HOOFDSTUK V.

Mij klopt het hart, als ik de schoone fee,

Des eilands trots en roem aanschouwe,

Voort, in galop, op 't fiere ros.

De Jacht.

Al dichter het noorden van Engeland naderend, gevoelde ik iets als

liefde tot dezen mijn geboortegrond in mij opkomen. En daarbij voegde

zich de geestdrift, waarmede eene schoone natuur den opgewekten mensch

bezielt. De bergstroomen, die nu dien naam zeker verdienden, kropen

niet meer voort tusschen riet en wilgeboomen, maar stortten zich van

de hoogten naar beneden, nu eens sneller, dan weer langzamer vloeiend,

door eenzame valleien, die den reiziger schenen uit te lokken af te

dalen in haar verborgen plekjes.

Donker en trotsch, verhieven zich voor mij de Cheviot-bergen, wel

boden zij niet die afwisseling der primaire rotsen en klippen-vorming,

maar zij waren grootsch, met afgeronde koppen, gehuld in roodachtig

bruine kleuren. Door hunne uitgestrektheid en woestheid grepen zij

met eigenaardigen indruk in het gemoed.

Mijn voorvaderlijk landgoed, dat ik naderde, was in een eng dal gelegen

tusschen deze heuvels. Uitgestrekte landerijen, die vroeger tot het

geslacht der Osbaldistones behoord hadden, waren door de verkwisting

mijner voorvaderen verloren gegaan, maar er bleef nog genoeg over om

mijn oom den naam te geven van groot landbezitter. Zijn vermogen werd

besteed, zoo als ik onderweg vernam, grootendeels om de onbekrompen

gastvrijheid van die dagen te handhaven. Hij achtte dit voor het

aanzien van zijne familie een noodzakelijke plicht.

Uit de verte van den top van een heuvel had ik reeds een blik kunnen

werpen op het kasteel Osbaldistone. Het was een groot, ouderwetsch

gebouw, midden in een woud van overoude eiken gelegen. Langs een

slechten, kronkelenden weg reed ik er op af, toen mijn paard op eens de

ooren opzette. Ik hoorde het vroolijk geblaf van een paar jachthonden,

nu en dan aangemoedigd door het geluid van een horen. Die was toen

onmisbaar op de jacht. Ik twijfelde er geen oogenblik aan, of het waren

honden van mijn oom. Ik hield stil om de jagers voorbij te laten gaan,

want op het jachtterrein moet men geen jachtliefhebbers ophouden. Ik

nam dus het besluit, zoodra de stoet voorbij was, naar het huis te

rijden en den terugkeer van den eigenaar af te wachten.

Op eene kleine hoogte hield ik mijn paard in, daar niet zonder

belangstelling uitziende naar de jacht, hoewel ik in dien tijd nog

weinig zin voor dat genot bezat. Dat ik evenwel met eenig ongeduld

de aankomst der jagers afwachtte, spreekt van zelf.

Het eerste wat ik zag, was de vos, vermoeid en haast uitgeput. Hij kwam

uit het kreupelhout aan de rechterhelling van het dal. De hangende

staart, de bezoedelde huid en de wankelende gang kondigden zijn

naderend lot aan, en de kraai die reeds boven hem zweefde, scheen het

arme dier reeds als zijn zekeren buit te beschouwen. De vos trok over

de beek, die onder in het dal vloeide. Juist sleepte hij zich door een

rotskloof aan den anderen kant van het water, toen de voorste honden

verschenen, gevolgd door al de overigen, daarna door den jagermeester

en drie of vier ruiters. De honden vervolgden dadelijk het spoor van

den vos. De jagers zetten hen snel en moedig achterna, zonder te letten

op het oneffen en steile terrein. Het waren groote flinke jonge mannen,

goed bereden, en in groen en rood gekleed; dit waren de kleuren eener

jachtvereeniging door den ouden sir Hildebrand Osbaldistone gesticht.

