MONSIEUR THOMAS.

Gij beste vriend! wenschtet, dat ik eenige uren van de rust, die mij

zoo goed doet en waarmede eene liefderijke Voorzienigheid den avond van

mijn leven gezegend heeft, er aan wijdde, die vele wederwaardigheden

en gevaren, waartegen ik in vroeger tijd zoo strijden en worstelen

moest, in geschrifte te verhalen.

Het is waar, de herinnering aan die avonturen, zooals gij ze verkiest

te noemen, heeft bij mij een zeker gemengd gevoel van smart en

vreugde achtergelaten. Maar daarnaast leeft in mij eene innige

dankbaarheid en een diepe eerbied jegens den grooten Bestuurder van

het lot der menschen. Hij heeft de loopbaan mijner jeugd met doornen

en distelen bezaaid, opdat ik het geluk in later dagen, wanneer ik,

terugblikkend op het verledene, het tegenwoordige genietende, des te

beter zou beseffen en waardeeren. Nu hebt gij mij dikwerf verzekerd,

dat de avonturen die ik beleefde onder een volk, zoo eigenaardig en

eenvoudig naar regeeringsvorm en zeden, wel iedereen moeten boeien, die

gaarne luistert naar een oud man, als deze vertelt van vroeger dagen.

Ik wil het gaarne gelooven. Maar vergeet vooral niet, dat een

geschiedenis, waarnaar een belangstellend vriend aandachtig en

deelnemend luisteren mocht, veel van hare bekoorlijkheid verliest, als

zij geschreven wordt. Hoe belangwekkend gij ook die avonturen vondt,

toen de stem van hem, die ze beleefde, ze u verhaalde, zij zullen

veel minder de aandacht boeien, als zij in de eenzame kamer gelezen

worden. Jeugdiger levenskrachten en eene krachtiger gezondheid beloven

u een langer leven, dan mij. Sluit dus, bid ik u, deze papieren in de

eene of andere geheime lade van uw lessenaar zorgvuldig weg, tot dat

de scheiding tusschen ons komen zal, die elk oogenblik komen kan, maar

die zeker binnen weinige jaren komen moet. Wanneer wij dan voor deze

wereld gescheiden zijn--om eenmaal naar ik hoop, in betere gewesten

elkaar weer te zien,--dan zal u, dat weet ik zeker, de nagedachtenis

van uw ontslapen vriend u dierbaarder zijn, dan hij het verdient. Maar

dan zal u ook dat verhaal, dat ik thans nederschrijven wil, wel

weemoedige maar geenszins onaangename overdenkingen brengen. Sommige

menschen laten hun geliefden vrienden een beeld hunner gestalte na. Ik

bied u een afschrift mijner gedachten, een beeld mijner deugden en

gebreken. Doch ik hoop, dat gij de dwaasheden en buitensporigheden

mijner jeugd met dezelfde liefderijke verschooning zult beoordeelen,

die gij aan de dwalingen van den volwassen man steeds hebt verleend.

