Owen schudde het hoofd en keek voor zich neer.--

»Hoor eens, Frans," begon mijn vader weder; »kort en goed! Ik had

uw leeftijd, toen mijn vader mij vriendelijk te kennen gaf, dat ik

mijn fortuin moest gaan zoeken. Hij zette mij daarom buiten de deur

en gaf mijn wettig erfdeel aan mijn jongeren broeder. Op een ouden

afgeleefden jachtknol en met tien pond op zak, verliet ik het kasteel

Osbaldistone. Na dien tijd heb ik geen voet meer over den drempel van

het vaderlijke huis gezet. Ik zal dien ook nooit weder betreden. Of

mijn broeder, de vossenjager, nog leeft, of dat hij den hals reeds

heeft gebroken, weet ik niet. Het raakt mij ook niet. Maar hij heeft

kinderen, Frans. En ik zeg u, een van hen wordt mijn zoon, als gij

nog langer weigert aan mijn wensch te voldoen."

»Met uw eigendom kunt en moogt gij zeker naar uw eigen goedvinden

handelen," zeide ik, misschien meer boos dan eerbiedig.

»Welzeker, Frans, wat ik bezit, is mijn wettig eigendom. IJzeren

vlijt in het verwerven en zorgvolle inspanning om het verworvene uit

te breiden, geeft recht van eigendom. Maar dat zeg ik u. Geen hommel

zal zich van mijn honig voeden. Bedenk u wel! Wat ik gezegd heb,

is rijp overlegd. En wat ik besloten heb, dat zal geschieden!"

»Maar mijn waarde patroon, hooggeachte patroon!" riep Owen, en de

tranen stonden hem in de oogen. »Het is toch uwe gewoonte niet,

gewichtige zaken zoo overijld af te doen. Laat mijnheer Frans zelf

de balans maken, eer gij de rekening sluit. Hij heeft u lief, en

als hij zijne kinderlijke gehoorzaamheid op de creditzijde plaatst,

dan zal hij van zijne bezwaren zeker terugkomen."

»Meent gij dan," vroeg mijn vader zeer ernstig, »dat ik hem tweemaal

moet vragen, of hij mijn vriend, mijn helper, mijn vertrouweling wil

zijn--of hij mijne zorgen en mijn vermogen met mij deelen wil? Owen,

ik dacht, dat gij mij beter kendet!"

Hij zag mij aan, als of hij er nog iets wilde bijvoegen, maar keerde

zich schielijk om en verliet de kamer. Ik beken het gaarne; die laatste

woorden mijns vaders, het nieuwe gezichtspunt, dat hij daarmeê aan

de zaak gaf, verraste en trof mij diep. Bijna geloof ik, dat, indien

hij zijne pogingen om mij over te halen daarmede begonnen had, hij

misschien geene reden zou gehad hebben, om over mij ontevreden te zijn.

Maar het was te laat! Ik bezat iets, wellicht veel van mijns vaders

halsstarrige vastberadenheid. En de hemel wilde nu eenmaal dat ik

in mijne zonde mijne straf zou vinden, hoezeer niet naar den omvang

van mijn misslag.--Toen wij alleen waren, vestigde Owen zijne oogen

op mij. Een paar keer blonk er een traan in. Hij keek mij aan,

alsof hij, vóór dat hij den moeielijken post van bemiddelaar op

zich nam, wilde uitvorschen, hoe mijne hardnekkigheid het best te

bestrijden was. Eindelijk riep hij weemoedig uit: »Ach God, mijnheer

Frans! Lieve hemel! dat ik zulk een dag moest beleven! En van zoo een

jong mensch!--Om 's Hemels wil, zie toch eerst oplettend het debet en

credit van uw rekening na. Bedenk wat gij verliest: een aanzienlijk

vermogen, een der beste handelshuizen van de City, reeds met roem

bekend onder de oude firma van Tresham en Trent, en nu nog beter onder

de tegenwoordige van Osbaldistone en Tresham. Beste mijnheer Frans,

gij kunt u rollen in het goud! Is er," vervolgde hij zachtkens,

»misschien het een of ander in de bezigheden van ons kantoor,

dat u niet bevalt, zeg het mij, ik zal het voor u in orde brengen,

wekelijks, dagelijks, juist zooals gij wilt. Ach, bedenk u toch;

herinner u, wat er geschreven staat: eert uwen vader, opdat het u

wel ga, en uwe dagen verlengd worden."

»Zeer verplicht, vriend Owen, zeer verplicht," zeide ik, »maar mijn

vader weet immers, hoe hij over zijn geld kan beschikken. Hij spreekt

van een mijner neven--welnu, hij moge met zijne schatten doen,

wat hem goed dunkt--ik verkies mijne vrijheid niet tegen wat goud

te verkoopen."

