VALENTIJN. Gewis, dit dank ik aan mijn jonglingsreizen;
't Ware anders menigmaal mij slecht vergaan.
DERDE BANDIET. Bij Robin Hood's gemesten paters kruintje,
Die borst mocht hoofd zijn onzer woeste bende.
EERSTE BANDIET. Wij willen hem.--Gij mannen, hier; een woord!
FLINK. Heer, sluit u bij hen aan;
't Is recht fatsoenlijk stelen, wat zij doen.
VALENTIJN. Stil, schurk!
TWEEDE BANDIET. Spreek: hebt gij iets, waar gij op reek'nen kunt?
VALENTIJN. 'k Heb niets dan wat het lot mij brengt.
DERDE BANDIET. Weet, een'gen onder ons zijn edellieden,
Die de overmoed der teugellooze jeugd
Uit de gemeenschap stiet van eerb're lieden;
Zoo werd ikzelf verbannen uit Verona,
Wijl ik beproefde een jonkvrouw daar te schaken,
Die rijk was en den hertog na verwant.
TWEEDE BANDIET. En ik uit Mantua, om een edelman,
Wien ik in drift een dolk in 't harte stiet.
EERSTE BANDIET. En ik om even zulk een klein vergrijp.
Doch nu ter zake; die belijd'nis strekte
Slechts om ons rooverleven u te ontschuldigen;
En daar wij zien, dat gij met kloeken bouw
Begaafd zijt, en, zooals gijzelf daar meldt,
De talen spreekt, kortom, geheel de man,
Die ons bij dit beroep recht welkom ware,--
TWEEDE BANDIET. En dan vooral, wijl gij een balling zijt,
Daarom voornaam'lijk spreken wij tot u.
Neemt gij ons voorstel aan, ons hoofd te zijn,
En met ons van den nood een deugd te maken,
En in de wildernis, als wij, te leven?
DERDE BANDIET. Wat zegt gij? wilt gij een der onzen zijn?
Sla toe en word de hoofdman van ons allen;
Dan doen we u hulde en volgen uw bevelen,
En eeren u als onzen heer en vorst. 67
EERSTE BANDIET. Maar als gij onze gunst versmaadt, dan sterft gij.
TWEEDE BANDIET. Gij leeft niet, dat gij op ons aanbod pocht.
VALENTIJN. 'k Neem 't aanbod aan en wil met u hier leven;
Doch op beding, dat gij steeds zwakke vrouwen
En arme zwervers spaart, hen nimmer deert.
DERDE BANDIET. Wijzelf verfoeien zulk een laag bedrijf.
Kom nu, wij brengen u tot onze schare,
En toonen u den buit, door ons vergaârd,
Die, als wijzelf, tot uw beschikking sta.
(Allen af.)