Dat ik mijne gedenkschriften--zoo ik ten minste aan dit stuk zulk

een weidschen titel mag geven--aan een dierbaren getrouwen vriend

wijd, verschaft mij ook het voordeel, van hier eenige omstandigheden

met stilzwijgen te kunnen voorbijgaan, die ik aan een vreemdeling

noodzakelijk vooraf zou moeten mededeelen. Doch waarom toch zou ik,

al heb ik u nu geheel in mijne macht, al heb ik inkt, papier en

tijd in overvloed, waarom zou ik u al dadelijk op de pijnbank der

verveling brengen? Toch durf ik u niet stellig beloven, dat ik van

eene zoo verleidelijke gelegenheid, om van mij en mijne lotgevallen

te spreken, nooit misbruik maken zal, om omstandigheden te vermelden,

die u bijna even goed als mij bekend zijn. De booze neiging om toch

vooral die voorvallen uitvoerig te verhalen, waarvan wij zelf de

helden zijn, doet ons vaak uit het oog verliezen, wat wij aan den

tijd en het geduld van onze toehoorders schuldig zijn. Die neiging

heeft menigen, anders flinken schrijver tot een vervelenden babbelaar

gemaakt. Ik behoef u in dit opzicht slechts te herinneren aan de

zeldzame eerste uitgave van Sully's »Gedenkwaardigheden." [1] Gij,

met de dwaze ijdelheid van een echten boekverzamelaar, verkiest

die uitgave boven alle anderen, die in gewonen bruikbaren vorm in

den handel werden gebracht. Maar voor mij is ze alleen merkwaardig,

omdat ze mij een treurig bewijs levert, dat ook een groot man, als

de schrijver inderdaad was, zwak en kleingeestig genoeg kan zijn,

om aan zijn eigen ik eene onzinnige hooge waarde te hechten. Als ik

mij goed herinner, dan had die beroemde staatsdienaar niet minder dan

vier geheim-secretarissen met de taak belast, om de gebeurtenissen van

zijn leven op te teekenen, onder den titel: Gedenkwaardigheden van de

wijze en koninklijke staathuishouding, betreffende de binnenlandsche

staats- en krijgskundige aangelegenheden van Hendrik den Vierden enz.

Toen nu deze heeren hunne bouwstoffen voor dat werk verzameld

hadden, werden deze »Gedenkwaardigheden", waarin alles voorkwam, wat

maar eenigszins belangrijk was uit de lotgevallen van hun meester,

opgeschreven in den vorm van een aan hem zelven gericht verhaal. Hij

schreef niet zooals Julius Cesar, zijne geschiedenis eenvoudig in den

derden persoon. Ook deed hij niet als de meesten die als sprekers of

schrijvers het wagen de helden van hun eigen verhaal te zijn. Neen,

Sully genoot het meer verfijnde, hoogst zeldzame genoegen, dat hij

zich zijne levensgeschiedenis door zijne secretarissen liet voordragen,

terwijl hij zelf de toehoorder, zoo als hij tevens de held, en hoogst

waarschijnlijk de steller van het gansche boek was. Het moet een

kostelijk tooneel geweest zijn, als de voormalige minister, gehuld in

een tabbaart, met kostbaar bont omzoomd, met een breeden halskraag

om, stijf en fraai geplooid, zoo recht als een kaars, met de meeste

deftigheid onder zijn troonhemel gezeten, naar het verhaal van zijne

secretarissen luisterende; als dan die heeren met ongedekt hoofd

voor hem stonden, en met den meesten ernst voorlazen: »Zoo sprak de

hertog--zoo eindigde de hertog zijne rede."--»Dit was het gevoelen van

zijne Excellentie over deze gewichtige zaak--dit was de welgemeende

raad, dien zijne Excellentie den Koning bij deze gelegenheid gaf,--"

louter omstandigheden, die den eenigen toehoorder veel beter bekend

waren dan hun, ja, die zij meestendeels slechts uit zijn eigen mond

konden weten.

Nu ben ik lang zulk een verheven personage niet als de groote hertog

Sully. Ik heb ook geen vier geheim-secretarissen. Maar toch zou het

vrij dwaas zijn, wanneer Frans Osbaldistone zijn vriend, Willem

Tresham, een breed verhaal ging doen van zijn afkomst, opvoeding

en betrekkingen op dit ondermaansche. Ik zal derhalve den boozen

geest der verleiding bekampen, zoo dapper als ik maar kan, en u niet

vermoeien met bekende dingen. Alleen moet ik u vluchtig het een en

ander in het geheugen terugroepen wat gij trouwens reeds vroeger

geweten hebt, doch door verloop van tijd kunt vergeten hebben, doch

wat van beslissenden invloed op mijn lot is geweest.

