Milaan. Open plaats voor 's Hertogs paleis, onder Silvia's
kamervenster.
Proteus komt op.
PROTEUS. Reeds was ik trouwloos jegens Valentijn;
Nu moet ik Thurio 't eigen onrecht doen;
Want onder 't mom, dat ik zijn voorspraak ben,
Verwierf ik toegang voor mijn eigen liefde.
Doch Silvia is te schoon, te trouw, te heilig,
Dan dat mijn waard'loos aanbod haar verleidt.
Betuig ik mijn genegenheid en trouwe,
Dan werpt zij mij mijn valsche vriendschap voor;
Bezweer ik de eeuw'ge macht van hare schoonheid,
Dan zegt zij mij, te denken, hoe ik de' eed
Van trouw aan Julia, die ik minde, brak.
En toch, trots al haar rassche booze woorden,
Meer dan genoeg om alle hoop te dooven,--
Hoe meer zij mijne liefde van zich stoot,
Groeit die te meer en vleit haar kwisp'lend steeds.
Doch Thurio komt; wij moeten aan haar venster
Nu avondtonen ruischen in haar oor.
(Thurio komt op, met Muzikanten.)
THURIO. Zoo, Proteus, zijt gij ons vooruitgeslopen?
PROTEUS. Ja, waarde Thurio, want gij weet, de liefde
Wil binnensluipen, waar zij niet kan gaan.
THURIO. Ja, maar ik hoop, heer, hier bemint gij niet.
PROTEUS. Ik doe het, heer, want anders ware ik elders.
THURIO. Wie, Silvia?
PROTEUS. Silvia, ja,--om uwentwille.
THURIO. Ik dank u voor uw liefde.--Heeren, thans
Gestemd, en 't lied dan lustig aangeheven. 25
(De Waard en Julia komen op, op den achtergrond; Julia in
pageskleeding.)
WAARD. Nu, mijn jonge gast, mij dunkt, gij
zijt mankeliek; mag ik vragen, waarom?
JULIA. Och, goede vriend, wijl ik niet lustig zijn kan.
WAARD. Kom, kom, wij zullen u wel lustig
maken. Ik wil u brengen, waar gij muziek zult
hooren en den edelman zien, waar gij naar gevraagd
hebt.
JULIA. En zal ik hem ook hooren spreken?
WAARD. Ja, dat zult gij.
JULIA. Dat zal muziek zijn.
(De muziek begint.)
WAARD. Luister, luister!
JULIA. Is hij daarbij?
WAARD. Ja, maar stil, laat ons luisteren!
(Lied.)
Wie is Silvia? wat is zij?
De jong'lingschap omzwiert haar.--
Heilig, schoon en wijs is zij;
Door 's Hemels gunst versiert haar
Al wat roem geeft en waardij.
Even goed is zij als schoon;
Dit schenkt haar alvermogen;
Amor koos haar oog ter woon
En ziet nu door haar oogen,
Zit, niet blind meer, daar ten troon.
Zingt dus Silvia, roemt haar macht
En weêrgâlooze waarde,
't Liefste schoon, de rijkste pracht,
Den roem der glanslooze aarde!
Huldekransen haar gebracht!
WAARD. Hoe is het? zijt gij nog treuriger dan te voren? Hoe is het,
jonkman? Is de muziek u niet goed genoeg?
JULIA. Misgeraden; de muzikant is mij niet goed genoeg.
WAARD. Hoe zoo, mijn beste knaap?
JULIA. Hij speelt valsch, vadertje.
WAARD. Hoe zoo? is het instrument valsch besnaard?
JULIA. Dat niet, maar hij speelt zoo valsch, dat hij de snaren van
mijn hart pijn doet.
WAARD. Gij zijt fijn van gehoor.
JULIA. O, ik wilde, dat ik doof was, want dit doet mijn hart zoo
bonzen.
WAARD. Ik merk het wel, gij houdt niet van muziek.
JULIA. Volstrekt niet, als zij zoo snerpend is.