HOOFDSTUK VI.

Het dreunt in 't oud en ruim gewelf.

Een bonte rij van krachtige gestalten,

In allerlei gewaad, met pantsers en met helmen,

Waarvan de vederbos hoogmoedig nederwuift.

Met krijgsmans zelfbewustheid--zoo schreden zij naar binnen.

(Penrose.)

Mijn oom sir Hildebrand Osbaldistone begon zich dadelijk wegens de

gewichtige verhinderingen te verontschuldigen, die hem belet hadden,

om zijn neef te verwelkomen, ofschoon hij van mijn komst reeds bericht

had ontvangen.--»Ik zou u wel eerder gezien hebben, beste jongen,"

zeide hij, na een krachtigen handdruk en een hartelijk: »God zegene

u"! »Maar ik moest toch eerst zorgen, dat mijne paarden behoorlijk op

stal gebracht werden. Wees welkom bij ons! Hier is uw neef Percival,

uw neef Thorncliff, uw neef Jan, uw neef Richard, uw neef Wilfred

en--waar is nu Rashleigh? Ha, daar is ook Rashleigh! Ga uit den weg

met uw lang lichaam, gij, Thorncliff, en laat ons ook een weinig

van uw broeder zien--zie! hier is uw neef Rashleigh. Heeft uw vader

dan toch ook eens aan ons oud huis gedacht, en eindelijk ook aan den

ouden Hildebrand? Nu, beter laat dan nooit. Gij zijt welkom, jongen,

en hiermede basta! Maar waar is toch mijn Diaantje? daar komt zij! Dat

is mijne nicht Diana, de dochter van mijn vrouws broeder, het knapste

meisje in den ganschen omtrek. Maar kom nu ons rundvleesch eens zien."

Wanneer ik u eenig denkbeeld wil geven van den spreker, waarde Tresham,

moet ik beginnen met u te zeggen dat de man ongeveer een zestiger

was. Hij droeg een jachtbuis, dat eens zeer fraai met galons belegd was

geweest, maar door menigen winterstorm zijn voormaligen glans verloren

had. Dat hij in vroegere tijden in vorstelijke paleizen in groote

garnizoensplaatsen en in legers had verkeerd, zou men uit zijne vrij

ruwe manieren waarlijk niet opgemaakt hebben. Kort vóór de omwenteling

diende hij bij het leger van den ongelukkigen en onverstandigen Jacobus

II. Hij werd, misschien wel om zijn geloof, door dien monarch tot

den ridderstand verheven. Zoo hem hierdoor schoone en veelbelovende

vooruitzichten schenen geopend te zijn--zij verdwenen geheel en al met

de noodlottige gebeurtenis, die zijn hoogen begunstiger van den troon

stiet. Sedert dien tijd leefde hij dan ook in stille afzondering op

zijn landgoed. Wel was hij daar ook vrij ruw en plomp geworden, toch

had zijn uiterlijk voorkomen nog iets indrukwekkends behouden. Tusschen

zijne zonen stond hij als eene gebroken, met mos en klimop begroeide

Korintische zuil, of als de ruïne van een Druïdentempel tusschen

de ruwe steenklompen van Stonehenge. Want zijne zonen waren logge

wezens, zoo onbehouwen als men zich maar verbeelden kan. De vijf

oudsten waren reusachtig groote, sterke, stevige knapen, maar het

ontbrak hun evenzeer aan de Prometheus-vonk van verstand, als aan alle

uiterlijke bevalligheid, ook aan die welgemanierdheid, waarmede men

in deze wereld zoo vaak het gebrek aan verstandelijke vermogens weet

aan te vullen en te vergoeden. Hunne beste zedelijke hoedanigheid

was eene zekere goedhartigheid en tevredenheid, die zich op hunne

plompe gelaatstrekken duidelijk uitdrukte. Trouwens zij maakten op

kundigheden of bekwaamheden volstrekt geen aanspraak, behalve op die

van de edele jacht, aan welke zij hun leven hadden toegewijd.

