JULIA. Zoo is 't, mejonkvrouw. 121

SILVIA. Ga, Ursula, en haal hier mijn portret.

(Er wordt een portret gebracht.)

Gij, breng dit aan uw heer, doch meld hem dit:

Die Julia, die zijn wufte zin vergeet,

Zou beter, dan die schim, zijn kamer sieren.

JULIA. Wil, jonkvrouw, dezen brief van hem doorlezen.--

Vergeef mij jonkvrouw, uit verstrooidheid reikte ik

U daar een brief, dien ik niet geven mocht;

Dit is het schrijven voor uw edelheid.

SILVIA. Ik bid u, laat mij de' andren nog eens zien.

JULIA. Dit mag niet zijn; vergeef mij, beste jonkvrouw.

SILVIA. Daar, neem dit weer!

Ik wil het schrijven van uw heer niet inzien,

'k Weet, met geloften is het opgepropt,

Met nieuw verzonnen eeden; maar hij breekt die,

Zoo ras als ik hier zijn papier verscheur.

JULIA. Hij zendt uw edelheid ook dezen ring.

SILVIA. Te schand'lijker van hem, dien mij te zenden;

Wel duizendmaal heb ik hem hooren zeggen,

Dat hem zijn Julia dien bij 't afscheid gaf.

Maar hebb' zijn valsche vinger dien ontwijd,

De mijne zal zijn Julia zoo niet krenken.

JULIA. Zij dankt u.

SILVIA. Wat zegt gij?

JULIA. Ik dank u, dat gij deel neemt in haar lot;

Die arme maagd! mijn meester krenkt haar diep.

SILVIA. Gij kent haar dus?

JULIA. Bijna zoo goed als ik mijzelven ken;

'k Verzeker u, bij 't denken aan haar leed,

Heb ik wel honderdmaal om haar geschreid.

SILVIA. Zij weet dus, dat haar Proteus trouwloos werd?

JULIA. Ik denk van ja, en dat zij daarom treurt.

SILVIA. En is zij niet zeer schoon?

JULIA. Zij was veel schooner, jonkvrouw, dan zij is.

Zoo lang zij dacht, dat haar mijn heer beminde,

Was zij, zoo meen ik, even schoon als gij;

Maar sinds zij niet meer in den spiegel ziet,

En 't masker, dat de zonne weerde, wegwierp,

Verkleurt de lucht de rozen van haar wangen,

En rooft aan haar gelaat zijn lelieblank;

En werd zij even bruin, als ik het ben.

Twee Edellieden van Verona · 第 64 / 77 题