Gij beste vriend! wenschtet, dat ik eenige uren van de rust, die mij
zoo goed doet en waarmede eene liefderijke Voorzienigheid den avond van
mijn leven gezegend heeft, er aan wijdde, die vele wederwaardigheden
en gevaren, waartegen ik in vroeger tijd zoo strijden en worstelen
moest, in geschrifte te verhalen.
Het is waar, de herinnering aan die avonturen, zooals gij ze verkiest
te noemen, heeft bij mij een zeker gemengd gevoel van smart en
vreugde achtergelaten. Maar daarnaast leeft in mij eene innige
dankbaarheid en een diepe eerbied jegens den grooten Bestuurder van
het lot der menschen. Hij heeft de loopbaan mijner jeugd met doornen
en distelen bezaaid, opdat ik het geluk in later dagen, wanneer ik,
terugblikkend op het verledene, het tegenwoordige genietende, des te
beter zou beseffen en waardeeren. Nu hebt gij mij dikwerf verzekerd,
dat de avonturen die ik beleefde onder een volk, zoo eigenaardig en
eenvoudig naar regeeringsvorm en zeden, wel iedereen moeten boeien, die
gaarne luistert naar een oud man, als deze vertelt van vroeger dagen.
Ik wil het gaarne gelooven. Maar vergeet vooral niet, dat een
geschiedenis, waarnaar een belangstellend vriend aandachtig en
deelnemend luisteren mocht, veel van hare bekoorlijkheid verliest, als
zij geschreven wordt. Hoe belangwekkend gij ook die avonturen vondt,
toen de stem van hem, die ze beleefde, ze u verhaalde, zij zullen
veel minder de aandacht boeien, als zij in de eenzame kamer gelezen
worden. Jeugdiger levenskrachten en eene krachtiger gezondheid beloven
u een langer leven, dan mij. Sluit dus, bid ik u, deze papieren in de
eene of andere geheime lade van uw lessenaar zorgvuldig weg, tot dat
de scheiding tusschen ons komen zal, die elk oogenblik komen kan, maar
die zeker binnen weinige jaren komen moet. Wanneer wij dan voor deze
wereld gescheiden zijn--om eenmaal naar ik hoop, in betere gewesten
elkaar weer te zien,--dan zal u, dat weet ik zeker, de nagedachtenis
van uw ontslapen vriend u dierbaarder zijn, dan hij het verdient. Maar
dan zal u ook dat verhaal, dat ik thans nederschrijven wil, wel
weemoedige maar geenszins onaangename overdenkingen brengen. Sommige
menschen laten hun geliefden vrienden een beeld hunner gestalte na. Ik
bied u een afschrift mijner gedachten, een beeld mijner deugden en
gebreken. Doch ik hoop, dat gij de dwaasheden en buitensporigheden
mijner jeugd met dezelfde liefderijke verschooning zult beoordeelen,
die gij aan de dwalingen van den volwassen man steeds hebt verleend.
Dat ik mijne gedenkschriften--zoo ik ten minste aan dit stuk zulk
een weidschen titel mag geven--aan een dierbaren getrouwen vriend
wijd, verschaft mij ook het voordeel, van hier eenige omstandigheden
met stilzwijgen te kunnen voorbijgaan, die ik aan een vreemdeling
noodzakelijk vooraf zou moeten mededeelen. Doch waarom toch zou ik,
al heb ik u nu geheel in mijne macht, al heb ik inkt, papier en
tijd in overvloed, waarom zou ik u al dadelijk op de pijnbank der
verveling brengen? Toch durf ik u niet stellig beloven, dat ik van
eene zoo verleidelijke gelegenheid, om van mij en mijne lotgevallen
te spreken, nooit misbruik maken zal, om omstandigheden te vermelden,
die u bijna even goed als mij bekend zijn. De booze neiging om toch
vooral die voorvallen uitvoerig te verhalen, waarvan wij zelf de
helden zijn, doet ons vaak uit het oog verliezen, wat wij aan den
tijd en het geduld van onze toehoorders schuldig zijn. Die neiging
heeft menigen, anders flinken schrijver tot een vervelenden babbelaar
gemaakt. Ik behoef u in dit opzicht slechts te herinneren aan de
zeldzame eerste uitgave van Sully's »Gedenkwaardigheden." [1] Gij,
met de dwaze ijdelheid van een echten boekverzamelaar, verkiest
die uitgave boven alle anderen, die in gewonen bruikbaren vorm in
den handel werden gebracht. Maar voor mij is ze alleen merkwaardig,
omdat ze mij een treurig bewijs levert, dat ook een groot man, als
de schrijver inderdaad was, zwak en kleingeestig genoeg kan zijn,
om aan zijn eigen ik eene onzinnige hooge waarde te hechten. Als ik
mij goed herinner, dan had die beroemde staatsdienaar niet minder dan
vier geheim-secretarissen met de taak belast, om de gebeurtenissen van
zijn leven op te teekenen, onder den titel: Gedenkwaardigheden van de
wijze en koninklijke staathuishouding, betreffende de binnenlandsche
staats- en krijgskundige aangelegenheden van Hendrik den Vierden enz.
