HOOFDSTUK IV.

"De Schot is een arme zot", zegt trotsch de Engelschman.

't Mag zijn.--De Schot zwijgt stil, bij deze aanklacht.

Maar waarom zijt gij dan nog boos,

Als hij hier henen komt, om dit gebrek te beteren?

Churchill.

Op de Engelsche groote wegen heerschte nog in die dagen voor het

reizend publiek een oud gebruik, dat tegenwoordig wel geheel verouderd

is, misschien is het in sommige streken nog bij het gemeene volk in

zwang. Op lange tochten, te paard afgelegd, was het gebruikelijk, des

Zondags niet verder te reizen, maar op eene plaats te blijven waar de

reiziger dan de godsdienstoefening bijwoonde en ook aan zijn paard de

weldaad van den rustdag schonk; die instelling zal voor onze redelooze

medeschepselen wel even aangenaam zijn, als voor ons. De weerklank van

deze gewoonte en tevens een overblijfsel van oud-Engelsche gastvrijheid

was dan, dat de eigenaar van elke eenigszins aanzienlijke herberg, op

dien dag zijn krijt op zij legde, en alle gasten, die zich onder zijn

dak bevonden uitnoodigde, om met hem en de zijnen een stuk rundvleesch

en een pudding te gebruiken. Deze uitnoodiging werd ook gewoonlijk door

allen aangenomen, behalve soms door dezen of genen al te voornamen

gast, die meende dat het te kort deed aan zijn stand een maaltijd op

kosten van zijn waard te genieten.--Gewoonlijk was dan het bestellen

van eene flesch wijn na het eten, om op de gezondheid van den gastheer

te drinken, de eenige vergoeding, die aangeboden en aangenomen werd.

Wereldburger van aard, was ik gaarne tegenwoordig bij al zulke

tooneelen, waar ik menschenkennis kon opdoen. Bovendien had ik nergens

de pretentie van aan mijn stand eenige opoffering verschuldigd te

zijn. Ik verzuimde dus zelden, het Zondagsmaal van den waard in den

Kouseband, in den Leeuw of in den Beer dankbaar aan te nemen. Het

was reeds op zich zelf een prettig gezicht den welmeenenden gastheer

aan het hoofd zijner gasten te zien, die hij anders gewoon was

te bedienen,--hij geleek eene vriendelijk schijnende zon, rondom

welke de andere planeten zich bewogen. Hij was vandaag een man van

gewicht. Hij was de gastheer. De ontwikkelde lieden, de aanzienlijksten

uit de stad of het dorp, de apotheker, de zaakwaarnemer, ja zelfs de

predikant, achtten het niet beneden zich, op dit wekelijksche feest te

verschijnen. De gasten, uit verschillende oorden en van verschillende

beroepen, leverden in taal, zeden en gevoelens zulke merkwaardige

tegenstellingen op, dat er voor een opmerker zeer belangrijke stof

te vinden was.

Op zulk een zondag bevond ook ik mij met mijn angstigen reismakker

onder het dak van den dikken waard in den »Zwarten Beer" te Darlington,

in het bisdom Burham. Eensklaps kwam onze waard, op een toon die

als eene verontschuldiging klonk, ons berichten, dat een heer uit

Schotland het middagmaal met ons zou gebruiken.

»Een heer? Wat is dat dan voor een heer?" vroeg mijn reisgenoot snel;

hij dacht natuurlijk dadelijk aan de »heeren van den grooten weg,"

alias straatroovers.

»Nu, een Schotsche heer, zoo als ik u gezegd heb," hernam de

waard. »Bij mij zijn allen heeren, al blijven de ratten bij hen te huis

voor de broodkast dood. Maar overigens is deze een fatsoenlijk man,

een der fatsoenlijkste lui, die ooit over de grenzen van Schotland

kwamen. Ik geloof dat het een veehandelaar is."

»Zijn gezelschap zal ons zeker aangenaam zijn," zeide mijn reismakker,

zich tot mij wendend en uiting gevende aan de geruststelling die in

hem ontwaakt was: »Ik acht de Schotten hoog, waarde heer! ik bemin

en eer dat volk. Men zegt weliswaar, dat zij arm zijn. Maar bij mij

heeft een eerlijk man, al is hij in lompen gehuld, de voorkeur boven

een gegaloneerden en geparfumeerden schurk. Van geloofwaardige zijde

is mij stellig verzekerd dat de straatrooverij in Schotland, van de

oudste tijden af, ten eenen male onbekend is."

