VIERDE TOONEEL.

Een ander gedeelte van 't woud.

Valentijn komt op.

VALENTIJN. Wat maakt gewoonte ras den mensch iets eigen!

Deez' donkere eenzaamheid, dit stille woud,

Behaagt mij meer dan rijke woel'ge steden.

Hier kan ik eenzaam zitten, ongezien,

Om aan het klagend lied des nachtegaals

Mijn jammertonen en mijn wee te huwen.

O gij, wier woning in mijn boezem is,

Laat uwe huizing niet zoo lang verlaten,

Dat ze in verval raak en tot puinhoop wordt,

Zoodat geen spoor meer blijft van wat zij was.

O schenk mij, Silvia, door uw bijzijn kracht!

Gij, zoete nimf, troost uw verlaten herder!--

Doch wat gedruisch, wat kreten zijn dat heden?

Mijn makkers, die hun wil als wet beschouwen,

Zijn wis een armen zwerver op het spoor,

Ik word van hen bemind; toch valt het zwaar,

Altijd hun lust tot ruw geweld te teug'len.

Verberg u, Valentijn; wie kan daar zijn?

(Hij wijkt ter zijde.)

(Proteus, Silvia en Julia komen op.)

PROTEUS. Mejonkvrouw, ik bewees u dezen dienst,--19

Schoon alles, wat uw dienaar doet, u niets is;--

Ik waagde 't leven en ontrukte u hem

Die eer en liefde u zou ontwrongen hebben.

Gun mij als loon een enk'len teed'ren blik;

Om kleiner gunst kan ik u toch niet smeeken,

En minder nog dan dit kunt gij niet geven.

VALENTIJN (ter zijde). Is dit een droom, wat ik daar zie en hoor?

Leen, Liefde, mij 't geduld om kalm te blijven.

SILVIA. Ellendige en onzaal'ge, die ik ben!

PROTEUS. Ellendig waart gij, jonkvrouw, eer ik kwam;

Doch door mijn komst heb ik u heil gebracht.

SILVIA. Eerst ùw nabijheid maakt mij recht ellendig.

Julia (ter zijde). En mij, wanneer hij u nabij wil zijn.

SILVIA. Had mij een uitgevaste leeuw gegrepen,

'k Had liever 't ondier tot ontbijt gestrekt,

Dan dat de valsche Proteus mij bevrijdde.

Tuig, Hemel, hoe ik Valentijn bemin,

Wiens leven ik zou koest'ren als mijn ziele;

En evenzoo,--daar meer onmooglijk is,--

Haat ik den valschen, eedvergeten Proteus.

Daarom, ga heen; houd niet meer bij mij aan.

PROTEUS. Wat waagstuk zou ik, hoe de dood ook dreigde,

Niet voor een enk'len zachten blik bestaan!

O oude vloek der liefde, dat den man

De vrouw, die hij bemint, niet minnen kan!

SILVIA. Dat Proteus, die hem mint, niet minnen kan!

Doorlees van Julia 't hart, uw eerstbeminde;

Om haar hebt gij uw trouw in duizend stukken,

Die ge eeden noemt, verdeeld; en elken eed

Verkeert ge in meineed en zweert dien aan mij.

U rest geen trouw, of wel, gij hebt twee trouwen,

Wat erger is dan geen; veel beter geen,

Dan trouw in 't meervoud; altijd één te veel.

Gij huich'laar bij uw trouwsten vriend!

PROTEUS. Wie kent,

Waar 't liefde geldt, een vriend?

SILVIA. Slechts Proteus niet.

PROTEUS. Nu, zoo der overreding zachte geest

U niet tot zachtheid stemmen kan, zoo wil ik

Op krijgsmanswijs u met mijn arm veroov'ren,

U tegen liefdes innigst wezen minnen,

U dwingen,--59

SILVIA. Hemel!

PROTEUS. Dwingen, mijn te zijn.

VALENTIJN (vooruittredend). Ellend'ling, weg van haar die ruwe hand!

Gij vriend van boos gehalte!

PROTEUS. Valentijn!

VALENTIJN. Gij lage vriend, gij zonder trouw of liefde,--

Ja, zoo is nu een vriend,--gij aartsverrader!

Gij hebt mijn hoop bedrogen; slechts mijn oog

Kon me overtuigen. Nooit meer kan ik zeggen:

"Ik heb een vriend"; gij zoudt mij logenstraffen.

Wie is betrouwbaar, als de rechterhand

Meineedig wordt aan 't harte? Proteus,

Mij grieft, dat ik u nooit meer mag vertrouwen,

Doch heel de wereld vreemd'ling mij moet zijn.

O diepe zielswond! diepstvervloekte tijd,

Dat gij, een vriend, mijn ergste vijand zijt!

PROTEUS. Vernietigd ben ik door mijn schande en schuld.--

Vergeef mij, Valentijn! Zoo diep berouw

Als losgeld voor zoo zware schuld volstaat,

Dan bied ik 't hier; voorwaar mijn smart is groot,

Zoo groot als mijn vergrijp.

VALENTIJN. Ik ben voldaan;

En reken u op nieuw een eerlijk man.

Wien boete niet verzoent, behoort ten hemel

Noch aarde; beide kan berouw verteed'ren,

En de Eeuw'ge heft hen op, die zich verneed'ren.

En, dat ik u weer vriend acht, blijke u nu:

Al wat in Silvia mijn was, schenk ik u.

JULIA. O, ik onzaal'ge!

(Zij zijgt neder.)

PROTEUS. Zie, wat schort mijn knaap?

