SILVIA. Hoe groot was zij? 162

JULIA. Van mijne lengte; want op Pinkst'ren werd

Er door het jonge volk tooneel gespeeld,

En viel aan mij de vrouwerol te beurt;

Men stak mij in een kleed van jonkvrouw Julia;

En dit zat mij naar aller oordeel zoo,

Alsof het voor mijzelven was gemaakt;

Zij moet dus juist van mijne lengte zijn.

Ik bracht haar toen in allen ernst aan 't weenen,

Want inderdaad, aandoenlijk was mijn rol.

'k Was Ariadne, die haar wanhoop uit

Om Theseus' vlucht en schand'lijk laag verraad;

Ik speelde zoo natuurlijk in mijn tranen,

Dat, diep geroerd, mijn arme meesteres

Recht bitter weende; en sterven wil ik hier,

Voelde ik niet in mijn hart haar kommer mee!

SILVIA. Zij is u dank verschuldigd, lieve jong'ling.--

Die arme jonkvrouw! troostloos en verlaten!--

Ikzelf moet weenen, denk ik aan uw woorden.

Hier, jonkman, neem mijn beurs; ik geef u die

Om uwer jonkvrouw wil, die gij zoo lief hebt.

Vaarwel!

(Silvia met haar Gevolg af.)

JULIA. En danken zal ze u, leert gij eens haar kennen.--

Een eed'le jonkvrouw, lieflijk, zacht en schoon!

Mijns meesters aanzoek, wacht ik, laat haar koud,

Daar mijn meest'resse's liefde haar zoo roert.

Ach, wat kan liefde beuz'len met zichzelf!

Hier is haar beelt'nis. Laat mij zien: mij dunkt,

Met zulk een kapsel ware mijn gelaat

Volstrekt niet minder lieflijk dan het hare;

En toch, de schilder vleide haar wel iets,

Tenzij ik al te zeer mijzelve vlei.

Haar lokken zijn lichtbruin, de mijne blond;

Maakt dit nu voor zijn liefde zulk verschil,

Dan koop ik mij een haartooi van die kleur.

Haar oog is blauw als glas, het mijne is 't ook,

Ja, doch haar voorhoofd laag, het mijne hoog.

Wat kan het zijn, dat hem in haar behaagt,

En hem niet ook in mij behagen moest,

Waar' niet de dwaze Liefde een blinde god?

Kom, schaduw, kom, en neem die schaduw op,

Uw mededingster! O gij zielloos beeld,

Gij wordt gekust, vereerd, bemind, vergood;

En ware er zin in zijn afgoderij,

Zijn godsbeeld ware, in plaats van u, mijn wezen.

'k Wil om uw meesteres u goed behand'len,

Zij deed het mij; want anders, bij den Hemel!

'k Had u de stikziende oogen uitgekrabd,

Om van mijns meesters liefde u te berooven.

(Julia af.)

Twee Edellieden van Verona · 第 65 / 77 题