Hoe klapperen de zeilen,
Hoe zinkt en rijst de boot!
Het roer en riem verdwenen!
In eenen stormwind stoot
Een speelbal van de golven
Een lek! de kiel in nood!
Gay's Fabelen.
Waarde vriend! als ge boven de hoofdstukken van dit belangrijk
geschrift versjes of spreuken leest, dan dienen deze, om u opmerkzaam
te maken op den inhoud van mijn verhaal. Wat nu hierboven staat,
spreekt van een ongelukkigen zeeman, die onvoorzichtig met zijne boot,
zonder tegen stroom in te kunnen sturen, in zee was gestoken. Een
schooljongen, die zulk een waagstuk, in scherts of uit overmoed,
ondernomen had, kon, door den stroom voortgesleept, in geen grootere
verlegenheid zijn, dan ik mij bevond, toen ik zonder kompas op den
levensstroom ronddreef. De kalme bijna onbegrijpelijke gemakkelijkheid
waarmee mijn vader een band, dien men doorgaans als den allersterksten
beschouwt, verbroken had, de minachtende wijze waarop hij mij als het
ware uit zijn huis had gebannen--dit alles maakte, dat de gunstige
dunk, dien ik omtrent mijne persoonlijke hoedanigheden koesterde,
werkelijk begon te verminderen. Prins Mooi, in het bekende sprookje,
nu eens prins, dan weder een visscherszoon, kon door zijne vernedering
niet zoo deerlijk uit het veld zijn geslagen, als ik het was. Ach! Onze
eigenliefde doet ons zoo gaarne al die bijzaken, welke ons in onze
welvaart omgeven, als ons wettig eigendom beschouwen, en als dan
de ontdekking komt van onze nietigheid, wanneer wij geheel aan onze
eigen hulpmiddelen overgelaten zijn, dan voelen we ons zoo vernederd.
Het gedruisch der bedrijvige hoofdstad werd al flauwer en
flauwer. Het verwijderde gelui der klokken scheen mij meer dan eens een
waarschuwend: »keer terug!" toe te roepen. Van de hoogte van Highgate
zag ik op de in nevels gehulde pracht der hoofdstad neder. En het
was mij te moede, alsof ik aan rijkdom, levensvreugde, ja aan al de
genoegens en genietingen van het gezellige leven daar ginds in mijn
beminde vaderstad, voor eeuwig vaarwel had gezegd.
Maar het lot was beslist. Ik kon onmogelijk omkeeren! Hoe zou ik ook
mogen verwachten, dat eene zoo late en half gedwongen onderwerping mij
nu zou weergeven wat ik reeds had opgegeven. Integendeel, dacht ik,
de onbuigzame wil van mijn vader zou door eene onwillige toetreding tot
zijne wenschen meer vertoornd dan verzoend worden. En mijne trotschheid
fluisterde: wat armzalige figuur zoudt ge maken, als reeds nu, vier
mijlen van Londen, een windje van frissche landlucht een ernstig
overleg van vier weken had weggewaaid. Bovendien, de hoop, die den
jongeling en den moedigen man nooit verlaat, deden mij mijne uitzichten
schitterend opsieren. Het was immers onmogelijk, dat mijn vader
voornemens zou zijn, mij voor altijd van zich te verwijderen? Neen,
het was slechts eene beproeving van mijne gezindheid. Als ik mij in
deze beproeving maar geduldig en standvastig gedroeg, dan zou ik
in mijns vaders achting rijzen, en dan zou er juist zeer licht de
hartelijkste verzoening op volgen. Reeds overlegde ik, in hoe verre
ik hem toegeven, en welke voorwaarden van ons verdrag ik als stellig
en volstrekt onveranderlijk bepalen zou. Naar mijne berekeningen zou
het gevolg dan eindelijk zijn, dat ik in al de rechten eens zoons
hersteld werd. De eenige lichte straf, voor mijne weerspannigheid,
zou zijn dat ik op enkele punten schijnbaar de minste zou moeten zijn.
En zie! in afwachting van die aangename toekomstige verzoening,
was ik nu mijn eigen heer en meester. Ik smaakte het genot van eene
volkomen onafhankelijkheid; iets dat het hart van een jongeling steeds
met vreugde ofschoon tegelijk met vrees vervult. Mijne beurs was
weliswaar niet al te goed voorzien; maar ik kon toch de wenschen en
behoeften eens reizigers ongeveer bevredigen. Ik had mij in Bordeaux
reeds eraan gewend zonder bediende te zijn. Mijn paard was gezond,
jong en levendig. Mijne opgewekte gemoedsstemming verdreef dan ook
spoedig de sombere beschouwingen, waarmede ik mijne reis aanvaard had.