Gij herinnert u zeker mijn vader nog, dien gij in uwe jonge jaren

gekend hebt, toen uw vader zijn compagnon was. Wel zaagt gij hem

niet in zijne beste dagen, vóór dat ouderdom en zwakte zijn vurigen,

ondernemingslustigen geest bijna geheel uitgedoofd hadden. Had hij

dien geest, die schranderheid, dat doorzicht, die hij nu slechts in

koopmansspekulatiën aanwendde, aan de wetenschappen willen wijden,

hij zou hoogstwaarschijnlijk niet zoo rijk, maar niet minder

gelukkig, ja, gelukkiger geweest zijn. Maar de koophandel en de

velerlei afwisselingen daaraan verbonden, hebben, behalve de hoop

op winst, nog iets, wat hem, die wagen durft, vooral bekoort. Wie

deze onstuimige zee bevaren wil, moet aan de bekwaamheid van den

stuurman ook de standvastigheid van den echten zeeman paren. Hij

kan ook dan nog schipbreuk lijden en verongelukken, als de stormen

der fortuin hem niet gunstig zijn. Die gestadige oplettendheid,

dat gevaar, de telkens zich hernieuwende pijnlijke onzekerheid,

of schranderheid de fortuin zal dwingen, dan wel de fortuin alle

plannen der schranderheid verijdelen zal, dit alles geeft aan de

geestvermogens bezigheid, houdt de hartstochten gespannen. De handel

heeft in zekeren zin al het bekoorlijke en boeiende van het spel,

zonder evenwel zoo onzedelijk te zijn.

Ik was in die dagen, in het begin dezer achttiende eeuw, te

Bordeaux. Ik was ruim twintig jaar oud. Op zekeren dag kreeg ik

van huis het onverwachte bevel, om Bordeaux te verlaten en wegens

eene gewichtige aangelegenheid naar Londen tot mijn vader terug te

keeren. Onvergetelijk is mij het oogenblik van dat wederzien. Gij

herinnert u zeker nog den korten, afgebroken, min of meer strengen

toon, waarop hij gewoon was zijn wil te kennen te geven. Mij dunkt,

ik zie hem nog voor mij. Ik zie nog zijne rijzige, indrukwekkende

gestalte. Ik hoor nog zijn snellen, vasten tred. Nog ziet mij aan

zijn scherp, doordringend oog, zijn echt mannelijk gelaat, waarop

zorgen reeds rimpels hadden gegrift. Ja, ik hoor hem nog spreken. Voor

hetgene hij zeggen wilde, nam hij nooit meer woorden dan volstrekt

noodig was. Maar elk woord was juist gekozen, al werd dan ook zijn

spreektoon onwillekeurig soms wat hard en onaangenaam....

Nauwelijks afgestegen, ijlde ik naar mijn vader. Hij wandelde in

zijne kamer op en neer. Zijn gelaat verried ernstig, kalm, diep

nadenken. Zelfs het wederzien van zijn zoon, na een vierjarige

afwezigheid kon dien ernst niet storen. Ik omhelsde hem. Hij was een

goed, maar geen weekhartig vader. Eene sekonde slechts zag ik een

traan in zijn donker oog.--»Dubourg schrijft mij", dus begon hij,

»dat hij over u tevreden is, Frans!"

»Dit verheugt mij, vader."

»Maar ik heb daarentegen minder reden het te zijn," voegde hij er

kortaf bij en ging aan zijn lessenaar zitten.

»Dat spijt mij, vader."

»Vreugd of spijt, Frans, dat zijn een paar woorden, die in de meeste

gevallen weinig of in het geheel niets beteekenen. Hier is uw laatste

brief."

Hij nam dien uit een dik pakket papieren, die met een rooden band

samengebonden en nauwkeurig genummerd waren. Mijn arme brief! Hij

handelde over iets dat mij toen diep ter harte ging. Hij was met

zorg geschreven, en wel zoo, dat hij, naar ik dacht, zoo al geene

volkomene toestemming, ten minste deelneming moest opwekken. En daar

lag hij nu, onder allerlei brieven over zaken. Nu moet ik glimlachen,

als ik mij herinner, hoe gekrenkt in mijn eigenliefde, hoe jammerlijk

teleurgesteld ik was, toen ik mijn brief, die mij zoo veel moeite

had gekost, uit dat akelige pak van advies-brieven, aanbevelingen

en dergelijke prullen, zoo als ik ze destijds geliefde te noemen,

voor den dag zag komen. Neen! dacht ik. Een zoo gewichtige en zoo

goed geschreven brief had toch wel eene afzonderlijke plaats, wat

zorgvuldiger behartiging verdiend!

