VIERDE TOONEEL.

Aldaar.

Lans komt op, met zijn hond.

LANS. Als een mensch zijn dienaar zich hondsch tegen hem gedraagt,

ziet ge, dat is hard; een, dien ik van kindsbeen af heb opgebracht,

een, dien ik voor verdrinken bewaard heb, toen drie of vier van

zijn blinde broeders of zusters er aan moesten gelooven! Ik heb hem

afgericht, juist zooals iemand, die zich voorneemt: "Zoo wil ik een

hond africhten." Ik werd gestuurd om hem ten geschenke te brengen

van mijn meester aan juffer Silvia, en ik had nog nauwelijks een

voet in de eetzaal, of hij vliegt me naar haar bord en steelt haar

kapoenepootje. O, het is een kwaad ding, als een hond zich niet in

ieder gezelschap weet te gedragen! Ik zou willen, om zoo te zeggen,

dat een, die op zich neemt een hond te zijn, dan, als het ware, ook

in allen deele een hond was. Als ik niet meer verstand had gehad dan

hij, en het vergrijp, dat hij begaan had, niet op mij had genomen,

was hij, dit geloof ik zeker, er voor gehangen; zoo waar ik leef,

hij was er om koud geweest; oordeelt zelf. Hij dringt me zich daar in

het gezelschap van drie of vier voorname honden onder de tafel van

den hertog, en is me daar, met verlof, nog geen hondenpisje lang,

of de geheele zaal ruikt hem. "Naar buiten met den hond!" roept de

een; "Wat is dat voor een mormeldier?" zegt de ander; "Ranselt hem

de deur uit!" zegt een derde; "Hangt hem op!" zegt de hertog. Ik,

die de lucht van vroeger kende, wist dadelijk, dat het Krab was,

en ik ga me naar den man van de hondenzweep; "Vriend", zeg ik,

"gij zijt van plan dien hond daar te ranselen?" "Ja waarachtig,

dat ben ik", zegt hij. "Dan doet gij hem groot onrecht", zeg ik,

"ik was het, die dat je weet wel, deed." Hij maakt me geen verdere

praatjes meer, maar zweept mij de kamer uit. Hoe veel meesters

zouden dit voor hun dienaar doen? Ja, ik kan er een eed op doen,

ik heb in het voetblok gezeten voor worsten, die hij gestolen had,

anders was hij er om afgemaakt; ik heb te pronk gestaan voor ganzen,

die hij gedood had, anders had hij er voor moeten bloeden; aan dat

alles denk jij nu volstrekt niet meer.--Ja, en daar denk ik weer

aan den streek, dien je mij gespeeld hebt, toen ik afscheid nam van

jonkvrouw Silvia. Heb ik je niet altijd gelast, op mij te letten,

en even zoo te doen als ik? Wanneer heb je mij ooit mijn been zien

oplichten en wateren tegen een dame haar hoepelrok? Heb je ooit zulk

een streek van mij gezien? 43

(Proteus en Julia komen op.)

PROTEUS. Sebastiaan heet gij? Nu, gij staat mij aan,

En 'k zal terstond u met een dienst belasten.

JULIA. Met wat gij wilt; doen zal ik wat ik kan.

PROTEUS. Dat hoop ik, knaap.--(Tot Lans.) Gij liederlijke lummel!

Waar hebt gij sedert gist'ren rondgedwaald?

LANS. Wel, heer, ik heb aan juffer Silvia den hond gebracht, zooals

gij mij bevolen hadt.

PROTEUS. En wat zegt zij wel van mijn klein juweel?

LANS. Wel, zij zegt, uw hond was een mormeldier, en laat u weten,

dat een hondsche dank goed genoeg is voor zulk een geschenk.

PROTEUS. Zij nam den hond toch aan?

LANS. Neen, integendeel, hier heb ik hem weer meegebracht.

PROTEUS. Wat! heb je dien haar van mij aangeboden?