Opwekkender ware het zeker geweest, indien ik op mijn weg meer
afleiding had gevonden. Maar het noorden van Engeland leverde
toenmaals, en misschien ook thans nog, niets bekoorlijks voor een
reiziger op. Ja, ik geloof, waar men ook door het Britsche rijk
reist, men overal meer afwisseling vindt dan hier. Evenwel, hoeveel
luchtkasteelen ik in mijne ijdelheid voor de toekomst bouwde,
mijne gelukkige stemming werd steeds minder. Zelfs de Muze, de
beminnelijke, die mij naar deze woestenij gelokt had, verliet mij,
even als hare zusters plegen te doen, in het oogenblik van nood. Ik
zou volslagen mismoedig zijn geworden, als niet van tijd tot tijd
een gesprek met reizigers, die denzelfden weg gingen, mij had
afgeleid. Overigens waren de menschen die mij ontmoetten, over het
geheel vrij onbeteekenend: dorpsgeestelijken, die van een bezoek in
de stad huiswaarts keerden; pachters of veehandelaars, die van deze
of geene jaarmarkt terugkwamen; kantoorbedienden, die in de kleine
steden uitstaande schulden hadden ingevorderd, of soms een officier,
die op werving uitging. Ons gesprek liep dus meestal over tienden,
geloofszaken, rundvee, graan, natte en droge waren, slechte betaling
van kleine winkeliers, soms zelfs kwam een beschrijving van een beleg
of van een veldslag in de Nederlanden, die de verhaler misschien
ook slechts uit de tweede hand had. Rooversgeschiedenissen, eene zoo
vruchtbare en belangrijke stof, vulden elke gaping. Met de namen van
den »Gouden Pachter," den »vliegenden straatroover Jack Needham" en
van andere helden uit de Bedelaars-Opera werd ik even familiaar als
met allerlei van de meest gewone onderwerpen uit het dagelijksche
leven. Kinderen schuiven gewoonlijk dichter bij den haard, als een
spookgeschiedenis haar toppunt bereikt. Zoo reden ook mijne reizigers
bij zulke rooververhalen dichter naast elkander, onderzochten het
slot hunner pistolen, en beloofden elkander bijstand in elk gevaar,
eene belofte die gelijk zoo menige offensive en defensive alliantie,
glad vergeten wordt, als het gevaar werkelijk komt.
Onder hen, die door zulke schrikbeelden 't allermeest vervolgd werden,
verschafte een, die anderhalven dag lang mijn reisgenoot was, mij
het grootste vermaak. Achter op zijn zadel had hij een zeer klein,
maar naar het scheen zeer zwaar valies, waarvoor hij zoo bezorgd was,
dat hij het nooit uit de handen gaf. Voor den dienstvaardigen ijver
der knechts uit de herbergen, die zich aanboden om het in huis te
dragen, had hij steeds het antwoord: »Ik zal het zelf wel dragen." Even
voorzichtig trachtte hij niet alleen het doel zijner reis, maar zelfs
den weg, welken hij inslaan wilde, te verbergen. Niets maakte hem meer
verlegen, dan wanneer men hem vroeg, of hij links of rechts moest,
en waar hij zijn paard dacht te voeren. Zijn nachtverblijf onderzocht
hij met de meest angstige zorgvuldigheid. Hij vermeed alle eenzame en
andere huizen, die hij voor gevaarlijk hield. In Grantham waakte hij,
geloof ik, een ganschen nacht, omdat in de kamer naast de zijne een
zwaarlijvig, scheel ziende reiziger sliep met eene zwarte pruik en een
verbleekt rood kamizool met gouden galon bezet. Ondanks dien angst,
was mijn reisgenoot, naar zijne forsche gestalte en gespierde leden
te oordeelen, een man, die elk gevaar wel onder de oogen zou kunnen
zien. Uit zijn hoed met goud en de kokarde maakte ik op dat hij een
voormalig officier was, of ten minste iemand, die tot de krijgsmacht
in betrekking stond. Zijne taal en vorm waren overigens vrij plat,
maar toch niet onverstandig; vooral als de schrikbeelden, die zijne
verbeelding verontrustten, voor een oogenblik geweken waren. Maar
iedere toevallige aanleiding riep ze hem terstond voor den geest. Eene
kale heide, of wat dicht struikgewas, gaf hem dadelijk bezorgdheid. Als
een herder vroolijk floot, meende hij het sein van eene rooversbende
te hooren. Zelfs het gezicht van eene galg bewees hem, wel is waar,
dat de gerechtigheid ten minste één roover onschadelijk had gemaakt,
maar herinnerde hem tevens, hoe vele er nog onopgehangen rondzwierven.
