HOOFDSTUK III.

Hoe klapperen de zeilen,

Hoe zinkt en rijst de boot!

Het roer en riem verdwenen!

In eenen stormwind stoot

Een speelbal van de golven

Een lek! de kiel in nood!

Gay's Fabelen.

Waarde vriend! als ge boven de hoofdstukken van dit belangrijk

geschrift versjes of spreuken leest, dan dienen deze, om u opmerkzaam

te maken op den inhoud van mijn verhaal. Wat nu hierboven staat,

spreekt van een ongelukkigen zeeman, die onvoorzichtig met zijne boot,

zonder tegen stroom in te kunnen sturen, in zee was gestoken. Een

schooljongen, die zulk een waagstuk, in scherts of uit overmoed,

ondernomen had, kon, door den stroom voortgesleept, in geen grootere

verlegenheid zijn, dan ik mij bevond, toen ik zonder kompas op den

levensstroom ronddreef. De kalme bijna onbegrijpelijke gemakkelijkheid

waarmee mijn vader een band, dien men doorgaans als den allersterksten

beschouwt, verbroken had, de minachtende wijze waarop hij mij als het

ware uit zijn huis had gebannen--dit alles maakte, dat de gunstige

dunk, dien ik omtrent mijne persoonlijke hoedanigheden koesterde,

werkelijk begon te verminderen. Prins Mooi, in het bekende sprookje,

nu eens prins, dan weder een visscherszoon, kon door zijne vernedering

niet zoo deerlijk uit het veld zijn geslagen, als ik het was. Ach! Onze

eigenliefde doet ons zoo gaarne al die bijzaken, welke ons in onze

welvaart omgeven, als ons wettig eigendom beschouwen, en als dan

de ontdekking komt van onze nietigheid, wanneer wij geheel aan onze

eigen hulpmiddelen overgelaten zijn, dan voelen we ons zoo vernederd.

Het gedruisch der bedrijvige hoofdstad werd al flauwer en

flauwer. Het verwijderde gelui der klokken scheen mij meer dan eens een

waarschuwend: »keer terug!" toe te roepen. Van de hoogte van Highgate

zag ik op de in nevels gehulde pracht der hoofdstad neder. En het

was mij te moede, alsof ik aan rijkdom, levensvreugde, ja aan al de

genoegens en genietingen van het gezellige leven daar ginds in mijn

beminde vaderstad, voor eeuwig vaarwel had gezegd.

Maar het lot was beslist. Ik kon onmogelijk omkeeren! Hoe zou ik ook

mogen verwachten, dat eene zoo late en half gedwongen onderwerping mij

nu zou weergeven wat ik reeds had opgegeven. Integendeel, dacht ik,

de onbuigzame wil van mijn vader zou door eene onwillige toetreding tot

zijne wenschen meer vertoornd dan verzoend worden. En mijne trotschheid

fluisterde: wat armzalige figuur zoudt ge maken, als reeds nu, vier

mijlen van Londen, een windje van frissche landlucht een ernstig

overleg van vier weken had weggewaaid. Bovendien, de hoop, die den

jongeling en den moedigen man nooit verlaat, deden mij mijne uitzichten

schitterend opsieren. Het was immers onmogelijk, dat mijn vader

voornemens zou zijn, mij voor altijd van zich te verwijderen? Neen,

het was slechts eene beproeving van mijne gezindheid. Als ik mij in

deze beproeving maar geduldig en standvastig gedroeg, dan zou ik

in mijns vaders achting rijzen, en dan zou er juist zeer licht de

hartelijkste verzoening op volgen. Reeds overlegde ik, in hoe verre

ik hem toegeven, en welke voorwaarden van ons verdrag ik als stellig

en volstrekt onveranderlijk bepalen zou. Naar mijne berekeningen zou

het gevolg dan eindelijk zijn, dat ik in al de rechten eens zoons

hersteld werd. De eenige lichte straf, voor mijne weerspannigheid,

zou zijn dat ik op enkele punten schijnbaar de minste zou moeten zijn.

En zie! in afwachting van die aangename toekomstige verzoening,

was ik nu mijn eigen heer en meester. Ik smaakte het genot van eene

volkomen onafhankelijkheid; iets dat het hart van een jongeling steeds

met vreugde ofschoon tegelijk met vrees vervult. Mijne beurs was

weliswaar niet al te goed voorzien; maar ik kon toch de wenschen en

behoeften eens reizigers ongeveer bevredigen. Ik had mij in Bordeaux

reeds eraan gewend zonder bediende te zijn. Mijn paard was gezond,

jong en levendig. Mijne opgewekte gemoedsstemming verdreef dan ook

spoedig de sombere beschouwingen, waarmede ik mijne reis aanvaard had.