Het kwam mij voor, alsof moeder natuur zich voor eene, in hare

voortbrengselen zoo ongewone eenvormigheid eenigszins schadeloos had

willen stellen, toen zij aan Rashleigh Osbaldistone, zoo wel ten

opzichte zijner gestalte en zijne manieren, als ook, wat ik later

ondervond, ten opzichte van zijn karakter en zijn verstandelijken

aanleg, zoo vele voortreffelijke eigenschappen schonk, dat hij bij

zijne broeders, ja bij alle menschen, welke ik tot daartoe gekend had,

allervoordeeligst afstak. Toen Percival, Thorncliff en Comp. eerbiedig

geknikt, vriendelijk gegrijnsd en mij, bij hunne voorstelling in plaats

van hunne handen, eigenlijk hunne schouders toegestoken hadden, trad

Rashleigh vooruit, en verwelkomde mij op eene wijze, die den wereldman

teekende. Zijn uiterlijk voorkomen was volstrekt niet innemend. In

vergelijking met zijne broeders, die van een reuzengeslacht schenen

af te stammen, was hij zeer klein van gestalte, en terwijl zij allen

wel gevormd mochten heeten, was Rashleigh, ofschoon sterk gespierd,

jammerlijk misvormd. Hij had een wanstaltig groot hoofd, een korten

hals, zeer breede schouders, en daarenboven van een val uit zijn eerste

kindsheid een gebrek in zijn gang behouden. Vele lieden beweerden,

dat dit hem belet had, de priesterwijding te ontvangen, daar, zoo als

men weet, de Roomsche kerk niemand tot den geestelijken stand toelaat,

die met het een of ander lichaamsgebrek behept is. Anderen waren van

een tegenovergestelde meening, en schreven dit gebrek aan eene kwade

gewoonte toe, zoodat, volgens hen, daarin geen enkel motief lag,

om hem het priesterambt te ontzeggen.

De trekken van Rashleigh's gelaat waren van dien aard, dat men ze,

als men ze eens gezien had, niet weer uit het geheugen kon verbannen:

telkens drongen zij zich weder op, prikkelden de nieuwsgierigheid,

ofschoon men ze anderszijds met tegenzin, ja met afkeer beschouwde. Het

was echter meer de uitdrukking van zijn gelaat, die mishaagde, dan

wel de trekken zelf. Wel waren deze onregelmatig, doch geenszins

gemeen. Zijn scherp, donker oog, zijn zware wenkbrauwen, hadden iets

belangwekkends dat aantrok. Maar in zijn oog lag iets listigs en

sluws. Wanneer hij toornig werd, ontwaarde men, hoe voorzichtig

getemperd ook, eene woestheid, die de natuur zelfs den meest

gewonen opmerker duidelijk deed zien; misschien met hetzelfde doel,

waarmede zij aan de giftige slang een ratel gaf. Tot vergoeding voor

deze uiterlijke gebreken, bezat Rashleigh de zachtste, zoetste en

welluidendste stem welke ik ooit gehoord heb, en was tevens nooit om

woorden verlegen, die bij zulke liefelijke tonen pasten. Reeds bij

zijne eerste tot mij gerichte woorden, begreep ik Diana's opmerking,

dat als een meisje te zijnen opzichte alleen met hare ooren te rade

ging, zij spoedig verliefd op hem zou worden.

Aan tafel wilde hij zich naast mij plaatsen, maar Diana, die

als het eenige vrouwelijke wezen in deze familie, dergelijke

tafelaangelegenheden naar haar eigen zin regelde, wist het zoo in

te richten, dat ik tusschen Thorncliff en haar te zitten kwam. Ik

voor mij deed, zoo als men licht begrijpen kan, gaarne het mijne,

om deze aangename schikking te bevorderen.

»Ik wilde wel een enkel vertrouwelijk woordje met u spreken," zeide

zij, »en daarom heb ik met opzet den goeden Thorncliff tusschen

Rashleigh en u geplaatst. Laat hem dienen tot stootkussen tusschen

vestingmuur en vijandelijk geschut."

»Zie, als uwe oudste kennis in dezen hoogwijzen familiekring, wilde

ik eens uw oordeel over ons allen van u vernemen."

»Dat is eene veel omvattende vraag, Freule Vernon! Bedenk toch,

bid ik u, dat ik mij slechts sedert een zeer korten tijd hier bevind."