Toen nu deze heeren hunne bouwstoffen voor dat werk verzameld
hadden, werden deze »Gedenkwaardigheden", waarin alles voorkwam, wat
maar eenigszins belangrijk was uit de lotgevallen van hun meester,
opgeschreven in den vorm van een aan hem zelven gericht verhaal. Hij
schreef niet zooals Julius Cesar, zijne geschiedenis eenvoudig in den
derden persoon. Ook deed hij niet als de meesten die als sprekers of
schrijvers het wagen de helden van hun eigen verhaal te zijn. Neen,
Sully genoot het meer verfijnde, hoogst zeldzame genoegen, dat hij
zich zijne levensgeschiedenis door zijne secretarissen liet voordragen,
terwijl hij zelf de toehoorder, zoo als hij tevens de held, en hoogst
waarschijnlijk de steller van het gansche boek was. Het moet een
kostelijk tooneel geweest zijn, als de voormalige minister, gehuld in
een tabbaart, met kostbaar bont omzoomd, met een breeden halskraag
om, stijf en fraai geplooid, zoo recht als een kaars, met de meeste
deftigheid onder zijn troonhemel gezeten, naar het verhaal van zijne
secretarissen luisterende; als dan die heeren met ongedekt hoofd
voor hem stonden, en met den meesten ernst voorlazen: »Zoo sprak de
hertog--zoo eindigde de hertog zijne rede."--»Dit was het gevoelen van
zijne Excellentie over deze gewichtige zaak--dit was de welgemeende
raad, dien zijne Excellentie den Koning bij deze gelegenheid gaf,--"
louter omstandigheden, die den eenigen toehoorder veel beter bekend
waren dan hun, ja, die zij meestendeels slechts uit zijn eigen mond
konden weten.
Nu ben ik lang zulk een verheven personage niet als de groote hertog
Sully. Ik heb ook geen vier geheim-secretarissen. Maar toch zou het
vrij dwaas zijn, wanneer Frans Osbaldistone zijn vriend, Willem
Tresham, een breed verhaal ging doen van zijn afkomst, opvoeding
en betrekkingen op dit ondermaansche. Ik zal derhalve den boozen
geest der verleiding bekampen, zoo dapper als ik maar kan, en u niet
vermoeien met bekende dingen. Alleen moet ik u vluchtig het een en
ander in het geheugen terugroepen wat gij trouwens reeds vroeger
geweten hebt, doch door verloop van tijd kunt vergeten hebben, doch
wat van beslissenden invloed op mijn lot is geweest.