»Dat zal waar zijn: Wie zou de Schotten bestelen! daar is niets

te stelen," viel de waard hem in de rede en lachte luid over zijne

eigen geestigheid.

»O neen, kastelein!" riep eene diepe basstem vlak achter hem; »je

Engelsche tolbedienden en kommiezen, die gij over de grenzen zendt,

verstaan het dievenhandwerk zoo meesterlijk, hebben er zulk een

monopolie van, dat er voor geen Schot met stelen of rooven iets meer

te verdienen valt."

»Best geantwoord, vriend Campbell!" hernam de kastelein. »Ik dacht

waarlijk niet, dat gij zoo dicht bij ons waart. Maar gij kent mij, en

weet dus, dat ik als een echte Yorkshirsche boer altijd ronduit zeg wat

me op het hart ligt. Hoe gaat het daar in het zuiden met den handel?"

»Zoo als gewoonlijk," antwoordde Campbell. »Verstandige lieden koopen

en verkoopen, en gekken worden gekocht en verkocht."

»Maar verstandige lieden en gekken willen 's middags ook wel wat eten,"

merkte de jolige waard op. »Zie eens, daar staat een stuk rundvleesch,

waarvan ge de weêrga niet vinden zult!"

En hij sleep ijverig zijn voorsnijmes, plaatste zich, naar zijn

gewoonte, aan het hoofdeinde van de tafel, en begon de borden zijner

gasten flink te vullen.