Opwekkender ware het zeker geweest, indien ik op mijn weg meer

afleiding had gevonden. Maar het noorden van Engeland leverde

toenmaals, en misschien ook thans nog, niets bekoorlijks voor een

reiziger op. Ja, ik geloof, waar men ook door het Britsche rijk

reist, men overal meer afwisseling vindt dan hier. Evenwel, hoeveel

luchtkasteelen ik in mijne ijdelheid voor de toekomst bouwde,

mijne gelukkige stemming werd steeds minder. Zelfs de Muze, de

beminnelijke, die mij naar deze woestenij gelokt had, verliet mij,

even als hare zusters plegen te doen, in het oogenblik van nood. Ik

zou volslagen mismoedig zijn geworden, als niet van tijd tot tijd

een gesprek met reizigers, die denzelfden weg gingen, mij had

afgeleid. Overigens waren de menschen die mij ontmoetten, over het

geheel vrij onbeteekenend: dorpsgeestelijken, die van een bezoek in

de stad huiswaarts keerden; pachters of veehandelaars, die van deze

of geene jaarmarkt terugkwamen; kantoorbedienden, die in de kleine

steden uitstaande schulden hadden ingevorderd, of soms een officier,

die op werving uitging. Ons gesprek liep dus meestal over tienden,

geloofszaken, rundvee, graan, natte en droge waren, slechte betaling

van kleine winkeliers, soms zelfs kwam een beschrijving van een beleg

of van een veldslag in de Nederlanden, die de verhaler misschien

ook slechts uit de tweede hand had. Rooversgeschiedenissen, eene zoo

vruchtbare en belangrijke stof, vulden elke gaping. Met de namen van

den »Gouden Pachter," den »vliegenden straatroover Jack Needham" en

van andere helden uit de Bedelaars-Opera werd ik even familiaar als

met allerlei van de meest gewone onderwerpen uit het dagelijksche

leven. Kinderen schuiven gewoonlijk dichter bij den haard, als een

spookgeschiedenis haar toppunt bereikt. Zoo reden ook mijne reizigers

bij zulke rooververhalen dichter naast elkander, onderzochten het

slot hunner pistolen, en beloofden elkander bijstand in elk gevaar,

eene belofte die gelijk zoo menige offensive en defensive alliantie,

glad vergeten wordt, als het gevaar werkelijk komt.

Onder hen, die door zulke schrikbeelden 't allermeest vervolgd werden,

verschafte een, die anderhalven dag lang mijn reisgenoot was, mij

het grootste vermaak. Achter op zijn zadel had hij een zeer klein,

maar naar het scheen zeer zwaar valies, waarvoor hij zoo bezorgd was,

dat hij het nooit uit de handen gaf. Voor den dienstvaardigen ijver

der knechts uit de herbergen, die zich aanboden om het in huis te

dragen, had hij steeds het antwoord: »Ik zal het zelf wel dragen." Even

voorzichtig trachtte hij niet alleen het doel zijner reis, maar zelfs

den weg, welken hij inslaan wilde, te verbergen. Niets maakte hem meer

verlegen, dan wanneer men hem vroeg, of hij links of rechts moest,

en waar hij zijn paard dacht te voeren. Zijn nachtverblijf onderzocht

hij met de meest angstige zorgvuldigheid. Hij vermeed alle eenzame en

andere huizen, die hij voor gevaarlijk hield. In Grantham waakte hij,

geloof ik, een ganschen nacht, omdat in de kamer naast de zijne een

zwaarlijvig, scheel ziende reiziger sliep met eene zwarte pruik en een

verbleekt rood kamizool met gouden galon bezet. Ondanks dien angst,

was mijn reisgenoot, naar zijne forsche gestalte en gespierde leden

te oordeelen, een man, die elk gevaar wel onder de oogen zou kunnen

zien. Uit zijn hoed met goud en de kokarde maakte ik op dat hij een

voormalig officier was, of ten minste iemand, die tot de krijgsmacht

in betrekking stond. Zijne taal en vorm waren overigens vrij plat,

maar toch niet onverstandig; vooral als de schrikbeelden, die zijne

verbeelding verontrustten, voor een oogenblik geweken waren. Maar

iedere toevallige aanleiding riep ze hem terstond voor den geest. Eene

kale heide, of wat dicht struikgewas, gaf hem dadelijk bezorgdheid. Als

een herder vroolijk floot, meende hij het sein van eene rooversbende

te hooren. Zelfs het gezicht van eene galg bewees hem, wel is waar,

dat de gerechtigheid ten minste één roover onschadelijk had gemaakt,

maar herinnerde hem tevens, hoe vele er nog onopgehangen rondzwierven.

