AANTEEKENINGEN.

Van dit stuk is geen oudere druk bekend dan die in de Folio-uitgave

van 1623 te vinden is; dat het reeds vóór 1598 was opgevoerd, blijkt

uit de vermelding er van door Francis Meres in zijn _Palladis Tamia_

(zie boven blz. 47 en 120). Maar ongetwijfeld is het stuk eenige

jaren ouder. Let men op den ganschen bouw er van, op den versbouw,

het veelvuldig voorkomen van het rijm en van knuppelverzen, op

de woordspelingen, op de wijze waarop de twee dienaren als Clowns

optreden, op de overeenstemming met gedachten, in "Venus en Adonis"

en in Sonnetten uitgedrukt, dan wordt men hiervan ten stelligste

overtuigd. Het vermoeden, dat het stuk van 1591 dagteekent, komt zeker

der waarheid zeer nabij. Of het ouder of jonger is dan "de Klucht

der vergissingen" en "Veel gemin, geen gewin" is ondertusschen niet

wel uit te maken.

Voor zoover wij kunnen oordeelen, heeft Shakespeare het plan voor dit

stuk geheel zelf ontworpen en niet aan een novelle of iets dergelijks

ontleend, al moge dit met enkele bijzonderheden wel het geval zijn. De

geschiedenis van Proteus en Julia vertoont namelijk in enkele punten

vrij groote overeenkomst met die van Don Felix en Felismena in den

herdersroman _La Diana_, van den Spaanschen dichter Jorge de Montemayor

[1], een werk, dat in 1598 in het Engelsch verscheen en veel opgang

maakte, maar vele jaren vroeger vertaald en als handschrift door velen

gelezen was; reeds in 1584 schijnt uit dezen roman een blijspel, _The

history of Felix and Philiomena_, getrokken en ten hove opgevoerd

te zijn.--Wie juist weten wil, wat Shakespeare aan dezen roman

ontleend kan hebben, vindt de hiertoe noodige uittreksels in Delius'

Shakespeare-uitgave.

Bij de poging om dit stuk te beoordeelen, stuit men op groote

moeilijkheden, zooals wel uit het zeer verschillend oordeel

van uitgevers en critici blijken kan, waaromtrent men Knight in

zijn Imperial edition van Shakespeare moge naslaan. Terwijl men,

het geheele stuk door, den dichter aan zijn zeggingskracht, zijn

versbouw, zijn rijkdom van gedachten, zijn wijze om de personen

te karakteriseeren herkent, treft men in het beloop van het stuk

zooveel tegenstrijdigheden aan, dat men tot het besluit moet komen,

een verminkt en door onbevoegde hand gewijzigd stuk van Shakespeare

voor zich te hebben. Men oordeele. Valentijn en Proteus worden naar

het hof des keizers gezonden, maar komen bij een naamloozen hertog te

Milaan aan; van een schoonen ridder Eglamour wordt in Verona verteld,

dat hij naar Julia's hand dingt, en in Milaan wordt van Eglamour

getuigd, dat hij, om de nagedachtenis zijner gestorven geliefde in

eere te houden, de gelofte van eeuwige kuischheid heeft afgelegd;

hij wordt door Silvia gekenschetst als ridder zonder smet of blaam en

door haar als beschermer gekozen op haar reis, maar weet, door roovers

overvallen, verbazend snel beenen te maken; Julia heeft in het eerste

bedrijf een vader, maar geeft, als zij haar tocht gaat ondernemen,

het beheer van haar vermogen, landerijen enz. aan haar kamerjuffer

en vertrouwde over; als Proteus een poos met Silvia gekeuveld heeft,

zegt hij: "Ik heb nog alleen hare beeltenis gezien"; Julia geeft aan

Silvia eerst een verkeerden brief en daarna den rechten, maar van

den eersten hoort men niets meer; Silvia ontmoet volgens afspraak den

ridder Eglamour bij de cel van broeder Patricius, en toch zegt later

haar vader, dat zij er niet geweest is; Valentijn zucht in het bosch

om Silvia, ontrukt haar aan de handen van zijn trouweloozen vriend

Proteus, die door Silvia verafschuwd wordt, maar staat, zoodra Proteus

schuld belijdt en berouw toont, hem zijn Silvia oogenblikkelijk af,

en deze heeft niets hiertegen te zeggen.

