooving, welke hij voorgeeft ondergaan te hebben,

deelgenomen hebben."

»Mijnheer," antwoordde de vrederechter forsch, »dat zijn zaken,

waarmede ik mij aan tafel nooit bemoei. Alles heeft zijn tijd, en een

vrederechter moet even goed als andere lieden den tijd hebben om in

vrede te eten."

Inglewood's weldoorvoede buik scheen noch in den dienst van het recht,

noch in dien van den Hemel op eenige wijze door vasten gekweld te zijn.

»Vergeef mij, mijnheer," als ik eenigszins ongelegen kom. »Maar daar

het mijn goeden naam geldt, en de maaltijd geëindigd schijnt...."

»Gij vergist u zeer, mijnheer," viel Inglewood mij in de rede;

»de maaltijd is in zooverre geëindigd, als ik aan spijs en drank

voor het oogenblik genoeg heb. Maar de spijsvertering, vriend, de

spijsvertering moet ook behoorlijk bevorderd worden. En ik kan ze

niet beter bevorderen, dan door na den maaltijd een paar uren rust

te genieten, onder eene onschuldige vroolijkheid en een matig glaasje

wijn. Verzuim ik dit, dan lijd ik dadelijk aan indigestie."

»Ik verzoek u wel verschooning, mijnheer," begon de griffier Jobson

thans, die middelerwijl reeds schrijfgereedschap en papier voor den dag

had gehaald: »maar hier is sprake van eene kapitale misdaad. Mijnheer

is eenigszins ongeduldig. En aangezien de aanklacht de schending der

publieke veiligheid betreft--"

»De duivel hale de publieke veiligheid!" riep de vrederechter ten

hoogste misnoegd. »Ik hoop," voegde hij er schielijk bij, »dat niemand

mij zoo'n losse uitdrukking euvel duiden zal! Maar wezenlijk, men zou

dol en razend worden, als men zoo onophoudelijk gekweld wordt! Heb ik

mijn geheele leven wel één enkel oogenblik rust met al die accusatiën,

arresten, condemnatiën, akten, transaktiën, borgtochten, injuriën,

enz., enz. Ik zeg het u bij tijds, Jobson, binnen kort jaag ik u met

het gansche vrederechterschap naar den Satan."

»Mijnheer gelieve de hooge waardigheid van het ambt niet uit het oog te

verliezen," hernam de griffier. »In de gansche Christenwereld bestaat

er niets edelers en heerlijkers, dan het ambt van vrederechter,

wanneer het naar behooren waargenomen wordt, zooals de beroemde

rechtsgeleerde Eduard Coke zeer wijselijk heeft opgemerkt."

»Nu dan," zeide Inglewood, half verzoend door de lofrede op de

waardigheid van zijn beroep, terwijl hij het overschot van zijn

misnoegen in een flinken teug wegdronk. »Ter zake! maar zonder omwegen,

zoodat er spoedig een einde aan kome. Spreek, mijnheer Morris, gij

ridder van de droevige figuur! Is die man daar de Frans Osbaldistone,

dien gij als medeplichtige aan de tegen u begane misdaad aanklaagt?"

»Ik, Mijnheer?" hernam Morris, die van zijne ontsteltenis nauwelijks

eenigszins bekomen was; »ik klaag niemand aan--ik heb volstrekt niets

tegen dezen heer."

»Welnu, dan wordt uwe aanklacht eenvoudig ter zijde gelegd, en

daarmede uit.--Dan hebben wij er niets meer mede te maken. Kom,

de glazen gevuld, mijnheer Osbaldistone, bedien u!"

Maar de griffier was geenszins voornemens, om den klager zoo goedkoop

vrij te laten.--»Hoe kunt gij zoo spreken, mijnheer Morris?" zeide

hij. »Hier is uwe eigene verklaring--de inkt is nauwelijks droog--en

gij wilt ze zoo lafhartig, herroepen!"

»Gij hebt goed praten!" hernam Morris zacht en bevend. »Wat weet ik,

hoe vele schelmen hier in huis zijn, die hem kunnen bijstaan. Van

zulke gevallen heb ik in Johnsons Rooversgeschiedenissen gelezen. Ja,

waarachtig, de deur..."

Robbert Roodhaar · 第 17 / 57 题