Voor de eerste maal hoorde ik den Schotschen tongval, of liever, het

was voor de eerste maal, dat ik met een Schot kennis maakte. Reeds van

mijne kindsheid af had ik een zekere antipathie tegen Schotland en de

Schotten. Mijn vader stamde uit een oud geslacht uit Northumberland. Op

dit oogenblik bevond ik mij niet ver van het familiegoed. De

oneenigheden tusschen hem en zijne bloedverwanten waren van dien aard

geweest, dat hij het geslacht, waartoe hij behoorde, bijna nooit

noemde: ook was in zijne oogen geene ijdelheid verachtelijker, dan

familietrots. Al zijne eerzucht bepaalde zich daartoe, dat hij als

William Osbaldistone voor een der eerste, zoo al niet als de eerste

bankier bekend stond. Hij zou zich door het bewijs, dat hij in rechte

lijn van Willem den Veroveraar afstamde, minder vereerd gevoeld hebben,

dan door de drukte en beweging, welke zijne komst op de beurs doorgaans

onder de makelaars en wisselaars veroorzaakte. Natuurlijk wenschte hij

dat ik in dezelfde koelheid ten aanzien van mijne afkomst en mijne

verwanten mocht blijven, opdat onze wederzijdsche gevoelens in dit

opzicht zouden overeenstemmen. Maar,--zooals het den verstandigsten

mensch wel eens gaat,--zijne oogmerken werden, gedeeltelijk althans,

verijdeld door een persoon die in zijne oogen zoo onbeduidend was,

dat hij aan haar invloed nooit zou hebben gedacht. Zijne voedster,

de trouwe verpleegster zijner kindsheid, een oud moedertje uit

Northumberland, was de eenige persoon uit zijne geboorteplaats, waarin

hij belang stelde. Toen de fortuin hem begon te begunstigen, ruimde

hij voor de oude Margaretha Rickets een kamertje in zijn huis in. Na

den dood mijner moeder werd aan de bejaarde vrouw de taak opgedragen,

mij gedurende mijne ziekelijke kindsheid te verplegen. En zij deed dit

met teedere zorg en liefde. Mijn vader had haar verboden, met mij over

de heiden, bosschen en dalen van haar geliefkoosd Northumberland te

spreken. Maar zij werd nooit moede, voor haren lieveling de tooneelen

harer jeugd te verhalen en al die gebeurtenissen breed te vertellen,

die volgens de volksmeening aldaar voorgevallen zijn. Ik luisterde

veel liever naar haar, dan naar al mijne leermeesters. Nog zie ik die

goede Margaretha voor mij: Haar hoofd, van ouderdom zacht schuddende,

en gedekt met een nauw-sluitend sneeuwwit mutsje; haar gezicht vol

rimpels, maar met de frissche kleur der gezondheid, die zij aan

hare vorige landelijke werkzaamheden te danken had. Ik zie haar nog,

hoe zij op de steenen muren der nauwe straat staarde, op welke onze

vensters het uitzicht hadden. En ik hoor nog den diepen zucht waarmede

zij haar oud lievelingslied eindigde; dat lied,--ik wil het wel gul

bekennen--dat ik nu nog gaarne zou hooren, liever dan de mooiste

gezangen uit een Opera. Ik herinner mij nog die woorden:

»Ja, de eik en de esch, en het groene klimop

In Northumberland groeien zij zoo weelderig op!"

In hare verhalen sprak de oude Margaretha dikwijls en dan met al de

verbittering eener vinnige Noord-Engelsche vrouw, van de Schotten. De

bewoners van dat tegenoverliggende land vervulden in hare verhalen de

rollen van de woeste reuzen met hun laarzen van zeven mijlen. Trouwens

die beschouwing was bij haar vrij natuurlijk. Immers de zwarte Douglas

uit Schotland, had den erfgenaam van het geslacht der Osbaldistone's,

een dag nadat deze van zijne erfenis bezit had genomen, bij een

feestmaal overvallen en met eigen hand gedood. Wouter, bijgenaamd

de Schotsche Duivel, had nog bij het leven van mijn grootvader alle

jarige lammeren weggedreven. Ja, ons geslacht had, volgens de verhalen

van Margaretha, ook menig roemrijk zegeteeken behaald, om ons op die

woeste roovers te wreken. Hendrik Osbaldistone, de vijfde baron van

dien naam, had, even als Achilles de maagden Chryseïs en Briseïs,

de schoone jonkvrouw van Fairnington geschaakt. In zijn burcht had

hij haar bezit tegen hare talrijke bloedverwanten verdedigd, die

door de machtigste helden van Schotland bijgestaan werden. In de

eerste rijen der strijders stond ons geslacht op al de slagvelden,

waar Engeland zijne mededingers overwon. Al de roem van ons geslacht,

maar ook al de rampen, die het leed, waren uit de oorlogen tegen die

Noordsche roovers voortgekomen.

Geen wonder dus, dat ik door deze verhalen opgewonden, in mijne

kindsheid, de Schotten als geboren vijanden van hunne Zuidelijke

landgenooten beschouwde. In deze meening werd ik nog al versterkt

door hetgeen mijn vader mij nu en dan van hen vertelde. Hij stond

namelijk in vrij uitgebreide handelsbetrekking met Hooglandsche

eigenaars van eikenbosschen. En nu beweerde hij, dat hij hen wel

geneigd had gevonden om dezen en genen aanzienlijken koop met hen

te sluiten, en ook zeer gretig om den prijs voor het gekochte hout

te ontvangen, maar geenszins zeer stipt in het vervullen van de door

hen aangenomen voorwaarden. Evenmin roemde hij de Schotsche agenten,

die bij dergelijke aankoopen de tusschenpersonen waren. Naar zijne

verzekering had hij allen grond te gelooven, dat zij zich veel meer dan

het hun toekomende aandeel van de winst toegeëigend hadden. Kortom,

de oude Margriet schold op de Schotsche wapenen uit vroegere tijden,

en mijn vader op de kunstgrepen der Schotten van thans. Zoo verwekten

beiden, zonder het eigenlijk te willen, in mijn jeugdig gemoed een

bepaalden afkeer van de Noord-Britten, als van een volk, dat wreed was

in den oorlog, trouweloos gedurende een wapenstilstand, baatzuchtig,

gierig en bedriegelijk in den handel. Ja, van zeer weinige goede

hoedanigheden, tenzij men eene zekere woestheid in den oorlog en eene

oneerlijke sluwheid in het dagelijksch verkeer als edele hoedanigheden

zou willen beschouwen. Maar ook de Schotten van dien tijd koesterden

even onbillijke vooroordeelen tegen de Engelschen. Zij noemden deze

hoogmoedige pochers, trotsch op hun beetje geld. Zulke kiemen van

wederzijdschen volkshaat waren in de beide landen achtergebleven. Het

waren natuurlijke gevolgen van hunne vroegere verhouding tot elkander,

twee landen, vroeger van elkander gescheiden, met naijver jegens

elkaar bezield, thans staatkundig verbonden.