Mijn vader bemerkte mijn misnoegen niet. Trouwens, al had hij het

bemerkt, hij zou zich er toch niet aan gestoord hebben. Hij vouwde

den brief open en ging voort: »Dat is uw brief van den 21sten der

vorige maand, Frans. Gij bericht mij dat »bij de gewichtige keus

van een beroep voor uw volgend leven, mijne vaderlijke goedheid

u ten minste eene opponeerende stem zal willen vergunnen," dat

gij on.... on.... onoverwinnelijke--(in het voorbijgaan moet ik

u verzoeken, in het vervolg duidelijker te schrijven, en niet te

vergeten, door de t eene dwarsstreep te halen en aan de l van boven de

behoorlijke opening te geven) dus onoverwinnelijke bezwaren tegen het

plan hebt, dat ik u heb voorgesteld. Ditzelfde is in allerlei woorden

op deze vier vol geschreven bladzijden te lezen. Als gij u slechts

meer moeite gegeven hadt, u duidelijk en kort uit te drukken, hadt

gij het zeer goed in vier regels kunnen zeggen. Kortom, Frans! alles

komt daarop neer, dat gij niet doen wilt, wat ik verlang."

»Dat ik het, in dit geval, niet doen kan, vader! Niet, dat ik het

niet wil."

»Woordenkeus heeft weinig vat op mij, jonge heer," antwoordde mijn

vader, die zijn onbuigzamen wil steeds met de grootste bedaardheid en

zelfbeheersching te kennen gaf.--»Ik kan niet, klinkt wat beleefder

dan ik wil niet, maar beide uitdrukkingen beteekenen hetzelfde, als

er geene zedelijke onmogelijkheid bestaat. Ik houd er echter niet van,

zaken overijld af te doen. Na tafel spreken wij er nader over.--Owen!"

Owen kwam. Hij was toen niet de grijsaard met de zilveren lokken,

dien gij gekend en geëerd hebt, mijn vriend. Hij telde toen niet

meer dan vijftig jaren. Maar hij droeg denzelfden lichtbruinen rok,

dezelfde parelkleurige zijden kousen, dezelfde das met de zilveren

gesp, dezelfde fijn geplooide kanten lubben die in onze huiskamer bijna

tot aan zijne nagels kwamen, doch die hij in het kantoor zorgvuldig

onder de opslagen van zijne mouwen verborg, opdat er geen inktvlak

op vallen zou. Het ernstige, deftige, maar goedige gelaat van den

eersten boekhouder van het aanzienlijke handelshuis Osbaldistone en

Tresham knikte mij toe.

»Owen," zeide mijn vader, toen de goede man mij liefderijk de hand

bood, »gij moet heden met ons eten. Dan kunt ge het nieuws vernemen,

door Frans van onze vrienden te Bordeaux medegebracht."

Met eene buiging gaf Owen zijn eerbiedigen dank te kennen. In die

dagen, toen de afstand tusschen heeren en bedienden nauwkeuriger dan

thans in acht werd genomen, was zulk eene uitnoodiging geen gering

gunstbewijs.