LANS. Ja, heer; het andere eekhoorntje werd mij op de markt door de

knapen van den hondenslager ontstolen; en toen heb ik haar mijn eigen

hond gebracht, die zoo groot is als tien van de uwen en daarom een

zooveel grooter geschenk.

PROTEUS. Ga, pak u weg en breng mijn hond terug,

Of kom mij nimmer weder onder de oogen!

Weg, zeg ik! Blijft gij staan om mij te tergen?

Gij knaap, die mij aldoor te schande maakt!

(Lans af.)

Sebastiaan, 'k heb u in dienst genomen,

Ten deele, wijl ik mij een jonkman wensch,

Die met verstand kan doen, wat ik hem opdraag,

Want op dien lummel is geen staat te maken;

Doch meest, wijl uw gelaat en uw manieren,--

Indien mijn zienerskunst mij niet bedriegt,--

Van goeden stand, geluk en trouw getuigen;

Deswegen, weet dit, nam ik u in dienst.

Ga nu terstond, neem dezen ring met u,

En stel aan jonkvrouw Silvia dien ter hand;

Die mij hem gaf, zij heeft mij zeer bemind.

JULIA. Gij haar wis niet, dat gij haar pand zoo wegschenkt;

Of is zij dood? 80

PROTEUS. Dat niet; ik denk, zij leeft.

JULIA. Helaas!

PROTEUS. Wat roept gij daar "Helaas"?

JULIA. Ik kan niet anders doen dan haar beklagen.

PROTEUS. Waarom beklaagt gij haar?

JULIA. 'k Verbeeld mij, zij beminde u evenzeer,

Als gij uw jonkvrouw Silvia nu bemint.

Zij droomt van hem, die hare min vergat;

Gij dweept met haar, die uwe min verwerpt.

Wat leed, dat min zoo tegen min zich kant!

Zie, dit bedenkend, riep ik uit: helaas!

PROTEUS. Nu, geef haar dezen ring met dezen brief;--

Zie, ginds, dàt is haar kamer.--Zeg mijn jonkvrouw,

Dat ik 't beloofde hemelsch beeld haar vraag.

En breng mij spoedig 't antwoord; op mijn kamer

Zult gij mij vinden, treurig en alleen.

(Proteus af.)

JULIA. Die boodschap, hoeveel vrouwen brachten ze over?

Ach, arme Proteus, gij hebt daar een vos

Als herder uwer lamm'ren aangesteld!

Ach, ik zottin! waarom beklaag ik hem,

Die uit den grond zijns harten mij versmaadt?

Omdat hij haar bemint, versmaadt hij mij;

Omdat ik hem bemin, beklaag ik hem.

Den ring hier schonk ikzelf hem bij ons afscheid,

Opdat hij mijner liefde steeds gedacht;

En ach, nu moet ik,--ik onzaalge bode!--

Gaan vragen wat ik niet erlangen wil,

Gaan brengen wat ikzelf geweigerd wensch,

Gaan roemen, wien ik als ontrouw gesmaad wensch!

Ik ben mijn heer een trouw en echt verloofde,

Doch kan hem niet een trouwe dienaar zijn,

Of aan mijzelve pleeg ik boos verraad.

Toch wil ik voor hem smeeken, doch zoo koud,

Als ik,--God weet het,--hare weig'ring wensch.

(Silvia komt op, met Gevolg.)

Mejonkvrouw, goeden dag! Ik bid u, help mij,

Dat ik de jonkvrouw Silvia spreken kan.

SILVIA. Zoo ik het waar', wat zoudt gij van haar willen?

JULIA. Zoo gij het zijt, dat gij geduldig aanhoort,

Wat ik als boodschap overbrengen moet.

SILVIA. Van wien?

JULIA. Mejonkvrouw, van mijn heer, Signore Proteus.

SILVIA. Hij zendt om een portret u hier, niet waar?

Twee Edellieden van Verona · 第 63 / 77 题