HOOFDSTUK VII.

Voor de deur de Sheriff wacht,

Met dreigende soldaten-macht.

Shakespeare.

Het kostte mij bepaald moeite de kamer te vinden, die voor mij bestemd

was. Ik moest mij zelf daartoe van de gewilligheid der dienstboden van

mijn oom door de gewone onfeilbare middelen verzekeren. Eindelijk had

ik ze gevonden. En ik sloot mij op, om voor het overige van den avond

alleen te zijn. De toestand waarin ik mijne bloedverwanten verlaten

had, en waarvan het gedruisch en gejoel van uit de eetzaal getuigde,

deed mij begrijpen, dat die goede lieden thans geen passend gezelschap

voor een nuchter mensch konden wezen.

Waarom had mijn vader mij naar dit zonderlinge verblijf gezonden? Dit

was natuurlijk de eerste vraag, die zich aan mij opdrong. De manier,

waarop mijn oom mij in zijn huis ontvangen had, bewees duidelijk dat

ik, naar zijne veronderstelling, een tijdlang zijn gast zou zijn. Maar

het was even duidelijk, dat het hem totaal onverschillig was, of ik, of

een van de blauw gerokte bedienden, bij hem was. In het gezelschap van

mijne ongemanierde neven zou ik slechts kunnen afleeren, wat ik mij aan

goeden toon en hoffelijke manieren had eigen gemaakt. In plaats daarvan

zou ik mij kunnen oefenen in de kunst honden van den worm te snijden,

paarden van den droes te genezen, vossen te jagen--anders niets.

Slechts één motief voor de handelwijze mijns vaders kon ik mij als

mogelijk voorstellen. Maar dit was buiten twijfel ook het eenige

ware. Eene levenswijze, waartoe naar mijns vaders begrip iedere

landjonker onvermijdelijk verviel, wilde hij mij duidelijk laten

zien. En ik moest daarvan, zoo als hij vooruitzag, al spoedig afkeerig

worden. Dan zou ik, kon het zijn, wel lust opvatten voor zijn eigen

beroep. Rashleigh Osbaldistone moest intusschen ten onzent werkzaam

zijn. Mijn vader had middelen genoeg bij de hand, om dezen, als hij

weder van hem ontslagen wilde zijn, elders voordeelig te plaatsen. Wel

maakte ik mij eenig verwijt, dat ik aanleiding gegeven had, dat

een man, door Diana zoo ongunstig afgeschilderd, met mijns vaders

zaken bekend zou worden, ja, misschien zelfs in diens vertrouwen

zou deelen. Maar ik stelde mij weer gerust door de gedachte, dat

mijn vader zich niet licht door iemand in de kaart liet kijken. Hij

was niet gemakkelijk te bedriegen en evenmin te leiden op een weg,

dien hij niet verkoos te gaan. En van wien had ik dan eigenlijk

al het nadeelige, wat mij van den jongeling bekend was geworden,

gehoord? Van een zonderling, opgewonden meisje dat zich tegen mij

met zooveel onbezonnen vrijmoedigheid had geuit dat ik reden had te

vermoeden, dat hare berichten volstrekt niet overdacht waren; niets

anders dan lichtzinnig gebabbel misschien.

Als van zelf begon ik nu over Diana na te denken, en over den

zonderlingen toestand waarin zij slechts haar eigen overleg, haar eigen

geest, tot leidsman en beschermer had. Ik stelde mij haar voor, met

al hare moedwillige levendigheid, waardoor zij mijne nieuwsgierigheid

opgewekt en mijne opmerkzaamheid geboeid had. Ik kon het mij niet

ontveinzen, dat de nabijheid van dit vreemde meisje en de gemeenzame

omgang met haar, mijn verblijf in het kasteel, wel is waar, aangenamer,

maar ook des te gevaarlijker deed zijn. Wat intusschen het koele

verstand mij ook voorhield, ik kon het maar volstrekt niet over mij

verkrijgen, mij over het gevaar, waaraan ik bloot gesteld zou worden,

ernstig te beklagen. Alle bedenkingen die zich aan mij opdrongen,

wist ik op de gewone manier, zoo als meest alle jongelieden in zulke

gevallen doen, uit den weg te ruimen: ik zou zeer voorzichtig, altijd

op mijne hoede zijn; ik zou Diana meer als een goede bekende dan als

eene vriendin beschouwen. Alles zou zich, naar het mij toescheen,

zeer goed schikken. Onder deze overdenkingen sliep ik in, en Diana

was natuurlijk mijne laatste gedachte.