»O, onze wijsheid steken wij onder geen stoelen of banken, maar komen

er terstond mede voor den dag. Eenige onbeduidende verscheidenheden,

kleine schakeeringen, zouden eene eenigszins nauwkeuriger opmerking

vereischen. Maar het genus zelf, zoo als de natuuronderzoekers het

noemen, kan men, naar ik meen, al spoedig en gemakkelijk kennen en

klassificeeren."

»Ja, mijne vijf oudste neven schijnen mij zoo tamelijk van ééne en

dezelfde soort te zijn."

»Precies! Ieder van hen vormt een vrij aardig mengelmoes van domoor,

jager, pocher, roskammer en gek. Maar evenals men geen twee volkomen

gelijke bladeren aan één boom vindt, zoo zijn ook die kostelijke

hoedanigheden in elk hunner eenigszins verschillend gemengd. Voor

iemand, die gaarne menschelijke karakters bestudeert, is dat nog wel

eene aangename variatie."

»Dan mag ik u ook misschien om een losse schets van die variatie

vragen."

»Met genoegen. In één familiestuk kan ik u hen allen levensgroot

vertoonen. Het kost mij weinig moeite. Waarom zou ik het u dan

weigeren? Percival, de oudste zoon en erfgenaam, heeft meer van een

domoor, dan van een jager, grootspreker, roskammer of gek; mijn waarde

Thorncliff is eer een pocher dan een domoor, jager, roskammer of gek;

John, die geheele weken in het gebergte doorbrengt, heeft wel de

meeste eigenschappen van een jager. In Richard heerscht de roskammer:

dag en nacht rijdt hij twee honderd mijlen ver, om bij een wedloop van

dienst te zijn; en in Wilfred speelt de gek zulk een hoofdrol, dat men

hem eene eervolle plaats in die talrijke klasse niet betwisten kan."

»De verzameling is belangwekkend, de soorten behooren waarlijk tot

een merkwaardig geslacht! Maar is er op het doek geen plaatsje voor

sir Hildebrand?"

»Neen! op dit doek niet. Ik houd veel van mijn oom," antwoordde Diana:

»ik heb vele, zeer vele bewijzen van zijne goedheid ontvangen, die

ten minste alle best gemeend waren. Wanneer gij hem nader hebt leeren

kennen, laat ik het aan u over, zelf een schets van hem te maken."

Nu dacht ik bij mij zelven: het is mij toch aangenaam, dat zij ten

minste den ouden heer verschoont. Wie zou zoo veel bitteren spot bij

een zoo jong en schoon meisje verwacht hebben!

»Gij denkt zeker over mij," zeide Diana, terwijl zij haar donker oog

op mij vestigde, als wilde zij met hare blikken in mijne ziel lezen.

»Dat deed ik ook," antwoordde ik, een weinig verlegen over de

onverwachte vraag. Maar om aan de openhartige bekentenis eene vleiende

wending te geven, liet ik er snel op volgen: »hoe toch zou ik aan

iets anders kunnen denken, dan aan hetgeen in een gelukkig oogenblik

zoo dicht naast mij is!"

Zij glimlachte met eene uitdrukking van fierheid, welke aan haar

gelaat eigen was.--»Eens voor altijd moet ik u zeggen, mijnheer

Osbaldistone, dat vleierijen niets op mij vermogen. Verspil dus

aan mij zulke bloempjes niet; ik weet het wel, de reizende jonge

heeren gebruiken die woordjes bij vele van mijn geslacht, even als de

glaskoralen, linten en andere snuisterijen, waarmede de zeelieden de

gunst der wilde bewoners van nieuw ontdekte landen winnen. Bespaar uw

voorraad. In Northumberland zult gij menschen genoeg vinden, bij wie

gij u met dergelijke fraaiigheden uitnemend kunt aanbevelen. Bij mij

zijn ze volstrekt verspild. Ik ken hare wezenlijke waarde al te goed."

Ik zweeg beschaamd.

»Gij herinnert mij," vervolgde Diana op denzelfden schertsenden toon,

»aan het tooversprookje, waarin verhaald wordt, dat iemand al het geld,

dat hij op de markt had medegebracht, plotseling in keisteenen zag

veranderen. Door ééne enkele opmerking heb ik uw ganschen voorraad

van vleierij in keisteen doen verkeeren. Maar laat u dit geene

zorg baren. Gij bezit inderdaad iets veel beters voor het gezellige

onderhoud, dan al die laffe praatjes, waarmede iedere kwast in deze

dagen een meisje meent te moeten onderhouden en te kunnen behagen,

alleen omdat hare kleederen van zijde, en de zijne van fijn laken

zijn. Uw natuurlijke gang, zou een mijner neven zeggen, is veel

beter, dan de geaffecteerde pas van uwe vleierijen. Vergeet, dat ik

een vrouw ben. Noem mij Tom Vernon, als gij wilt. Spreek met mij als

met een vriend en vertrouwden makker. Dan zult gij zien, hoe veel ik

van u houden zal!"

