Mij klopt het hart, als ik de schoone fee,
Des eilands trots en roem aanschouwe,
Voort, in galop, op 't fiere ros.
De Jacht.
Al dichter het noorden van Engeland naderend, gevoelde ik iets als
liefde tot dezen mijn geboortegrond in mij opkomen. En daarbij voegde
zich de geestdrift, waarmede eene schoone natuur den opgewekten mensch
bezielt. De bergstroomen, die nu dien naam zeker verdienden, kropen
niet meer voort tusschen riet en wilgeboomen, maar stortten zich van
de hoogten naar beneden, nu eens sneller, dan weer langzamer vloeiend,
door eenzame valleien, die den reiziger schenen uit te lokken af te
dalen in haar verborgen plekjes.
Donker en trotsch, verhieven zich voor mij de Cheviot-bergen, wel
boden zij niet die afwisseling der primaire rotsen en klippen-vorming,
maar zij waren grootsch, met afgeronde koppen, gehuld in roodachtig
bruine kleuren. Door hunne uitgestrektheid en woestheid grepen zij
met eigenaardigen indruk in het gemoed.
Mijn voorvaderlijk landgoed, dat ik naderde, was in een eng dal gelegen
tusschen deze heuvels. Uitgestrekte landerijen, die vroeger tot het
geslacht der Osbaldistones behoord hadden, waren door de verkwisting
mijner voorvaderen verloren gegaan, maar er bleef nog genoeg over om
mijn oom den naam te geven van groot landbezitter. Zijn vermogen werd
besteed, zoo als ik onderweg vernam, grootendeels om de onbekrompen
gastvrijheid van die dagen te handhaven. Hij achtte dit voor het
aanzien van zijne familie een noodzakelijke plicht.
Uit de verte van den top van een heuvel had ik reeds een blik kunnen
werpen op het kasteel Osbaldistone. Het was een groot, ouderwetsch
gebouw, midden in een woud van overoude eiken gelegen. Langs een
slechten, kronkelenden weg reed ik er op af, toen mijn paard op eens de
ooren opzette. Ik hoorde het vroolijk geblaf van een paar jachthonden,
nu en dan aangemoedigd door het geluid van een horen. Die was toen
onmisbaar op de jacht. Ik twijfelde er geen oogenblik aan, of het waren
honden van mijn oom. Ik hield stil om de jagers voorbij te laten gaan,
want op het jachtterrein moet men geen jachtliefhebbers ophouden. Ik
nam dus het besluit, zoodra de stoet voorbij was, naar het huis te
rijden en den terugkeer van den eigenaar af te wachten.
Op eene kleine hoogte hield ik mijn paard in, daar niet zonder
belangstelling uitziende naar de jacht, hoewel ik in dien tijd nog
weinig zin voor dat genot bezat. Dat ik evenwel met eenig ongeduld
de aankomst der jagers afwachtte, spreekt van zelf.
Het eerste wat ik zag, was de vos, vermoeid en haast uitgeput. Hij kwam
uit het kreupelhout aan de rechterhelling van het dal. De hangende
staart, de bezoedelde huid en de wankelende gang kondigden zijn
naderend lot aan, en de kraai die reeds boven hem zweefde, scheen het
arme dier reeds als zijn zekeren buit te beschouwen. De vos trok over
de beek, die onder in het dal vloeide. Juist sleepte hij zich door een
rotskloof aan den anderen kant van het water, toen de voorste honden
verschenen, gevolgd door al de overigen, daarna door den jagermeester
en drie of vier ruiters. De honden vervolgden dadelijk het spoor van
den vos. De jagers zetten hen snel en moedig achterna, zonder te letten
op het oneffen en steile terrein. Het waren groote flinke jonge mannen,
goed bereden, en in groen en rood gekleed; dit waren de kleuren eener
jachtvereeniging door den ouden sir Hildebrand Osbaldistone gesticht.