Of zij mij ook in den droom bezig hield, weet ik niet. Daar ik zeer

vermoeid was, sliep ik vrij vast. Maar zij was weder mijn eerste

gedachte, toen met het krieken van den dag de vroolijke tonen der

jachthoorns mij uit den slaap wekten. Ik sprong op, liet mijn paard

zadelen, en was binnen weinige minuten op het voorplein van het

kasteel, waar ik menschen, honden en paarden in drukke beweging

zag. Mijn oom scheen in zijn buitenlands opgevoeden neef geen zeer

wakkeren Nimrod te veronderstellen. Althans hij zag mij min of

meer verrast aan. Het kwam mij voor alsof zijn morgengroet niet zoo

hartelijk en gastvrij was, als zijne eerste verwelkoming.

»Reeds hier, jonge heer? Nu ja! op uwe jaren liet ik ook niet naar mij

wachten. Maar neem u in acht en pas op, dat gij geen zandruiter wordt!"

Welk jongmensch zou zich niet liever alles laten verwijten, dan te

dulden, dat men hem voor een stumper in de edele rijkunst houdt! Ik

wist, dat ik vrij goed in den zadel zat, en een weinig gevoelig over

mijns ooms uitdrukking, verzekerde ik hem, dat hij mij steeds met de

jachthonden vooraan zou vinden.

»Wel, daaraan twijfel ik niet, mijn beste jongen!" antwoordde hij:

»gij zijt zeker een knap ruiter, dat geloof ik gaarne; maar toch--wees

op uwe hoede! Uw vader zendt u aan mij, opdat ik u aan den toom zou

gewennen. Maar ik zal u wel op de stang moeten rijden; want anders

zoudt gij misschien al heel licht doorslaan, eer ik er erg in had."

Ik begreep niets van zijn woorden. Ze schenen echter niet als dadelijke

waarschuwing, maar slechts in het voorbijgaan, zonder eenig bepaald

doel, gesproken te zijn. Mijn oom zei eenvoudig luide, wat hij op

dat oogenblik, zich zelven onbewust, dacht. Ik vermoedde, dat hij

of op mijne vlucht uit zijn drinkgezelschap zinspeelde, of wel,

dat de gevolgen van den nachtelijken roes hem min of meer ontstemd

hadden.--Wil hij onvriendelijk als gastheer zijn, dan zal ik ook

des te korteren tijd zijn gast blijven, dacht ik. Ik haastte mij om

Diana mijn morgengroet te brengen, daar zij mij met veel hartelijkheid

naderde. Ook tusschen mijne neven en mij had eene soort van begroeting

plaats. Maar toen ik bespeurde, dat zij mijn gansche jachtkostuum, van

den hoed af tot de stijgbeugels toe, boosaardig monsterden, en alles

bespotten, wat voor hen een vreemd aanzien had, meende ik mij van de

moeite te mogen ontslaan, om hun eenige bijzondere oplettendheid te

bewijzen. Ik beantwoordde hun grijnzen en fluisteren met een blik van

de grootste onverschilligheid en verachting, en wendde mij geheel tot

Diana, als de eenige in het gansche gezelschap, in wier onderhoud ik

belang stelde. Aan hare zijde reed ik naar het aangewezen jachtterrein,

een dichtbegroeid bosch, dat langs uitgestrekte weiden liep. Onderweg

betuigde ik haar mijne verwondering, dat ik neef Rashleigh niet in

het gezelschap zag.

»Och, hij is anders een geweldig jager," antwoordde zij; »een jager

à la Nimrod, maar zijn wild is--de mensch."