»Zoo zoo," dacht ik, toen zij voorbijvlogen. »Dat zijn nu mijne

heeren neven! Hoe zullen deze waardige opvolgers van Nimrod mij

wel ontvangen? Waarschijnlijk zal ik, die niets van die soort van

genoegens weet, mij niet op mijn gemak noch gelukkig gevoelen in het

huis van mijn oom!" Eene nieuwe verschijning stoorde hier eensklaps

dien gedachtengang.

Het was eene jonge dame, aan wier liefelijke gelaatstrekken het

jachtvermaak en de gloed, waarmede de vermoeienis hare wangen kleurde,

dubbele bekoorlijkheid schonk. Zij bereed een prachtig pikzwart

paard, welks borst bedekt was met sneeuwwit schuim, afdruipend van

het gebit. Hare eenigszins zonderlinge kleeding bestond in een rok,

vest en hoed, geheel naar het fatsoen van een heeren-costuum. Die

dracht, was gedurende mijn verblijf in Frankrijk ingevoerd en dus

mij wel bekend. Haar lang donker haar, dat onder het rijden uit den

band, die het samenhield, was los geraakt, fladderde in den wind. De

oneffen grond, waarover zij met bewonderenswaardige bedrevenheid

en tegenwoordigheid van geest haar paard wist te leiden, stremde

min of meer haar snelle vaart, en zoo kwam zij dichter bij mij, dan

een der overige jagers. Ik kon dus van nabij hare schoone gestalte

beschouwen. Door de opgewektheid van de jacht, door het romantische van

haar kostuum maakte hare plotselinge verschijning sterken indruk op

mij. Zie! op het oogenblik, dat zij mij voorbijvloog, deed haar wild

paard een zijsprong, doordien zij op vlakken bodem sneller vooruit

wilde rennen. Dit toeval strekte mij tot aanleiding naar haar toe te

rijden, om haar, desnoods, hulp te kunnen bieden. Intusschen was er

volstrekt geen gevaar; het paard herstelde zich terstond en hernam zijn

gewonen draf. Zij dankte mij echter met een bevallig glimlachje voor

mijn goeden wil, en hierdoor voelde ik mij aangemoedigd, om mijn paard

in denzelfden stap te brengen en naast haar te rijden. Het geschreeuw:

»Hoezee! hij is dood!" en de tonen van den waldhoorn, kondigden

ons weldra aan, dat er thans geene reden meer bestond tot spoed,

daar de jacht geëindigd was. Een der jongelieden, die ik gezien had,

kwam naar ons toe, en zwaaide zegepralend met den staart van den vos,

als of hij mijn schoone geleidster haar achterblijven wilde verwijten.

»Ik zie het wel!" antwoordde zij; »ik zie het immers wel! Maak er maar

zoo veel drukte niet van!--Was Phoebe," vervolgde zij, terwijl zij op

den hals van haar fraai paard klopte, »niet onder de rotsen gekomen,

dan zoudt gij thans niet zoo kunnen juichen."

Terwijl zij dit zeide, naderden beiden elkander. Ik bemerkte dat

zij naar mij keken, en eenige oogenblikken zacht met elkander

spraken. Duidelijk was het, dat de jonge dame bij den jager op

iets aandrong, terwijl hij met eene zekere onnoozele blooheid

weigerde. Daarop wendde zij op eens haar paard naar mij toe, terwijl

zij min of meer boos en tamelijk luid zeide: »Het is goed, Torncliff,

het is goed! Wilt gij niet, dan zal ik het zelve doen! Mijnheer,"

vervolgde zij nu tegen mij, »ik trachtte dezen onwilligen jongenheer

over te halen, om u te vragen, of gij op uwe reis herwaarts, niet

iets van een onzer vrienden, zekeren heer Frans Osbaldistone, hebt

vernomen, die sedert eenige dagen hier verwacht wordt."

Met wezenlijke vreugde stelde ik mij zelven als den verwachten

gast voor, terwijl ik voor de belangstelling der jonge dame in mijn

persoon dankte.

»Welnu," hernam zij, »daar de wellevendheid van mijn neef nog steeds

schijnt te sluimeren, zult gij mij wel vergunnen, al is het minder

gepast, de rol van ceremoniemeesteres op mij te nemen. Ik heb de

eer u uw neef Thorncliff Osbaldistone en mij zelf, Diana Vernon,

voor te stellen, die tevens de eer heeft de nederige bloedverwante

van uw voortreffelijken neef te zijn."

