DERDE TOONEEL.

Aldaar.

Eglamour komt op.

EGLAMOUR. 't Is nu het uur, dat jonkvrouw Silvia mij

Hier heeft ontboden om haar wensch te hooren.

Voor iets gewichtigs eischt zij wis mijn dienst.

Mejonkvrouw! jonkvrouw!

(Silvia verschijnt weder aan haar venster.)

SILVIA. Wie roept daar?

EGLAMOUR. Iemand, die uw dienaar is,

Een vriend, die uw bevelen komt vernemen.

SILVIA. Heer Eglamour, veel duizend goede morgens!

EGLAMOUR. Niet minder, eed'le jonkvrouw, wensch ik u.

Naar uw vereerende opdracht kom ik hier

In 't morgenuur vernemen, welken dienst

Het u behaagd heeft aan mij op te dragen.

SILVIA. O Eglamour, gij zijt een edelman,--

Neen, 't is geen vleitaal, die ik spreek, ik zweer het,--

Wijs, dapper, diepgevoelend, waarlijk ridder.

't Is u niet onbekend, wat diepe neiging

Ik voor den balling Valentijn steeds voed,

Noch, hoe mijn vader tot een echt mij dringt

Met de' ijd'len Thurio, dien mijn ziel verfoeit.

Gij hebt bemind; ik hoorde zelve u zeggen,

Dat nooit een leed zoo diep uw harte trof,

Als toen uw dierbare uitverkoor'ne stierf,

Wier graf uw eed van eeuw'ge trouw vernam.

Heer Eglamour, ik wil naar Valentijn,

Naar Mantua, waar hij, zoo hoor ik, toeft;

En daar de wegen hoogst onveilig zijn,

Zoo vraag ik, steunend op uw eer en trouw,

Dat gij mij op de reis geleiden wilt.

Neen, wijs mij op mijns vaders gramschap niet;

Denk aan mijn leed slechts, eener vrouwe leed,

En hoe ik recht heb om van hier te vluchten,

Ten einde een hoogst onheil'gen echt te ontgaan,

Door hemel beide en 't lot met vloek bedreigd.

Ik smeek u uit het diepste van een hart,

Zoo vol van kommer als de zee van zand,

Dat gij als mijn geleider mij verzelt;

Zoo niet, dat gij verzwijgt, wat ik u zeide,

Opdat ik 't wagen moog', alleen te gaan.

EGLAMOUR. Mejonkvrouw, ik beklaag uw liefdekommer,

En weet, hij geldt een deugdrijk edelman;

Ik ben daarom bereid u te verzellen;

En luttel acht ik wat mij treffen kan,

Maar wensch te meer van harte u alle heil.

Wanneer wenscht gij te gaan?

SILVIA. Deze' eigen avond.

EGLAMOUR. Waar vind ik u?

SILVIA. In broeder Patrick's cel,

Waarheen ik, als ter biecht, mij zal begeven.

EGLAMOUR. Ik zal er zijn, mejonkvrouw.

Thans goeden morgen, lieve jonkvrouw.

SILVIA. Dank; goeden morgen, ridder Eglamour.

(Beiden af.)

Twee Edellieden van Verona · 第 62 / 77 题