»Wees zoo goed en zwijg!" hernam mijn vader.--»Ik verzoek u naar
Northumberland te vertrekken en uw oom te bezoeken. Onder zijne
zonen--ik meen, dat hij er zes heeft--heb ik dengenen uitgekozen,
die, naar ik hoor, het boven al de anderen verdient, om de plaats op
mijn kantoor in te nemen, welke ik u had toebedacht. Er zijn echter
nog eenige beschikkingen te maken, waartoe uwe tegenwoordigheid
misschien vereischt mocht worden. Mijne verdere bevelen zult gij op
het kasteel Osbaldistone ontvangen, waar gij blijft, tot gij verder
van mij hoort. Morgen vindt gij alles tot uw vertrek gereed."
En hiermede verliet mijn vader de kamer.
»Wat moet dit beteekenen, mijn waarde Owen?" vroeg ik den deelnemenden
vriend, op wiens gelaat ik de innigste droefheid las.
»Gij hebt u zelf in het ongeluk gestort, mijnheer Frans--dat is de
historie. Als uw vader zoo bedaard en stellig iets zegt, dan is er
van hem geene verandering hoegenaamd in het eenmaal genomen besluit
te verwachten, evenmin als in eene afgesloten rekening."
Owen had gelijk. Den volgenden morgen precies te vijf ure besteeg ik,
met vijftig pond op zak, een tamelijk goed paard. Ik sloeg den weg
naar York in. Ik begon--zooals het scheen--den eersten stap te doen,
en zoowel mijns vaders genegenheid als het vaderlijk erfdeel mij zelf
te ontnemen en aan een ander weg te schenken.