Het gezelschap van dien man zou mij ten slotte lastig zijn geworden,

zoo niet mijne eigene gedachten mij nog veel lastiger waren

geweest. Sommige van zijne zonderlinge verhalen hielden mij bezig,

en eene andere gril, die hij had, gaf mij soms gelegenheid, om mij

op zijne kosten te vermaken. Onder de ongelukkige reizigers, die

volgens zijne vertellingen, in de handen van roovers waren gevallen,

hadden vele hun droevig lot aan de onvoorzichtigheid te wijten,

waarmede zij zich op den grooten weg bij welgekleede reizigers

voegden, van wie zij bescherming en een gezellig onderhoud hoopten

te zullen genieten. Die sluwe schelmen hadden dan de argeloozen met

allerlei verhalen en liedjes gerustgesteld, hen in de herbergen voor

bedrog en valsche rekeningen bewaard, tot zij eindelijk, onder het

voorwendsel van een naderen weg over eene eenzame heide te willen

aanwijzen, hunne slachtoffers van den grooten weg af op een zijpad

lokten, waar, op het geluid van een fluitje, de overige roovers

uit hunne schuilhoeken te voorschijn snelden, en de zoogenaamde

reisgezel zich als de kapitein eener bende bekend maakte, aan welke de

onvoorzichtige reiziger zijne goederen, misschien zelfs zijn leven,

moest offeren. Als nu mijn reismakker bij het einde van zulk een

vertelseltje het angstzweet op het voorhoofd parelde, dan keek hij

mij gewoonlijk met een oog vol twijfel en argwaan aan, als vreesde

hij dat hij zelf in het gezelschap van zulk een gevaarlijk wezen was

geraakt. Werden dergelijke vermoedens dan wakker in hem, dan reed hij

terstond aan den anderen kant van den weg, keek voor zich, achter zich,

rondom zich, onderzocht zijne pistolen, en scheen zich tot de vlucht

of tot verdediging voor te bereiden, naarmate de omstandigheden het

een of het ander mochten vereischen. Ik voor mij amuseerde mij.

Bij zulke gelegenheden scheen echter zijn verdenking jegens mij niet

lang te duren. Ze kwam mij trouwens veel te koddig voor, dan dat ik

mij daardoor beleedigd achtte. Er was wel, noch in mijne kleeding,

noch in mijne houding iets, dat in mij een roover had kunnen doen

vermoeden. Maar in die tijden kon iemand best het voorkomen van een

fatsoenlijk man hebben en toch een struikroover zijn. De verdeeling

der werkzaamheid in de verschillende middelen van bestaan was toen

nog zoo regelmatig niet als thans. De sluwe, welopgevoede avonturier,

die bij het dobbelspel of in de kegelbaan den goeden lieden het

geld afwon, was niet zelden tevens struikroover, die den reiziger

op de heide of op een eenzamen weg aanrandde, en hem zijn beurs

afvorderde. Ook heerschte in die tijden nog veel ruwheid van zeden,

later meer verzacht en beschaafd. Ja, het komt mij voor, dat drieste

lieden destijds veel minder afkeer ervan hadden dan thans, om door

een stouten roof hunne vervallen zaken te herstellen. De tijden

waren voorbij, toen Anthony-A-Wood treurde over de doodstraf van

twee welopgevoede mannen, mannen van moed en gevoel van eer, maar die

toch te Oxford zonder genade opgehangen werden, omdat de nood hen had

gedwongen struikroovers te worden. Op de wijd uitgestrekte heivlakten

in den omtrek der hoofdstad en zeker in de minder volkrijke, afgelegen

oorden, vond men vele roovers te paard. Zij dreven hun handwerk met

zekere wellevendheid. Zij lieten er zich, zoo als Gibbet in het bekende

blijspel zegt, nog heel wat op voorstaan, de beschaafdste lieden op

's heeren wegen te zijn, en in de uitoefening van hun beroep zich

met alle mogelijke kieschheid te gedragen. Een jongman in mijne

toenmalige omstandigheden kon wezenlijk over het misverstand, voor

een dezer hoogaanzienlijke roovers te worden aangezien, in de verste

verte niet beleedigd zijn.