»Zoo zoo," dacht ik, toen zij voorbijvlogen. »Dat zijn nu mijne
heeren neven! Hoe zullen deze waardige opvolgers van Nimrod mij
wel ontvangen? Waarschijnlijk zal ik, die niets van die soort van
genoegens weet, mij niet op mijn gemak noch gelukkig gevoelen in het
huis van mijn oom!" Eene nieuwe verschijning stoorde hier eensklaps
dien gedachtengang.
Het was eene jonge dame, aan wier liefelijke gelaatstrekken het
jachtvermaak en de gloed, waarmede de vermoeienis hare wangen kleurde,
dubbele bekoorlijkheid schonk. Zij bereed een prachtig pikzwart
paard, welks borst bedekt was met sneeuwwit schuim, afdruipend van
het gebit. Hare eenigszins zonderlinge kleeding bestond in een rok,
vest en hoed, geheel naar het fatsoen van een heeren-costuum. Die
dracht, was gedurende mijn verblijf in Frankrijk ingevoerd en dus
mij wel bekend. Haar lang donker haar, dat onder het rijden uit den
band, die het samenhield, was los geraakt, fladderde in den wind. De
oneffen grond, waarover zij met bewonderenswaardige bedrevenheid
en tegenwoordigheid van geest haar paard wist te leiden, stremde
min of meer haar snelle vaart, en zoo kwam zij dichter bij mij, dan
een der overige jagers. Ik kon dus van nabij hare schoone gestalte
beschouwen. Door de opgewektheid van de jacht, door het romantische van
haar kostuum maakte hare plotselinge verschijning sterken indruk op
mij. Zie! op het oogenblik, dat zij mij voorbijvloog, deed haar wild
paard een zijsprong, doordien zij op vlakken bodem sneller vooruit
wilde rennen. Dit toeval strekte mij tot aanleiding naar haar toe te
rijden, om haar, desnoods, hulp te kunnen bieden. Intusschen was er
volstrekt geen gevaar; het paard herstelde zich terstond en hernam zijn
gewonen draf. Zij dankte mij echter met een bevallig glimlachje voor
mijn goeden wil, en hierdoor voelde ik mij aangemoedigd, om mijn paard
in denzelfden stap te brengen en naast haar te rijden. Het geschreeuw:
»Hoezee! hij is dood!" en de tonen van den waldhoorn, kondigden
ons weldra aan, dat er thans geene reden meer bestond tot spoed,
daar de jacht geëindigd was. Een der jongelieden, die ik gezien had,
kwam naar ons toe, en zwaaide zegepralend met den staart van den vos,
als of hij mijn schoone geleidster haar achterblijven wilde verwijten.
»Ik zie het wel!" antwoordde zij; »ik zie het immers wel! Maak er maar
zoo veel drukte niet van!--Was Phoebe," vervolgde zij, terwijl zij op
den hals van haar fraai paard klopte, »niet onder de rotsen gekomen,
dan zoudt gij thans niet zoo kunnen juichen."
Terwijl zij dit zeide, naderden beiden elkander. Ik bemerkte dat
zij naar mij keken, en eenige oogenblikken zacht met elkander
spraken. Duidelijk was het, dat de jonge dame bij den jager op
iets aandrong, terwijl hij met eene zekere onnoozele blooheid
weigerde. Daarop wendde zij op eens haar paard naar mij toe, terwijl
zij min of meer boos en tamelijk luid zeide: »Het is goed, Torncliff,
het is goed! Wilt gij niet, dan zal ik het zelve doen! Mijnheer,"
vervolgde zij nu tegen mij, »ik trachtte dezen onwilligen jongenheer
over te halen, om u te vragen, of gij op uwe reis herwaarts, niet
iets van een onzer vrienden, zekeren heer Frans Osbaldistone, hebt
vernomen, die sedert eenige dagen hier verwacht wordt."
Met wezenlijke vreugde stelde ik mij zelven als den verwachten
gast voor, terwijl ik voor de belangstelling der jonge dame in mijn
persoon dankte.
»Welnu," hernam zij, »daar de wellevendheid van mijn neef nog steeds
schijnt te sluimeren, zult gij mij wel vergunnen, al is het minder
gepast, de rol van ceremoniemeesteres op mij te nemen. Ik heb de
eer u uw neef Thorncliff Osbaldistone en mij zelf, Diana Vernon,
voor te stellen, die tevens de eer heeft de nederige bloedverwante
van uw voortreffelijken neef te zijn."