»O, zulk eene belooning zou reeds meer dan genoeg zijn, om mij aan

uw wil te doen gehoorzamen," antwoordde ik.

»Daar hebt ge het al weder!" hernam Diana, met opgeheven vinger. »Ik

heb immers duidelijk genoeg gezegd, dat ik zelfs geen zweem van

vleierij dulden kan. Maar zie eens, mijn oom dreigt u met een vollen

beker--dat is zoo zijne manier. Als gij hem bescheid hebt gedaan,

zal ik u zeggen wat gij van mij denkt."

Nadat ik, als gehoorzame neef, den beker geledigd had, en het algemeene

tafelgesprek weder in bizondere gesprekken verliep, verhief zich

het geluid van vorken en messen opnieuw. Neef Thorncliff aan mijne

rechterhand, en Richard aan Diana's linkerhand, wijdden zich zoo geheel

aan de ontzaglijke massa's, welke zij op hunne borden opgehoopt hadden,

dat mijn lief buurmeisje en ik best onder vier oogen vertrouwelijk

konden praten.

»Mag ik nu,"--zoo begon ik--»u vrijmoedig vragen, wat gij vermoedt,

dat ik van u denk? Ik zou het u kunnen zeggen, maar gij hebt mij alle

loftuitingen verboden."

»Ik heb uwe hulp niet noodig, want ik ben een toovenares, die zelfs

uwe geheimste gedachten raden kan. Gij behoeft het venstertje van uw

hart niet te openen; want ik zie er duidelijk genoeg doorheen. Gij

houdt mij voor een zonderling vrijpostig meisje, dat aan een weinigje

behaagzucht ook wat loszinnigheid paart. Gij meent, dat ik door mijne

vrije houding en luid gebabbel opmerkzaamheid wil trekken; terwijl

ik misschien alles mis, wat de Spectator »het schoonste sieraad onzer

sekse" noemt. Misschien gelooft gij zelfs, dat ik het plan gesmeed heb,

om uwe bewondering, als ware het met storm, te veroveren. Het spijt

mij, dat ik het u zeggen moet, maar als gij zoo denkt of meent of

gelooft, dan hebt ge het allerjammerlijkst mis. De vertrouwelijkheid,

die ik u bewijs, zou ik even gaarne uw vader bewijzen, als ik maar

weten mocht dat hij mij begrijpt. Ik ben in deze gelukkige familie

even afgescheiden van verstandige toehoorders, als Sancho in de Sierra

Morena. Doet er zich nu en dan voor mij eene gunstige gelegenheid

tot spreken op, dan moet ik spreken of sterven. Zoo er mij iets aan

gelegen ware, een bepaald persoon te kiezen, zou ik u misschien niets

verteld hebben."

»Maar dat is nu wreed van u, dat gij aan uwe mededeelingen alle

kenmerken van eene bijzondere gunst beneemt; enfin, ik moet ze

ontvangen, zoo als gij ze mij verkiest te geven. Maar zeg mij eens,

waarom heeft Rashleigh Osbaldistone geen plaats in uw familietafereel?"

Het scheen alsof zij ontstelde bij het hooren van die vraag. Zij

antwoordde schielijk, doch veel zachter: »Geen woord van

Rashleigh! Zijne ooren zijn zoo scherp wanneer het zijne eigenliefde

geldt, dat de klanken hem zouden bereiken, zelfs door Thorncliffs breed

lichaam heen, al is dat met rundvleesch en pudding nog zoo volgestopt."

»O vrees niet, eer ik de vraag deed, keek ik om het levende beschot

heen, dat ons scheidt," antwoordde ik; »en ik zag dat Rashleigh's

stoel ledig was; hij is reeds vertrokken."

