Aan moed, aan vermetelheid, zoo men wil, ontbrak het mij nooit.--

»Het spijt mij," antwoordde ik, »dat mijn brief u onvoldoende

voorkomt. Maar onoverlegd was hij waarlijk niet, want ik heb het

voorstel van mijn vader rijpelijk overwogen, en het deed mij innig

leed, dat ik mij tot afwijzing genoopt zag."

Eene korte poos keek mijn vader mij zeer scherp aan, maar wendde toen

de oogen plotseling van mij af. Daar hij niets antwoordde, meende ik

te moeten voortgaan. Ik deed het echter met eenigszins onvaste stem,

terwijl hij er nu en dan een woord tusschen bromde.

»Waarlijk vader, geloof mij, er is geen stand waarvoor ik zooveel

hoogachting koester, als voor den koopmans-stand, ook al ware hij de

uwe niet."

»Wezenlijk?"

»Hij verbindt volken met volken, voorziet in de behoeften der

menschheid, bevordert de algemeene welvaart: ja, hij is voor de gansche

beschaafde wereld datgene, wat het gewone verkeer voor het huiselijke

leven, of liever, wat lucht en voedsel voor ons lichaam zijn."

»Is het waar?"

»En toch vader, moet ik blijven weigeren een stand te kiezen, waarvoor

ik zoo weinig geschiktheid en aanleg bezit."

»Wees maar niet bang, ik zal wel zorgen, dat gij de noodige

geschiktheid krijgt. Gij zijt van nu af niet meer Dubourg's gast

en kweekeling."

»Maar, waarde vader, ik spreek immers niet van gebrek aan onderricht,

maar van mijne onbekwaamheid, om mij dat onderricht ten nutte te

maken."

»Gekheid! Hebt gij een dagboek gehouden, zooals ik u bevolen heb?"

»Ja vader."

»Welnu, haal het eens hier."

Bedoeld boek was een soort van aanteekenboek, waarin, volgens mijns

vaders raad, alles moest opgeteekend worden, wat mij in den handel

opmerkenswaardig scheen. Daar ik wel voorzien had, dat hij inzage

van dit, voor hem zoo gewichtige boek zou verlangen, was ik er

op bedacht geweest, om er vooral zulke dingen in op te teekenen,

welke ik veronderstelde dat hem het meest zouden bevallen. Doch

al te vaak had de pen geschreven, zonder dat het hoofd er deel

aan had. Ook stond er in het boek, dat mij gewoonlijk voor de

hand lag, allerlei wat met den handel in volstrekt geen verband

stond. Nochtans, ik bood het mijn vader aan, in de stille hoop,

dat hij niet ongelukkig juist eene bladzijde zou opslaan, die zijn

misnoegen tegen mij nog verhoogen zou. Owens gelaat, dat bij mijns

vaders vraag min of meer betrokken was, begon na mijn bereidwillig

antwoord werkelijk weder op te helderen. Hij glimlachte vriendelijk,

toen ik met een boek dat er vrij kantoorachtig uitzag--lang folio in

ruw perkament gebonden met blinkende koperen klampen voorzien,--uit

mijne kamer terugkwam. Dit had ten minste het voorkomen van gezette

handels-studie. Mijn deelnemende vriend schepte weer moed. Hoe

genoeglijk meesmuilde hij, toen mijn vader het boek doorbladerende,

eenige aanteekeningen las en zijne korte aanmerkingen er tusschen

mompelde.--Brandewijn--op fust. Te Nancy. 29. Cognac en Rochelle

27. Bordeaux 52.--»Bravo, Frans, zeer juist!"--»Impost en tolgelden,

zie Saxby's Tabellen."--»Niet goed, wat bij Saxby staat, had

hier moeten staan, dan blijft het in het geheugen."--Uitvoer en

invoer--lijnwaad--stokvisch--middelvisch--klipvisch.--»Hierbij had ge

moeten aanteekenen, dat al die vischsoorten als stokvisch ingevoerd

worden. Hoe veel duim lang is een gewone stokvisch?"

Owen, die mij in verlegenheid zag, waagde het, mij het antwoord toe

te fluisteren; gelukkig verstond ik hem: »Achttien duim, vader,"

antwoordde ik dadelijk.