Bij nauwkeurige beschouwing vindt men enkele bijzonderheden,

die ons vermoeden, dat het stuk gewijzigd is geworden, zeer

versterken. Waarschijnlijk kwamen Valentijn en Proteus wel aan

's keizers hof aan, en is de keizer tot hertog gedegradeerd; want

tot tweemaal toe zegt de hertog, eerst van Proteus, daarna van

Valentijn, dat zij de liefde eener _keizerin_ waardig zijn; van

den laatste, dat hij in den raad eens _keizers_ op zijn plaats zou

wezen; de omgang van Valentijn met Silvia getuigt van een zeer groot

verschil in stand; daarmede strookt de hoogheid van de verwijten des

hertogs aan Valentijn, die van het _koninklijk_ hof verbannen wordt;

de omgang van Valentijn met Silvia was ongetwijfeld door den keizer

argeloos toegelaten, omdat het verschil in rang zeer groot was.--Dat

de keizer tot een hertog wordt, die de wenschen van een minnaar als

Thurio begunstigt, is zeker aan een lateren bewerker te danken.--In het

oorspronkelijk stuk was Silvia's portret zeker van meer beteekenis en

werd door Proteus gezien en bewonderd, vóór hij haar zelf zag. Eglamour

was waarschijnlijk ook een ander persoon; misschien had Valentijn de

reis van Silvia met Eglamour en beider vertrouwelijken omgang verkeerd

opgevat en zijn geliefde voor trouweloos gehouden, zoodat hij daarom

bereid is, haar aan Proteus af te staan.--Julia zal waarschijnlijk een

brief van Proteus, die aan haarzelf gericht was, aan Silvia overhandigd

hebben en zich daardoor aan deze bekend gemaakt.--Wat er van dit alles

zij, zooveel kan uit het bovenstaande blijken, dat het stuk, ons door

de Folio-uitgave van 1623 bewaard gebleven, vermoedelijk aanmerkelijk

afwijkt van wat de dichter geschreven heeft; de leemten, die wij

er in opmerken, kunnen niet wel aan een plan- of gedachteloosheid

des dichters zijn toe te schrijven. Het is dus hoogstwaarschijnlijk,

dat het oorspronkelijk stuk door een omwerker is gewijzigd; misschien

was het verminkt geraakt of verloren gegaan, en heeft een onbevoegde

hand het met behulp van gedeeltelijke handschriften of uitgeschreven

rollen weder trachten samen te stellen.

I. 1. 2. _Thuiszitten maakt een jonkman tot een huishen._ Die niet

verder ziet dan de muren van zijn huis. In 't Engelsch: _Homekeeping

youth have ever homely wits._

I. 1. 17. _Want ik wil voor u bidden, Valentijn._ _For I will be thy

beadsman, Valentine._ Een man die aangesteld is om gebeden voor iemand

te doen.

I. 1. 27. _Wat, laarzen?_ enz. In 't Engelsch is hier een drievoudige

woordspeling met _boots_, laarzen, _to give the boots_, belachelijk

maken, en _to boot_, baten, bevoordeelen.--De Spaansche laarzen,

hier genoemd, zijn het bekende foltertuig.

I. 1. 53. _Want aan de haven wacht_ enz. In 't Engelsch staat _at

the road_, aan de reede; men zou dus zeggen, dat Verona hier als

een zeestad beschouwd moet worden. Er zijn bewijzen genoeg, dat

Shakespeare met de geographie van Italië zeer goed vertrouwd was;

men behoeft hem volstrekt niet van onwetendheid te verdenken. De

toeschouwers waren Londenaars; bij grootere reizen naar een anderen

staat moesten waterwegen gevolgd worden; de dichter maakt er voor

zijn personen daarom ook gebruik van en stelt hiermede de reis zijn

toeschouwers aanschouwelijk voor oogen; al ontleent hij de namen van

personen en plaatsen aan Italië, Engelsche toestanden staan hem voor

den geest; hier geeft hem een oogenblik later het nagenoeg eveneens

klinken van _ship_ en _sheep_ (schip en schaap) aanleiding tot een

woordspeling; later wil Lans (II. 3. 58.) het stroombed met tranen

vullen, waarbij den toeschouwers de Theems voor den geest kwam;

bij struikroovers dachten deze terstond aan de bekende roovers van

Sherwoodforest, bij wie broeder Tuck kapelaan was; daarom laat de

dichter (IV. 1. 36.) Italiaansche roovers bij de geschoren kruin

van dien pater zweren. Zulk een dichterlijke vrijheid, die de

voorgestelde zaken recht aanschouwelijk maakte, veroorloofden zich

in de middeleeuwen de dichters algemeen, en dit gebruik was tot den

tijd van Shakespeare in zwang gebleven. Aan onwetendheid des dichters

behoeft men niet te denken.