Hoogst natuurlijk was het dus, dat ik den eersten Schot, dien ik

ontmoette, met een vijandig oog beschouwde. Inderdaad bemerkte

ik allerlei aan hem, wat mijne vroegere gevoelens omtrent dat

volk scheen te bevestigen. Hij had de ruwe gelaatstrekken, de

rijzige, gespierde gestalte, welke zijn landgenooten eigen zijn,

en daarenboven den eigendommelijken tongval, die langzame, slepende

manier van zich uit te drukken, welke meestal uit de poging ontstaat,

om de eigenaardigheden van een bijzonder dialekt te vermijden. Ook

meende ik de bedachtzaamheid en sluwheid zijner landslieden in vele

aanmerkingen, welke hij maakte, en in al zijne antwoorden duidelijk

te zien doorstralen. Maar wat mij niet weinig in hem verraste,

was zijn ongedwongen zelfbeheersching, eene zekere meerderheid, die

hij tegenover een gezelschap, waarin het toeval hem gebracht had,

wist te handhaven. Zijne kleeding was van zeer grove stof, hoewel

fatsoenlijk. In dien tijd, toen zelfs geringen, om zich het voorkomen

van aanzienlijken te geven, alles aan de kleeding ten koste legden,

was zulk een eenvoud wel een teeken van vrij bekrompen omstandigheden,

zoo al niet van bepaalde armoede. Zijn gesprek verried, dat hij in

vee handelde, een beroep, dat juist niet zeer in aanzien stond. En

toch, in weerwil van dit alles scheen het hoog natuurlijk dat hij

het overige gezelschap met die koele hoffelijke gemeenzaamheid

behandelde, die bij hem, van wien ze uitgaat, een wezenlijk of

vermeend overwicht veronderstelt. Wanneer hij zijn gevoelen over

het een of ander onderwerp uitte, dan geschiedde het steeds in den

ongedwongen, stellig verzekerenden toon, welken diegene bezigen,

die zich door rang of beschaving van de overigen, met wie zij zich

in gezelschap bevinden, onderscheiden willen; alsof alles, wat zij

zeggen, noch betwijfeld noch bestreden mag worden. Onze kastelein en

zijne Zondagsgasten beproefden, wel is waar, een paar malen zich te

doen gelden, door vrij luidruchtig allerlei gewaagde stellingen te

opperen; doch van lieverlede onderwierpen zij zich aan Campbell's

gezag, die eindelijk het gesprek geheel alleen leidde. Half uit

kamplust, half uit belangstellende nieuwsgierigheid waagde ik het,

hem deze heerschappij een weinig te betwisten. Ik maakte gebruik van

de wereldkennis, die ik gedurende mijn verblijf in vreemde landen zoo

tamelijk uitgebreid had, en ook van de kundigheden door mijne vrij

goede opvoeding verkregen. Ten opzichte der laatstgenoemde scheen

hij geen lust te gevoelen, zich met mij te meten. Men kon bemerken,

dat aan zijne natuurlijke gaven nooit veel zorg was besteed. Maar veel

beter dan ik, kende hij, bij voorbeeld, den toenmaligen toestand van

Frankrijk, het karakter van den hertog van Orleans, aan wien juist

het bestuur van dat land was opgedragen [3], en van al de overige

Fransche Staatslieden. Zijne schrandere doch bijtende aanmerkingen

verrieden duidelijk den scherpzinnigen beoordeelaar.