Dat middagmaal vergeet ik nimmer! Moedeloos, en zelfs misnoegd,

was ik niet in staat, aan het onderhoud zoo levendig deel te nemen,

als mijn vader zeker verwachtte. Dikwijls gaf ik hem op de vele

vragen, waarmede hij mij bestormde, vrij onvoldoende en verwarde

antwoorden. De goede Owen spande zich in, om zijn eerbied jegens zijn

heer met zijne liefde voor den jongeling, dien hij vroeger op zijn

knie had laten rijden, te vereenigen. Hij trachtte elken misslag in

mijne antwoorden te verklaren; zeide datgene wat ik eigenlijk niet

had gezegd--steeds om mij te dekken. Doch deze manoeuvre joeg mijn

vader nog meer in 't harnas. In plaats van mij voldoende te dekken,

kreeg hij nu menig hard en scherp woord van zijn patroon. Gedurende

mijn verblijf te Bordeaux had ik, wel is waar, het koopmansberoep niet

zoo erg veronachtzaamd, dat ik mij alleen aan sonetten en stanza's,

en in 't geheel niets aan grootboeken, kasboeken, journalen enz. had

gedaan; maar ik was toch, om de waarheid te zeggen, niet verder gegaan,

dan volstrekt noodzakelijk was, om den ouden Franschen handelsvriend

van ons huis, die mij in de geheimen van den koophandel zou inwijden,

in staat te stellen, gunstige berichten omtrent mij te geven. Mijn

hoofdbezigheid bestond voor mij in de taak mij in de letterkunde

en in lichaamsoefeningen te bekwamen. Nu was mijn vader wel geen

verklaarde vijand van dergelijke studiën, want met zijn gezond verstand

begreep hij wel dat zij ieder tot sieraad kunnen zijn en het beroep,

waartoe ik mij, volgens zijn wensch, moest vormen, kon daardoor wel

versierd en veredeld worden. Maar zijn hoofddoel en streven was,

mij niet alleen zijn vermogen na te laten, maar ook de middelen,

om het handelshuis, waardoor de rijke erfenis nog veel vermeerderd

en eenmaal op het nageslacht zou kunnen overgebracht worden.

Geestdrift voor zijn stand was zijn hoofdrust en hoofdeigenschap. Deze

vooral deed hem bij mij aandringen dezelfde loopbaan te kiezen. Maar

hij had nog andere drijfveeren, die ik eerst later vernam. Voortvarend,

bekwaam en ondernemend in zijne handelsplannen, vond hij in het

geluk van elk waagstuk een nieuwen prikkel en ook nieuwe middelen

tot verdere ondernemingen. Hij was als een eerzuchtig veroveraar,

die meende altijd voorwaarts te moeten gaan, zonder met het reeds

verkregene tevreden te zijn. Hij dacht er niet aan op te houden om

slechts dat, wat hij verworven had, in veiligheid te genieten. O

neen! Gewoon om zijn gansche vermogen in de weegschaal zijner plannen

te werpen, en daarbij vindingrijk in de middelen, die weegschaal in

zijn voordeel te doen overhellen, schenen de gevaren, waaraan hij

zijn schatten blootstelde, hem steeds nieuwe levenskracht te geven,

tot nieuwe werkzaamheid, tot nieuwe plannen uit te lokken. Hij was

als een zeeman, die de golven en den vijand leerde trotseeren,

en daarom den storm of den slag steeds met vertrouwen tegemoet

ging. Toch bedacht hij opmerkzaam de veranderingen die ouderdom of

ziekte bij hem zouden kunnen te weeg brengen. Daarom wilde hij bij

tijds zich van eene hulp verzekeren, die van zijne vermoeide hand het

roer overnemen en volgens zijn raad en zijne aanwijzingen het schip

sturen kon. Zoowel zijn vaderliefde als de wensch, zijne ontwerpen

te bevorderen, brachten hem tot dat besluit. Wel is waar, had uw

vader, waarde Tresham, zijn vermogen in onze zaak belegd. Maar hij

was, zoo als gij weet, een zoogenaamde »stille compagnon." Wat Owen

betreft, deze kon zeker als man van beproefde eerlijkheid en knap

boekhouder, het kantoor belangrijke diensten bewijzen. Maar hij bezat

geen handelstalent genoeg, om hem het oppertoezicht over de zaken te

kunnen toevertrouwen. Als de dood mijn vader onverwachts verraste, wat

zou er dan van die vele plannen worden, waarmede zijn hoofd vervuld

was, zoo niet zijn zoon een handels-Herkules werd, sterk genoeg, om

den last te dragen, welken de vallende Atlas achterliet! Ja, wat zou

er van den zoon zelven worden, indien hij, vreemd in handelszaken,

zich plotseling in den doolhof van koopmansaangelegenheden had

verplaatst gezien, zonder den draad van Ariadne te bezitten, die

hem in den doolhof den weg kon doen vinden. Al deze redenen, deels

openlijk erkend, deels verborgen, hadden mijn vader doen besluiten,

dat ik zijn beroep zou kiezen; en wanneer hij iets vast besloten had,

dan was er geen onverzettelijker man dan hij. Maar ik moest toch

ook gevraagd worden. En nu had ik, die ook nog al stijfhoofdig was,

juist een tegenovergesteld besluit genomen.