De toon, waarop zij dit zeide, was vrijmoedig, spotachtig, maar tevens
hartelijk. Ik bezat wereldkennis genoeg, om denzelfden toon te treffen,
toen ik haar mijn kompliment maakte, en haar mijne blijdschap wegens
deze ontmoeting te kennen gaf. Mijne vriendelijke woorden waren
zoo, dat de schoone jageres zich het grootste gedeelte daarvan
kon toeëigenen. Want mijn waarde neef scheen een onnoozele hals,
daarbij kinderachtig bloode, ook min of meer norsch van aard. Hij
reikte mij wel de hand, verklaarde echter dadelijk daarop dat hij mij
moest verlaten, om zijn broeders en de andere jagers bij het koppelen
der honden de behulpzame hand te bieden. Het scheen evenwel meer een
kennisgeving aan freule Vernon, dan wel eene verontschuldiging tot
mij gericht.
»Ga maar heen!" zeide Diana en zag hem met spottende minachting
na: »Daar gaat hij, de prins der stalknechts; der hanengevechten
en roskammers! Maar dat moet gezegd worden: knap is hij in die
vakken.--Hebt gij Markham gelezen?"
»Markham, schoone dame? Ik ken niet eens den naam van dezen schrijver."
»O hemel, waar zijt gij aangeland? Gij, arme onkundige vreemdeling,
kent gij den waren Bijbel niet van dezen wilden stam, waaronder
gij uwe woning moet opslaan? Hebt gij nooit van Markham gehoord,
van den beroemdsten schrijver over de geneeskundige behandeling van
paarden? En dus ook misschien nooit iets van de latere schrijvers
Gibson en Bartlett?"
»Nooit!" antwoordde ik.
»En dit kunt gij, zonder van schaamte te blozen, bekennen?" vervolgde
Diana. »Nu, dan moeten wij de verwantschap met u wel
afzweren. Vermoedelijk kunt gij evenmin een paard eene pil ingeven
of een meelpap voor het dier gereed maken?"
»Al zulke dingen laat ik aan mijn rijknecht over."
»Onbegrijpelijke zorgeloosheid! Gij verstaat dan waarschijnlijk ook
de kunst niet, een paard te beslaan, het de manen en den staart te
knippen, een hond van den worm te snijden, hem de ooren of nagels te
korten, of een valk terug te lokken, of hem, wanneer hij de kap op
heeft, te voederen, of..."
»Neen! Neen. Om u met één woord te zeggen, welk nietsbeduidend wezen
ik ben, ik bezit geene enkele van al deze edele gaven."
»Maar om 's hemels wil, mijnheer Frans Osbaldistone, wat komt gij
dan toch hier doen?"
»Bitter weinig! Evenwel ben ik niet geheel en al onkundig; als mijn
rijknecht mijn paard goed gezadeld heeft, kan ik er op rijden, en
als mijn valk zich in het open veld bevindt, kan ik hem opzenden."
»Kunt gij dat?" vroeg Diana, en zette haar paard in korten galop.
Nu kwamen wij aan een van ruwe boomstammen vervaardigd vrij hoog
hek, dat dwars over den weg liep. Op eenigen afstand daarvan wilde ik
afstijgen, ten einde het te openen; maar in hetzelfde oogenblik was de
koene Amazone er met haar paard reeds overgesprongen. Voor mijn eigen
eer moest ik haar wel volgen en was dan ook dadelijk weder naast haar.
»Gij geeft ons ten minste nog eenige hoop!" hernam zij. »Ik begon
waarlijk al te vreezen, dat gij een ontaarde tak van den stamboom
der Osbaldistones waart. Maar, ik bid u, zeg mij toch eens wat is
de reden van uwe komst op Vossenburg? Weet ge, zoo noemen de lieden
in dezen omtrek ons kasteel. Mij dunkt, dat gij liever stilletjes
weggebleven waart."