Het gezelschap van dien man zou mij ten slotte lastig zijn geworden,
zoo niet mijne eigene gedachten mij nog veel lastiger waren
geweest. Sommige van zijne zonderlinge verhalen hielden mij bezig,
en eene andere gril, die hij had, gaf mij soms gelegenheid, om mij
op zijne kosten te vermaken. Onder de ongelukkige reizigers, die
volgens zijne vertellingen, in de handen van roovers waren gevallen,
hadden vele hun droevig lot aan de onvoorzichtigheid te wijten,
waarmede zij zich op den grooten weg bij welgekleede reizigers
voegden, van wie zij bescherming en een gezellig onderhoud hoopten
te zullen genieten. Die sluwe schelmen hadden dan de argeloozen met
allerlei verhalen en liedjes gerustgesteld, hen in de herbergen voor
bedrog en valsche rekeningen bewaard, tot zij eindelijk, onder het
voorwendsel van een naderen weg over eene eenzame heide te willen
aanwijzen, hunne slachtoffers van den grooten weg af op een zijpad
lokten, waar, op het geluid van een fluitje, de overige roovers
uit hunne schuilhoeken te voorschijn snelden, en de zoogenaamde
reisgezel zich als de kapitein eener bende bekend maakte, aan welke de
onvoorzichtige reiziger zijne goederen, misschien zelfs zijn leven,
moest offeren. Als nu mijn reismakker bij het einde van zulk een
vertelseltje het angstzweet op het voorhoofd parelde, dan keek hij
mij gewoonlijk met een oog vol twijfel en argwaan aan, als vreesde
hij dat hij zelf in het gezelschap van zulk een gevaarlijk wezen was
geraakt. Werden dergelijke vermoedens dan wakker in hem, dan reed hij
terstond aan den anderen kant van den weg, keek voor zich, achter zich,
rondom zich, onderzocht zijne pistolen, en scheen zich tot de vlucht
of tot verdediging voor te bereiden, naarmate de omstandigheden het
een of het ander mochten vereischen. Ik voor mij amuseerde mij.
Bij zulke gelegenheden scheen echter zijn verdenking jegens mij niet
lang te duren. Ze kwam mij trouwens veel te koddig voor, dan dat ik
mij daardoor beleedigd achtte. Er was wel, noch in mijne kleeding,
noch in mijne houding iets, dat in mij een roover had kunnen doen
vermoeden. Maar in die tijden kon iemand best het voorkomen van een
fatsoenlijk man hebben en toch een struikroover zijn. De verdeeling
der werkzaamheid in de verschillende middelen van bestaan was toen
nog zoo regelmatig niet als thans. De sluwe, welopgevoede avonturier,
die bij het dobbelspel of in de kegelbaan den goeden lieden het
geld afwon, was niet zelden tevens struikroover, die den reiziger
op de heide of op een eenzamen weg aanrandde, en hem zijn beurs
afvorderde. Ook heerschte in die tijden nog veel ruwheid van zeden,
later meer verzacht en beschaafd. Ja, het komt mij voor, dat drieste
lieden destijds veel minder afkeer ervan hadden dan thans, om door
een stouten roof hunne vervallen zaken te herstellen. De tijden
waren voorbij, toen Anthony-A-Wood treurde over de doodstraf van
twee welopgevoede mannen, mannen van moed en gevoel van eer, maar die
toch te Oxford zonder genade opgehangen werden, omdat de nood hen had
gedwongen struikroovers te worden. Op de wijd uitgestrekte heivlakten
in den omtrek der hoofdstad en zeker in de minder volkrijke, afgelegen
oorden, vond men vele roovers te paard. Zij dreven hun handwerk met
zekere wellevendheid. Zij lieten er zich, zoo als Gibbet in het bekende
blijspel zegt, nog heel wat op voorstaan, de beschaafdste lieden op
's heeren wegen te zijn, en in de uitoefening van hun beroep zich
met alle mogelijke kieschheid te gedragen. Een jongman in mijne
toenmalige omstandigheden kon wezenlijk over het misverstand, voor
een dezer hoogaanzienlijke roovers te worden aangezien, in de verste
verte niet beleedigd zijn.
