Waarlijk, de vrees komt in mij op, dat deze
jonge man met eene akelige kwaal behebt is--met
de zucht tot verzen maken. Als dat zoo is,
dan geve men vrij alle hoop op, dat hij ooit fortuin
zal maken door eenig aanzienlijk staatsambt.
Het is gedaan. Wie eenmaal aan het gedichten
smeden is geraakt, zal nooit een staatsman worden.
Ben Jonson's Bartholomaeus-nacht.
Mijn vader bezat krachtige zelfbeheersching. Hij gaf zijn misnoegen
iemand zelden in woorden te kennen, maar slechts door een zekeren
drogen, knorrigen toon. Nooit uitte hij bedreigingen. Nooit ontsnapte
hem zelfs een enkele uitdrukking, die zijne gevoeligheid verried. Alles
ging bij hem volgens den regel. En het was zijne vaste gewoonte steeds
het noodige te doen, zonder veel woorden te verspillen. Met een bitter
glimlachje hoorde hij mijne afgebroken antwoorden over den toestand
van den Franschen handel aan. Met kalme onbarmhartigheid liet hij
mij steeds dieper en dieper in de geheimen van agio, tarief, tarra
en disconto verdwalen. Doch, naar ik mij herinner, ontdekte ik op
zijn gelaat eerst toen duidelijk sporen van misnoegen, toen hij zag,
dat ik niet in staat was, den invloed te verklaren van de daling der
agio van het Fransche goud op den wisselkoers.
»Maar dat is nu de merkwaardigste gebeurtenis, die ik ooit beleefd
heb," zeide mijn vader, die toch onze revolutie [2] had beleefd;
»en de jongen weet er zooveel van als een kruier."
»De jonge heer Frans," merkte Owen schroomvallig en op verzoenenden
toon aan, »kan toch niet vergeten hebben, dat, volgens een bevel van
den koning der Franschen, van den eersten Mei 1700, de houder van
een wissel binnen tien dagen"...
»De jonge heer Frans," viel mijn vader hem in de rede, »zal alles
weten, als gij zoo goed zijt zijn souffleur te wezen. Hoe is het
mogelijk, dat Dubourg dit dulden kon! Zeg eens, Owen, welk soort van
jongen is die Clement Dubourg, zijn neef, die zwartkop op ons kantoor?"
»Een der bekwaamste kantoorbedienden van ons huis; voor zijne jaren
een buitengewoon knap mensch!" antwoordde Owen, wiens hart de jonge
Franschman door zijne opgeruimdheid en welwillendheid geheel veroverd
had.
»Ja, ja, die zal denkelijk den wisselkoers beter kennen! Dubourg
wilde, dat ik ten minste één jongen zou hebben, die zich op de
zaken verstaat. Maar ik doorgrond zijn doel, en hij zal ook weten,
dat ik niet blind ben. Owen, laat aan Clement, aan het einde van het
kwartaal, zijn salaris uitbetalen. Dan kan hij met het schip van zijn
oom, dat juist in lading ligt, naar Bordeaux terugkeeren."
»Hoe! Gij wilt Clement Dubourg uit uw dienst ontslaan, mijnheer
Osbaldistone?" vroeg Owen met bevende stem.
»Ja, en wel terstond, zeg ik!" hernam mijn vader. »Het is al genoeg
dat wij op ons kantoor een onbekwaam Engelschman hebben, die van
wissels noch wisselkoers iets weet; wij behoeven niet nog een sluwen
Franschman er bij, die daarvan profiteert."
Nu had ik in het land van Lodewijk XIV den innigen afkeer van alle
willekeur, mij van mijne jeugd reeds eigen, nog in mij versterkt. Ik
voelde mij dus gedwongen, een woordje mede te spreken. Ik mocht een
verdienstelijk jongeling niet laten straffen, omdat hij uitmuntte in
bekwaamheden, die ik niet bezat.
»Beste vader," dus begon ik; »als ik dat, wat ik had moeten weten,
niet geleerd heb, dan moet ik alleen daarvoor lijden. Ik kan den
heer Dubourg volstrekt niet beschuldigen, dat hij mij de gelegenheid
om mij te bekwamen, niet gegeven heeft. Ik had beter daarvan partij
moeten trekken. Maar Clement Dubourg..."
»Hoor eens, wat hem en wat u betreft, zal ik zelf de noodige
maatregelen weten te nemen," viel mijn vader mij in de rede. »In elk
geval, is het flink van u, Frans, dat gij zelf de schuld wilt dragen;
dat bevalt mij, jongen, dat moet ik bekennen.--Maar den ouden Dubourg,"
vervolgde mijn vader, zich tot Owen keerende, »kan ik het niet vergeven
dat hij mijn zoon alleen maar de gelegenheid tot oefening heeft
gegeven. Hij had ook moeten zorgen, dat er gebruik van werd gemaakt,
en mij, wanneer dat niet geschiedde, bericht moeten zenden. Maar ge
ziet, Owen, dat Frans aangeboren begrippen van recht en billijkheid
heeft, zoo als het een Engelschen koopman past."
»De jonge heer Frans," zeide de boekhouder, even deftig het hoofd
neigend, terwijl hij de rechter hand een weinig ophief--die laatste
beweging onwillekeurig ontstaan, uit de gewoonte, om, eer hij iets
zeide, de pen achter zijn oor te steken: »de jonge heer Frans schijnt
het beginsel der zedelijke rekenkunst, den grooten moreelen regel
van drieën te verstaan: A verhoude zich tot B, zoo als hij wil,
dat B zich tot hem verhoude. Dan komt de som altijd uit."
Een oogenblik glimlachend om deze rekenkunstige opmerking, vervolgde
mijn vader: »Maar dat alles geeft niets, Frans. Gij hebt uw tijd
jongensachtig verbeuzeld. Ge moet voortaan leeren werken als een
man. Ik zal u een paar maanden lang onder Owens opzicht stellen,
om het verzuimde weder in te halen."
Ik wilde antwoorden, maar Owen keek mij zoo smeekend en tevens
waarschuwend aan, dat ik onwillekeurig zweeg.
»En laat ons dan," ging mijn vader voort, »den inhoud van mijn brief
van den eersten der vorige maand, waarop gij mij zulk een onoverlegd
en onvoldoend antwoord gezonden hebt, nog eens bedaard nagaan. Maar
schenk u eerst eens in, en geef Owen de flesch aan."