VALENTIJN. Wat, knaap! hé schelmpje! wat moet dit beteek'nen?

Zie op, en spreek!

JULIA. O heer, mijn meester gaf mij

Een ring, om jonkvrouw Silvia dien te brengen;

En ik verzuimde 't uit onachtzaamheid.

PROTEUS. Waar is die ring, knaap?

JULIA. Hier, hier is hij, heer.

(Zij geeft hem een ring.)

PROTEUS. Geef, laat mij zien.

Dat is de ring, dien ik aan Julia gaf. 93

JULIA. O heer, vergeef mij; 'k gaf u den verkeerden;

Hier is de ring, dien gij aan Silvia zondt.

(Zij toont een anderen ring.)

PROTEUS. Doch hoe kwaamt gij aan dezen ring?

Ik gaf hem Julia bij het afscheidnemen.

JULIA. En Julia zelf heeft hem aan mij gegeven,

En Julia zelf heeft hem hierheen gebracht.

PROTEUS. Wat! Julia!

JULIA. Ja, zie haar hier, het doel van al uw eeden,

Die ze alle diep in 't harte heeft bewaard;

Hoe vaak hebt gij het diep gekliefd door meineed!

O Proteus, deze kleeding doe u blozen;

Schaam gij u, dat ik in onvoegzaam kleed

Mij hullen moest, indien ten minste schaamte

Bij valsche liefde woont!

Bloost Zedigheid, verzaakt de vrouw haar kleed,

Het grieft haar meer, verzaakt de man zijn eed.

PROTEUS. De man zijn eed! 't is waar; o was de man

Steeds trouw, hij waar' volmaakt; die eene feil

Wekt tal van zonden, maakt hem ziende blind;

Ontrouw valt af, eer 't minnen recht begint.

Wat schoon siert Silvia, dat mijn oog thans niet,

Weer trouw, veel schooner nog in Julia ziet?

VALENTIJN. Komt, elk van u reik' mij de hand!

Gun mij 't geluk, dat ik den heilvreê sluit;

De haat van zulk een vriendenpaar hebbe uit.

PROTEUS. Tuig, Hemel, 'k ben aan 't einddoel mijner wenschen!

JULIA. En ik der mijne!

(Bandieten komen op, met den Hertog en Thurio.)

BANDIETEN. Een vangst, een vangst! een vangst!

VALENTIJN. Laat af! laat af! De hertog is 't, de vorst!--

Sta uw genade een man in ongenade

Een welkomst toe, den balling Valentijn.

HERTOG. Wat, Valentijn!

THURIO. Mijn Silvia daar! de mijne!

VALENTIJN. Thurio, terug, of gij omarmt den dood.

Blijf buiten het bereik van mijnen toorn.

Noem Silvia de uwe niet, want, zoo gij 't waagt,

Geheel Milaan beschermt u niet. Hier staat zij;

Nu, waag het, roer haar met een vinger aan,

Mijn liefste met een enk'len ademtocht!

THURIO. Heer Valentijn, zij is mij onverschillig.

Ik reken hem een dwaas, die voor een meisje,

Dat hem verwerpt, zijn leven wagen wil;

Ik maak geen aanspraak op haar; zij is u.

HERTOG. Des te nietswaardiger en laag zijt gij,

Eerst zoo naar haar te staan, als gij het deedt,

En dan op zulk een wijs haar op te geven.

Voorwaar, bij de eere van mijn voorgeslacht,

Ik juich uw moed toe, Valentijn, en reken

De liefde u waardig van een keizerin.

Daarom, al wat mij griefde zij vergeten;

Mijn wrok vervloog; ik roep u weer terug.

Uw onbetwistb're waarde geeft u aanspraak

Op nieuwen rang; dies zeg ik: Valentijn,

Gij zijt een edelman van besten bloede;

Neem gij uw Silvia, want gij zijt haar waard.

VALENTIJN. Ik dank u, vorst, uw gift maakt mij gelukkig.

Ik bid u thans, ter wille van uw dochter,

Verleen mij ééne gunst, die ik u vraag.

HERTOG. 'k Verleen u, wat ge ook wenscht, om uwentwil.

VALENTIJN. Die mannen hier, met wie ik heb geleefd,

Zijn ballingen van stand en van bekwaamheid.

Vergeef hun, wat zij hier misdreven hebben,

En roep hen uit hun ballingschap terug.

Zij zijn verbeterd, welgezind, beschaafd,

Voor hooge posten bruikbaar, edel vorst.

HERTOG. Gij wint uw pleit, als u vergeef ik hun;

Geef hun een werkkring zooals gij hen kent.

Doch gaan wij; ied're wanklank zij verdoofd

Door blij gejuich en ongekende feesten.

VALENTIJN. En onderweg beproeve mijn verhaal

Bij uw genade een glimlach uit te lokken.

Wat dunkt u van deze' edelknaap, mijn vorst?

HERTOG. De knaap is recht bevallig; zie, hij bloost.

VALENTIJN. Ik zeg u, heer, bevallig eer, dan knaap.

HERTOG. Wat wilt gij daarmee zeggen?

VALENTIJN. Behaagt het u, dan deel ik onder 't gaan

U zaken mee, die u verbazen zullen.--

Kom, Proteus, dit moog' heel uw boete zijn,

De onthulling van uw liefdes aan te hooren;

Dan moet mijn huwlijksdag ook de uwe zijn;

Één feest, één huis, één onderling geluk.

(Allen af.)

Twee Edellieden van Verona · 第 71 / 77 题