De toon, waarop zij dit zeide, was vrijmoedig, spotachtig, maar tevens

hartelijk. Ik bezat wereldkennis genoeg, om denzelfden toon te treffen,

toen ik haar mijn kompliment maakte, en haar mijne blijdschap wegens

deze ontmoeting te kennen gaf. Mijne vriendelijke woorden waren

zoo, dat de schoone jageres zich het grootste gedeelte daarvan

kon toeëigenen. Want mijn waarde neef scheen een onnoozele hals,

daarbij kinderachtig bloode, ook min of meer norsch van aard. Hij

reikte mij wel de hand, verklaarde echter dadelijk daarop dat hij mij

moest verlaten, om zijn broeders en de andere jagers bij het koppelen

der honden de behulpzame hand te bieden. Het scheen evenwel meer een

kennisgeving aan freule Vernon, dan wel eene verontschuldiging tot

mij gericht.

»Ga maar heen!" zeide Diana en zag hem met spottende minachting

na: »Daar gaat hij, de prins der stalknechts; der hanengevechten

en roskammers! Maar dat moet gezegd worden: knap is hij in die

vakken.--Hebt gij Markham gelezen?"

»Markham, schoone dame? Ik ken niet eens den naam van dezen schrijver."

»O hemel, waar zijt gij aangeland? Gij, arme onkundige vreemdeling,

kent gij den waren Bijbel niet van dezen wilden stam, waaronder

gij uwe woning moet opslaan? Hebt gij nooit van Markham gehoord,

van den beroemdsten schrijver over de geneeskundige behandeling van

paarden? En dus ook misschien nooit iets van de latere schrijvers

Gibson en Bartlett?"

»Nooit!" antwoordde ik.

»En dit kunt gij, zonder van schaamte te blozen, bekennen?" vervolgde

Diana. »Nu, dan moeten wij de verwantschap met u wel

afzweren. Vermoedelijk kunt gij evenmin een paard eene pil ingeven

of een meelpap voor het dier gereed maken?"

»Al zulke dingen laat ik aan mijn rijknecht over."

»Onbegrijpelijke zorgeloosheid! Gij verstaat dan waarschijnlijk ook

de kunst niet, een paard te beslaan, het de manen en den staart te

knippen, een hond van den worm te snijden, hem de ooren of nagels te

korten, of een valk terug te lokken, of hem, wanneer hij de kap op

heeft, te voederen, of..."

»Neen! Neen. Om u met één woord te zeggen, welk nietsbeduidend wezen

ik ben, ik bezit geene enkele van al deze edele gaven."

»Maar om 's hemels wil, mijnheer Frans Osbaldistone, wat komt gij

dan toch hier doen?"

»Bitter weinig! Evenwel ben ik niet geheel en al onkundig; als mijn

rijknecht mijn paard goed gezadeld heeft, kan ik er op rijden, en

als mijn valk zich in het open veld bevindt, kan ik hem opzenden."

»Kunt gij dat?" vroeg Diana, en zette haar paard in korten galop.

Nu kwamen wij aan een van ruwe boomstammen vervaardigd vrij hoog

hek, dat dwars over den weg liep. Op eenigen afstand daarvan wilde ik

afstijgen, ten einde het te openen; maar in hetzelfde oogenblik was de

koene Amazone er met haar paard reeds overgesprongen. Voor mijn eigen

eer moest ik haar wel volgen en was dan ook dadelijk weder naast haar.

»Gij geeft ons ten minste nog eenige hoop!" hernam zij. »Ik begon

waarlijk al te vreezen, dat gij een ontaarde tak van den stamboom

der Osbaldistones waart. Maar, ik bid u, zeg mij toch eens wat is

de reden van uwe komst op Vossenburg? Weet ge, zoo noemen de lieden

in dezen omtrek ons kasteel. Mij dunkt, dat gij liever stilletjes

weggebleven waart."