Over binnenlandsche politiek bewaarde Campbell een diep

stilzwijgen. Toen hij er een enkel woord over zeggen moest,

geschiedde het steeds met de meestmogelijke omzichtigheid en

gematigdheid. Engeland was toenmaals door de twee partijen, de

Whig's en Tory's zeer verdeeld. Eene machtige partij, die voor

het verbannen koninklijke huis der Stuarts streed, de zoogenaamde

Jacobieten, bedreigde het huis van Hannover, dat kort te voren in

den persoon van koning George den troon had bestegen [4]. Elke kroeg

weergalmde van de hevige twisten dier partijen. Nu was onze waard

uit den »Zwarten Beer" veel te wellevend, om zijne goede klanten door

tegenspraak eenigen aanstoot te geven, of hun in het berijden van hun

stokpaardje eenigszins hinderlijk te zijn. Maar zijne Zondagsgasten

kwamen niet zelden in den bittersten strijd over hunne verschillende

staatkundige meeningen. De predikant, de apotheker en een klein

mannetje, die van zijn beroep volstrekt geen melding maakte, doch

aan wiens buitengewoon beweegbare vingers men al spoedig zien kon dat

hij een baardscheerder was, verdedigden de zaak der bisschoppelijke

kerk en van het huis van Stuart. De ontvanger der belastingen in zijn

kwaliteit van Staatsambtenaar, alsook de rechtsgeleerde, die op een

winstgevend ambtje hoopte, en mijn reisgenoot dien de twist scheen op

te winden, verklaarden zich voor koning George en de Protestantsche

troonsopvolging.

Naarmate de strijdende partijen elkander minder begrepen, werd ook

de twist heviger en het geschreeuw sterker. Eindelijk beriepen zij

zich allen op Campbell, naar het scheen met geen ander oogmerk,

dan om elk voor zich diens goedkeuring te erlangen.--»Gij zijt een

Schot, mijnheer Campbell! en een man uit uw land moet hier voor het

erfelijke recht optreden!" riep de eene partij.--»Gij zijt immers

een Presbyteriaan," schreeuwde de ander; »onmogelijk kunt gij een

verdediger van willekeur zijn!"

»Mijne heeren," zeide Campbell, nadat hij met zeer veel moeite

deze schreeuwers tot zwijgen had gebracht; »ik weet niet, of koning

George de liefde zijner vrienden verdient. Kan hij zich op de plank,

welke hij gegrepen heeft, staande houden, welnu, dan mag hij wel den

ontvanger der belastingen hier tot hoofdinspecteur, en onzen vriend

Quitam tot fiskaal-generaal bevorderen, en dan zal er nog wel iets

tot belooning overschieten voor dien heer dáár, die liever op zijn

valies, dan op een stoel zit. Maar koning Jakobus is ook een dankbaar

vorst, en heeft hij eens de macht in handen, dan kan hij, als hij het

goed vindt, dezen eerwaarden heer tot bisschop van Canterbury, onzen

apotheker tot zijn eersten lijfarts maken, en zijn koninklijken baard

aan onzen vriend dáár toevertrouwen. Maar ik twijfel zeer of Robbert

Campbell van een der twistende monarchen een enkel glas brandewijn

zou krijgen, zoo hij er trek in had. Daarom geef ik mijne stem aan

onzen hospes Jonathan Brown, den koning en vorst der schenkers, onder

de uitdrukkelijke voorwaarde, dat hij ons terstond eene andere flesch

hale, even lekker als die flesch was, die we geledigd hebben."

Deze inval werd met algemeene toejuiching beantwoord. De kastelein

mengde er zijn »bravo!" ook onder. Hij gaf bevel, om de voorwaarde

tot zijne verheffing te vervullen; doch voegde er de mededeeling bij,

dat zijn gasten wel mochten weten, dat de heer Campbell, in weerwil

van zijne vredelievende gezindheid, zoo moedig als een leeuw was,

ja, dat hij met eigen hand zeven straatroovers overwonnen had, die

hem eens op weg overvallen hadden.

»Hola, vriend Jonathan!" viel Campbell hem in de rede: »gij vergist

u geweldig; het waren er niet meer dan twee, en wel groote lafaards,

tegen wie iedere kerel, die een paar flinke vuisten heeft, het zou

hebben durven wagen."

»En hebt gij dan," vroeg nu mijn angstige reisgezel, terwijl hij

steeds op zijn valies dichter bij den Schot schoof,--»en hebt gij

dan waarlijk geheel alleen twee roovers overwonnen?"