»Wees daarvan nog niet zoo zeker," zeide Diana. »Luister naar mijn

raad. Wilt gij over Rashleigh spreken, beklim dan den Otterscope-heuvel

waar gij twintig mijlen ver in het rond kunt zien; beklim den hoogsten

top en fluister daar zoo zacht als gij kunt. Maar toch kunt gij dan nog

niet zeker zijn, dat de een of andere vogel in de lucht uw gefluister

niet over zal brengen. Rashleigh was vier jaren lang mijn leermeester:

thans zijn wij elkander moede en zullen hartelijk blijde zijn, als

wij binnen kort van elkander scheiden."

»Zal Rashleigh dan het kasteel verlaten?"

»Natuurlijk; over eenige dagen vertrekt hij. Maar weet gij dit niet? Uw

vader schijnt zijne plannen veel beter geheim te houden, dan zijn

broeder. Mijn oom ontving bericht, dat gij voor eenigen tijd zijn gast

zoudt zijn, en dat uw vader een van uwe veelbelovende neven verlangde,

om de zeer voordeelige plaats op zijn kantoor te vervullen, die door

uwe eigenzinnigheid vakant was geworden. Toen riep de edele ridder al

de aanhoorigen van zijn huis tot eene plechtige vergadering bijeen,

waarbij zelfs de keldermeester, huishoudster en pluimgraaf moesten

tegenwoordig zijn. Het spreekt van zelf dat deze achtbare vergadering

niet de taak had uw opvolger te kiezen. Want keuze behoefde niet gedaan

te worden. Immers er was volstrekt niemand anders verkiesbaar dan

Rashleigh. Hij is de eenige, die iets meer van het rekenen verstaat,

dan noodig is, om de weddingschappen bij de hanengevechten uit te

rekenen. Maar het gewichtige besluit, dat Rashleigh niet als Katholieke

priester verhongeren, maar als rijk bankier in overvloed leven zou,

dit moest plechtig bekrachtigd worden. Het was niet zonder eenige

tegenkanting, dat de vergadering hare toestemming tot deze soort van

vernedering verleende."

»Ik kan de bedenkingen die tegen deze keus ingebracht werden, zeer

wel gissen; maar hoe werden ze overwonnen?"

»Door den algemeenen wensch om van Rashleigh ontslagen te worden; ten

minste ik houd het daarvoor," antwoordde Diana. »Hij is de jongste

van de familie, maar heeft over al de overige leden eene onbeperkte

heerschappij verkregen. Allen staat deze onderdanigheid tegen en

toch bezitten zij geen kracht of moed genoeg, om zich daaraan te

onttrekken. Wie zich tegen hem verzet, die heeft zeker, eer een jaar

verloopen is, er innig berouw over. Maar als gij hem een gewichtigen

dienst bewezen hadt, zoudt gij daarover nog meer berouw hebben."

»Derhalve mag ik mij wel voor hem in acht nemen," antwoordde ik

glimlachend; »want ik ben immers, hoewel onwillekeurig, de oorzaak

van zijne veranderde positie!"

»Zoo is het ook. En wees er zeker van, hij moge het als een voordeel,

of als een nadeel beschouwen, hij zal het u met vijandschap en haat

vergelden.--Doch daar komt de kaas, de radijs en een bokaal voor

kerk en koning. Dat is een wenk voor de geestelijken en vrouwen om

zich te verwijderen. Ik ben de eenige vertegenwoordigster van het

vrouwelijke geslacht op het kasteel Osbaldistone. Zooals het behoort,

moet ik mij dus verwijderen."

