Het woud tusschen Milaan en Mantua.
Bandieten komen op, met Silvia.
EERSTE BANDIET. Kom, kom;
Bedaard! wij brengen u tot onzen hoofdman.
SILVIA. Mij leerden duizend andere ongevallen
Ook dit nu met gelatenheid te dragen.
TWEEDE BANDIET. Komt, brengt haar weg.
EERSTE BANDIET. Waar is die edelman, die bij haar was?
DERDE BANDIET. Hij was zoo vlug ter been, dat hij ontsnapte;
Doch Mozes en Valerius volgen hem.
Breng gij haar tot den hoofdman, aan den westzoom
Van 't woud; laat ons den vlucht'ling achtervolgen;
Het bosch is afgezet; hij kan niet weg.
EERSTE BANDIET. Kom, naar de grot des hoofdmans breng ik u.
Vrees niets; grootmoedig is hij; en geen vrouw,
Die hij ooit smaad of schande lijden deed.
SILVIA. O Valentijn, om u draag ik dit leed.
(Allen af.)