Gij herinnert u zeker mijn vader nog, dien gij in uwe jonge jaren
gekend hebt, toen uw vader zijn compagnon was. Wel zaagt gij hem
niet in zijne beste dagen, vóór dat ouderdom en zwakte zijn vurigen,
ondernemingslustigen geest bijna geheel uitgedoofd hadden. Had hij
dien geest, die schranderheid, dat doorzicht, die hij nu slechts in
koopmansspekulatiën aanwendde, aan de wetenschappen willen wijden,
hij zou hoogstwaarschijnlijk niet zoo rijk, maar niet minder
gelukkig, ja, gelukkiger geweest zijn. Maar de koophandel en de
velerlei afwisselingen daaraan verbonden, hebben, behalve de hoop
op winst, nog iets, wat hem, die wagen durft, vooral bekoort. Wie
deze onstuimige zee bevaren wil, moet aan de bekwaamheid van den
stuurman ook de standvastigheid van den echten zeeman paren. Hij
kan ook dan nog schipbreuk lijden en verongelukken, als de stormen
der fortuin hem niet gunstig zijn. Die gestadige oplettendheid,
dat gevaar, de telkens zich hernieuwende pijnlijke onzekerheid,
of schranderheid de fortuin zal dwingen, dan wel de fortuin alle
plannen der schranderheid verijdelen zal, dit alles geeft aan de
geestvermogens bezigheid, houdt de hartstochten gespannen. De handel
heeft in zekeren zin al het bekoorlijke en boeiende van het spel,
zonder evenwel zoo onzedelijk te zijn.
Ik was in die dagen, in het begin dezer achttiende eeuw, te
Bordeaux. Ik was ruim twintig jaar oud. Op zekeren dag kreeg ik
van huis het onverwachte bevel, om Bordeaux te verlaten en wegens
eene gewichtige aangelegenheid naar Londen tot mijn vader terug te
keeren. Onvergetelijk is mij het oogenblik van dat wederzien. Gij
herinnert u zeker nog den korten, afgebroken, min of meer strengen
toon, waarop hij gewoon was zijn wil te kennen te geven. Mij dunkt,
ik zie hem nog voor mij. Ik zie nog zijne rijzige, indrukwekkende
gestalte. Ik hoor nog zijn snellen, vasten tred. Nog ziet mij aan
zijn scherp, doordringend oog, zijn echt mannelijk gelaat, waarop
zorgen reeds rimpels hadden gegrift. Ja, ik hoor hem nog spreken. Voor
hetgene hij zeggen wilde, nam hij nooit meer woorden dan volstrekt
noodig was. Maar elk woord was juist gekozen, al werd dan ook zijn
spreektoon onwillekeurig soms wat hard en onaangenaam....
Nauwelijks afgestegen, ijlde ik naar mijn vader. Hij wandelde in
zijne kamer op en neer. Zijn gelaat verried ernstig, kalm, diep
nadenken. Zelfs het wederzien van zijn zoon, na een vierjarige
afwezigheid kon dien ernst niet storen. Ik omhelsde hem. Hij was een
goed, maar geen weekhartig vader. Eene sekonde slechts zag ik een
traan in zijn donker oog.--»Dubourg schrijft mij", dus begon hij,
»dat hij over u tevreden is, Frans!"
»Dit verheugt mij, vader."
»Maar ik heb daarentegen minder reden het te zijn," voegde hij er
kortaf bij en ging aan zijn lessenaar zitten.
»Dat spijt mij, vader."
»Vreugd of spijt, Frans, dat zijn een paar woorden, die in de meeste
gevallen weinig of in het geheel niets beteekenen. Hier is uw laatste
brief."
Hij nam dien uit een dik pakket papieren, die met een rooden band
samengebonden en nauwkeurig genummerd waren. Mijn arme brief! Hij
handelde over iets dat mij toen diep ter harte ging. Hij was met
zorg geschreven, en wel zoo, dat hij, naar ik dacht, zoo al geene
volkomene toestemming, ten minste deelneming moest opwekken. En daar
lag hij nu, onder allerlei brieven over zaken. Nu moet ik glimlachen,
als ik mij herinner, hoe gekrenkt in mijn eigenliefde, hoe jammerlijk
teleurgesteld ik was, toen ik mijn brief, die mij zoo veel moeite
had gekost, uit dat akelige pak van advies-brieven, aanbevelingen
en dergelijke prullen, zoo als ik ze destijds geliefde te noemen,
voor den dag zag komen. Neen! dacht ik. Een zoo gewichtige en zoo
goed geschreven brief had toch wel eene afzonderlijke plaats, wat
zorgvuldiger behartiging verdiend!