Ik bemerkte, dat ik met het schoone meisje reeds vrij vertrouwelijk

praatte. Ik antwoordde dan ook op gullen toon: »ge hebt gelijk. Het

zou eene opoffering voor mij zijn, mij op het kasteel Osbaldistone op

te; houden, indien de bewoners er van allen wezenlijk zoodanig zouden

zijn, als gij ze mij hebt afgeschilderd. Maar ik durf mij vleien,

ja, bijna zeker zeggen, dat er zich ééne uitzondering bevindt, die

al de overige gebreken dubbel vergoeden zal."

»O, zoo, gij bedoelt misschien Rashleigh?"

»Waarlijk niet; ik bedoelde iemand, die wat dichter bij mij is."

»Het beste is, geloof ik, uw kompliment niet te willen verstaan. Doch

dat kan ik niet. Excuseer, dat ik geene beleefde neiging maak,

ge ziet, ik ben te paard. Maar, in ernst gesproken, ik verdien uwe

uitzondering; want ik ben het eenige gezellige wezen in het gansche

kasteel, behalve de oude geestelijke en Rashleigh."

»Maar zeg, wie is dan die Rashleigh?"

»Rashleigh is iemand, die om zijn eigen wil gaarne zou hebben, dat

iedereen was, zoo als hij. Hij is de jongste zoon van uw oom, ongeveer

van uwe jaren, maar niet zoo.... met een woord, hij ziet er niet heel

goed uit. De natuur heeft hem nog al gezond menschenverstand gegeven

en de pastoor heeft er een handvol geleerdheid bijgevoegd. Wij allen

noemen hem een bizonder knap mensch, wel te verstaan, hier in dit land,

waar knappe lui tot de zeldzaamheid behooren. Hij is voor de kerk

bestemd, maar schijnt juist geen haast te maken met het priesterkleed

aan te trekken."

»Voor de Katholieke kerk?" vroeg ik.

»Natuurlijk de Katholieke kerk! Voor welke kerk anders? Maar, het

is waar, ik vergeet waarlijk, dat men mij gezegd heeft, dat gij een

ketter zijt. Is dat waar, mijnheer Osbaldistone?"

»Ik kan het niet ontkennen."

»En gij waart toch in vreemde landen, en wel in echt-Katholieke

landen?"

»Bijna vier jaren."

»Hebt gij kloosters gezien?"

»Dikwijls; maar ik heb er, helaas, niet veel in gezien, wat mij het

Katholieke geloof zou aanbevelen."

»Zijn de kloosterlingen niet gelukkig?"

»Waarschijnlijk eenigen wel, althans diegenen, die door innerlijke

vroomheid, of om vervolgingen en rampen, welke zij in de wereld

geleden hebben, of ook uit natuurlijke luiheid het kloosterleven

omhelsden. Maar diegenen, die in eene plotselinge, overspannen

geestdrift, of in eene vlaag van wrevel wegens ondervonden

teleurstellingen en vernederingen tot zulk een afgezonderd leven

zijn overgegaan, zijn inderdaad zeer ongelukkig. Het verlangen naar

de samenleving is spoedig weer ontwaakt. Zij zijn als wilde dieren

in gevangenschap. Zij dulden onwillig den dwang. Anderen geven zich

in hunne cellen aan allerlei dweperijen over, sommigen gaan zich

vet mesten."

»Maar wat wordt er dan wel van de vrouwen, die door den wil van anderen

tot het kloosterleven veroordeeld zijn? Naar wat gelijken zij? Vooral,

wanneer zij naar het leven en de levensvreugde daarbuiten smachten

uit aanleg en natuur."

»Zij zijn als opgesloten zangvogels, veroordeeld om haar leven in een

kerker door te brengen. Zij trachten soms in hare talenten verstrooiing

te vinden. Maar had men haar niet van hare vrijheid beroofd, dan zouden

zij door haar aanleg sieraden der maatschappij kunnen geweest zijn."