Met die woorden stond zij op en vertrok. Ik keek haar na, verbaasd

over de zeldzame mengeling van scherpzinnigheid, stoutheid en

vrijmoedigheid, die zich in hare gesprekken openbaarde. Haar uit die

gesprekken volkomen te kennen, is voor u onmogelijk; hoezeer ik, voor

zoo ver mijn geheugen mij getrouw is gebleven, u hare eigen woorden

overgebracht heb. Haar kunstelooze eenvoud, hare natuurlijke vlugheid

en hare fiere stoutheid, kortom haar gansche verschijning boeide. En

door het levendig spel der bekoorlijkste gelaatstrekken, die ik ooit

gezien heb, werd dat alles ieder oogenblik in schoonheid verhoogd

en aantrekkelijker door afwisseling. Men kan licht denken, dat een

jongeling van twee en twintig jaren, hoe zonderling en ongewoon hem

ook hare openhartige en vrijmoedige mededeelingen mochten voorkomen,

geenszins in eene stemming was, om een beeldschoon achttienjarig

meisje daarover te berispen, omdat zij hem niet met afgemetene

stijfheid behandelde. Integendeel, Diana's vertrouwelijkheid was

even aangenaam als vleiend voor mij. Ondanks hare verzekering, dat

zij mij alleen daarom haar vertrouwen had geschonken, omdat zij juist

geen ander, die haar begreep, had aangetroffen, gevoelde ik mij toch

gestreeld. Ik bezat de verwaandheid van mijn leeftijd. Mijn verblijf

in Frankrijk had die zeker niet verminderd. Ik was er zeker van,

dat de regelmatige gelaatstrekken en de niet onbevallige gestalte,

die ik geloofde te bezitten, zeer geschikte eigenschappen waren om de

vertrouweling van eene jeugdige schoone dame te zijn. Zoo sprak mijne

ijdelheid. En ik was er verre van, haar wegens eene openhartigheid,

door mijne persoonlijke verdiensten volkomen gerechtvaardigd,

gestreng te beoordeelen. Was ik reeds voor haar ingenomen om hare

bekoorlijkheden en haar zonderlingen toestand, die ingenomenheid werd

door haar scherpzinnigheid en haar voortreffelijk oordeel bij de keus

van een vriend nog sterk verhoogd.

Zoodra Diana Vernon de kamer verlaten had, ging de flesch druk

rond. Mijne opvoeding in vreemde landen had mij een afkeer van

onmatigheid ingeboezemd, die toen, evenals nog heden, een gewone

ondeugd van mijne landgenooten was. De gesprekken, welke onder het

drinken gevoerd werden, waren evenmin naar mijn smaak. Het gezicht

van een vader en van zijne zonen, die zich zonder eenige schaamte aan

de schandelijkste dronkenschap overgaven en allerlei walgelijke taal

uitsloegen, was mij volstrekt onverdragelijk. Ik maakte derhalve van

de eerste gelegenheid gebruik, om door eene zijdeur te ontsnappen,

zonder evenwel te weten, waarheen die weg mij bracht.

Zooals ik verwacht had, vervolgde men mij, om den vluchteling uit het

heiligdom van Bacchus met geweld terug te voeren. Het getier van mijne

vervolgers en het gestamp van hunne zware voetstappen klonk achter

mij op de wenteltrap, waarlangs ik mij naar beneden spoedde. Daar

ik bemerkte, dat men mij spoedig zou achterhaald hebben, als ik niet

naar buiten kon komen, opende ik op die trap schielijk een venster,

dat in een ouderwetschen tuin uitzag, en daar het niet veel meer dan

zes voet boven den vlakken grond was, sprong ik er, zonder mij een

oogenblik te bedenken, moedig uit.

»Hij is ons ontsnapt!" riepen mijne vervolgers achter mij. Nu

liep ik de eene laan in, de andere uit, tot ik mij in veiligheid

zag. Daarna ging ik langzaam verder. De zachte avondkoelte was mij

bij de verhitting, veroorzaakt door den opgedrongen wijn en mijne

overhaaste vlucht, dubbel aangenaam en verkwikkend.

Zoo had ik een poos voortgewandeld, toen ik een tuinman aantrof,

ijverig met zijn avondwerk bezig. Een tijd lang zag ik naar zijn

arbeid. Eindelijk zeide ik vriendelijk: »Goeden avond, vriend!"

»Goeden avond, mijnheer!" antwoordde hij, zonder op te zien, met een

accent, dat mij terstond in hem den Schot deed herkennen.

»Gij hebt mooi weder voor uw werk."

»Dat gaat wel, op het weder valt niet veel aan te merken!" hernam

de man, want tuiniers en landlieden kunnen zelfs het schoonste weder

doorgaans maar matig prijzen. Na deze woorden keek hij echter op, om te

zien wie met hem sprak. Toen nam hij zijn Schotsche muts zeer eerbiedig

voor mij af. »Ei, ei, zoo iets ontmoet men hier niet alle dagen! een

geborduurd kamizool zoo laat hier in den tuin! Daar ginder hebben zij

vrij wat anders te doen; daar moeten zij de kamizolen los knoopen, om

van binnen des te meer ruimte voor het rundvleesch, de pudding en den

rooden wijn te maken. Ja, dat is hier te lande het gewone avondgebed!"