Door het geschreeuw der jagers aangemoedigd, renden de honden het bosch

in.--Alles rondom mij was leven en beweging. Mijne neven, waren thans

in hun waar element en hadden het veel te volhandig, dan dat zij zich

met mij konden bemoeien. Slechts hoorde ik Richard, den roskammer,

zacht tegen Wilfred, den gek, zeggen: »Let eens op, hoe spoedig onze

Fransche neef zandruiter zal worden, zoodra het er op losgaat!"

»Dat zou me ook niet verwonderen," antwoordde Wilfred; »kijk maar eens

hoe mal zit hem de hoed op het hoofd, en wat is die raar opgetoomd!"

Thorncliff, die, ofschoon op zijne eigene ruwe wijze, voor

de bevalligheden zijner nicht misschien niet ongevoelig was,

scheen daarentegen besloten te hebben, ons meer dan zijne broeders

gezelschap te houden. Hij wilde zeker het oog houden op hetgeen er

tusschen Diana en mij voorviel. Wellicht dacht hij ook zich met mijne

verwachte jachtrampen te kunnen vermaken. Intusschen werden die hoop

en verwachting geheel te leur gesteld. De vos werd opgejaagd. Maar

ondanks Richard's ongunstige voorspelling, en Wilfred's schrandere

aanmerking, dat mijn hoed mij mal op het hoofd en ik jongensachtig

in den zadel zat, bewees ik mijne bedrevenheid in de rijkunst, tot

groote verwondering van mijn oom en van de schoone Diana, en tot

bittere ergernis van mijne neven. Men had den vos een vrij groot eind

weegs hevig nagezet, doch hij wist zijne vervolgers te misleiden,

en de honden verloren het spoor. Diana's gelaat verried, dat zij

over Thorncliff's aanhoudende begeleiding ongeduldig werd; maar het

levendige en driftige meisje was spoedig gereed, een wensch van het

oogenblik door het eerste het beste middel te bevredigen. Zij zeide

verwijtend: »Ik begrijp niet, Torncliff, dat gij den ganschen morgen

achter mijn paard sukkelt. Gij weet toch wel, dat het vossenhol bij

den molen niet gestopt is."

»Daar weet ik geen woord van, ik zweer het u bij mijn ziel,

nichtje! Integendeel, de molenaar heeft mij bij kris en bij kras

verzekerd, dat hij het hol dezen nacht om twaalf ure gestopt heeft."

»Och! wat ben je toch een goedgeloovige jongen! U op het woord van

een molenaar te verlaten! En dan juist dit hol! Is de vos ons dit

jaar niet reeds driemaal daar ontsnapt? Op uw schimmel kunt gij in

tien minuten heen en weer zijn."

»Goed, ik rijd naar den molen. Als de molenaar het hol niet gestopt

heeft, dan zal ik den logenachtigen schurk doodranselen."

»Niets meer? Welnu, dan komt hij er nog al genadig af. Maar haast u

dan; er is geen tijd te verliezen!"

Torncliff rende weg.--»Als de molenaar u eens duchtig afranselde, zou

er waarlijk niet veel aan verbeurd zijn!" zeide Diana. »Intusschen

moet ik den een zoowel als den ander onder behoorlijke subordinatie

houden. Gij moet weten, dat ik hier een soort van regiment

opricht. Torncliff wordt mijn opperwachtmeester, Richard mijn pikeur,

en Wilfred met zijne holle afgebrokene tonen, die slechts drie

lettergrepen achter elkaar kan laten hooren, mijn paukenslager."

»En Rashleigh?" vroeg ik.

»Rashleigh wordt mijn spion."

»En is er voor mij geen ambt, schoone overste?"

»Gij moogt kiezen, of gij betaalmeester of prijsrechter van het korps

wilt worden. Maar zie eens, hoe de honden ronddwalen: kom, zij zijn

het spoor geheel en al bijster, en zullen den vos zoo spoedig niet

wedervinden. Volg mij, ik moet u een mooi uitzicht laten zien."