»Eer zal ik,--" zeide zij, doch schielijk zich verbeterend, hernam

zij: »eer zoude ik een wilden havik gelijken.--Als men dezen de vrije

vlucht door het luchtruim belet, stoot hij zich tegen de traliën van

zijne gevangenis den kop te pletter. Maar, om weder op Rashleigh

te komen," vervolgde zij eenigszins levendiger: »gij zult in hem

den aangenaamsten man vinden, dien gij ooit ontmoet hebt, tenminste

gedurende eene week. Kon hij slechts eene blinde minnares vinden,

niemand zou zoo zeker van zijne verovering zijn als hij. Maar het oog

doet de betoovering ophouden, welke het oor bewerkt heeft. Genoeg

daarover. Hier zijn wij op het voorplein van het oude kasteel,

dat er even ouderwetsch uitziet, als zijne bewoners. Aan opschik

wordt hier niet veel ten koste gelegd: dit zult gij weldra zien en

ondervinden. Maar mijn hoed is mij lastig: hij klemt mij. Excuseer,

dat ik het mij wat gemakkelijk maak."

En het opgeruimde meisje nam den hoed af, en streek met de blanke

vingers half lachend, half blozend, de verwarde lokken van hare

doordringende grijze oogen weg. Liep hier misschien een weinigje

behaagzucht onder? Het is mogelijk, maar dan wist zij die uitmuntend

achter zekere achtelooze onverschilligheid te verbergen. Ik kon niet

nalaten op te merken, dat ik den opschik als iets geheel overtolligs

moest beschouwen, wanneer men over de familie oordeelen mocht naar

haar, die ik thans voor mij zag.

»Waarlijk aardig gezegd!" antwoordde zij; »maar misschien behoorde

ik het eigenlijk in het geheel niet te verstaan. Overigens zult gij

ondervinden, dat een weinig achteloosheid hier juist op de rechte

plaats is, wanneer gij maar eerst uw aanstaande omgeving hebt gezien,

aan wie elke opschik, elke nieuwe mode totaal verspild zou zijn. Maar

de oude etensklok zal dadelijk luiden, of liever piepen. Haar geluid

is thans slechts een wanklinkend gepiep. In vroeger tijd moet ze

mooi gegonsd hebben. Maar ze sprong juist op denzelfden dag, toen

koning Willem hier voet aan land zette. Wegens deze bijzondere gave

van profetie heeft mijn oom haar niet willen laten herstellen. Maar

wees zoo goed, gelijk het een getrouwen ridder betaamt, mijn paard

even bij den teugel te houden, tot ik een nederigen schildknaap zend,

om u af te lossen."

Met deze woorden wierp zij mij den teugel toe, alsof wij reeds van

onze eerste kindsheid af met elkander bekend waren geweest, sprong uit

den zadel, huppelde het plein over en ging eene zijdeur binnen. Ik

staarde haar na, hare schoonheid bewonderende en verbaasd over hare

vrijmoedige manieren. Het was dubbel te verwonderen in een tijd, toen

de voorschriften der wellevendheid, die wij van het hof van Lodewijk

XIV ontvingen, het schoone geslacht eene zeer deftige houding geboden.

Ik zat daar midden op het plein van het oude kasteel op een paard,

en hield een ander bij den teugel; zeker maakte ik een zonderling

figuur. De gebouwen in het rond hadden voor een vreemdeling weinig

merkwaardigs. Trouwens ik was geenszins in eene stemming, om ze

met eenige opmerkzaamheid te beschouwen. De zijden van het vierkant

waren alle van verschillende bouworde, en geleken, met hare steenen

en getraliede vensters, hare vooruitspringende torentjes en hare

zware balken op het binnenplein van een klooster. Vruchteloos riep

ik om een bediende, wat mij des te pijnlijker was, daar ik zag, dat

ik een voorwerp van de nieuwsgierigheid van verscheidene mannelijke

en vrouwelijke dienstboden werd, die het hoofd uit verschillende

gedeelten van het gebouw staken, maar het, even als konijnen

tusschen struiken, dadelijk weder terugtrokken, zoodra ik naar hen

opzag. De terugkomst der jagers en honden hielp mij eindelijk uit de

verlegenheid. Niet zonder moeite verkreeg ik van een boerenknaap dat

hij mij de paarden afnam, en van een anderen mij naar het kasteel

te brengen, waar ik mij aan mijn oom wilde voorstellen. Deze knaap

nam daarbij het voorkomen aan, alsof hij door mij gedwongen werd,

mij naar een vijandelijken voorpost te vergezellen. Ik had werk,

om hem het ontsnappen te beletten.