Mijn vader bemerkte mijn misnoegen niet. Trouwens, al had hij het
bemerkt, hij zou zich er toch niet aan gestoord hebben. Hij vouwde
den brief open en ging voort: »Dat is uw brief van den 21sten der
vorige maand, Frans. Gij bericht mij dat »bij de gewichtige keus
van een beroep voor uw volgend leven, mijne vaderlijke goedheid
u ten minste eene opponeerende stem zal willen vergunnen," dat
gij on.... on.... onoverwinnelijke--(in het voorbijgaan moet ik
u verzoeken, in het vervolg duidelijker te schrijven, en niet te
vergeten, door de t eene dwarsstreep te halen en aan de l van boven de
behoorlijke opening te geven) dus onoverwinnelijke bezwaren tegen het
plan hebt, dat ik u heb voorgesteld. Ditzelfde is in allerlei woorden
op deze vier vol geschreven bladzijden te lezen. Als gij u slechts
meer moeite gegeven hadt, u duidelijk en kort uit te drukken, hadt
gij het zeer goed in vier regels kunnen zeggen. Kortom, Frans! alles
komt daarop neer, dat gij niet doen wilt, wat ik verlang."
»Dat ik het, in dit geval, niet doen kan, vader! Niet, dat ik het
niet wil."
»Woordenkeus heeft weinig vat op mij, jonge heer," antwoordde mijn
vader, die zijn onbuigzamen wil steeds met de grootste bedaardheid en
zelfbeheersching te kennen gaf.--»Ik kan niet, klinkt wat beleefder
dan ik wil niet, maar beide uitdrukkingen beteekenen hetzelfde, als
er geene zedelijke onmogelijkheid bestaat. Ik houd er echter niet van,
zaken overijld af te doen. Na tafel spreken wij er nader over.--Owen!"
Owen kwam. Hij was toen niet de grijsaard met de zilveren lokken,
dien gij gekend en geëerd hebt, mijn vriend. Hij telde toen niet
meer dan vijftig jaren. Maar hij droeg denzelfden lichtbruinen rok,
dezelfde parelkleurige zijden kousen, dezelfde das met de zilveren
gesp, dezelfde fijn geplooide kanten lubben die in onze huiskamer bijna
tot aan zijne nagels kwamen, doch die hij in het kantoor zorgvuldig
onder de opslagen van zijne mouwen verborg, opdat er geen inktvlak
op vallen zou. Het ernstige, deftige, maar goedige gelaat van den
eersten boekhouder van het aanzienlijke handelshuis Osbaldistone en
Tresham knikte mij toe.
»Owen," zeide mijn vader, toen de goede man mij liefderijk de hand
bood, »gij moet heden met ons eten. Dan kunt ge het nieuws vernemen,
door Frans van onze vrienden te Bordeaux medegebracht."
Met eene buiging gaf Owen zijn eerbiedigen dank te kennen. In die
dagen, toen de afstand tusschen heeren en bedienden nauwkeuriger dan
thans in acht werd genomen, was zulk eene uitnoodiging geen gering
gunstbewijs.
Dat middagmaal vergeet ik nimmer! Moedeloos, en zelfs misnoegd,
was ik niet in staat, aan het onderhoud zoo levendig deel te nemen,
als mijn vader zeker verwachtte. Dikwijls gaf ik hem op de vele
vragen, waarmede hij mij bestormde, vrij onvoldoende en verwarde
antwoorden. De goede Owen spande zich in, om zijn eerbied jegens zijn
heer met zijne liefde voor den jongeling, dien hij vroeger op zijn
knie had laten rijden, te vereenigen. Hij trachtte elken misslag in
mijne antwoorden te verklaren; zeide datgene wat ik eigenlijk niet
had gezegd--steeds om mij te dekken. Doch deze manoeuvre joeg mijn
vader nog meer in 't harnas. In plaats van mij voldoende te dekken,
kreeg hij nu menig hard en scherp woord van zijn patroon. Gedurende
mijn verblijf te Bordeaux had ik, wel is waar, het koopmansberoep niet
zoo erg veronachtzaamd, dat ik mij alleen aan sonetten en stanza's,
en in 't geheel niets aan grootboeken, kasboeken, journalen enz. had
gedaan; maar ik was toch, om de waarheid te zeggen, niet verder gegaan,
dan volstrekt noodzakelijk was, om den ouden Franschen handelsvriend
van ons huis, die mij in de geheimen van den koophandel zou inwijden,
in staat te stellen, gunstige berichten omtrent mij te geven. Mijn
hoofdbezigheid bestond voor mij in de taak mij in de letterkunde
en in lichaamsoefeningen te bekwamen. Nu was mijn vader wel geen
verklaarde vijand van dergelijke studiën, want met zijn gezond verstand
begreep hij wel dat zij ieder tot sieraad kunnen zijn en het beroep,
waartoe ik mij, volgens zijn wensch, moest vormen, kon daardoor wel
versierd en veredeld worden. Maar zijn hoofddoel en streven was,
mij niet alleen zijn vermogen na te laten, maar ook de middelen,
om het handelshuis, waardoor de rijke erfenis nog veel vermeerderd
en eenmaal op het nageslacht zou kunnen overgebracht worden.