Ik bemerkte, dat ik met het schoone meisje reeds vrij vertrouwelijk
praatte. Ik antwoordde dan ook op gullen toon: »ge hebt gelijk. Het
zou eene opoffering voor mij zijn, mij op het kasteel Osbaldistone op
te; houden, indien de bewoners er van allen wezenlijk zoodanig zouden
zijn, als gij ze mij hebt afgeschilderd. Maar ik durf mij vleien,
ja, bijna zeker zeggen, dat er zich ééne uitzondering bevindt, die
al de overige gebreken dubbel vergoeden zal."
»O, zoo, gij bedoelt misschien Rashleigh?"
»Waarlijk niet; ik bedoelde iemand, die wat dichter bij mij is."
»Het beste is, geloof ik, uw kompliment niet te willen verstaan. Doch
dat kan ik niet. Excuseer, dat ik geene beleefde neiging maak,
ge ziet, ik ben te paard. Maar, in ernst gesproken, ik verdien uwe
uitzondering; want ik ben het eenige gezellige wezen in het gansche
kasteel, behalve de oude geestelijke en Rashleigh."
»Maar zeg, wie is dan die Rashleigh?"
»Rashleigh is iemand, die om zijn eigen wil gaarne zou hebben, dat
iedereen was, zoo als hij. Hij is de jongste zoon van uw oom, ongeveer
van uwe jaren, maar niet zoo.... met een woord, hij ziet er niet heel
goed uit. De natuur heeft hem nog al gezond menschenverstand gegeven
en de pastoor heeft er een handvol geleerdheid bijgevoegd. Wij allen
noemen hem een bizonder knap mensch, wel te verstaan, hier in dit land,
waar knappe lui tot de zeldzaamheid behooren. Hij is voor de kerk
bestemd, maar schijnt juist geen haast te maken met het priesterkleed
aan te trekken."
»Voor de Katholieke kerk?" vroeg ik.
»Natuurlijk de Katholieke kerk! Voor welke kerk anders? Maar, het
is waar, ik vergeet waarlijk, dat men mij gezegd heeft, dat gij een
ketter zijt. Is dat waar, mijnheer Osbaldistone?"
»Ik kan het niet ontkennen."
»En gij waart toch in vreemde landen, en wel in echt-Katholieke
landen?"
»Bijna vier jaren."
»Hebt gij kloosters gezien?"
»Dikwijls; maar ik heb er, helaas, niet veel in gezien, wat mij het
Katholieke geloof zou aanbevelen."
»Zijn de kloosterlingen niet gelukkig?"
»Waarschijnlijk eenigen wel, althans diegenen, die door innerlijke
vroomheid, of om vervolgingen en rampen, welke zij in de wereld
geleden hebben, of ook uit natuurlijke luiheid het kloosterleven
omhelsden. Maar diegenen, die in eene plotselinge, overspannen
geestdrift, of in eene vlaag van wrevel wegens ondervonden
teleurstellingen en vernederingen tot zulk een afgezonderd leven
zijn overgegaan, zijn inderdaad zeer ongelukkig. Het verlangen naar
de samenleving is spoedig weer ontwaakt. Zij zijn als wilde dieren
in gevangenschap. Zij dulden onwillig den dwang. Anderen geven zich
in hunne cellen aan allerlei dweperijen over, sommigen gaan zich
vet mesten."
»Maar wat wordt er dan wel van de vrouwen, die door den wil van anderen
tot het kloosterleven veroordeeld zijn? Naar wat gelijken zij? Vooral,
wanneer zij naar het leven en de levensvreugde daarbuiten smachten
uit aanleg en natuur."
»Zij zijn als opgesloten zangvogels, veroordeeld om haar leven in een
kerker door te brengen. Zij trachten soms in hare talenten verstrooiing
te vinden. Maar had men haar niet van hare vrijheid beroofd, dan zouden
zij door haar aanleg sieraden der maatschappij kunnen geweest zijn."
