PROTEUS. Doch paar'len noemt men blank; en 't zeggen is,
Een zwart man is een paarl in 't oog der schoonen.
JULIA (ter zijde). Ja, van die parels, die het oog verduistren,
Die 'k niet wil zien, en waar ik 't oog voor sluit.
THURIO. En hoe bevalt haar mijn gesprek?
PROTEUS. Slecht, als gij over oorlog spreekt.
THURIO. Doch goed, als ik van liefde spreek en vrede?
JULIA (ter zijde). Nog beter, als gij haar met vrede laat.
THURIO. Wat zegt zij van mijn moed?
PROTEUS. O, heer, daarover is zij niet in twijfel.
JULIA (ter zijde). Waarom ook, als zij weet, hoe laf hij is.
THURIO. Wat zegt zij van mijn afkomst?
PROTEUS. Dat gij van hoogen rang zijt afgedaald.
JULIA (ter zijde). Van edelman tot zotskap, ja voorwaar.
THURIO. En spreekt zij van mijn landerijen?
PROTEUS. Ja, maar met leedbetuiging.
THURIO. En waarom?
JULIA (ter zijde). Dat zulk een ezel die bezit.
PROTEUS. Dat gij niet zelf er woont, maar die verpacht.
JULIA. Daar komt de hertog.
(De Hertog komt op.)
HERTOG. Hoe is 't, heer Proteus? en hoe gaat het, Thurio?
Wie uwer zag sinds kort heer Eglamour?
THURIO. Ik niet.
PROTEUS. Noch ik.
HERTOG. En mijne dochter?
PROTEUS. Ook niet.
HERTOG. Nu, dan,
Dan vlood zij tot dien kinkel Valentijn,
En dan is Eglamour haar metgezel.
Ja, broeder Laurens heeft hen saam ontmoet,
Toen hij door 't woud ging en gebeden las;
Hem kende hij, en dacht dat zij het was,
Doch, daar ze een masker droeg, was hij niet zeker;
Ook gaf zij voor, in Patricks cel deze' avond
Ter biecht te willen gaan, maar was er niet.
Dit alles saam bevestigt hare vlucht.
Stijgt daarom, bid ik, zonder overwegen,
Terstond te paard, en vindt mij aan den voet
Des bergs, waar langs zijn helling zich de weg
Naar Mantua wendt, want daarheen vloden zij.
Maakt, beste heeren, spoed, en volgt mij ras.
(De Hertog af.)
THURIO. Dat noem ik toch een dwaze deerne, die
't Geluk ontvliedt, wanneer het haar vervolgt.
Ik volg, veel meer op Eglamour gebeten,
Dan op de dolle Silvia nog verliefd.
(Thurio af.)
PROTEUS. Ik volg, veel meer op Silvia steeds verliefd,
Dan op haar helper Eglamour verbitterd.
(Proteus af.)
JULIA. En ik volg mee, en ik bestrijd die liefde;
Maar Silvia haat ik niet, zij vlood uit liefde.
(Julia af.)