Verscheidene gewelfde gangen, die naar de »steenen zaal," zoo als hij

het noemde, leidden, moesten wij doorloopen, tot wij ons eindelijk

in een ruim, gewelfd vertrek met een steenen vloer bevonden. Eene

rij van eikenhouten tafels, allen zoo zwaar en zoo groot, dat

zij nauwelijks verplaatst konden worden, was reeds gedekt. Deze

eerbiedwekkende zaal, sedert eeuwen het tooneel der tafelgenoegens van

mijne voorvaderen, bevatte ook nog vele bewijzen van hunne voormalige

jachtbedrijven. Talrijke geweien van herten en reeën versierden de

wanden, en daartusschen prijkten opgezette dassen, otters, bunsings

en dergelijke roofdieren. Te midden van oud wapentuig, dat misschien

eens tegen de Schotten gediend had, zag men ook allerlei wapenen

van de edele jacht. Handbogen, geweren met enkele en dubbele loopen,

weitasschen, netten, otterspiesen en vele andere werktuigen om het

wild te vangen en te dooden. Eenige oude, dik berookte en met bier

bevlekte schilderijen hingen hier en daar in het rond. Men zag er

ridders en dames, zonder twijfel in hun tijd zeer geëerd en beroemd;

de eerste met vreeselijke knevelbaarden en grimmige gezichten, de

laatste met een zoet lachje op het beminnelijke gelaat, en wangen

bloeiend als de rozen, die zij in hare hand hielden.

Ik had juist even tijd gehad, om deze merkwaardigheden vluchtig

te bezien, toen een twaalftal bedienden in blauwe kleeding, onder

veel geraas en gekakel binnenstormden, ieder nog meer bezig met

zijn makkers te beduiden wat zij doen moesten, dan zelf iets te

verrichten. Sommigen brachten blokken hout en spaanders voor het vuur,

dat sterk rookte op den haard. De schoorsteenmantel was zoo groot,

dat er een steenen bank onder kon staan. Boven den haard was in roode

steen, tot sieraad, op vrij plompe manier het geslachtswapen mijner

familie uitgehouwen. Het kunstwerk had echter deels door den invloed

van den rook, deels door den tand des tijds, zeer geleden. Andere

bedienden, zeer ouderwetsch gekleed, brachten dampende, met voedzame

spijzen beladen schotels op. Weer anderen droegen bekers, kannen en

flesschen aan met allerlei soorten van drank. Toen nu eindelijk,

na veel gehaspel en gedruisch, het ruime maal opgedischt was,

hoorde ik plotseling een luid geschreeuw en gepraat van menschen,

en een geweldig geblaf van honden, vermengd met het klappen van

zweepen en het dreunen van zware laarzen, die mij aan den Steenen

Gast herinnerden. Dit alles kondigde de komst der jagers aan, voor

wie het feest bereid was. Nu begon de drukte, het geroep en geraas der

dienstboden op nieuw, en wel nog erger dan te voren. Sommigen spoorden

hunne makkers tot spoed aan. Anderen waarschuwden hen, vooral bedaard

en voorzichtig te zijn. Weer anderen stieten elkander telkens terug

of op zijde, om den binnenkomenden gasten plaats te maken. Sommigen

omringden de tafel; anderen plaatsten zich bij de vleugeldeuren,

die de zaal van een zwart geverfd zijvertrek scheidden. Eindelijk

werden die vleugeldeuren opengerukt, en nu stormden honden en menschen

binnen.--Ik zag acht honden, den huiskapelaan, den dorpsgeneesheer,

mijne zes neven en mijn oom, achtereenvolgens binnenkomen.

Robbert Roodhaar · 第 14 / 57 题