»Eer zal ik,--" zeide zij, doch schielijk zich verbeterend, hernam
zij: »eer zoude ik een wilden havik gelijken.--Als men dezen de vrije
vlucht door het luchtruim belet, stoot hij zich tegen de traliën van
zijne gevangenis den kop te pletter. Maar, om weder op Rashleigh
te komen," vervolgde zij eenigszins levendiger: »gij zult in hem
den aangenaamsten man vinden, dien gij ooit ontmoet hebt, tenminste
gedurende eene week. Kon hij slechts eene blinde minnares vinden,
niemand zou zoo zeker van zijne verovering zijn als hij. Maar het oog
doet de betoovering ophouden, welke het oor bewerkt heeft. Genoeg
daarover. Hier zijn wij op het voorplein van het oude kasteel,
dat er even ouderwetsch uitziet, als zijne bewoners. Aan opschik
wordt hier niet veel ten koste gelegd: dit zult gij weldra zien en
ondervinden. Maar mijn hoed is mij lastig: hij klemt mij. Excuseer,
dat ik het mij wat gemakkelijk maak."
En het opgeruimde meisje nam den hoed af, en streek met de blanke
vingers half lachend, half blozend, de verwarde lokken van hare
doordringende grijze oogen weg. Liep hier misschien een weinigje
behaagzucht onder? Het is mogelijk, maar dan wist zij die uitmuntend
achter zekere achtelooze onverschilligheid te verbergen. Ik kon niet
nalaten op te merken, dat ik den opschik als iets geheel overtolligs
moest beschouwen, wanneer men over de familie oordeelen mocht naar
haar, die ik thans voor mij zag.
»Waarlijk aardig gezegd!" antwoordde zij; »maar misschien behoorde
ik het eigenlijk in het geheel niet te verstaan. Overigens zult gij
ondervinden, dat een weinig achteloosheid hier juist op de rechte
plaats is, wanneer gij maar eerst uw aanstaande omgeving hebt gezien,
aan wie elke opschik, elke nieuwe mode totaal verspild zou zijn. Maar
de oude etensklok zal dadelijk luiden, of liever piepen. Haar geluid
is thans slechts een wanklinkend gepiep. In vroeger tijd moet ze
mooi gegonsd hebben. Maar ze sprong juist op denzelfden dag, toen
koning Willem hier voet aan land zette. Wegens deze bijzondere gave
van profetie heeft mijn oom haar niet willen laten herstellen. Maar
wees zoo goed, gelijk het een getrouwen ridder betaamt, mijn paard
even bij den teugel te houden, tot ik een nederigen schildknaap zend,
om u af te lossen."
Met deze woorden wierp zij mij den teugel toe, alsof wij reeds van
onze eerste kindsheid af met elkander bekend waren geweest, sprong uit
den zadel, huppelde het plein over en ging eene zijdeur binnen. Ik
staarde haar na, hare schoonheid bewonderende en verbaasd over hare
vrijmoedige manieren. Het was dubbel te verwonderen in een tijd, toen
de voorschriften der wellevendheid, die wij van het hof van Lodewijk
XIV ontvingen, het schoone geslacht eene zeer deftige houding geboden.
Ik zat daar midden op het plein van het oude kasteel op een paard,
en hield een ander bij den teugel; zeker maakte ik een zonderling
figuur. De gebouwen in het rond hadden voor een vreemdeling weinig
merkwaardigs. Trouwens ik was geenszins in eene stemming, om ze
met eenige opmerkzaamheid te beschouwen. De zijden van het vierkant
waren alle van verschillende bouworde, en geleken, met hare steenen
en getraliede vensters, hare vooruitspringende torentjes en hare
zware balken op het binnenplein van een klooster. Vruchteloos riep
ik om een bediende, wat mij des te pijnlijker was, daar ik zag, dat
ik een voorwerp van de nieuwsgierigheid van verscheidene mannelijke
en vrouwelijke dienstboden werd, die het hoofd uit verschillende
gedeelten van het gebouw staken, maar het, even als konijnen
tusschen struiken, dadelijk weder terugtrokken, zoodra ik naar hen
opzag. De terugkomst der jagers en honden hielp mij eindelijk uit de
verlegenheid. Niet zonder moeite verkreeg ik van een boerenknaap dat
hij mij de paarden afnam, en van een anderen mij naar het kasteel
te brengen, waar ik mij aan mijn oom wilde voorstellen. Deze knaap
nam daarbij het voorkomen aan, alsof hij door mij gedwongen werd,
mij naar een vijandelijken voorpost te vergezellen. Ik had werk,
om hem het ontsnappen te beletten.