Tot verontschuldiging van mijn verzet, tegen den wensch mijns vaders,

moge strekken, dat ik niet goed begreep, waarom hij juist dien wensch

koesterde, en in hoever zijn geluk daarmede gemoeid was. Ik geloofde

immers voor het heden van een ruim jaargeld, voor de toekomst van

eene rijke erfenis verzekerd te zijn. Het kwam niet bij mij op, te

vermoeden dat ik tot bevestiging van dat geluk mij daarenboven aan

allerlei arbeid en dienst zou moeten wijden, zoo geheel in strijd

met mijn smaak en neiging. In het voorstel van mijn vader, om zijn

beroep te kiezen, zag ik niets dan den wensch, dat ik nog iets zou

voegen bij de schatten, welke hij zelf opgehoopt had. Maar ik meende

dat ik over den weg tot mijn geluk zelf 't best kon oordeelen, en dat

het mij zeer zeker niet gelukkiger zou maken, wanneer ik een vermogen

trachtte te vermeerderen, dat reeds meer dan toereikend was, om mij

elke mogelijke behoefte, ja elk mogelijk levensgenot te verschaffen.

Geen wonder dan ook, dat ik--ik erken het ridderlijk--mijn tijd in

Bordeaux niet zóó doorbracht, als mijn vader wenschte. Wat hij als

het hoofddoel van mijn verblijf aldaar beschouwde, nam ik als bijzaak

op. Ja, ik zou het, als ik gedurfd had, geheel verwaarloosd hebben.

Dubourg, die met ons kantoor in voordeelige betrekking stond, was

veel te slim, om in zijne correspondentie over mijn persoon iets

te berichten, wat mijn vader of mij kon mishagen. Ook was het hem

uit baatzucht, zoo als gij later vernemen zult, niet onaangenaam,

dat ik het eigenlijk doel van mijn verblijf ten zijnen huize minder

voor oogen hield. Overigens was mijn gedrag steeds onberispelijk. In

zoo ver kon hij derhalve niets nadeeligs berichten, al ware hij

ook daartoe geneigd geweest. Maar ik mag misschien vermoeden, dat

de geslepen Franschman het ook door de vingers gezien zou hebben,

als ik mij aan iets ergers dan enkel aan lusteloosheid en tegenzin in

handelszaken had schuldig gemaakt. Een gedeelte van mijn tijd wijdde ik

natuurlijk wel aan de beroepsbezigheden. Maar hij liet mij ongestoord

de overige uren bij mijn geliefkoosde studiën doorbrengen. Hij had

er volstrekt niets tegen, dat ik mij liever met Corneille en Boileau,

dan met Postlethwayte's Handelswoordenboek--indien althans die foliant

destijds reeds in de wereld ware geweest, en de heer Dubourg dien

naam had kunnen uitspreken--met Savary, of eenigen anderen schrijver

over den koophandel, bezighield. Elke brief, dien hij over mij aan

mijn vader schreef, eindigde met de verzekering dat ik alles deed

wat een vader van een zoon maar kon wenschen.

Mijn vader was steeds ingenomen met een spreekwijze, hoe dikwijls

ze ook herhaald werd, als ze maar helder en duidelijk was; Addison

zelf zou voor hem geen zoo aangename en veelbeteekenende uitdrukking

hebben kunnen vinden, als deze: »uwen laatsten heb ik ontvangen en

inliggende wisselbrieven behoorlijk gehonoreerd."

Daar nu mijn vader zeer goed wist wat ik volgens zijn wensch moest

zijn, liet Dubourg's steeds herhaalde lievelingsuitdrukking hem

volstrekt geen twijfel over, dat ik wezenlijk was wat hij wenschte,

totdat hij in een noodlottig oogenblik mijn brief ontving, waarin

ik met alle mogelijke welsprekendheid er voor bedankte, in mijns

vaders somber kantoor te zitten, zeker hooger dan Owen en de andere

kantoorbedienden, maar nog iets lager dan zijn eigen kantoorstoel. Van

dat oogenblik af was alles bedorven. En Dubourg's berichten werden

evenzoo verdacht, alsof de betaling der op hem getrokken wissels

geweigerd ware geworden.

Ik werd dus in allerijl naar huis ontboden en ontvangen, zooals ik

u beschreven heb.

Robbert Roodhaar · 第 7 / 57 题