»Wat zegt ge? Wat goud?--Ge moest de balans van het laatste kwartaal

eens zien! Het aandeel van elken compagnon werd in vijf cijfers

uitgedrukt--vijf cijfers, denk eens! En dat alles zou aan een papist

ten deel vallen, aan een domoor uit de noordelijke provinciën, aan

iemand, die niet voor onzen koning is! O het zal mij den doodsteek

geven, lieve mijnheer Frans! Ik heb gearbeid, niet als een mensch,

neen als een paard, en dat alles uit liefde tot onze firma. Denk eens,

hoe fraai het klinken zou: Osbaldistone, Tresham en Osbaldistone,

of misschien wel, wie weet het: Osbaldistone en Zoon en Tresham;

want mijnheer uw vader kan al de anderen uitkoopen!"

»Maar, mijn beste Owen; mijn neef heet immers ook Osbaldistone,

en dan zal toch de naam van het huis in uwe ooren even fraai klinken."

»Foei, mijnheer Frans! Zoo gij wist, hoe veel ik van u houd. Uw

neef--ja, is zeer zeker een Roomsche, even als zijn vader, en

natuurlijk ook tegen het protestantsche koningshuis--dat is heel

iets anders!"

»Nu, nu, er zijn onder de Katholieken ook zeer brave lieden,"

hernam ik.

Juist wilde Owen met vrij wat warmte hierop antwoorden, toen mijn vader

weder binnentrad.--»Gij hebt gelijk, Owen, en ik had ongelijk!" zeide

hij. »Wij zullen tijd nemen, om de zaak nader te overwegen. Frans,

heden over vier weken moet gij mij uw stellig besluit mededeelen over

deze gewichtige zaak. Denk er over na."

Ik boog zwijgend. Ik was blij met het uitstel. Het deed mij vermoeden,

dat mijn vader zijn streng voornemen min of meer verzacht had.

De proeftijd verliep langzaam, zonder eenig opmerkelijk voorval. Ik

ging uit en in, beschikte naar welgevallen over mijn tijd. Mijn

vader deed mij geene enkele vraag, maakte over niets hoegenaamd

eenige aanmerking. Het is waar, ik zag hem slechts zeer zelden;

bijna alleen aan tafel, waar hij zeer zorgvuldig vermeed eene snaar

aan te roeren, die ook voor mij natuurlijk hoogst onaangenaam zou

geklonken hebben. Meestal spraken wij over het nieuws van den dag en

andere gewone onderwerpen. Wie ons alsdan zoo vertrouwelijk koutende

gehoord had, zou waarlijk niet vermoed hebben, dat wij het omtrent

een allergewichtigst punt nog volkomen oneens waren. Toch drukte het

mij als de nachtmerrie. Zou hij inderdaad zijn woord houden en mij

willen onterven ten voordeele van een neef, van wiens bestaan hij

niet eens genoegzaam zeker was? Had ik de zaak ernstiger overwogen,

dan zou mij het gedrag van mijn grootvader in eene soortgelijke

omstandigheid niet veel goeds voorspeld hebben. Ik beoordeelde

mijns vaders karakter verkeerd. De herinnering aan de liefde en de

goedheid, die ik voor mijn vertrek naar Frankrijk, van hem en van

allen in huis genoten had, maakte mij veel te zorgeloos. Ik bedacht

niet, dat menig vader jegens zijne kinderen zoo lang zij jong zijn,

zeer toegevend is, omdat hij op hunne genegenheid prijs stelt; maar

zich toch overmatig streng betoont, als diezelfde kinderen later aan

zijne vaak te hoog gespannen verwachtingen niet voldoen. Ik maakte mij

wijs, dat ik eigenlijk niets te vreezen had. In het ergste geval zou

eene kortstondige verkoeling in zijne vaderlijke liefde het gevolg

der oneenigheid zijn, misschien ook eene verbanning naar buiten

voor eenige weken. Dit laatste--zoo dacht ik verder--zou mij zelfs

aangenaam wezen. Het zou mij gelegenheid verschaffen, om eene nog

onvoltooide vertaling van Ariosto's Razende Roeland te voltooien,

welke ik in Engelsche verzen wilde overbrengen. Ja, ik was met die

gedachte zoo geheel en al vervuld, dat ik mijne papieren weder bijeen

zocht, en op zekeren dag vlijtig Spencer's versmaat, waarin hij zijne

Tooverkoningin bezingt, bestudeerde, toen er zachtkens aan mijne

kamerdeur getikt werd. Op mijn: »binnen!" trad Owen in het vertrek. In

zijne levenswijs en gewoonten was de goede man zoo stipt, dat hij

thans zeer waarschijnlijk voor de eerste maal op de tweede verdieping

van ons huis kwam, hoe bekend hij ook op de eerste was. Zelfs nu nog

kan ik niet begrijpen, hoe het hem gelukt was mijne kamer te ontdekken.