Verscheidene gewelfde gangen, die naar de »steenen zaal," zoo als hij
het noemde, leidden, moesten wij doorloopen, tot wij ons eindelijk
in een ruim, gewelfd vertrek met een steenen vloer bevonden. Eene
rij van eikenhouten tafels, allen zoo zwaar en zoo groot, dat
zij nauwelijks verplaatst konden worden, was reeds gedekt. Deze
eerbiedwekkende zaal, sedert eeuwen het tooneel der tafelgenoegens van
mijne voorvaderen, bevatte ook nog vele bewijzen van hunne voormalige
jachtbedrijven. Talrijke geweien van herten en reeën versierden de
wanden, en daartusschen prijkten opgezette dassen, otters, bunsings
en dergelijke roofdieren. Te midden van oud wapentuig, dat misschien
eens tegen de Schotten gediend had, zag men ook allerlei wapenen
van de edele jacht. Handbogen, geweren met enkele en dubbele loopen,
weitasschen, netten, otterspiesen en vele andere werktuigen om het
wild te vangen en te dooden. Eenige oude, dik berookte en met bier
bevlekte schilderijen hingen hier en daar in het rond. Men zag er
ridders en dames, zonder twijfel in hun tijd zeer geëerd en beroemd;
de eerste met vreeselijke knevelbaarden en grimmige gezichten, de
laatste met een zoet lachje op het beminnelijke gelaat, en wangen
bloeiend als de rozen, die zij in hare hand hielden.
Ik had juist even tijd gehad, om deze merkwaardigheden vluchtig
te bezien, toen een twaalftal bedienden in blauwe kleeding, onder
veel geraas en gekakel binnenstormden, ieder nog meer bezig met
zijn makkers te beduiden wat zij doen moesten, dan zelf iets te
verrichten. Sommigen brachten blokken hout en spaanders voor het vuur,
dat sterk rookte op den haard. De schoorsteenmantel was zoo groot,
dat er een steenen bank onder kon staan. Boven den haard was in roode
steen, tot sieraad, op vrij plompe manier het geslachtswapen mijner
familie uitgehouwen. Het kunstwerk had echter deels door den invloed
van den rook, deels door den tand des tijds, zeer geleden. Andere
bedienden, zeer ouderwetsch gekleed, brachten dampende, met voedzame
spijzen beladen schotels op. Weer anderen droegen bekers, kannen en
flesschen aan met allerlei soorten van drank. Toen nu eindelijk,
na veel gehaspel en gedruisch, het ruime maal opgedischt was,
hoorde ik plotseling een luid geschreeuw en gepraat van menschen,
en een geweldig geblaf van honden, vermengd met het klappen van
zweepen en het dreunen van zware laarzen, die mij aan den Steenen
Gast herinnerden. Dit alles kondigde de komst der jagers aan, voor
wie het feest bereid was. Nu begon de drukte, het geroep en geraas der
dienstboden op nieuw, en wel nog erger dan te voren. Sommigen spoorden
hunne makkers tot spoed aan. Anderen waarschuwden hen, vooral bedaard
en voorzichtig te zijn. Weer anderen stieten elkander telkens terug
of op zijde, om den binnenkomenden gasten plaats te maken. Sommigen
omringden de tafel; anderen plaatsten zich bij de vleugeldeuren,
die de zaal van een zwart geverfd zijvertrek scheidden. Eindelijk
werden die vleugeldeuren opengerukt, en nu stormden honden en menschen
binnen.--Ik zag acht honden, den huiskapelaan, den dorpsgeneesheer,
mijne zes neven en mijn oom, achtereenvolgens binnenkomen.