Ik was dan ook niet boos, ik vond er pleizier in, den argwaan van

mijn vreesachtigen reismakker nu eens op te wekken, dan weder in

slaap te wiegen. Opzettelijk deed ik soms dingen die dienen konden,

zijn verstand in de war te brengen, dat van natuur niet tot het

sterkst behoorde en door den angst nog verzwakt werd. Had ik hem door

een vertrouwelijk en openhartig gesprek volkomen gerustgesteld, dan

behoefde ik slechts, als ter loops, te vragen, hoe ver hij dien dag

voornemens was te reizen, of wat het doel zijner reis was, om zijn

argwaan terstond weder gaande te maken. Zelfs een geheel onverschillig

gesprek nam soms eene voor hem hoogst verontrustende wending. Zoo

praatten wij eens over de kracht en snelheid van onze paarden.

»Wel zeker," zeide mijn reisgenoot, »wat den galop betreft, dat erken

ik gaarne, daartoe is uw paard bij uitstek goed. Het is inderdaad een

fraaie ruin. Maar een harddraver is hij niet; daartoe staat hij niet

hoog genoeg op zijne pooten. De draf, mijn waarde heer, de draf is de

ware gang voor een rijpaard. Als wij hier dicht bij eene stad waren,

zou ik het bruintje op een effen weg wel eens willen toetsen--ja,

om eene flesch wijn, in de naaste herberg te drinken, zou ik mijn

paard durven wedden."

»Top, mijnheer!" antwoordde ik; »de weg is hier effen genoeg."

»Ja, ja,"--hernam mijn reisgezel aarzelende, »maar eens voor altijd

heb ik het mij op reis tot eene vaste wet gemaakt, mijn paard tusschen

twee pleisterplaatsen nooit in het zweet te jagen: men kan niet weten

wat er gebeuren kan. Men kan onverwachts zich genoodzaakt zien, van

het goede beest wat meer te moeten vergen. En als het afgereden is,

dan helpen zweep en sporen niet. Daarenboven dienen de beide paarden

even veel te dragen, en het uwe draagt ten minste tachtig pond minder,

dan het mijne."

»Goed; gaarne wil ik het ontbrekende gewicht opnemen. Hoe zwaar zou

uw valies wel wegen?"

»Mijn va--va--valies?" hernam de arme man sidderende,--»och, dat heeft

eigenlijk volstrekt geen gewicht--het is zoo licht als een veer--een

paar hemden, twee paar kousen--"

»Het ziet er echter vrij zwaar uit. Ik wed om eene flesch besten

portwijn, dat het juist even zwaar weegt, als ons beider gewicht

verschilt."

»Gij vergist u, mijn waarde vriend, waarachtig, gij vergist

u!" hervatte mijn reisgezel en stak dadelijk met zijn paard naar den

anderen kant van den weg, zooals hij steeds deed als hij angstig werd.

»Welnu, gaat onze weddingschap door?" vroeg ik, om hem te plagen. »Tien

tegen vijf pond: Ik neem uw valies op mijn paard, en gij zult mij

toch niet bijhouden."

Dit voorstel deed zijn angst ten toppunt stijgen. De natuurlijke

koperkleur van zijn neus, gevolg waarschijnlijk van rooden wijn

of sterken drank, veranderde in een vaal bleek. Hij klappertandde

van schrik over mijn voorstel, waarin hij den vermetelen roover

in al diens onbeschaamdheid meende te ontdekken. Toen hij met zijn

antwoord aarzelde, deed ik hem spoedig weder wat ruimer ademhalen,

door hem naar een kerktoren te vragen, dien wij in het gezicht kregen,

en door tevens de aanmerking te maken, dat wij nu, in de nabijheid

van een dorp, geen gevaar meer liepen, om in onze reis op den grooten

weg gestoord te worden. Zijn gelaat helderde toen wat op. Ik bemerkte

echter duidelijk, dat het lang duurde eer hij een zoo verdacht voorstel

kon vergeten. Gij vraagt, denk ik, waarom ik zoo uitvoerig van al zijn

eigenaardigheden spreek? Welnu de kennismaking met dezen reiziger en de

daarmede gepaard gaande omstandigheden hadden, ofschoon onbelangrijk

op zich zelf, een gewichtigen invloed op mijne latere lotgevallen

uitgeoefend. Zijne houding wekte nu slechts mijn spot. Zij bevestigde

mij in mijne meening, dat onder alle zaken waarmede de menschen zich

zelven kwellen, geene is, zoo lastig, zoo pijnlijk voor zichzelf en

anderen als ongegronde angst.

Robbert Roodhaar · 第 12 / 57 题