»En een klipvisch?--Vier en twintig--»Zeer juist," hernam mijn

vader. »Dat is van groot belang voor den handel op Portugal. Maar wat

staat hier?--»Bordeaux gesticht in het jaar.--Chateau Trompette--Paleis

van Gallienus."--Goed, ook al goed! gij ziet, Owen, hij heeft er zoo'n

soort van kladboek van gemaakt, waarin elk dagelijksch voorval, inkoop,

orders, betalingen, wisselacceptatiën, ontvangsten, endossementen,

kommissiën en dergelijke dingen door elkander opgeteekend worden."

»En welke men later geregeld in het journaal of grootboek overdraagt,"

hernam Owen. »Het verheugt mij, dat mijnheer Frans zoo ordelijk is."

Ik bespeurde zelf, dat ik in mijns vaders gunst begon te stijgen,

en vreesde dat hij nu nog sterker er op zou aandringen, dat ik mij

tot koopman vormen zou. Tot het tegendeel besloten, wenschte ik reeds

niet zoo ordelijk geweest te zijn, als mijn vriend Owen mij geliefde

te noemen. Maar de wensch was niet noodig. Eensklaps viel er een

blad papier uit het boek. Owen gaf mij dadelijk den wenk, dat men

losse bladen in kantoorboeken steeds met een weinigje stijfsel moest

vast hechten. Maar mijn vader had het papier opgenomen en riep nu:

»»De zwarte Prins!" Wat is dat? Verzen! Wat drommel jongen, gij zijt

nog grooter domkop dan ik dacht!"

Als een echt koopman zag mijn vader met zekere minachting op gedichten

neder. Ja met zijne strenge geloofsbegrippen als Presbyteriaan,

hield hij zulke bezigheden voor nietswaardig en goddeloos. Veroordeel

hem hierom niet, mijn vriend. Bedenk, welk een leven vele dichters

op het einde der zeventiende eeuw geleid hebben. De sekte, tot

welke mijn vader behoorde, had--ten minste zij zeide dit--even als

de Puriteinen een afkeer van letterkunde. Eene hoogst onaangename

verrassing werd dus door de ontijdige ontdekking van die noodlottige

verzen veroorzaakt. Als de krulpruik, die de goede Owen destijds

droeg, zich plotseling had kunnen vervormen en de haren te berge doen

rijzen, dan ware de arbeid des kappers in een oogwenk verwoest, want

overstelpend was Owen's verbazing over deze vreeselijke ontdekking. Als

de kantoorkas geroofd ware, als eene fout in het optrekken van eene

in het net geschreven rekening ontdekt ware--het zou hem niet zoo

getroffen hebben. Mijn vader las enkele regels, met afgebroken en

stamelende stem, alsof hij niet in staat was den zin te begrijpen,

soms ook spotachtig declameerend steeds met eene bijtende ironie,

die den dichter diep moest vernederen.

Hoort gij den doffen klank van dien geduchten horen,

Die Fontarabie's weerklank wijd doet hooren,

Die 't sneuvelen des krijgsmans meldt?

Die aan den grooten Karel droef verkonde:

Dat Paynims woest gespuis tot stervens toe verwondde

Op Spaanschen grond den eed'len Franschen held?

»Fontarabie's weerklank," mompelde mijn vader, terwijl hij het hoofd

schudde: »Fontarabie's jaarmarkt had je moeten schrijven! Verkonde met

één d op verwondde met twee d's te laten rijmen, is ook niet fraai.--En

of meldt op held goed rijmt is evenzoo de vraag... En dan Paynims? Wat

is Paynims? Kondet gij niet gezegd hebben Heidenen? Schrijf ten minste

in 't Engelsch, als gij onzin schrijven moet!"

't Was waar, het droef bericht, dat over zee en landen,

Met vleugelen des winds naar Engelands verre stranden,

Voortijlend angsten zaait en schrik:

Brittannie's zwaard dat Frankrijk's trots deed bukken.

Bij Cressy en Poitiers den vijand hieuw in stukken

De held ligt in Bordeaux en geeft den laatsten snik.

»Precies! »Vleugelen des winds", dat is prachtig!"