Geestdrift voor zijn stand was zijn hoofdrust en hoofdeigenschap. Deze
vooral deed hem bij mij aandringen dezelfde loopbaan te kiezen. Maar
hij had nog andere drijfveeren, die ik eerst later vernam. Voortvarend,
bekwaam en ondernemend in zijne handelsplannen, vond hij in het
geluk van elk waagstuk een nieuwen prikkel en ook nieuwe middelen
tot verdere ondernemingen. Hij was als een eerzuchtig veroveraar,
die meende altijd voorwaarts te moeten gaan, zonder met het reeds
verkregene tevreden te zijn. Hij dacht er niet aan op te houden om
slechts dat, wat hij verworven had, in veiligheid te genieten. O
neen! Gewoon om zijn gansche vermogen in de weegschaal zijner plannen
te werpen, en daarbij vindingrijk in de middelen, die weegschaal in
zijn voordeel te doen overhellen, schenen de gevaren, waaraan hij
zijn schatten blootstelde, hem steeds nieuwe levenskracht te geven,
tot nieuwe werkzaamheid, tot nieuwe plannen uit te lokken. Hij was
als een zeeman, die de golven en den vijand leerde trotseeren,
en daarom den storm of den slag steeds met vertrouwen tegemoet
ging. Toch bedacht hij opmerkzaam de veranderingen die ouderdom of
ziekte bij hem zouden kunnen te weeg brengen. Daarom wilde hij bij
tijds zich van eene hulp verzekeren, die van zijne vermoeide hand het
roer overnemen en volgens zijn raad en zijne aanwijzingen het schip
sturen kon. Zoowel zijn vaderliefde als de wensch, zijne ontwerpen
te bevorderen, brachten hem tot dat besluit. Wel is waar, had uw
vader, waarde Tresham, zijn vermogen in onze zaak belegd. Maar hij
was, zoo als gij weet, een zoogenaamde »stille compagnon." Wat Owen
betreft, deze kon zeker als man van beproefde eerlijkheid en knap
boekhouder, het kantoor belangrijke diensten bewijzen. Maar hij bezat
geen handelstalent genoeg, om hem het oppertoezicht over de zaken te
kunnen toevertrouwen. Als de dood mijn vader onverwachts verraste, wat
zou er dan van die vele plannen worden, waarmede zijn hoofd vervuld
was, zoo niet zijn zoon een handels-Herkules werd, sterk genoeg, om
den last te dragen, welken de vallende Atlas achterliet! Ja, wat zou
er van den zoon zelven worden, indien hij, vreemd in handelszaken,
zich plotseling in den doolhof van koopmansaangelegenheden had
verplaatst gezien, zonder den draad van Ariadne te bezitten, die
hem in den doolhof den weg kon doen vinden. Al deze redenen, deels
openlijk erkend, deels verborgen, hadden mijn vader doen besluiten,
dat ik zijn beroep zou kiezen; en wanneer hij iets vast besloten had,
dan was er geen onverzettelijker man dan hij. Maar ik moest toch
ook gevraagd worden. En nu had ik, die ook nog al stijfhoofdig was,
juist een tegenovergesteld besluit genomen.