Nu reden wij spoorslags een heuvel op, van welks top een zeldzaam

fraai vergezicht zich voor ons uitbreidde. Zij zag rondom zich, of

er ook iemand in onze nabijheid was, en toen zij hieromtrent gerust

was, reed zij onder eenige berken, die ons voor de overige jagers

verborgen.--»Ziet gij daar dien spitsen, bruinen, met heide bewassen

heuvel, met eene witachtige vlek op de zijde?" vroeg zij.

»Recht over die lange streek laagland? Zeer duidelijk."

»Die witachtige vlek is eene rots, de Hawkesmore-rots genoemd, en

die ligt reeds in Schotland."

»Inderdaad? Ik had waarlijk niet gedacht, dat wij ons zoo dicht bij

Schotland bevonden."

»Zeer dicht bij: binnen twee uren brengt uw paard er u heen."

»Wel mogelijk. Maar ik zal van het goede dier die moeite niet vergen,"

antwoordde ik. »Naar het mij toeschijnt, zijn we er wel een uur of

zes vandaan."

»Ik geef u mijn paard, als gij het uwe soms niet sterk genoeg acht,"

begon Diana weder. »Ik verzeker u nogmaals, dat gij binnen twee uren

in Schotland zijt."

»Maar ik heb volstrekt geen lust er te zijn. Ik zou den staart van

mijn paard niet dwingen mij te volgen, als zelfs zijn kop reeds over

de grenzen was. Wat zou ik in Schotland doen?"

»Om het u ronduit te zeggen: voor uwe veiligheid zorgen. Verstaat

gij mij nu?"

»Volstrekt niet: uwe woorden luiden altijd raadselachtiger."

»Waarlijk? Dan voedt gij of een zeer onbillijk wantrouwen tegen mij,

en kunt beter huichelen dan Rashleigh Osbaldistone zelf; of gij weet

in het geheel niet, waarvan men u beschuldigt. Gij kijkt mij zoo

gemaakt ernstig aan, dat ik nauwelijks mijn lachen kan bedwingen."

»Maar op mijn woord van eer, Freule Vernon," antwoordde ik, min of

meer geraakt door haar kinderachtigen lachlust, »ik begrijp volstrekt

niet wat gij meent of bedoelt. Het is mij aangenaam, dat ik u zulk een

vroolijk tijdverdrijf verschaf, ofschoon ik niet weet hoe en waarom."

»Hoor eens, het is hier waarlijk geen scherts, maar wel degelijk

ernst!" zeide zij op een, haar zeker niet gewonen, ernstigen

toon. »Het kan zijn, dat mijn gelaat dit tegenspreekt, doch in dat

geval bedriegt het. Want ik ben wezenlijk zeer om u bekommerd. Antwoord

mij openhartig: kent gij een en zekeren Morris, of hoe heet hij?"

»Morris, Morris? Dien naam ken ik niet."

»Bezin u wel. Hebt gij onlangs niet met iemand gereisd, die zoo

heette?"

»De eenige man, met wien ik eenigen tijd gereisd heb, was een kerel,

wiens gansche ziel in zijn valies scheen te liggen."

»Nu ja, even als de ziel van den licentiaat Pedro Carcias, die onder

de dukaten van zijne lederen goudbeurs lag. Kortom, uw voormalige

reisgenoot is van zijn valies beroofd, en heeft u als medeplichtige

van den roof bij het gerecht aangegeven."

»Gij schertst, maar op een heel zonderlinge manier."

»Nogmaals herhaal ik, dat ik in vollen ernst spreek."

»Hoe! gij, Freule Vernon," riep ik met eene opwelling van drift,

welke ik niet onderdrukken kon--»gij kunt gelooven, dat ik zulk eene

beschuldiging verdien?"

»Kijk! als ik nu een man was, dan zoudt gij mij, op dit vermoeden,

zeer zeker op den degen of het pistool uitdagen. Maar wilt ge zoo

iets, ga uw gang. Ik neem uwe uitdaging aan; want ik kan even goed

eene zwaluw in de vlucht schieten, als te paard over een hek springen."