I. 1. 101. _Ik, een verloren schaap, gaf uw brief aan haar, een

verkoren schaap._ In 't Engelsch: _I, a lost mutton, gave your letter

to her, a laced mutton._ Een woordspeling met _lost_ en _laced_,

waarbij men bedenke, dat in Sh.'s tijd de _a_ in _laced_ nog niet

met den e-klank werd uitgesproken, zoodat de overeenkomst van _lost_

en _laced_ toen grooter was dan thans. _Laced_ beteekent eigenlijk

gevangen of vastgehouden, daar het substantief _lace_ of _strik_

(in 't Latijn _laqueus_) of ook een _net_ beteekent, zoodat _laced_

een goede tegenstelling met _lost_ vormt. Men denke dus niet aan een

met kanten behangen jonkvrouw en veel minder geve men _laced mutton_

de beteekenis van "licht vrouwspersoon",--want al is Flink, die woedend

is, dat hij geen fooi ontvangen heeft, brutaal genoeg om zich zulk een

uitdrukking ten opzichte van de geliefde zijns meesters te veroorloven,

zijn heer zou toch zeker zulk een gezegde niet zoo kalm aanhooren.

I. 1. 110. _U te schutten_, enz. Dit geheele gesprek van Proteus met

zijn dienaar is vol woordspelingen. Hij gebruikt hier het woord _pound_

in de beteekenis van in de schutskooi steken, zooals men verdwaald

vee doet. Flink vat het op als een pond sterling en splitst daarna

het woord _pinfold_, schaapskooi, in _pin_, een speld, een waardeloos

ding, en _fold_. Daarop volgt weer de samenvoeging van _nod_, knikken,

met het voornaamwoord _I_, ik, of het bevestigende _ay_, ja, tot

_noddy_, onnoozele bloed.--In het origineel voegde Theobald achter

het zeggen: _But what said she?_ als waarschijnlijk uitgevallen,

de woorden: _Did she nod?_ welke op blz. 160 ook in de vertaling

zijn opgenomen; zoo kon het onvertaalbare _noddy_ door een andere

woordspeling vervangen worden.

I. 1. 152. _De grootte uwer mildheid_ enz. Hier heeft het Engelsch

een woordspeling met _testify_, betuigen, en _testern_, met een

_tester_,--een geldstukje van een halven shilling waarde, waar een

kop, _testa_, _tête_, op gestempeld was,--begiftigen, een woord van

Sh.'s maaksel.

I. 1. 156. _Gij zijt de veiligheid van 't schip._ Op het zeggen, dat

wie voor de galg bestemd is, niet verdrinkt, zinspeelt Sh. ook in den

"Storm", I. 1. 30.

I. 2. 55. _Meisjes zeggen zedig neen._ Een Engelsch spreekwoord zegt:

_Maids say nay, and take it_, "meisjes zeggen neen en tasten toe".

I. 2. 83. _Luchte liefde._ Een lied, "Light o' love" beginnend, waarop

gedanst werd; zooals men toen gewoon was te doen; dezelfde wijs wordt

genoemd in "Veel leven om niets", III. 4. 44, waar gezegd wordt:

"zing gij het, dan zal ik dansen".--In het volgende worden allerlei

uitdrukkingen, voor muziek gebruikelijk, tevens in een anderen zin

opgevat; zoo beteekent _burden_ zoowel "refrein" als "last", _base_

"basstem" en tevens een op het land gebruikelijk krijgertjesspel, ook

_prison base_ of _prison bars_ geheeten, waarbij _to bid the base_,

het uittarten is van den speler, dat hij niet gekregen kan worden;

men zie "Venus en Adonis" reg. 303 en "Cymbeline" V 3. 19.

I. 2. 114. _Mijn boezem zij uw bed._ De dames hadden voor aan haar

keurs een zakje voor het bergen van brieven; meermalen wordt hierop

gezinspeeld, men zie bijv. in dit stuk III. 1. 144 en 250.

I. 2. 137. _Dat gij ze diep vereert._ Er staat: _you have a month mind

to them_, gij zijt er zeer belust op, zooals een vrouw soms heftige,

voorbijgaande verlangens heeft.