Tot verontschuldiging van mijn verzet, tegen den wensch mijns vaders,
moge strekken, dat ik niet goed begreep, waarom hij juist dien wensch
koesterde, en in hoever zijn geluk daarmede gemoeid was. Ik geloofde
immers voor het heden van een ruim jaargeld, voor de toekomst van
eene rijke erfenis verzekerd te zijn. Het kwam niet bij mij op, te
vermoeden dat ik tot bevestiging van dat geluk mij daarenboven aan
allerlei arbeid en dienst zou moeten wijden, zoo geheel in strijd
met mijn smaak en neiging. In het voorstel van mijn vader, om zijn
beroep te kiezen, zag ik niets dan den wensch, dat ik nog iets zou
voegen bij de schatten, welke hij zelf opgehoopt had. Maar ik meende
dat ik over den weg tot mijn geluk zelf 't best kon oordeelen, en dat
het mij zeer zeker niet gelukkiger zou maken, wanneer ik een vermogen
trachtte te vermeerderen, dat reeds meer dan toereikend was, om mij
elke mogelijke behoefte, ja elk mogelijk levensgenot te verschaffen.
Geen wonder dan ook, dat ik--ik erken het ridderlijk--mijn tijd in
Bordeaux niet zóó doorbracht, als mijn vader wenschte. Wat hij als
het hoofddoel van mijn verblijf aldaar beschouwde, nam ik als bijzaak
op. Ja, ik zou het, als ik gedurfd had, geheel verwaarloosd hebben.
Dubourg, die met ons kantoor in voordeelige betrekking stond, was
veel te slim, om in zijne correspondentie over mijn persoon iets
te berichten, wat mijn vader of mij kon mishagen. Ook was het hem
uit baatzucht, zoo als gij later vernemen zult, niet onaangenaam,
dat ik het eigenlijk doel van mijn verblijf ten zijnen huize minder
voor oogen hield. Overigens was mijn gedrag steeds onberispelijk. In
zoo ver kon hij derhalve niets nadeeligs berichten, al ware hij
ook daartoe geneigd geweest. Maar ik mag misschien vermoeden, dat
de geslepen Franschman het ook door de vingers gezien zou hebben,
als ik mij aan iets ergers dan enkel aan lusteloosheid en tegenzin in
handelszaken had schuldig gemaakt. Een gedeelte van mijn tijd wijdde ik
natuurlijk wel aan de beroepsbezigheden. Maar hij liet mij ongestoord
de overige uren bij mijn geliefkoosde studiën doorbrengen. Hij had
er volstrekt niets tegen, dat ik mij liever met Corneille en Boileau,
dan met Postlethwayte's Handelswoordenboek--indien althans die foliant
destijds reeds in de wereld ware geweest, en de heer Dubourg dien
naam had kunnen uitspreken--met Savary, of eenigen anderen schrijver
over den koophandel, bezighield. Elke brief, dien hij over mij aan
mijn vader schreef, eindigde met de verzekering dat ik alles deed
wat een vader van een zoon maar kon wenschen.
Mijn vader was steeds ingenomen met een spreekwijze, hoe dikwijls
ze ook herhaald werd, als ze maar helder en duidelijk was; Addison
zelf zou voor hem geen zoo aangename en veelbeteekenende uitdrukking
hebben kunnen vinden, als deze: »uwen laatsten heb ik ontvangen en
inliggende wisselbrieven behoorlijk gehonoreerd."
Daar nu mijn vader zeer goed wist wat ik volgens zijn wensch moest
zijn, liet Dubourg's steeds herhaalde lievelingsuitdrukking hem
volstrekt geen twijfel over, dat ik wezenlijk was wat hij wenschte,
totdat hij in een noodlottig oogenblik mijn brief ontving, waarin
ik met alle mogelijke welsprekendheid er voor bedankte, in mijns
vaders somber kantoor te zitten, zeker hooger dan Owen en de andere
kantoorbedienden, maar nog iets lager dan zijn eigen kantoorstoel. Van
dat oogenblik af was alles bedorven. En Dubourg's berichten werden
evenzoo verdacht, alsof de betaling der op hem getrokken wissels
geweigerd ware geworden.
Ik werd dus in allerijl naar huis ontboden en ontvangen, zooals ik
u beschreven heb.