»Mooi zoo, ge zijt immers daarenboven overste van een regiment

kavalerie?" antwoordde ik, daar het mij toch volstrekt niet baatte,

dat ik op het ondeugende meisje boos werd.--»Maar, ik bid u, wat moet

nu uwe scherts beteekenen?"

»Moet ik het u dan honderd maal herhalen? Ik scherts niet. Men

beschuldigt u van dezen man beroofd te hebben; mijn oom gelooft het

stellig; en ik--mag ik er aan twijfelen?"

»Waarachtig, ik ben mijne vrienden zeer verplicht voor den goeden dunk,

dien zij omtrent mij koesteren!"

»Nu, nu! kijk maar niet zoo boos--ik heb nog geen order om u te

arresteeren. Intusschen is de gepleegde roof geen gewone--laat mij

zeggen: geen gemeene diefstal. De man had geld van de regeering

bij zich, in contanten en in wissels, tot betaling der troepen in

Schotland. Ja, men zegt, dat men hem ook zeer gewichtige depèches

ontnomen heeft."

»Ik word derhalve niet van enkel diefstal of roof, maar van hoogverraad

beschuldigd?"

»Geraden! Maar gij weet ook dat deze misdaad ten allen tijde door zeer

fatsoenlijke lieden gepleegd werd. Hier te lande zult gij zeer vele

menschen vinden, bij voorbeeld iemand, die niet ver van uw elleboog

verwijderd is, die het als een verdienstelijk werk zou beschouwen,

de regeering van het huis van Hannover op alle mogelijke wijzen

te benadeelen."

»Laat mij u zeggen, dat noch mijne staatkunde, noch mijne eerlijkheid,

zulke daden zouden vergoêlijken."

»Ik begin waarlijk te gelooven, dat gij in vollen ernst een

Presbyteriaan en Hannoveraan zijt.--Maar wat zult gij nu doen?"

»Wel, ik zal dadelijk den afschuwelijken laster wederleggen. Bij wien

is de zonderlinge aanklacht ingediend?"

»Bij den ouden rechter Inglewood, die ze ongaarne

aannam. Waarschijnlijk heeft hij mijn oom onder de hand laten weten,

dat men u naar Schotland moest zien weg te helpen, opdat gij het bevel

tot uwe gevangenneming ontloopen zoudt. Doch mijn oom weet zeer goed,

dat hij, wegens zijn geloof en zijne gehechtheid aan het oude, bij

de nieuwe regeering in geen goed blaadje staat. Zoo het ontdekt werd

dat hij u in uwe vlucht behulpzaam was geweest, zou hij bepaald gevaar

loopen, om als Jakobiet, papist en verdacht persoon ontwapend, en--wat

het allerergste voor hem zoude zijn!--van zijne paarden beroofd te

worden [5].

»Dan begrijp ik zijn vrees. Liever dan zijne jachtpaarden verliezen,

zou hij zijn neef opofferen."

»Een neef! Tien neven, nichten, zonen, dochters indien hij ze had,

ja, zijne gansche familie. Vertrouw niet op hem, geen enkel oogenblik,

maar maak, dat ge weg komt, vóór dat de machtige arm der gerechtigheid

u achterhaalt."

»Wegsnellen? Welzeker, maar--regelrecht naar de woning van den ouden

Inglewood. Waar ligt ze?"

»Omtrent twee uren van hier, beneden in 't gindsche dal, achter het

bosch. Daar ziet gij het torentje."

»Binnen weinige minuten ben ik er," antwoordde ik en maakte mij gereed,

om spoorslags weg te rennen.

»Goed, maar ik zal u vergezellen, ik zal u den weg wijzen!" zei Diana

met drift, en zette haar paard dadelijk aan.

»Neen!" riep ik, »dat niet! Vergeef een oud vriend zijne vrijmoedige

aanmerking. Maar het zou met alle welvoegelijkheid, ja zelfs met alle

vrouwelijke kieschheid strijden, indien gij mij bij deze gelegenheid

vergezeldet."