»In uw land, vriend, hebt gij zeker niet zoo veel te eten, om lust

te hebben, lang er voor op te blijven."

»Mijnheer schijnt Schotland niet best te kennen. Daar ontbreekt het

waarlijk niet aan smakelijken en gezonden kost; visch, vleesch en

gevogelte is er in overvloed, en alles van de beste soort. Maar wij

leven matig en schuwen allen overdaad. Maar hier! Hier zijn keuken

en kelder hoofdzaak van alles. Hier wordt gegeten en gedronken,

van den vroegen morgen tot den laten avond, zonder dat men eigenlijk

honger of dorst heeft. En zelfs van hunne vastendagen--zij noemen het

vastendagen, wanneer zij de beste visschen, forellen, zalm en tarbot

oppeuzelen--zelfs van hunne vastendagen maken zij, den lieven Hemel

tot ergernis, groote smullerij! En dan die verschrikkelijke missen

en andere zaken. Maar ik moest hierover eigenlijk niet spreken,

want mijnheer is misschien ook Roomsch-Katholiek, niet waar?"

»Ik niet, vriend," luidde mijn antwoord; »ik ben een Engelsche

Presbyteriaan."

»Dan reik ik u de hand van broederschap, mijn waarde heer!" riep

de tuinman met zoo veel opgeruimdheid, als zijn ruwe gelaatstrekken

slechts vermochten uit te drukken. En om zijn goeden wil niet slechts

in woorden te toonen, bood hij mij, met een echt broederlijken glimlach

een snuifje uit zijn ontzaggelijke groote hoornen doos aan.

Toen ik zijn aanbod aangenomen had, vroeg ik hem, of hij reeds lang

op het kasteel Osbaldistone diende?

»Zoo waar als ik Andries Fairservice heet, is het nu reeds over de

vier en twintig jaar, dat ik strijd tegen de wilde dieren in Ephesus,"

antwoordde hij, terwijl hij naar het kasteel wees.

»Maar, goede vriend, als de Roomsche gebruiken en het vroolijk leven

hier u zoo tegenstaan en ergeren, waarom hebt gij u dan zelf in dien

langen tijd zulk eene noodelooze straf opgelegd. Mij dunkt, gij zoudt

licht elders een dienst hebben kunnen vinden, waar men minder smult

en zich meer aan het ware geloof houdt. Gebrek aan bekwaamheid heeft

u zeker niet verhinderd, om beter geplaatst te worden."

»Ik zelf kan moeilijk over mijne bekwaamheden spreken," antwoordde

Andries, doch hij keek daarbij met veel zelfbehagen in het rond. »Van

het tuinieren moet ik wel wat verstaan. Ik stam uit het kerspel

Dreepdaily, daarvandaan komen, zoo als gij weten zult, de beroemdste

groentekweekers. Waar is het, dat ik telkens, als gedurende deze

vier en twintig jaren mijn diensttijd om was, weg wilde gaan. Maar

was de tijd daar, dan was er ook steeds weder iets te zaaien, dat

ik wilde zien opkomen. Of er viel wat te plukken, dat ik zelf wilde

plukken. Zoo ben ik van het eene jaar tot het andere gebleven. Maar met

Lichtmis vertrek ik zeer zeker! Ik zeide het heden nog, zoo als ik nu

reeds sinds twintig jaren gezegd heb. Maar kijk, nu sta ik toch hier,

en spit de zoden om. Trouwens, een beteren dienst vind ik nergens,

dat moet ik naar waarheid getuigen. Maar zoo gij een dienst voor mij

wist, mijn goede heer, waar ik Gods woord onvervalscht kon hooren

prediken, waar ik wat gras voor mijn koe, een hutje met een lief

tuintje en ongeveer tien pond 's jaars had, en waar geene vrouw was,

die mij de appelen natelde--ja, mijn goede heer, dan zou ik u innig

dankbaar zijn."

»Met pleizier, Andries! Eene voorspraak dient er te weezen. Als ge

die hebt, dan vertrouw ik dat ge wel een goeden dienst krijgen zult."