II. 1. 2. _Die hoort mij niet._ In 't Engelsch is een woordspeling

met _on_ en _one_, wat toen tamelijk gelijk werd uitgesproken.

II. 1. 26. _Als een bedelaar op Allerheiligen._ Op Allerheiligen liepen

bedelaars, zacht zingende, de huizen af en ontvingen dan zielekoeken,

_soulcakes_, als het loon hunner gebeden voor de dooden.--Voor het

_stappen als een leeuw_ staat in 't oorspronkelijke: "als een der

leeuwen", waardoor de dichter zijn gehoor de leeuwen van den Tower

voor den geest bracht.

II. 1. 79. _Zijn hoosbanden._ Het vergeten der hoosbanden wordt door

Shakespeare meermalen als een teeken van verliefdheid aangehaald, zie

"Elk wat wils" (_As you like it_), III. 2. 397; men vergelijke ook

"Hamlet" II. 1. 80.--Flink overdrijft nu nog, en zegt, dat Valentijn

zelfs vergat zijn hozen aan te trekken.

II. 1. 106. _Heer Valentijn, mijn dienaar._ In Sh.'s tijd werden

de vereerders of minnaars eener schoone of gebiedster, _Madam_

of _Mistress_, vaak _servant_ genoemd, wat dus nagenoeg hetzelfde

beteekent als _lover_.

II. 3. 4. _De verloopen zoon._ In 't Engelsch zegt Lans _prodigious_

voor _prodigal_ en _imperials_ voor _emperor's_ of _imperial_.--De

naam van den hond, _Crab_, beteekent wilde appel.

II. 3. 39. _Het tij verloopt._ Het Engelsch heeft hier een woordspeling

met _tide_, "getij" en _tied_, de vastgebondene (de hond).

II. 4. 152. _Een macht, een overheid._ Van een hoogen rang in de

engelenschaar; zie Paulus' Brief aan de Romeinen, VIII. 38.

II. 4. 192. _Gelijk een gloed een and'ren gloed verdringt._ Men vindt

dezelfde beelden in "Coriolanus", IV. 7. 54.

II. 4. 196. _Is 't nu mijn oog._ Het Engelsch is hier onvolledig;

_Is it mine or_ enz. Het is waarschijnlijker dat hier gelezen moet

worden met Warburton: _Is it mine eye or_ enz. dan, met Malone,

_Is it her mien or_ enz.

II. 4. 201. _Zooals een wassen beeld bij 't vuur._ Men vergelijke

"Koning Jan" V. 4. 24. Er wordt gedacht aan wassen beelden, die door

toovenaars bij het vuur werden gehouden, om door smelten van het

beeld de persoon, die er door werd voorgesteld, te doen wegkwijnen.

II. 5. 1. _Welkom in Milaan._ In den tekst der folio-uitgave staat

Padua, zooals in III. 1. 81 en V. 4. 129. Verona voor Milaan. Het is

mogelijk, dat Shakespeare zelf zoo geschreven heeft, voor hij vast

bepaald had, waar hij het stuk zou laten spelen, maar 't kan ook aan

een omwerker liggen.

II. 5. 61. _Dat gij een Christenmensch een glas bier gunt._ In 't

Engelsch: _As to go to the ale with a Christian._ "Ale" beteekent

_bier_, maar ook een christelijk volksfeest, waarop, vóór de

hervorming, het door de geestelijken gebrouwen bier verkocht werd,

aan het volk op het kerkhof, aan de aanzienlijken in de kerk zelf; de

opbrengst was voor het onderhoud der kerken bestemd. Naar de plaats

en het jaargetijde droeg het bier verschillende namen: _Lamb-ale_,

_Bride-ale_, _Church-ale_, _Whitesun-ale_.--Als Flink met Lans niet

naar een _Ale_, naar zulk een kerkelijk feest, wil gaan, is hij geen

christenmensch.

II. 7. 53. _Met een klep._ In 't Engelsch staat: _with a codpiece_,

wat aldus verklaard kan worden: "a part of the male dress, very

indelicately conspicuous in the poet's time". Het werd nog al sterk

opgevuld, zoodat het wel als een speldenkussen dienst kon doen,

waarom er ook in andere comedies van dien tijd de draak mee gestoken

wordt. Men bezigde dit deel ook wel als zak om de beurs in te bergen,

zie "Winteravondsprookje", IV. 4. 623.

Twee Edellieden van Verona · 第 72 / 77 题