»Mijnheer Frans," aldus begon hij, de betuiging van mijne aangename

verrassing plotseling afbrekende; »ik durf niet beslissen, of dat,

wat ik doe, wel geoorloofd is; want wat in het kantoor gebeurt,

moet daarbinnen blijven. Het spreekwoord zegt: Vertel niet aan den

pakhuisknecht hoeveel bladzijden het grootboek heeft. Maar--de jonge

Twineal is ruim veertien dagen afwezig geweest, en eerst sedert twee

dagen weder terug."

»Best, mijn waarde Owen! Maar wat gaat ons dat aan?"

»Laat mij uitspreken, mijnheer Frans! Uw vader belastte hem met eene

geheime zending. Handelszaken kunnen het niet geweest zijn, want

zoo iets zou toch altijd eerst uit mijne boeken blijken. Ik voor mij

geloof stellig, dat Twineal in Northumberland geweest is."

»Gelooft gij dat waarlijk?" vroeg ik, min of meer onthutst.

»Sedert zijne terugkomst spreekt hij van niets anders dan van zijne

nieuwe rijlaarzen, zijne groote sporen en van een hanengevecht te

York. Dat is toch, dunkt mij, zoo duidelijk, als tweemaal twee. Ach,

mijn beste Frans, bezin u toch; gehoorzaam uw vader en word tegelijk

een man en een koopman!"

Op dat oogenblik gevoelde ik eene sterke neiging om mij te

onderwerpen. Bijna wilde ik den goeden Owen de aangename opdracht

geven mijn vader te zeggen, dat ik bereid was om zijn wensch te

vervullen. Maar trots--die bron van zoo veel goed en kwaad in ons

leven,--mijn trots hield mij terug. Het toestemmende woord wilde mij

niet over de lippen, en toen ik mij, aarzelend kuchend, moeite gaf

om het er uit te krijgen, hoorden wij mijns vaders stem, die Owen

riep. Snel ging de brave man de kamer uit, en de gunstige gelegenheid

was voorbij.

In alles nam mijn vader de strengste orde in acht. Juist op denzelfden

dag, in dezelfde kamer, op denzelfden toon als vier weken te voren,

herhaalde hij zijn voorstel, mij tot den koophandel op te leiden,

en mij eene plaats op zijn kantoor aan te wijzen. Hij begeerde nu

eindelijk mijn eindbesluit te hooren. Ik beschouwde deze stroeve

manier als onheusch, en meen nog steeds, dat mijn vaders houding

te mijnen opzichte niet de goede was. Zeer waarschijnlijk zou hij

door een minzaam, verzoenend aanzoek zijn doel bereikt hebben. Maar

onder deze omstandigheid bleef ik standvastig en wees zoo eerbiedig,

als ik maar kon, zijn voorstel nogmaals van de hand. Niemand kan

zijn eigen hart beoordeelen, maar misschien achtte ik het een man

onwaardig, zich op de eerste opeisching over te geven. Ik geloof,

dat ik een herhaald, meer dringend woord, en daarin een voorwendsel

tot een veranderd besluit verwachtte.

Maar hoezeer had ik mij dan bedrogen! Mijn vader keerde zich kalm

tot Owen en zeide vrij droog: »Welnu, heb ik het u niet gezegd, dat

het zoo zou afloopen?"--En nu wendde hij zich even bedaard tot mij:

»Het is wel, zeer wel, Frans! Gij zijt bijna meerderjarig, en thans

even goed als gij het waarschijnlijk ooit zijn zult, in staat om te

beoordeelen wat tot uw geluk bevorderlijk kan zijn. Dus geen woord meer

hierover! Maar daar ik evenmin verplicht ben, om toe te treden tot

uwe plannen, als gij genoodzaakt zijt u aan de mijne te onderwerpen,

moet ik u nu eens vragen, of gij ook soms eenig plan gevormd hebt,

waarbij gij op mijne hulp rekent?"

Eenigszins beschaamd antwoordde ik, dat ik geen beroep kende en geen

eigen vermogen bezat, dus zonder mijns vaders ondersteuning onmogelijk

door de wereld kon komen, dat echter mijn verlangen in dit opzicht zeer

matig was, dat ik dus de hoop koesterde dat mijn tegenzin in het vak,

waaraan hij mij wijden wilde, hem geene aanleiding zou geven, om mij

zijn vaderlijken bijstand en bescherming geheel en al te onttrekken.

»Dat wil zeggen, gij zoudt gaarne op mijn arm willen leunen, en toch

uw eigen weg volgen. Neen, dat doen we maar zoo niet, Frans! Ik hoop,

op mijne beurt, dat gij mijne bevelen zult willen gehoorzamen, voor

zoo verre zij niet met uwe grillen in strijd zijn."

Robbert Roodhaar · 第 10 / 57 题