»Ik versta zeer goed, wat gij zeggen wilt," antwoordde Diana en

een zacht rood vloog over haar trotsch voorhoofd. »Het is openhartig

gesproken en"--voegde zij er na een poos zwijgens bij--»naar ik geloof,

ook goed gemeend."

»O, freule, denk niet dat ik gevoelloos of ondankbaar ben voor de

deelneming, welke gij mij bewijst!"--hernam ik, met meer warmte dan

ik eigenlijk wenschte te verraden: »uwe aanbieding spruit uit ware

welwillendheid voort, welke men 't best in nood leert kennen. Maar om

u zelve, en daar men het ten kwade, ja zeer boosaardig, zou kunnen

uitleggen, mag ik niet toestaan, dat gij, in dit geval, in eene

zoo leelijke aangelegenheid den drang van uw edelmoedig hart gehoor

geeft. Het zou immers bijna precies zijn, alsof gij voor het gerecht

aan mijn zij gingt staan."

»En als het nu eens niet bijna, maar volkomen zoo ware, meent gij dan,

dat ik niet zou medegaan, zoodra ik dat voor plicht hield, als ik een

vriend wilde beschermen? Gij hebt niemand, die u verdedigt. Gij zijt

een vreemdeling, en hier aan de grenzen van Engeland, veroorloven de

landrechters zich vaak ongehoorde dingen. Mijn oom heeft geen lust om

zich met uwe zaak te bemoeien; Rashleigh is afwezig, en al ware hij

ook hier, wie weet welke partij hij zou kiezen? Wat de overige leden

van onze familie betreft, de een is al dommer dan de ander. Ik ga met

u. Ik ben niet bang. Ik ben blij, dat ik in staat ben, u van dienst

te zijn. Waarlijk, mijnheer Osbaldistone, ik ben zulk een overdreven

teergevoelig meisje niet, dat ik voor wetboeken, norsche woorden en

rechterspruiken terugdeinzen zou."

»Maar, waarde freule Vernon."

»Maar, waarde mijnheer Frans! Wees nu geduldig en bedaard. En laat

mij mijn eigen gang gaan. Als ik mij dat eenmaal voorgenomen heb,

dan blijft het zoo."

Dat dit beminnelijke meisje zoo in mijn lot deelnam, was voor mij zeer

vleiend. Maar ik besefte tevens, welk eene bespottelijke figuur ik

maken zou, als ik een achttienjarig meisje als advokaat medebracht. Ik

was zeer bezorgd, dat men hare beweegredenen verkeerd uitleggen zou. Ik

trachtte haar met alle mogelijke welsprekendheid het besluit, om mij

te vergezellen, te ontraden. Maar het eigenzinnige meisje verklaarde

ronduit, dat al wat ik aanvoerde niets baatte. Geen bezwaar ter wereld

zou haar bewegen, een in nood verkeerenden vriend te verlaten; zelfs

niet, wanneer hij meende, dat zij hem weinig hulp kon brengen. Al,

wat ik haar zeggen kon, voegde zij op zeer stelligen, maar hartelijken

toon er bij, mocht zeer goed zijn voor teergevoelige dametjes, fijn

gevormd, in eene kostschool in de stad naar al de regels der meeste

kieschheid opgevoed. Voor haar beteekende dat alles niets en zij had

zich reeds sinds lang gewend, haar eigen zin te volgen. En dat zou

zij nu ook doen....