»»Heft op--mijn stervend hoofd,"--zoo spreekt, naar adem hijgend,

De eedle prins, met moeite zich nog nijgend

Tot 't riddertal in breeden kring geschaard.

»Richt mij nog even op--dat ik den glans der zonne

--Zoo lieflijk spieglend in de stroomende Garonne,

Nog even zie,--voor 'k scheide van deze aard!"

»Maar dat is glad mis, dat gij Garonne op zonne laat rijmen. Weet

ge niet hoe men het woord Garonne uitspreekt? Schaam je, Frans;

je verstaat je ellendig ambacht niet eens!"

»»O ziet!--als ik--ook zij--slaapt zachtkens in.

Omhult--het hoofd zich nog, met zorgenvollen zin

Van avonddauw omgeven.....

Zoo zullen--als drupplendauw--de tranenpaarlen schittren

Als Englands vrouwenrei verneemt het woord, het bittre:

Haar Zwarte Prins liet hier het leven!"

De zonne zinkt!... De zon ook van mijn roem!

Doch dat men mij steeds onvergeetlijk noem,

In 't land der Britten en der Franschen,

Dan zal 't ons Albion aan Helden nooit ontbreken.

Als sterren talloos aan de hemelstreken

Heldhaftig schittrend in haar glanzen."

»»Heldhaftig schitterende sterren!" dat is wat nieuws! Waarachtig,

Frans! de nachtwacht doet het mooier!"

En met die woorden wierp hij het papier verachtelijk weg, en herhaalde

het kompliment: »Hoor eens, Frans, ge zijt werkelijk nog grooter

domkop dan ik dacht!"

Wat moest ik zeggen, mijn waarde Tresham? Ik stikte bijna van ergernis,

terwijl mijn vader mij bedaard, maar somber, minachtend aanzag. De

goede Owen, handen en oogen ten hemel slaande, trok een gezicht,

alsof hij den naam van zijn patroon onder failliet verklaarden in

de krant had gelezen. Eindelijk vermande ik mij om te spreken. Ik

bedwong zoo veel mogelijk mijne gewaarwordingen. De toon mijner stem

zou niet verraden wat in mij omging.

»Vader! ik zie maar al te goed," begon ik, »hoe weinig ik in staat

ben, om de gewichtige plaats, welke gij mij hebt toegedacht, te

vervullen. Gelukkig verlang ik ook niet naar de schatten, die ik mij

daardoor zou kunnen verwerven. De heer Owen zal voor u eene betere

hulp zijn."--Ik zeide dit eenigszins spijtig, omdat ik oordeelde,

dat Owen mijne zaak te snel losgelaten had.

»Owen?" viel mijn vader mij in de rede. »De jongen is dol,

razend! Maar--welaan! gij verwijst mij zoo onverschillig

naar Owen. Zie! Ik had van mijn zoon in dit geval meer eerbied

verwacht.--Maar goed! zeg mij dan eens, wat zijn dan nu eigenlijk

uwe wijze plannen?"

»Met uw goedvinden," zeide ik, al mijn moed verzamelend, »zou ik een

paar jaren willen reizen. Of ook wel, ofschoon het een weinig laat is,

een paar jaar te Oxford of te Cambridge studeeren!"

»Maar mijn Hemel, wie heeft ooit zoo iets gehoord! Eindelijk zou

het tijd zijn, dat gij reeds fortuin in de wereld begon te maken. En

nu wilt gij nog bij pedanten, schoolvossen en Jacobieten in de leer

gaan. Waarom niet liever onder de jongens te Westminster of te Eton,

om les in het declineeren en conjugeeren te nemen. Als gij dan uwe

les niet kent, kunt ge nog met den stok op den rug krijgen."

»Als gij oordeelt, dat ik reeds te ver in jaren gevorderd ben voor

mijn plan, dan wil ik gaarne naar het vaste land terugkeeren."

»Neen, neen! Gij hebt daar reeds tijd genoeg verspild."

»Dan zou ik den militairen stand boven elk ander beroep kiezen."

»Den duivel zoudt gij kiezen!" riep mijn vader driftig uit. Maar

zich snel beheerschend, zeide hij: »gij maakt mij bijna even gek,

als gij zelf zijt. Zeg, Owen, is het niet, om dol te worden?"

Robbert Roodhaar · 第 9 / 57 题