»Nu ja!" antwoordde Campbell; »is dat dan zulk eene groote heldendaad,

om er zooveel ophef van te maken!"

»Waarlijk," hernam mijn reisgenoot, »gaarne zou ik het genoegen van

uw gezelschap op mijne verdere reis genieten: Mijn weg gaat naar

het noorden?"

Dit ongevraagde bericht aangaande zijn weg, het eerste, hetwelk hij

iemand mededeelde, bewoog evenwel den Schot geenszins tot eene even

vertrouwelijke ontdekking van den weg, dien hij zelf zou inslaan.--»Wij

kunnen wel niet met elkander reizen," antwoordde hij kortaf; »gij

hebt, zonder twijfel, een goed paard. Ik reis of te voet, of op een

Hooglandschen knol, die het loopen al lang verleerd heeft."

Kort daarop eischte hij de rekening van den wijn, en stond op, toen

hij het geld voor de door hem bestelde flesch betaald had, alsof hij

afscheid wilde nemen. Terstond snelde mijn reisgenoot naar hem toe,

vatte hem bij een roksknoop en trok hem naar het venster. Ik hoorde,

dat hij hem dringend smeekte; en dat Campbell zich op allerlei wijze

van hem poogde te ontslaan.

»Ik wil al uwe reiskosten betalen," zeide hij op een toon, als hield

hij zich verzekerd, dat hij door deze aanbieding alle bedenkingen

van den dapperen veehandelaar in eens uit den weg had geruimd.

»Ik bedank u hartelijk!" hernam Campbell, met zekere minachting. »Ik

kan niet. Onderweg heb ik bezigheden, en nu en dan zal ik mij hier

en daar misschien lang moeten ophouden."

»Och, ik heb ook volstrekt geen haast," antwoordde mijn makker: »gij

kunt u ophouden, waar en zoo lang gij verkiest. In zulk aangenaam

gezelschap is het een genoegen den tijd te slijten."

»Waarachtig, mijnheer, ik kan u dien dienst, waaraan u veel gelegen

schijnt te zijn, volstrekt niet bewijzen," zeide Campbell. »Ik reis,"

voegde hij er fier bij, »voor mijne eigene zaken. En zoo gij goeden

raad van mij wilt aannemen, voeg u op reis dan nooit bij vreemden,

en zeg ook niet waarheen gij reist, als niemand daarnaar vraagt."

En daarop rukte hij, zonder complimenten, mijns reisgezels hand van

zijn roksknoop los, dien deze nog steeds vasthield, en kwam naar mij

toe. »Uw vriend," zeide hij, »is voor de zaak, welke hij waarschijnlijk

te verrichten heeft, veel te openhartig."

»Gij vergist u," antwoordde ik; »die heer is juist geen mijner

vrienden. Hij is enkel iemand dien ik onder weg aangetroffen heb. Ik

ken zijn naam niet en weet ook niets van zijne zaken. Ja, gij schijnt

zijn vertrouwen in een veel hoogeren graad te bezitten, dan ik."

»Och," hernam hij, »ik wil alleen zeggen, dat hij mij wat onvoorzichtig

toeschijnt in het opdringen van zijn gezelschap aan menschen, die er

niet van gediend willen zijn."

»Waarschijnlijk weet die mijnheer," antwoordde ik, »zelf het best

wat hem past. Ik heb geen lust hoegenaamd om er eenig oordeel over

te vellen."

De heer Campbell zeide verder niets, wenschte mij goeden avond en

het gezelschap ging voor dien avond uit elkaar.

Den volgenden dag nam ik afscheid van mijn angstigen reisgenoot. Ik

verliet den weg naar het noorden, en sloeg een zijweg westwaarts

in, naar het kasteel Osbaldistone, waar mijn oom woonde. Of hij zich

verlicht of bedroefd gevoelde door onze scheiding, weet ik niet. Mijne

bedoelingen waren hem nog niet helder. Wat mij betreft, begon mij

zijne bangheid te vervelen. Ik was blijde, dat ik hem kwijt was.

Robbert Roodhaar · 第 13 / 57 题