Ik was dan ook niet boos, ik vond er pleizier in, den argwaan van
mijn vreesachtigen reismakker nu eens op te wekken, dan weder in
slaap te wiegen. Opzettelijk deed ik soms dingen die dienen konden,
zijn verstand in de war te brengen, dat van natuur niet tot het
sterkst behoorde en door den angst nog verzwakt werd. Had ik hem door
een vertrouwelijk en openhartig gesprek volkomen gerustgesteld, dan
behoefde ik slechts, als ter loops, te vragen, hoe ver hij dien dag
voornemens was te reizen, of wat het doel zijner reis was, om zijn
argwaan terstond weder gaande te maken. Zelfs een geheel onverschillig
gesprek nam soms eene voor hem hoogst verontrustende wending. Zoo
praatten wij eens over de kracht en snelheid van onze paarden.
»Wel zeker," zeide mijn reisgenoot, »wat den galop betreft, dat erken
ik gaarne, daartoe is uw paard bij uitstek goed. Het is inderdaad een
fraaie ruin. Maar een harddraver is hij niet; daartoe staat hij niet
hoog genoeg op zijne pooten. De draf, mijn waarde heer, de draf is de
ware gang voor een rijpaard. Als wij hier dicht bij eene stad waren,
zou ik het bruintje op een effen weg wel eens willen toetsen--ja,
om eene flesch wijn, in de naaste herberg te drinken, zou ik mijn
paard durven wedden."
»Top, mijnheer!" antwoordde ik; »de weg is hier effen genoeg."
»Ja, ja,"--hernam mijn reisgezel aarzelende, »maar eens voor altijd
heb ik het mij op reis tot eene vaste wet gemaakt, mijn paard tusschen
twee pleisterplaatsen nooit in het zweet te jagen: men kan niet weten
wat er gebeuren kan. Men kan onverwachts zich genoodzaakt zien, van
het goede beest wat meer te moeten vergen. En als het afgereden is,
dan helpen zweep en sporen niet. Daarenboven dienen de beide paarden
even veel te dragen, en het uwe draagt ten minste tachtig pond minder,
dan het mijne."
»Goed; gaarne wil ik het ontbrekende gewicht opnemen. Hoe zwaar zou
uw valies wel wegen?"
»Mijn va--va--valies?" hernam de arme man sidderende,--»och, dat heeft
eigenlijk volstrekt geen gewicht--het is zoo licht als een veer--een
paar hemden, twee paar kousen--"
»Het ziet er echter vrij zwaar uit. Ik wed om eene flesch besten
portwijn, dat het juist even zwaar weegt, als ons beider gewicht
verschilt."
»Gij vergist u, mijn waarde vriend, waarachtig, gij vergist
u!" hervatte mijn reisgezel en stak dadelijk met zijn paard naar den
anderen kant van den weg, zooals hij steeds deed als hij angstig werd.
»Welnu, gaat onze weddingschap door?" vroeg ik, om hem te plagen. »Tien
tegen vijf pond: Ik neem uw valies op mijn paard, en gij zult mij
toch niet bijhouden."
Dit voorstel deed zijn angst ten toppunt stijgen. De natuurlijke
koperkleur van zijn neus, gevolg waarschijnlijk van rooden wijn
of sterken drank, veranderde in een vaal bleek. Hij klappertandde
van schrik over mijn voorstel, waarin hij den vermetelen roover
in al diens onbeschaamdheid meende te ontdekken. Toen hij met zijn
antwoord aarzelde, deed ik hem spoedig weder wat ruimer ademhalen,
door hem naar een kerktoren te vragen, dien wij in het gezicht kregen,
en door tevens de aanmerking te maken, dat wij nu, in de nabijheid
van een dorp, geen gevaar meer liepen, om in onze reis op den grooten
weg gestoord te worden. Zijn gelaat helderde toen wat op. Ik bemerkte
echter duidelijk, dat het lang duurde eer hij een zoo verdacht voorstel
kon vergeten. Gij vraagt, denk ik, waarom ik zoo uitvoerig van al zijn
eigenaardigheden spreek? Welnu de kennismaking met dezen reiziger en de
daarmede gepaard gaande omstandigheden hadden, ofschoon onbelangrijk
op zich zelf, een gewichtigen invloed op mijne latere lotgevallen
uitgeoefend. Zijne houding wekte nu slechts mijn spot. Zij bevestigde
mij in mijne meening, dat onder alle zaken waarmede de menschen zich
zelven kwellen, geene is, zoo lastig, zoo pijnlijk voor zichzelf en
anderen als ongegronde angst.