»Ik zou waarlijk niet weten, waarom ik geene voorspraak zou zoeken. De

tijden zijn er niet naar, dat wij er op wachten kunnen tot de menschen

iemand uit waardeering komen opzoeken."

»Maar een vriend van vrouwen schijnt ge niet te zijn?"

»Neen, waarachtig niet! Geen tuinman kan vrouwen lijden; want hij

heeft te veel gehaspel met haar. Nu eens komen zij om abrikozen,

dan om peren, dan om appels, dan om pruimen, den geheelen winter en

zomer door. Maar hier hebben wij, den Hemel zij dank! geen enkel rib

van Adam, alleen de oude Margaretha. Nu, die is tevreden, als ik eens

op feestdagen, als hare zusters kinderen een kopje thee bij haar komen

drinken, wat kruisbessen, of nu en dan een paar sappige appels breng."

»Gij vergeet uwe jonge meesteres."

»Welke meesteres?"

»Freule Vernon."

»Wat! Freule Vernon? Die is mijne meesteres niet, mijn goede

heer! Bleef ze maar hare eigen meesteres. Werd ze maar nooit die van

een ander. Het is een wild, woest schepsel!"

»Meent ge dat inderdaad!" vroeg ik met meer vuur dan ik den tuinman

verraden wilde. »Maar Andries, gij zijt waarschijnlijk met al de

geheimen van deze familie zeer goed bekend?"

»Ben ik daarmede bekend, dan weet ik ze ook te bewaren. Zij zullen

bij mij niet aan het gisten geraken, als droesem in het vat. Freule

Diana is--maar wat gaat mij dat aan!"

En nu begon hij weder ijverig te spitten.--»Wat is Freule

Vernon?" vroeg ik eindelijk; »ik ben een vriend van den huize, en

zou het dus gaarne weten."

»Goed is anders, vrees ik," hernam Andries, terwijl hij zijn ééne oog

dicht kneep en het hoofd ernstig en geheimvol schudde: »zoo'n beetje

schuin--gij verstaat mij wel, denk ik."

»Dat kan ik juist niet zeggen, mijn waarde Andries, en het zou mij

inderdaad aangenaam zijn, als gij u hieromtrent een weinig duidelijker

wildet verklaren."--Met deze woorden liet ik een stuk geld in zijne

ruwe hand glijden. De glans van het zilver deed hem onwillekeurig

grijnzen: hij knikte mij langzaam toe, en stak het geld op, terwijl

hij zeer wel scheen te gevoelen, dat dit vergelding vorderde, waarop

hij zijne armen op de spade liet rusten, zijn gelaat in ernstige

plooien trok en zeide: »daar gij het dan volstrekt weten wilt, mijn

goede heer, zal ik u zeggen: Freule Vernon is...."

Toen zweeg hij eensklaps stil, trok de wangen in, tot zijne mager kaken

en zijne lange kin er als een notenkraker uitzagen. Daarop knikte hij

nog eenmaal, fronste het voorhoofd, en schudde het hoofd. Hij scheen

te gelooven, dat zijn gezicht reeds verstaanbaar genoeg gezegd had,

wat zijne tong niet geheel had uitgesproken.

»Goede hemel!" zeide ik, »zoo jong, zoo schoon, en reeds zoo vroeg

verloren!"

»Ja, ja, gij hebt wel gelijk! zij is, om zoo te zeggen, naar lichaam

en ziel verloren. Bovendien is zij eene Roomsche. En daarom zeg ik,

is zij..."

Zijne Schotsche voorzichtigheid deed hem andermaal plotseling zwijgen.

»Wat is zij?" vroeg ik op ernstigen toon. »Ik wil weten, hoe ik dit

alles eigenlijk moet verstaan."

»Nu dan--zij is de allerheftigste Jacobietische van het gansche

Graafschap."

»Wat zou dat! eene Jacobietische? Is dat alles?"

Andries keek mij vol verbazing aan, toen hij hoorde dat ik op zijne

gewichtige ontdekking zulk een geringen prijs stelde.--

»Maar is dat dan niet het ergste, wat ik van het meisje vertellen

kan," mompelde hij tusschen de tanden. Hij greep zijn schop en ging

voort met spitten.

Robbert Roodhaar · 第 15 / 57 题