Terwijl wij spraken, kwamen wij de woning van den rechter Inglewood

al naderbij. Om mij van alle verdere tegenbedenkingen af te leiden,

begon zij een grappig portret van den rechter en zijn klerk te

maken. Inglewood was, volgens hare beschrijving, een schoon gewasschen

aanhanger van den onttroonden koning. Hij had, evenals de meeste

landedellieden, langen tijd den eed van getrouwheid geweigerd. Maar

nu onlangs had hij aan de tegenwoordige regeering dan toch trouw

gezworen, en was kort daarop vrederechter geworden. Tot dezen stap

had hem het dringende aanzoek der overige landjonkers bewogen,

die met leedwezen zagen, dat hun jachtrecht in verval zou geraken,

wanneer een rijksambtenaar het niet behoorlijk handhaafde. Want

de naaste vrederechter, die in Newcastle woonde, at het gedoode en

lekker toebereide wild veel liever op, dan dat hij voor het behoud

van het levende zorgde, zoodat hij de wilddieven meer hielp dan de

jagers. Zij besloten dus, dat iemand uit hun midden zijn Jakobitisme

aan het algemeene welzijn ten offer moest brengen, en daartoe werd

met eenparige stemmen Inglewood gekozen. Daar hij van vrij lauwe

politieke gevoelens was, vond men hem zonder veel stribbeling gereed

van politiek geloof te veranderen. Tot zijn handlanger had hij, als

griffier, een sluwen rechtsgeleerde, Jobson, die in zijn naam met

de gerechtigheid een aardigen kleinhandel dreef. Want zijn inkomen

had hij geheel uit de rechtszaken, welke van tijd tot tijd voor zijns

meesters rechtbank dienden. Geen wonder dus, dat hij dag en nacht zich

beijverde om de boeren tegen elkander in het harnas te jagen, en met

Argus-oogen te loeren, of er niet hier of daar iets voorviel, waarbij

de wet tusschenbeide kon komen. Ja, in den omtrek van tien mijlen kon

geen rekening gesloten worden, zonder dat debiteur of crediteur voor

den vrederechter verscheen. Maar de allerbespottelijkste tooneelen

hadden plaats, wanneer deze of gene zaak te beslissen was, waarin

men iets staatkundigs vermoedde.--»Jobson," vervolgde Diana, »ijvert

allergeweldigst voor het Protestantsche geloof;--ook is hij een groot

vriend van de tegenwoordige orde van zaken met betrekking tot de kerk

en den staat. Nooit zit de arme jonker in grootere verlegenheid,

dan wanneer de ijver van zijn handlanger hem in gerechtelijke

handelingen wikkelt, die met zijne vroegere politieke gevoelens in

verband staan. Wel heeft hij die openlijk afgezworen, om de kracht

der wet tegen onrechtmatige dooders van veldhoenen, korhoenen,

patrijzen en hazen te handhaven, maar hij is er nog onwillekeurig

steeds aan gehecht. In zulke gevallen behelpt de goede Inglewood zich

doorgaans daarmede, dat hij aan zijn aangeboren eigenschap: luiheid

en afkeer van elken arbeid, toegeeft. Evenwel moet gij niet gelooven,

dat deze werkeloosheid uit sufheid van geest ontstaat. Volstrekt

niet, want voor een man, die zijn hoogste geluk in eten en drinken

vindt, is de oude heer al zeer opgeruimd en levendig. Dat vormt

met den tragen gang zijner verrichtingen, een inderdaad zonderling

contrast. Bij zulke gelegenheden gedraagt Jobson zich als een paard,

dat veroordeeld is om eene zwaar beladen kar te trekken. Het geeft

zich wel alle moeite om met zijn last voort te komen, doch de kar,

die zelve niet medewerkt, is niet te bewegen. Ja, men heeft het oude

paard, naar men vertelt, wel hooren klagen, dat dezelfde wagen der

gerechtigheid, die bij zekere gelegenheden zoo moeilijk in beweging is

te brengen, bij andere gelegenheden van zelf snel genoeg voortrolt en

hem zijns ondanks mede voorttrekt: wanneer namelijk een ouden vriend

een dienst bewezen moest worden. O ja! Dan heeft men den eerlijken

Jobson wel eens onder een bedenkelijk hoofdschudden hooren zeggen:

»Als ik zooveel achting niet had voor den jonker, ik zou hem, door

een enkel woordje aan de regeering, een leelijke kool kunnen stoven.""

De schoone Diana had juist met deze woorden hare beschrijving voltooid,

toen wij voor de woning van den vrederechter Inglewood stonden. Het

was een ouderwetsch, maar toch fraai en ruim gebouw.

Robbert Roodhaar · 第 16 / 57 题