JULIA. Juist, die overgang doet mij zeer.
WAARD. Gij zoudt wenschen, dat zij aldoor hetzelfde speelden?
JULIA. Dat een hetzelfde door bleef spelen, wenschte ik.--
Maar zeg, die Proteus, vriend, waar wij van spraken,
Heeft hij met deze jonkvrouw veel verkeer?
WAARD. Ik zeg u, wat Lans, zijn knecht, mij gezegd heeft:--hij bemint
haar zoo, dat de kerfstok vol is.
JULIA. Waar is Lans?
WAARD. Zijn hond gaan zoeken, dien hij morgen, op bevel van zijn
meester, aan de jonkvrouw ten geschenke moet gaan brengen.
JULIA. Stil, stil, ter zijde; het gezelschap gaat heen.
PROTEUS. Wees niet bekommerd, Thurio; pleiten zal ik,
Dat gij mijn sluwheid hooglijk roemen zult.
THURIO. Waar vind ik u?
PROTEUS. Bij den Gregorius-put.
THURIO. Vaarwel!
(Thurio af, met de Muzikanten.)
(Silvia verschijnt aan haar venster.)
PROTEUS. Uwe Edelheid een goeden avond, jonkvrouw!
SILVIA. Mijn dank voor uw muziekbegroeting, heeren!
Wie is het, die daar sprak?
PROTEUS. O, kendet gij zijns harten zuiv're trouw,
Gij leerdet ras hem aan de stem te kennen.
SILVIA. Signore Proteus, als ik het wel heb.
PROTEUS. Ja, Proteus, eed'le jonkvrouw, en uw dienaar.
SILVIA. Wat wilt gij hier?
PROTEUS. Eenswillend zijn met u.
SILVIA. Dit staat aan u; niets anders is mijn wil,
Dan dat gij daad'lijk u ter ruste spoedt.
Gij loos, meineedig, valsch en trouwloos man!
Gelooft gij mij zoo ijdel, zoo onnoozel,
Dat mij uw vleitaal ooit verlokken zou,
Hoe menigeen uw eeden ook bedrogen?
Keer huiswaarts en doe boete aan uw geliefde.
Ik, bij die bleeke koningin der nacht,
Ik, verre van uw smeeken te verhooren,
Veracht u om uw schand'lijk aanzoek diep,
En ben geneigd mijzelve te verwijten,
Dat ik nog zooveel tijd aan u verspil. 104
PROTEUS. Ja, ik erken, geliefde, ik minde een jonkvrouw,
Doch zij is dood.
JULIA (ter zijde). Ik kon hem logenstraffen,
'k Weet zeker, dat zij niet begraven is.
SILVIA. Dit moog' zoo zijn, maar Valentijn, uw vriend,
Hij leeft nog, en met hem,--gij zijt getuige,--
Ben ik verloofd; en schaamt gij u niet diep,
Door uwen boozen aandrang hem te krenken?
PROTEUS. 'k Hoor, dat ook Valentijn gestorven is.
SILVIA. Zoo reken mij het ook, want in zijn graf
Is, weet dit, mijne liefde meebegraven.
PROTEUS. Vergun mij, dierb're, uit de aard die op te raak'len.
SILVIA. Ga, rakel uit uw liefste's graf de hare,
Of--dat er de uwe meebegraven zij!
JULIA (ter zijde). Hij heeft dat niet gehoord.
PROTEUS. Mejonkvrouw, blijft uw hart zoo onvermurwbaar,
Sta aan mijn liefde toch uw beelt'nis toe,
De beelt'nis, die in uwe kamer hangt;
Tot haar wil ik dan spreken, zuchten, weenen;
Want daar gij 't wezen van uw heerlijk zelf
Hebt weggeschonken, ben ik slechts een schim,
En wil uw schaduw trouwe liefde wijden.
JULIA (ter zijde). Ja, waar' ze een werk'lijk wezen, gij bedroogt het,
Dat het een schim wierd, zooals ik het ben.
SILVIA. 'k Ben recht ongaarne, heer, uw afgodsbeeld;
Doch daar het met uw valschheid strookt, dat gij
Voor schimmen knielt, een ijdel beeld aanbidt,
Zoo laat het morgen ochtend bij mij halen.
En nu, slaap wel!
PROTEUS. Als arme zondaars doen,
Wie 't halsgericht den and'ren morgen wacht.
(Proteus en Silvia af.)
JULIA. Waard, gaat gij mede?
WAARD. 'k Was op mijn woord, daar vast in slaap geraakt.
JULIA. Waar woont die heer, die Proteus? zeg mij dit.
WAARD. Wel, in mijn huis. Ik geloof waarachtig, dat het bijna dag is.
JULIA. Dat niet; maar toch, het was de langste nacht,
Die ik doorwaakte, en zeker ook de bangste.
(Beiden af.)